Alle berichten van admin

Kazachstan & Oezbekistan 2

De temperatuur daalde vannacht tot een graad of 3, maar veel hebben we daar tijdens onze yurt-nacht niet van gemerkt. Dubbele dekens en een beetje vermoeidheid doen wonderen.
We zijn er (weer) om 07:00 uur uit want om 09:00 uur zal Ruslan ons naar het treinstation brengen. We pakken onze spullen in en gaan dan naar de gemeenschappelijke ruimte voor het ontbijt.
Het ontbijt is al net zo goed als het diner van gisteravond, dus we laten het goed smaken.

Tegen 09:00 uur nemen we afscheid van moeders en gooien we onze rugzakken in de auto van Ruslan. In 25 minuten rijdt hij ons naar het station van Tulkibas, waar we hem bedanken en afscheid nemen.
Het station van Tulkibas stelt weinig voor en het is er drukker met dametjes die etenswaar proberen te verkopen dan met reizigers.
Wij nemen plaats in de wachtruimte en hopen dat de trein niet te veel vertraging heeft.

Met slechts een half uur vertraging arriveert de trein uit Almaty in Tulkibas. We laten onze tickets aan de conducteur zien en nemen plaats op onze bedden in wagon 7. Hoewel de rit slechts anderhalf uur in beslag neemt, heeft deze trein geen stoelen, maar alleen bedden. We nemen plaats op bed 13 en 15 en moeten wel vasstellen dat deze trein minstens 1 klasse minder is dan de trein waar wij gisteren in zaten. Dit oude bakkie rijdt wel beter op tijd.

Om 12:00 uur rijden we station Shymkent binnen en even later klimmen we in een sjofele Audi die als taxi dienst doet. De chauffeur zet ons netjes af bij ons hotel, waar we gelukkig gelijk op onze kamer kunnen. Gewapend met camera’s gaan we op pad, maar vanmiddag moeten we ook de buskaartjes voor de rit naar Tashkent op de kop tikken. Daar gaan we!

Niet ver van ons hotel gaan we bij Global Coffee naar voor een bakkie koffie. Dat hebben we wel verdiend.
Op de route naar het busstation ligt het Independance Park dat in 2011 ter gelegenheid van het 20-jarig jubileum van de onafhankelijkheid van Kazachstan is geopend. Ze hebben groots uitgepakt met een enorme granieten pilaar, een 50 meter hoge vlaggenmast, een enorm groot, op een ijshoorn lijkend gevaarte en een Romeins aandoende poort in een groot park. Elk van deze monumenten heeft een een betekenis, maar de ijshoorn is het meest bijzonder. Het zijn 137 stalen pijlers die de 137 nationaliteiten in Kazachstan voorstellen, die een Shanyrak ondersteunen (de ronde opening van een yurt).
We slingeren langs de bezienswaardigheden in het park en lopen dan door, op zoek naar het busstation.

Op een onduidelijk toeristisch kaartje dat we bij de receptie van het hotel hebben gekregen, staat ongeveer waar het busstation moet zijn, maar als we in de buurt denken te zijn moeten we toch even de weg vragen. De eerste man die we aanspreken, spreekt geen woord Engels, maar als Google Translate ‘busstation’ vertaalt in het Kazachs, wijst hij ons de weg. We lopen een paar minuten verder, maar zien nog geen busstation. Bij een benzinestation herhalen we dit ritueel en daar biedt een vriendelijke man aan om ons er even naar toe te brengen. Een paar straten verder zien wij in grote letters ‘Sayahat’ en volgens is dat het busstation. Onze hulp in bange dagen wuift dat weg en gebaart dat we verder moeten. Zo’n 10 minuten later zet hij z’n auto aan de kant bij een busstation voor mini-bussen en dat is precies wat we niet willen. Er volgt een moeilijke discussie met allemaal chauffeurs van de mini-bussen die ons natuurlijk graag als klant hebben en een vriend aan de telefoon die Engels spreekt en uiteindelijk kappen we de discussie af en vragen we de chauffeur om ons bij Sayahat af te zetten. Zo gezegd, zo gedaan en als we het busstation binnen gaan blijkt dat inderdaad het station te zijn waar de bussen naar Tashkent vertrekken. Met de hulp van een vriendelijke jongen die wel Engels spreekt, kopen we 2 tickets voor de rit van donderdag.

Vanaf het busstation gaan we op weg naar Abay Parki. We lopen door een deel van pre-Russisch Shymkent en komen dan langs een aantal restaurantjes. We gaan ergens zitten, omdat we toch een keer moeten lunchen.
Na de lunch is het nog een kwartiertje lopen naar het parki. Het is opgericht ter nagedachtenis aan alle Kazachen die in oorlogen zijn omgekomen. Indrukwekkendste monument is de Alley of Glory, waar in granieten platen de 140.000 namen van slachtoffers zijn gegraveerd.

Na een rondje door het park lopen we terug naar het hotel. Onderweg nemen we nog even plaats op een terras. Helaas hebben ze er geen lokaal gebrouwen bier, maar misschien lukt dat morgen.
We proberen onderweg ook nog dollars te pinnen, maar ook daarbij hebben we geen succes. Ook hiervoor geldt: morgen is er weer een kans.

Woensdag 9 oktober 2019

Het wordt eentonig, maar ook vandaag staan we weer vroeg aan het ontbijtbuffet. We duwen een paar bruine boterhammen met smeerkaas naar binnen, spoelen na met een bak thee en zijn dan klaar voor de rit naar Turkestan.
We nemen een taxi naar Samas busstation en vinden daar al snel de juiste mini-bus. Het busje zit al snel vol en nog voor 08:00 uur gaan we op weg.

Direct buiten Shymkent begint een fraaie 4-baans snelweg en de chauffeur maakt daar optimaal gebruik van. We waren even bang dat de 165km naar Turkestan een lijdensweg zou worden, maar op deze manier is dat binnen 2 uur gepiept.
Het blijft bijzonder die snelwegen in Kazachstan. Zo is er af en toe een zebrapad waar je over kan steken, staan er kamelen (de echte, met 2 bulten) langs de kant te grazen en laat een schaapsherder het verkeer stoppen als hij met z’n kudde naar het gras aan de andere kant van de snelweg wil. Boeren rijden met hun tractor stapvoets over de snelweg om balen hooi te vervoeren (gebeurt in Nederland ook wel eens).
Met zoveel vermaak is het ritje naar Turkestan een makkie.

In Turkestan staat Kazakhstans grootste architectonische monumet en tevens belangrijkste pelgrimsoord: het mausoleum van Kozha Akhmed Yasaui. Het is gebouwd in opdracht van de grote leider Tamerlane aan het eind van de 14e eeuw, op een schaal die vergelijkbaar is met zijn creaties in Samarkand.
Yasaui is de oprichter van de Yasauia Sufi orde en hij had de gave om zijn kennis over te brengen via gedichten.

Het prachtige blauw, turquoise, witte tegelwerk is voor de meesten het hoogtepunt van het mausoleum. Helaas overleed Tamerlane (de opdrachtgever) voordat de bouw af was, want daarna hebben de werklui alles uit hun handen laten vallen en is het tegelwerk van de facade niet afgemaakt. De bouwvakkers hebben zelfs de houten delen van het steigerwerk niet verwijderd. Heel apart!

We lopen ook even een rondje in het mausoleum, waar de binnenkant van de 18m brede koepel goed te zien is. Hier staat ook een kazan (geen familie van) voor het heilige water. Behalve de tombe van Yasaui bevindt zich hier ook de tombe van Abylay Khan, een leider van het Kazakhse verzet tegen de Zhungars en in een van de gangen van het mausoleum is nog een kleine moskee met een mooie kleine mihrab.

We lopen nog wat over het terrein rondom het mausoleum en inmiddels heeft de zon het tegelwerk wat beter verlicht. Terwijl we hier staan te kijken zien we dat de lokale bevolking rondjes om het mausoleum loopt, af en toe stil staan, het mozaïek aanraken binnensmonds iets mompelen. Het lijkt op de Tibetanen die de grote gebedsmolens laten ronddraaien terwijl ze rondjes lopen.
Wij bekijken alles vanaf een afstandje en lopen ons eigen rondje.

Om 13:30 uur lopen we langzaamaan weer terug naar downtown Turkestan. Onderweg blijven we even staan bij een bakker die grote ronde broden uit de oven haalt, waarna z’n vrouw ze netjes in een soort kinderwagen stapelt voor de verkoop. Het verse brood ruikt overheerlijk en we willen brood kopen. Dat kopen komt niks van, want de bakker geeft ons gratis een brood mee. Iets verderop gaan we op een bankje zitten en eten als hongerige leeuwen het versgebakken brood op.

Na de voedzame lunch gaan we naar de bushalte waar we afgezet zijn, maar daar zijn geen bussen naar Shymkent te vinden. Met handen en voeten wordt ons verteld dat de bussen vanaf een andere bushalte vertrekken. Gelukkig is die bushalte maar twee straten verderop.
Nadat Diana bij het busstation nog een leuk gordijnstofje heeft uitgezocht, stappen we in de klaarstaande mini-bus en rijden we in een uur en drie kwartier terug naar Shymkent.

‘s-Middags staat er niets op het programma en doen we wat typische vakantie-dingen; we wisselen wat geld, eten een ijsje, eten een heerlijke muffin en spoelen die weg met een sloot thee en ‘s-avonds gaan we eten bij een Georgisch restaurant. Dat eten valt zo in de smaak, dat Georgie op ons lijstje-met-toekomstige-vakantie-landen blijft staan.

Donderdag 10 oktober 2019

Daar gaan we weer! Vroeg het nest uit en op weg naar onze volgende bestemming. We verplaatsen ons vandaag naar Oezbekistan en daarvoor moeten we naar busstation Sayahat. Zoals gewoonlijk zijn we weer extreem op tijd (lees: te vroeg), dus nemen we nog een bak thee op het busstation. Zoals we gisteren ook al merkten is het ‘s-ochtends vroeg best fris; graadje of 5, terwijl het vanmiddag weer 25 graden zal zijn. Je weet niet welk mantelpakje je aan moet doen met dit weer.

De bus vertrekt mooi op tijd en op de snelweg zien we dat het maar 115km naar Tashkent is. De bus is nog nog niet half vol, dus we gaan er goed voor zitten op een dubbele stoel.
We hebben voor de grote bus gekozen omdat deze een voorkeursbehandeling krijgen bij de grensovergang. Normaal gesproken zijn we tegen voorkeursbehandelingen, maar als het om onszelf gaat ligt dat anders.
We rijden weer eens door een leeg, heuvelachtig landschap waar her en der grote kuddes schapen lopen te grazen. We tellen de kilometers af en tegen half tien stoppen we voor het eerste hek.

Onze bus dringt zich inderdaad naar voren en laat alle mini-busjes, taxi’s en andere personenauto’s zijn uitlaat zien. We staan even te wachten, maar al snel wordt het hek voor ons open gedaan. De chauffeur zet de bus bij een gebouwtje neer en we worden allemaal verzocht onze spullen uit de bagageruimte halen en naar binnen te gaan. Daar moet onze bagage door de rontgencontrale, net als op het vliegveld. Een paar meter verder zit een beambte die een stempel in ons paspoort zet. We dachten even dat we Oezbekistan al binnen waren, maar dit was nog maar de uitgang van Kazachstan.

De formaliteiten nemen een half uurtje in beslag en als we alles weer in de bus geladen hebben rijden we 100m verder naar het volgende hek. Ook dit hek gaat erg gemakkelijk voor ons open, waarna de bus naar Het volgende kantoortje rijdt. Daar wordt ons opnieuw gevraagd onze spullen te pakken en mogen we opnieuw een stempel halen; dit keer een Oezbeekse. Wij blijken weer eens de verkeerde rij te hebben gekozen, want de beambte heeft heel veel moeite de landcode van nederland te vinden (of zoiets). Als laatsteen gooien we dan onze rugzakken door de rontgencontrole en wachten we buiten tot de controle van de bus klaar is.

De Oezbeken noteren een minder snelle tijd dan de Kazachen, dus daar moet nog veel getraind worden. Het mag de pret niet drukken, want het is net 10:45 uur geweest en wij zijn al in Oezbekistan. Bovendien mag de klok een uurtje terug, dus we hebben nog meer dan een halve dag voor ons.
Het is nog maar 20km naar Tashkent, maar door het drukke verkeer doen we er nog bijna een half uur over om bij het busstation te komen, waar we een warm omhaal krijgen van de lokale taxi-elite.
Ondanks het grote aanbod aan taxichauffeurs is het nog een hele klus om uit te leggen waar we heen moeten. Niemand kent het Mirzo hotel en taxichauffeurs in Oezbekistan kennen geen adressen. Uiteindelijk komen we erachter dat ons hotel tegenover het circustheater is en pas dan weet de chauffeur waar hij heen moet.

Iets na twaalven lokale tijd worden we bij ons hotel afgezet. De paspoorten worden gekopieerd en net als we denken dat we naar de kamer kunnen, worden we verrast met de introductiecursus ‘Mirzo Hotel’. De cursus wordt door een nieuwe medewerker gegeven en hij wordt ingewerkt door een wat norse oude collega die het nodig vindt om hem na elke zin even te corrigeren. Je zou ‘m een schop geven.

Gelukkig werden er geen examens afgenomen en waren we na 10 minuten vrij om te gaan. Wij vluchten snel de poort van het hotel uit en gaan richting bank.
Oezbekistan is geen land van pinnen en creditcards; er wordt verwacht dat je in som betaald. We moeten dus onze portemonnee even vullen.
Dat vullen gaat hier overigens erg snel. Wij lopen de Asaka bank binnen en halen daar bij een loketje voor $600 aan Oezbeekse som. Dan krijg je er 5.600.000; zijn we ook (weer) eens miljonair.

Terug bij ons hotel lijkt de kust veilig te zijn, dus we nemen onze sleutel in ontvangst en brengen onze spullen naar de kamer. Dan gaan we op weg voor onze volgende missie: treinkaartjes scoren.
Omdat treinen in Oezbekistan nogal eens snel vol zitten willen we zo snel mogelijk onze stoelen/bedden boeken. We lopen via de Chorsu bazaar naar het dichtstbijzijnde metrostation en gaan op weg naar het treinstation.
De metrostations in Tashkent zijn, net als die in Moskou (en Almaty), een beetje museumzalen. Kunst aan de wand, mooie verlichting, spannend tegelwerk geven deze stations iets extras. We hebben er nu even geen tijd voor en reizen in rechte lijn naar het treinstation.

Op het treinstation trekken we een volgnummer en al enkele minuten later zijn we aan de beurt. We treffen het, want we worden geholpen door een pittige tante die ook nog eens Engels spreekt.
We lopen ons programma door en moeten gelijk al constateren dat niet alle treinen die we op het oog hadden, vrij zijn. We moeten dus op wat andere tijden reizen dan gepland.
Het ticket voor de reis Tashkent – Urgench hadden we al online geboekt en we dachten dat we de bevestiging hier moesten omruilen voor een vervoersbewijs. De tante denkt daar anders over en zegt dat we met het in Nederland geprinte ticket op de trein kunnen. Laten we maar hopen dat ze gelijk heeft.
Met een stapel treintickets verlaten we het stationsgebouw.

We besluiten terug naar ons hotel te gaan, maar dit keer stappen we onderweg wel een paar keer op een station uit om de museumstukken te bewonderen. Vooral station Kosmonavtlar met de dromerige beeltenissen van Russische astronauten. We stappen ook nog uit bij station Alisher Navoi waar het lijkt alsof je in een moskee bent binnen gelopen.
Dan rijden we door naar station Chorsu, dicht bij ons hotel en lopen naar een kantoortje van Ucell om een Oezbeekse simkaart te kopen. Je wilt toch een beetje online blijven.

Vrijdag 11 oktober 2019

Vandaag is Tashkent aan de beurt. De hoofdstad van Oezbekistan heeft de meeste bezienswaardigheden op loopafstand liggen, dus daar gaan we.
Eerst naar de Chorsu bazaar. We hebben gisteren al even over de buiten-markt geslenterd, maar deze markt is vooral bekend vanwege de enorme koepel waaronder het vlees wordt verhandeld.
Het is wel even slikken (of liever niet) als je de karretjes vol met schapen karkassen voorbij ziet rijden. Je komt hier dus niet persé voor een paar koteletjes, een heel schaap mag ook!

Na het rondje over de markt lopen we via de oude stad naar het Hazrati Imam complex. Als je via een smal weggetje het oude stadsdeel inloopt, waan je je gelijk in een andere wereld. Het geluid van het verkeer verstomt en alles lijkt hier op een ander toerental te draaien. De huisjes zijn hier over het algemeen nog van leem in plaats van beton en door de vele steegjes en doodlopende straatjes kun je hier makkelijk verdwalen. Wij slingeren wat in noordelijke richting en zien dan opeens een mega complex voor ons opdoemen. Het lijkt erop dat de grootste moskee niet groot genoeg is, want tegen de oude wijk aan wordt een betonnen kolos gebouwd waarvan de contouren verraden dat het een moskee moet worden.
We lopen langs de bouwput en zien dat er oude huisjes worden afgebroken. Temidden van het puin zit een familie met huisraad. Het lijkt erop dat niet iedereen vrijwillig afstand heeft gedaan van z’n oude huis. Als Allah dit ziet……

Om 10:45 uur bereiken we het tweede doel van vandaag, het Hazrati Imam complex. We lopen over het immense Khast Imam plein naar het Moyie Mubarak bibliotheek museum (eigenlijk een koran museum) waar de 7e eeuwse Osman Quran ligt. Men zegt dat dit de oudste koran ter wereld is. Het enorme boek van dierenhuid is oorspronkelijk door Timur naar Samarkand gebracht.
Na deze boekbespreking lopen we naar de naastgelegen Hazroti Imam vrijdag moskee met z’n twee 54 meter hoge minaretten. Het is een nieuwe moskee waarvoor voormalig president Karimov in 2007 opdracht gaf. De moskee komt wat gladjes, steriel over en ademt weinig sfeer. Het houtsnijwerk op de enorme palen vlak voor de gebedshal is schitterend.

Nog voor het zingen begint zijn we de moskee uit en gaan we op zoek naar een metrostation omdat onze volgende attractie wat verder weg is. Station G’afur G’ulom is het dichtst bij en daar nemen we de metro naar het plein dat de naam draagt van de bekendste heerser van Centraal-Azie: Amir Timur.
Timur, of Tamerlane, kwam aan de macht na het ineenstorten van het Mongoolse rijk. Eerst als heerser van een clan nabij zijn geboortedorp Samarkand, maar na met zijn leger 9 jaar als een dolle tekeer te zijn gegaan, lag in 1395 het huidige Iran, Irak, Syrië, Oost-Turkije, de Kaukasus en Noord-India smeulend aan zijn voeten. Timur plunderde de veroverde gebieden en nam ambachtslieden uit de gebieden gevangen en mee terug naar Samarkand. De stad bloeide op, in tegenstelling tot de door hem veroverde gebieden.
Veel van de huidige ‘skyline’ van Samarkand dateert uit Timur’s tijd, maar dat gaan we over een aantal dagen met eigen ogen aanschouwen.

Ondanks (of dankzij) zijn wrede veldtochten is er hier toch een plein naar hem vernoemd en hebben ze er zelfs een meer dan levensgroot standbeeld van hem neergezet. Saillant detail: het lichaamsdeel waar kleine paardjes mee worden gemaakt is gestolen; wie het heeft gestolen is Tashkent’s grootste mysteries.
Aan dit plein staat ook het meest kolossale hotel van Tashkent: Uzbekistan Hotel. Dit Sovjet-style hotel met 254 kamers op 17 verdiepingen opende z’n deuren in 1974. De glory van weleer is er inmiddels wel af!
In de omgeving van het plein ontdekken we een leuke loungebar waar we kunnen lunchen. We zoeken een tafeltje op het terras en puffen even uit van de eerste kilometers van vandaag.

Na de lunch lopen we naar het Mustaqillik maydoni (onafhankelijkheidsplein). Dit plein met bijbehorend park is opgericht ter ere van alle oorlogsslachtoffers. Helaas is het terrein afgesloten, dus we kunnen niet bij de monumenten komen. Ook van een afstand ziet het plein er mooi uit.

We hebben ons lijstje met bezienswaardigheden bijna afgewerkt. Alleen de Ko’kaldosh madrassa, vlakbij ons hotel willen we nog bezoeken. We nemen de metro naar station Chorsu en lopen langs de markstalletje naar de koranschool.
Deze madrassa dateert uit het midden van de 16e eeuw en is gebouwd in een traditionele orientaalse stijl met een ruime binnentuin omgeven met veranda’s.
De lessen zijn in volle gang, dus we kunnen de lesruimtes niet in. We komen niet verder dan een rondje om de tuin.
Via het terrein van de Dzuhma moskee lopen we terug naar ons hotel, waar we nog even in het zonnetje gaan zitten.

Zaterdag 12 oktober 2019

Omdat de vroege trein die we wilden nemen vol was, gaan we pas om 12:33 uur met de trein naar Margilan. Dat betekent dus dat we vandaag op ons dooie akkertje kunnen opstarten. Da’s ook wel eens fijn!
Lekker uitgebreid ontbijten, beetje in de lobby hangen, boekie lezen en meer van dat soort tijdvulling. De taxi naar het station komt pas om 11:30 uur.

De taxi brengt ons in een kwartiertje naar het station. Omdat we nog niet zeker weten of ons in Nederland geboekte treinticket naar Urgench geldig is, vragen we het hier nog maar een keer. Hier lijken ze vaker met dit bijltje te hebben gehakt, want we worden gelijk doorgestuurd naar loket 6 waar het ticket wordt geprint. Goed geregeld!

We gooien de bagage op onze rug en lopen naar het perron waar de trein naar Margilan al staat te wachten. We gaan op zoek naar wagon 3 en vervolgens naar bed 19 en 20. We zijn niet alleen in de coupe, want een Oezbeekse Lurch (Addams Family) heeft ook een bedje geboekt.
De treinen in Oezbekistan zijn vrijwel allemaal ingericht op de lange afstanden in dit land. Er zijn daarom bijna geen treinen met stoelen; je zit dus meestal ook op de kortere afstanden op een bedje.

De eerste uren zien we de westelijke uitlopers van het Tien-Shan gebergte aan de linkerkant van de trein en (wat verder weg) het Pamir Alay gebergte aan de rechterkant van de trein. De bergen van het Tien-Shan zijn ruig en vrijwel onbegroeid. Af en toe zie je een ‘groene oase’ tussen de bergen, waar meestal een dorpje gevestigd is. Die groene oases worden aaneen geregen door een smalle asfaltweg.
We komen langs een enorme kool-gestookte energiecentrale en zien niet veel later ook waar de kolen vandaan komen. In een enorme dagbouw groeve worden de kolen in treinwagons geladen en dan naar de energiecentrale gereden. Op deze manier wordt wel een heel mooi stukje natuur vernield.

Rond 15:00 uur begint het landschap te veranderen. De bergen verdwijnen uit zicht en maken plaats voor een vlak landschap: de Fergana vallei.
Deze vallei heeft de beste grond van het land en is het dichtst bevolkte en meest industriële regio van het land. Hier zien we de vele katoenplantages waar het land bekend om staat en hier staan ook de moerbeibomen waar de zijderups z’n eitjes in legt.
Er wordt overal druk gewerkt op de velden langs de spoorlijn en de arbeiders zwaaien als de trein langs komt.

Om 17:45 uur rijden we het station van Margilan binnen. We knuppen onze rugzakken weer om en gaan op zoek naar een taxi die ons naar het hotel kan brengen. Dit keer geen problemen met het vinden van het hotel, maar Margilan is ook niet zo groot als Tashkent.
We brengen onze rugzakken naar de kamer en gaan gelijk de straat weer op, om een restaurantje op te sporen. Veel is er niet in de omgeving van ons guesthouse, maar het restaurant dat we vinden weet een zeer acceptabele maaltijd voor te zetten.

Na het ontbijt wachten we op straat op een mini-busje dat ons naar de markt kan brengen. Al snel stopt er een mini mini-busje en hoewel wij denken dat we daar niet meer bij kunnen, lukt het toch. We zwaaien nog even naar de buurman die op z’n fiets voorbij komt en zetten ons dan schrap.
Opgepropt leggen we de 5km naar de markt af. De laatste paar honderd meter sluiten we aan in een file van mini mini-busjes. We ontdekken dat Margilan niet aalleen het centrum van de zijde is, maar ook van de mini mini-busjes.

Zondag 13 oktober

Tijdens deze vakantie zitten we regelmatig op de zijde-route. Als je je dan afvraagt waar de zijde vandaan komt dan is het antwoord (of eigenlijk één van de antwoorden): Margilan. Oezbekistan is de op twee na grootste zijde producent ter wereld en Margilan is van oorsprong het centrum van die industrie. Al in de 10e eeuw stond Margilon bekend om zijn zijdeproducten en is het beroemd vanwege de ambachtslieden van zijden stoffen. De zijde uit Margilan werd via de zijde-route(s) geëxporteerd naar Europa en het Oosten.
We zouden dus graag wat meer te weten komen over de lokale zijde-industrie, maar op zondag zit de zijdefabriek dicht en kunnen we daar dus geen rondleiding krijgen (zijn we toch geen fan van). Op onze zoektocht naar het geheim van de zijde van Margilon gaan wíj naar de Kum Tepa bazaar (tromgeroffel)!

Als we onze chauffeur betaald hebben, kijken we eens rond en weten we niet waar we moeten beginnen. Wat een mega bazaar! Zo’n grote en drukke markt hebben we nog nooit gezien. Waar moeten we beginnen?
We gaan ieder een kant op en spreken af om over een uur bij het theetentje terug te komen.

Eerst de kledingafdeling; heel veel stapels van dezelfde kleding en schoenen worden voor kleine prijsjes aangeboden. Elke marktkoopman/vrouw probeert de spullen zo mooi mogelijk uit te stallen, maar wat een concurrentie!
De winkelende vrouwen lopen bijna allemaal in een lange jurk en dragen een hoofddoek. Of de jurken allemaal van de lokaal gemaakte khanatlas zijde zijn, durf ik niet te zeggen want daarvoor had ik dan eerst in de fabriek moeten worden rondgeleid.

Halverwege de kledingstallen keer ik om en steek de weg over naar de etenswaren. Ook hier weer heel van alles; bergen uien, pompoenen en pelpinda’s, Kratten vol paprika’s, witte kool en tomaten, zakken aardappels, wortels en heel veel fruit. Het houdt niet op. Veel te veel om op te noemen en meestal met zorg uitgestald.
Na een uurtje zijn we weer terug bij het eettentje en nemen bestellen we een pot chai. Eerst maar even tot rust komen.

Na de theepauze gaan we weer een uurtje ons eigen gang. Ik ga richting de stoffenmarkt, want daar was ik nog niet geweest.
De kleurrijke stoffen komen al snel in zicht. Ze houden er hier blijkbaar van om felle kleuren te gebruiken. Het is zeker niet alleen zijde wat hier is uitgestald; er zit ook behoorlijk wat ‘made in China-spul’ tussen. Iets verderop een hele rij stalletjes met glimmende laarzen. Het zijn vooral mannen die ze kopen, maar of het voor eigen gebruik is? Nog wat verder liggen bontmutsen, kleden, gordijnstof en dan heb ik het nog niet over de huishoudelijke producten gehad.

Een uur is hier zo voorbij, dus ik loop weer terug naar het eettentje waar Diana al staat te wachten.
We gaan eerst maar even een hapje eten; een paar heerlijke sjaslieks en een paar ‘oliebollen’ vormen onze lunch. We bestellen er weer een bak thee bij en nemen plaats tussen de hongerige Oezbeken die vandaag ook naar de bazaar zijn gekomen.

Met een berg foto’s en video gaan we op zoek naar een busje dat ons naar Margilon kan brengen en met de enorme hoeveelheid busjes die er staan, zitten we al snel weer in zo’n koekblik gepropt.
We worden in het centrum van Margilan afgezet, vlakbij een andere bazaar. Deze is heel overzichtelijk met rechte paden en een duidelijk begin en einde. We kopen er wat pinda’s en een paar bananen.

Iets verderop zien we de minaretten van een moskee en we besluiten daar ook nog even een kijkje te nemen. We lopen over het busstation voor mini mini-busjes naar de moskee, maar daar aangekomen zien we dat ze bezig zijn de boel te renoveren. Jammer, maar moskeeën gaan we nog genoeg zien.
We wandelen terug naar het hotel en proberen zoveel mogelijk in de schaduw te lopen. Het is eigenlijk te warm om nog wat te doen, dus we besluiten in de mooie binnentuin bij ons guesthouse te blijven hangen.

Maandag 14 oktober 2019

Onze trein naar Kokand vertrekt al om zes minuten over zeven, dus daar gaan we weer! Gelukkig wil de jongen van de receptie voor taxichauffeur spelen, want dat scheelt minuten op dit tijdstip van de dag.
Iets na 06:30 uur laten we ons ticket en paspoort controleren en lopen we door naar perron 1 (en het enige perron). We nemen plaats op een bankje en ondanks het tijdstip zijn we niet alleen.

De trein is wederom mooi op tijd en het is zowaar een trein met stoelen. Geen gemartel met de rugzakken in een veel te kleine slaapcoupe, maar lekkere ruime stoelen en bagageruimte voor de rugzakken.
Het is nog geen uur met de trein naar Kokand, dus voor achten stappen we alweer uit. We zwaaien de trein na en lopen naar een taxi. ‘Naar ASR hotel’ zegt Diana en we nemen plaats in de taxi. De rugzakken moeten op de achterbank want deze taxi heeft nauwelijks bagageruimte.

De taxichauffeur zet ons af bij het hotel dat er aan de buitenkant wel een beetje luxe uitziet voor onze begrippen. We lopen naar de receptie en checken in. De jongen achter de receptie brengt ons naar de kamer die er ook al wat te luxueus uitziet.
We zetten de rugzakken op de kamer en gaan dan toch even checken of dit wel het juiste hotel is. De jongen achter de receptie spreekt nauwelijks Engels, dus hij belt z’n broer. Dan wordt duidelijk dat we inderdaad bij het verkeerde hotel zijn afgezet. We zijn nu bij ASR Palace en moeten naar ASR Hotel; het goedkopere broertje!
We springen opnieuw in een taxi en niet veel later zijn we ingecheckt bij ASR Hotel. We mogen daar zelfs nog bij het ontbijt aanschuiven.

Na het ontbijt zetten we onszelf weer in standje ontdekkingsreiziger en gaan op pad.
Kokand was een van de drie grote 19e eeuwse khanaten van Oezbekistan en na Bukhara het belangrijkste religieuze centrum van Centraal-Azie.
We gaan eerst naar het paleis van de khan, maar als we onderweg langs onze favoriete bank komen, besluiten we eerst maar even de euro’s die we nog bij ons hebben te wisselen.
Met een paar miljoen extra som op zak lopen we verder naar het paleis, dat al van verre te zien is.

Het lijkt erop dat we de enige toeristen bij het paleis zijn, dus we hoeven geen storende elementen voor de prachtige voorgevel van het paleis weg te jagen. De met mozaïek betegelde gevel is schitterend en we nemen ruimschoots de tijd om de steentjes te bewonderen.
We gaan natuurlijk ook naar binnen en voor de entree prijzen in Oezbekistan hoef je dat ook niet te laten. Een kaartje kost hier anderhalve euro en dat is in dit land een duur kaartje.

Het paleis van de khan met 7 binnentuinen en 114 kamers is gebouwd in 1873. De khan die dit alles heeft laten bouwen heette Khudayar en hij was dus de baas in dit vorstendom. Nu denk je misschien ‘114 kamers, beetje overdreven’, maar Khudayar was een liefhebber en ruim de helft van de verblijven werd ingenomen door z’n harem. Hij had 43 concubines, dus voor elke dag een ander + bonussen.
De Russen hebben de verblijven van de harem in 1919 plat gegooid; zoiets kon toch echt niet.
Er zijn nu nog 6 binnentuinen en 27 kamers over, in een aantal van die kamers is het Kokand Regional Studies Museum ondergebracht, de resterende kamers zijn in oude glorie hersteld.
Na een uurtje houden we het paleis voor gezien en gaan we verder.

Via kronkelige weggetjes komen we na een half uurtje bij de Norbutabiy moskee. De moskee is niet zo bijzonder, maar op de naastgelegen begraafplaats is het Dakhma-i-Shokhon, de plek waar de khan en zijn familieleden zijn begraven.
We lopen over het terrein bij de moskee en gaan via een stalen poort naar de begraafplaats. Het is niet zo moeilijk om het graf van de khan’s te vinden. Er is duidelijk iets meer tijd en geld aan besteed dan de overige graven.
Voor de houten poort die naar de graven van de khan en zijn familie leidt, zijn een aantal oudere vrouwe bezig om ‘patiënten’ te behandelen. Het lijkt een soort alternatieve geneeskunde. Er wordt een vrouw met de platte hand op het hoofd geslagen; die zal wel hoofdpijn hebben (en anders krijgt ze het wel), een man wordt dubbelgevouwen op een bankje; dat moet rugpijn zijn, een andere vrouw wordt onder haar truitje over de buik geaaid; zwanger of aan de race? Best een leuk spelletje: ‘raad waar het om gaat’.

We lopen terug naar de moskee en daar zien we dat een mannen-meute zich op maakt voor het gebed. Uit alle hoeken komen mannen vandaan, een groot aantal van hen is met de fiets. Van een afstandje aanschouwen we het spektakel.
Voor het gebed start wordt er een doodskist met kleurrijke kleden erover voor de moskee neergezet. Tijdens het gebed blijft een groot aantal mannen buiten bidden. We weten niet of dat met die overledene te maken heeft, maar dit hebben wij nog niet eerder gezien.
Na het gebed komen alle mannen bij de kist staan en na een paar woorden van de imam wordt de kist door de mannen op de schouders genomen en via een zijweg richting de begraafplaats gedragen.

Wij vervolgen onze weg en komen na een half uurtje bij de Vrijdagmoskee die is omgeturnd tot museum. Het museum is niet zo heel bijzonder, maar de 98 hardhouten palen die de aivan (overkapping) ondersteunen. We hebben ze niet geteld, maar ze zien er wel mooi bewerkt uit.
Net als we de poort uit willen lopen, wordt Diana door twee schoolmeisjes aangesproken. Ze laten hun Engelse leerboek zien en er worden wat woordjes uitgewisseld.

Het is inmiddels 13:45 uur, dus we lopen naar een naastgelegen theehuis voor een verlate lunch. Er staat een man op de stoep plov te bereiden in een grote pan, dus daar bestellen we een portie van. Het nationale gerecht van Oezbekistan vult lekker!
Op de weg terug naar het paleispark, lopen we nog langs de Zinbardor madrassa, maar de koranschool is verlaten, dus daar is niet veel te beleven. We slingeren een tiental minuten door kleine straatjes en zijn dan weer terug bij het park. We wilden daar nog even in de zon gaan zitten, maar de wind die in de loop van de middag de kop opstak is inmiddels zo hard dat het helemaal niet lekker meer is op een bankje in het park. We besluiten door te lopen naar het hotel.


Kazachstan & Oezbekistan 1

Dinsdag 1 oktober 2019

Om 05:45 uur stond onze taxi naar het station al voor de deur. Om de enorme ecologische voetafdruk die we vandaag achterlaten te compenseren, kwamen John en Charissa ons in een electriek automobiel ophalen; scheelt toch weer!

Perron 1 was om 06:00 vrijwel verlaten, maar toen om 06:13 uur de trein het station naderde, bleek dat er toch meer mensen op dit vroege uur de dag beginnen. We namen onze posities in en Charissa was als een van de eerste in de trein, waar ze een mooie zithoek voor ons reserveerde.
Nadat de trein weer in beweging was gekomen, kwamen we er snel achter dat het toch geen ideale plek was. Naast ons zaten 4 mannen uit het oosten van het land (type: boer) met een beugel Grolsch in de hand. Het bleken aanhangers van FC Twente te zijn die op weg waren naar het Champions League duel tussen Tottenham en Bayern. Nog voor 06:30 uur waren de beugels leeg en even later werden blikjes bier open getrokken (ook halve liters!).
In Amersfoort namen we afscheid van Charissa en vervolgenden we onze reis naar de luchthaven.
De boeren werden steeds luidruchtiger, maar gelukkig was er onvoldoende tijd voor een volgende dorstlesser want Schiphol kwam in zicht.

We moesten helemaal naar balie 1a in vertrekhal 1 en ondanks een haperende bagageband, konden we snel door naar de gate. De gloednieuwe A320neo was mooi op tijd, maar helaas zorgde een druk luchtruim toch voor wat vertraging.
Aan boord werd ons verteld dat de vlucht slechts 45 minuten zou duren, dus die vertraging werd wel weer goed gemaakt.

Op Frankfurt waren we blij met onze goede conditie. De wandeling van gate A naar gate C duurde, incl. douane en veiligheidscontrole bijna een half uur.
Bij het naastgelegen cafe Mondo nemen we wat te drinken, en wachten we tot het boarden begint.

Als het vliegtuig wordt volgeladen zien we dat het overgrote deel van de passagiers van Russische makelij is; nauwelijks toeristen waar te nemen.
De A330 waar we de komende 6 uur in opgesloten zitten is zeker niet nieuw en het programma van het entertainment system is ook niet bijzonder. De beeldschermpjes zijn zo klein dat we de hele reis met de leesbril op zitten.

Gelukkig is de service van Lufthansa goed en vliegen de uurtjes voorbij.
Net voor twaalven zet de piloot het vliegtuig op Kazachse bodem en een kwartiertje later staan we al in de rij bij de douane. Na een zorgvuldige controle van onze paspoorten lopen we door naar de bagageband.
Onze rugzakken zitten bij de eerste bagage op de band dus al snel lopen we door de deuren naar de aankomsthal. Tussen alle bordje die omhoog gehouden worden zit er eentje met onze namen en voor we het weten zitten we in taxi. De chauffeur trapt het gaspedaal stevig in en binnen 20 minuten staan we bij de receptie van het hotel. De bar van het hotel is 24 uur open, dus daar nemen we nog een versnapering.

Woensdag 2 oktober 2019

We hebben niets te klagen over de bedden in dit hotel. Als we de komende 4 weken dit soort bedden hebben, dan komt het met de nachtrust wel goed.
Om 09:00 uur liepen we naar de ontbijtzaal en daar aangekomen dachten we even dat we in een zijvleugel van het presidentieel paleis waren beland; wat een protserigheid, Russische chique, fantastisch!
het ontbijt is zeer uitgebreid en smaakt voortreffelijk. Ook hiervoor geldt: laat het een voorbode zijn voor de rest van de vakantie.

Tegen tienen liepen we de straat op en gingen we op zoek naar een pinautomaat. We hebben wel een stapel euri in de portemonnee, maar hier heb je toch echt tenge nodig. De eerste automaat is geen succes, maar gelukkig staan er bij die bank nog 3 automaten binnen. We gaan naar binnen, laten ons wegwijs maken door een vriendelijke dame, maar ook de machines in het bankgebouw weigeren geld te spugen. De vriendelijke dame adviseert het aan de balie te proberen, maar daar hebben we een paspoort voor nodig en dus loopt Rob terug naar het hotel. Een paar minuten later lopen we een hokje binnen en vragen een wat norse vrouw om even 100.000 te schokken. Nadat ze de creditcard aan alle kanten bekeken heeft, schudt ze haar hoofd en gebaart dat we hier geen geld gaan krijgen. Op naar de volgende dus!
Het stikt hier van de pinautomaten en grauwe bankgebouwen, dus hoe moeilijk kan het zijn.
Nou, om een lang verhaal over pinautomaten en banken kort te houden: heel moeilijk! Bijna anderhalf uur later lopen we eindelijk een bankgebouw binnen waar de geldgoden ons wel gunstig gezind zijn. Niet bij een automaat, maar bij een vriendelijke dame die, na wat formaliteiten, ons een stapel geld overhandigt.

We vervolgen onze weg en lopen het Panfilov Park in. Het is een prachtige dag met een strak blauwe lucht, maar als je onder de bomen loopt, merk je wel dat de herfst ook hier is begonnen.
Het park is vernoemd naar de Panfilov helden, 28 soldaten van een infanterie afdeling uit Almaty, die zijn gestorven toen ze in de buurt van Moskou tegen een Duitse tankdivisie vochten.
Midden in het park staat de kleurrijke Zenkov kathedraal. De kathedraal is volledig van hout gebouwd en is door de Russen gebruikt als museum en concertzaal. In 1995 is het gebouw teruggegeven aan de Russische Orthodoxe kerk.

Een paar honderd meter verderop is een monument opgericht ter nagedachtenis aan de Panfilov soldaten. Het is een voorstelling van soldaten uit alle 15 sovjet republieken die uit de kaart van de USSR barsten. Voor alle gevallenen in de burgeroorlog van 1917-1920 en de 2e wereldoorlog brandt er een eeuwige vlam aan de voorkant van het immense monument.

We lopen het park uit en gaan op weg naar de Zelyony bazaar. Hoewel we nooit in Rusland zijn geweest doet het straatbeeld Russisch aan. De gebouwen zijn groot, vierkant en meestal grijs.
Het gebouw waar de bazaar is ondergebracht is al even Russisch. Niet zozeer de hoogte, maar vooral de architectuur en de sierlijke gouden panelen tegen het plafond.
De groenten, fruit en vlees zijn kunstig uitgestald en het ziet er allemaal smakelijk en verzorgd uit. Iets wat je niet van alle marktkooplui kunt zeggen.
We besluiten hier wat te eten en drinken op een soort van balkon waar we de markthal goed kunnen overzien.

Na deze smakelijke lunch zijn we op zoek gegaan naar een lokale simkaart. We lopen de winkel van Kcell binnen en leggen aan een rondlopende verkoper uit wat de bedoeling is. Hij trekt een nummertje uit een automaat en zegt dat we 5 minuutjes moeten wachten.
Die 5 minuutjes worden er 20, maar uiteindelijk gaan we met een simkaart de winkel uit.

Omdat het bank- en telecomwereldje in Almaty te veel van onze tijd heeft opgeslokt, besluiten we met de metro naar het Plein van de Republiek te gaan. Hoewel de metrostations van Almaty in het niet vallen bij de stations die we in Tashkent te zien zullen krijgen, is het toch een belevenis. De tunnels bevinden zich op een enorme diepte en de stations zouden niet misstaan als museumzaal.

Vanaf station Abay is het nog zo’n 10 minuten lopen naar het Respublika Alany. Het plein is omgeven met monumentale gebouwen. In het midden staat het onafhankelijkheidsmonument, een stenen zuil met bovenop een gouden man die op een gevleugeld sneeuwluipaard staat (mooi verzonnen). Het is erg lastig een mooie foto van dit monument te maken. Dit komt niet alleen door de hoogte van de zuil, maar ook de de afschuwelijke witte bankgebouwen die op de achtergrond staan.
Aan de andere kant van het plein is het stadhuis, met vlak daarachter het verblijf van de president, maar deze gebouwen laten we even links liggen.

We lopen terug naar metrostation Abay, maar onderweg gaan we bij een schattig restaurantje op het terras zitten. Onder het genot van een drankje en een hapje laten we de zon onze gezichten bijkleuren.
Als er wat wolkjes voor de zon drijven, lopen we verder naar de metro en gaan we terug naar ons hotel. Vanavond wordt onze huurauto gebracht en dat mogen we niet missen.

Tegen zessen belt Alex van het autoverhuurbedrijf. We hadden afgesproken dat hij de auto om 18:00 uur zou brengen, maar dat gaat hij niet redden; druk, druk, druk. Het wordt een half uurtje later. Dit was geen voorbode voor meer slecht nieuws, want nog voor 18:30 uur staat onze zilvergrijze Duster voor het hotel. We lopen om de auto, nemen de schade op en papieren worden getekend. Dan het onvermijdelijke: betalen! Via de mail was afgesproken dat hij z’n mobiele pinautomaat zou meenemen, maar dat is hij vergeten. We besluiten met hem mee te rijden naar het kantoor zodat we met plastic kunnen betalen. We kunnen dan zelf met de auto terug naar het hotel.
Een kwartier door de files van Almaty en we zijn bij het kantoortje. Alex haalt het betaalapparaat, maar vertelt dan dat de borg wel cash betaald moet worden. De harde valuta liggen in het hotel, dus dan moet Alex maar weer mee terug rijden…………
Terug bij het hotel krijgt hij de euri en wij de autosleutel.

Het is inmiddels 19:30 uur, dus tijd voor een stevige hap. Op slechts een paar honderd meter van ons hotel is volgens Tripadvisor een hotel met goed eten en een Kazachse sfeer. We steken de straat over, slaan een keer links af en komen zo bij restaurant Baursak City. Er is niet veel te doen in het restaurant, maar het restaurant ziet er leuk uit. Als we aan ons tafeltje zitten ziet Diana wat folkloristische kledij hangen. Die kans laten we niet liggen. Zo kan het eten niet anders dan goed smaken!

Donderdag 3 oktober 2019

Hoewel we al om 07:00 uur voor de deur van de ontbijtzaal staan te trappelen, zijn we niet eens de eersten. Een groep Koreanen die vandaag de rit naar Kirgizië gaat maken is ons voor en vult de ontbijtzaal. We willen de ochtendspits in Almaty voor zijn, dus na een paar broodjes met ei zijn we weg.

We gooien onze rugzakken in de Duster, installeren ons in de comfortabele stoelen en gaan op pad. Bij het eerste tankstation nog even volgooien. Tanken is een lolletje in Kazachstan: 39 cent per liter! Met een volle tank gaan we volgas naar Charyn Canyon.
Ver komen we niet want het is om 07:30 uur toch al behoorlijk druk in Almaty. Het verkeer hier is een uitdaging; ze wisselen zomaar van rijbaan, parkeren hun auto op de rechterbaan als ze dat nodig vinden en toeteren iedereen van de weg die niet aan kant gaat. In zo’n situatie kun je het beste de rijstijl van de lokale bevolking aanmeten, dus in een half uur slingeren we Almaty uit.

Al snel is er bijna geen verkeer meer over en nemen we de omgeving in ons op. We zien vooral steppe om ons heen, maar in de verte zijn de besneeuwde pieken van het Zailiysky Alatau gebergte.
Regelmatig lopen er kuddes koeien, paarden en schapen over de steppe, meestal vergezeld van een Kazachse man op paard. Buiten de stad lijkt niemand haast te hebben; heel rustgevend.
Het enige wat we niet zien zijn tankstations en wegrestaurants. We zouden best een bakkie lusten, maar hier vind je niets aan de snelweg.
Afslagen zijn er wel; meestal richting een dorp met een exotisch klinkende naam als Koyshibek, Zhanashar, Kyrbaltabay, of wat dacht je van Novoalekseevka (probeer het met een Russische tong uit te spreken).
Na twee en een half uur zijn we dan bij de afslag naar Charyn Canyon. Het is nog een paar kilometer naar het toegangshek waar we ons inschrijven en een ticket kopen. We parkeren de auto op een parkeerplaats iets verderop en dalen dan af, de canyon in.

Charyn Canyon is het Kazachse antwoord op de Grand Canyon. Wind, water en zon hebben er miljoenen jaren over gedaan om de canyon op sommige plaatsen zo’n 300m diep te maken. Vanaf de parkeerplaats lopen we een betonnen trap af naar de bodem van de canyon. Hier is de canyon slechts enkele tientallen meters diep, maar we merken al snel dat het pad naar de de snelstromende Charyn rivier alsmaar blijft dalen.
De rotsformaties zijn schitterend en gevarieerd en ze worden mooier naarmate we dichter bij de rivier komen. Het lijkt wel wat op de rotsformaties van Bryce Canyon en Monument Valley in Amerika. We staan regelmatig stil, maken veel te veel foto’s en hebben daarom een uur nodig om het pad van 3km af te lopen.

Bij de rivier is een kampement van yurts en er zijn ook huisjes waar je kunt overnachten. De Gletsjerrivier stroomt snel en het wordt afgeraden er in te zwemmen, maar dat waren wij toch niet van plan.
Gelukkig is hier ook een restaurantje waar we een bakkie koffie kunnen kopen. We eten de laatste stukken van de speltkoek op en beginnen dan aan de terugweg.

De wandeling terug is minstens zo boeiend als de heenweg. We hebben de zon wat meer achter ons waardoor de kleuren van de rotsformaties nog beter uitkomen.
Er komen nog heel veel mensen naar beneden gewandeld, Ze zeulen van alles met zich mee: tuintafels, zitkussens, picknickmanden en er loopt zelfs een man met een bbq in z’n armen.

We hebben 50 minuten nodig om weer boven te komen en daar moeten we helaas moeten constateren dat de bergschoenen van Diana het niet overleefd hebben. Op de luchthaven van Frankfurt ging het al wat minder met ze, maar Charyn Canyon is ze te veel geworden. We nemen afscheid van de schoenen en dumpen ze in een afval container.

De canyon kan ook van bovenaf bekeken worden dus we rijden met de auto naar een parkeerplaats een paar honderd meter verderop. Via smalle paadjes komen we op gevaarlijke plekjes waar je een prachtig zicht hebt op de canyon. We lopen naar een paar van deze uitdagende plekjes en genieten van het uitzicht.
Dan is het toch echt tijd om weer verder te gaan. We lopen terug naar onze auto en rijden richting Saty.

Na Charyn Canyon is de weg een stuk slechter. Het voelt af en toe alsof we in een kermisattractie zitten. Het landschap ziet er hier weer heel anders uit. Alsof er een legergroene deken over de heuvels is gedrapeerd. De weg snijdt slingerend door dit groene landschap en pas na een uur komen we voor het eerst door een dorpje. Inmiddels zien we met sneeuw bedekte bergen voor ons liggen en na twee uur sturen komen we aan bij ons guesthouse In Saty.

De vrouw des huizes verstaat geen woord Engels, maar met hulp van iemand aan de telefoon komen we er wel uit. We gooien wat bagage op de kamer en parkeren de auto op het erf. Dan lopen we Saty in op zoek naar een restaurantje of iets dergelijks, maar meer dan een mini-supermarket heeft dit dorp niet. Niets, nada te beleven! We lopen naar het eind van de hoofdstraat en maken daar toevallig het hoogtepunt van de dag (of week) mee: de bovenmeester van de basisschool jaargt een viertal koeien uit de tuin bij de school.
We doen wat inkopen bij de mini-market en slenteren dan terug naar ons guesthouse.

Onze accommodatie is geboekt o.b.v. vol pension En dat betekent dat de lieftallige vrouw des huizes ook de als kok des huizes fungeert. We hebben met haar afgesproken dat we om 19:00 uur aanschuiven en we zijn stipt op tijd.
De tafel is al gedekt; er staan koekjes en snoepjes, kersenjam en brood, maar het is ons niet duidelijk wat dit met het diner te maken heeft. We beginnen maar wat aan het brood te knabbelen als kokkie uit de keuken komt aanlopen met een bord vol dumplings. Ze zet er een schaaltje sambal-achtig spul en een witte-koolsalade bij en wij vallen aan. De dumplings smaken net zo goed als ze er uitzien! De salade maakt het af.
We eten ons bordje leeg en spoelen de laatste broodkruimels weg met de thee die ze ook nog heeft gebracht. Dat was boven verwachting!

Vrijdag 4 oktober

We hoeven vandaag niet zo vroeg op pad, want het Kolsai meer is slechts 15km van Saty verwijderd. Rond 8 uur gaan we naar beneden om ons te laten verrassen door kokkie. Er zijn al een paar andere reizigers aan tafel gegaan en we zien dat kokkie rijstepap serveert. Dat moeten wij voorkomen. Diana sprint de keuken in en onderhandelt met kokkie. Even later krijgen wij een heerlijk gebakken eitje geserveerd.

Tegen negenen trappen we ons bakkie weer aan en gaan we op weg naar het Kolsai meer. Saty mag dan wel niets voorstellen en we zouden hier waarschijnlijk al snel gillend gek worden, maar de omgeving is schitterend! We slingeren weer over de enige asfaltweg in de wijde omgeving en na 10 minuten staan we voor een ‘controlepost’ annex ticketoffice. De auto parkeren we op de weg en Rob gaat het hokje met 2 Kazachse dames in om zich in te schrijven en te betalen. Pas dan gaat het hek open en kunnen we verder naar het meer.

We parkeren de auto op de grote parkeerplaats bij het meer en lopen de laatste paar honderd meter naar het meer.
Het wordt afgezaagd, maar wat een prachtig plaatje! Een plaatje dat overigens best in Canada, Zwitserland, Oostenrijk of elk ander land met meren en sneeuw bedekte pieken.
Vanaf de bergen die hier als achtergrond dienen, gaat het smeltwater via een viertal meren naar beneden. Het meer waar we nu voor staan is de laatste van de vier. Het is mogelijk om naar het tweede Kolsai meer te lopen, maar de paden zijn erg slecht. Het is zo’n 4km en je doet er minstens 3 uur over (enkele reis).

Wij kiezen voor een wandelingetje rond dit meer. We lopen eerst over een vlonderpad aan de oostkant van het meer, maar al snel is het pad niet meer dan een smal zandpaadje met boomwortels die je willen laten struikelen. Gelukkig duurt dit niet lang en komen we op een open vlakte waar we weer normaal kunnen ademhalen. De uitzichten tussen de pijnbomen door zijn fantastisch. Een deel van de loofbomen heeft de herfstjas al aangetrokken en dat kleurt prachtig tegen het groen-blauwe water van het meer.
Na het open gedeelte lopen we verder over steeds smaller wordende paadjes, tot we op een gegeven ogenblijk niet meer zien waar het pad is. Het lijkt allemaal glibberige bosbodem.

We keren om en lopen voorzichtig terug naar de open vlakte waar een kleine steiger is. Hier genieten we nog even van het uitzicht over het meer en proberen we het ideale plaatje vast te leggen. We zijn niet de enigen die op deze plek een fotootje willen maken, dus we moeten wel even geduld hebben. Uiteindelijk is het wel gelukt, al zeggen we het zelf.

We lopen terug en zitten op een bankje nog even na te genieten van het uitzicht over het meer; hier kan geen Valdispert tegenaan!
Na een kwartiertje ontstressen gaan we terug naar de auto en om 11:30 uur rijden we van de parkeerplaats af.
We moeten dezelfde route terug rijden, maar genieten toch van heel veel nieuwe uitzichten. We zien hier en daar yurts op de steppe. Daar slapen waarschijnlijk de mannen die op hun paard de koeien, schapen of paarden bij elkaar houden, of misschien is het de slaapplek voor hun kinderen en kunnen ze zelf rustig thuis slapen.
We komen langs heuvels die ons doen denken aan de Cerro de los Siete Colores in Argentinie, een kleinere canyon waarvan de wand wat weg heeft van spekkoek terwijl we voort scheuren over een slingerende loper van asfalt. Het is een lange rit, maar mag best nog wel langer duren.

Om 14:15 uur komen we door Bayseit, een wat groter dorp langs de weg. De bevolking gebruikt de doorgaande weg als markt en restaurant; De bbq’s staan hevig te roken. Wij parkeren de auto ergens aan de kant van de weg en lopen langs de verschillende stalletjes. De meeste verkopen fruit en groenten, maar je kunt er ook brood en huishoudelijke artikelen krijgen. Omdat we nog niet geluncht hebben gaat onze aandacht vooral uit naar de bbq’s. We zoeken er eentje uit die het vuur al goed opgestookt heeft en we bestellen een sjasliek, het traditionele gerecht uit Centraal-Azie.

Na deze stevige lunch maken we ons op voor de laatste 125 kilometer. We vinden het landschap hier minder mooi, want we zijn verwend door wat achter ons ligt.
Om 15:45 uur staan we voor een tolpoortje waar we 65 cent betalen om ons vervolgens weer in het verkeer van Almaty te storten.
We hoopten net voor de spits terug te zijn, maar dat plan lijkt mislukt. Het lijkt erger dan op de heenweg; auto’s vliegen toeterend aan beide kanten voorbij en op een rotonde worden we bijna gemangeld tussen een bus en een veel grotere suv. Google Maps adviseert ons bij de route door de stad, maar het lijkt er niet op dat we gemakkelijkste route krijgen voorgeschoteld. Na een x-aantal bijna-aanrijdingen (in onze ogen) arriveren we om 16:23 uur bij ons hotel. Halleluja!!!

Zaterdag 5 oktober 2019

Nadat we ons bij het ontbijt vol hebben gepropt, gaan we op weg naar Big Almaty Lake, of Ozero Bolshoe Almatinskoe, zoals de Kazachen zeggen. Het verkeer is een stuk rustiger op een zaterdag en dat is wel zo prettig. Bovendien rijden we van de stad af, dus voordat we het weten zitten we weer op een slingerweg de bergen in. Ook dit keer wordt het laatste stuk van de route weer geblokkeerd door een slagboom en als de agent/bewaker onze auto inkijkt zegt hij alleen maar ‘one thousend’. Niet voor een entreeticket maar voor z’n eigen broekzak. Zo gaat dat hier af en toe nog wel in Kazachstan. Wij gaan hier geen stennis over maken en betalen de omkoopsom van 2 euro 35 cent. Dan geven we gas het nationaal park Ile-Alatau in.

Het is ongeveer een uur rijden naar het stuwmeer op 2511 meter en de laatste kilometers gaan regelmatig met 12% omhoog. Het meer is 1,6km lang en ongeveer 1km breed, het diepste punt is zo’n 40m en het meer bevat ongeveer 14 miljoen kubieke meter water. Dit water is een belangrijke bron van drinkwater voor de regio.
Allemaal leuk en aardig, maar wij gaan hier vooral heen omdat het er fantastisch uitziet. Nadat we de auto aan de kant geparkeerd hebben, lopen we richting het turquoise meer. We zijn zeker niet de eersten vandaag want in het weekend is dit een populaire bestemming voor de inwoners van Almaty. Alle fotografische hotspots zijn inmiddels ingenomen, op elke rots zit of staat iemand te poseren.
Wij wachten onze kans af en als er een rots vrij komt bespringen we die gelijk.

We blijven een uurtje rond het meer hangen en genieten van het fantastische uitzicht en de capriolen die iedereen uithaalt om een bijzonder foto te maken. Er lijkt zelfs een huwelijksaanzoek te worden gedaan op een rots. Een jongen en meisje nemen allerlei poses aan terwijl een fotograaf om hen heen cirkelt. Lichaams- en gebarentaal doet ons ons vermoeden dat dit iets dergelijks is.
Na anderhalf uur lopen we terug naar de auto en rijden we een klein stukje verder om het meer nog één keer in volle glorie te kunnen zien liggen.

De weg naar beneden was vooral een aanslag op de remmen. We hebben ze niet geteld, maar het aantal bordjes met 12%-daling lijkt oneindig. Onze volgende bestemming is de Medeo ijsbaan. Tot midden jaren tachtig was dit de snelste ijsbaan ter wereld. Door de bijzondere ligging van de ijsbaan kan er onder bepaalde omstandigheden de hele ronde rugwind optreden. Met de komst van de binnenbanen is Medeo echter op een zijspoor geraakt.

Omdat de ijsbaan op 1691m ligt slingeren we weer vrolijk omhoog. Dit keer echter via een mooie brede weg, dus geen manoeuvres om tegenliggers te ontwijken.
Nadat we een plekje voor de auto hebben gevonden, lopen we trappen op naar de ijsbaan. Daar wacht een teleurstelling, want de ijsmeester heeft nog geen tijd gehad om een ijsvloertje te leggen. Dan kunnen we onze schaatsen weer in het vet zetten; daar gaat de kans op een mooi PR.

Gelukkig is er naast de schaatsbaan een loungebar, dus nemen we daar maar even plaats op een zitzak. Het is inmiddels toch lunchtijd, dus tijd voor een bestelling. We zitten met onze bakkus in de zon en het is er heerlijk warm. Een t-shirt, korte broek en teenslippers zou een toepasselijke outfit zijn geweest.
Als we de lunch naar binnen hebben gewerkt, gaan we op weg naar onze laatste bestemming van vandaag: Shymbulak.

Shymbulak is het grootste ski-resort in Centraal Azie en ligt op 25km van Almaty. Dit resort is populair vanwege het milde klimaat, de vele zonuren en een enorme hoop sneeuw in de winter.
Omdat we niet met eigen auto naar boven mogen, kopen we een kaart voor de taxibus die ons in 20 minuten naar 2200m hoogte brengt.
Vanaf hier kun je alleen met de kabelbaan verder en aangezien er hier nog geen vlok sneeuw te zien is, kopen we een prijzig kaartje voor dit wintersport-vervoermiddel. Deze kabelbaan brengt ons naar 2630m, maar ook hier is nog nauwelijks sneeuw te bekennen. We gaan dus maar met de volgende kabelaan naar 3200m hoogte. Hier is eindelijk voldoende sneeuw voor een mini-afdaling.

Als we voldoende wintersport-sfeer hebben gesnoven, gaan we met kabelbaan, kabelbaan, taxibus naar beneden. We kruipen voor de laatste keer in onze Duster en rijden terug naar ons hotel. Daar wordt de auto rond 18:00 uur opgehaald. De medewerker van Vladex vindt dat we de auto goed hebben behandeld, dus we krijgen onze borg terug en daar kunnen we hier wel een week van leven.

Zondag 6 oktober 2019

Onze trein naar Tulkibas gaat pas om 19:32 uur, dus we hebben nog de hele dag voor Almaty. Er zijn nog een paar dingen die we willen doen en de eerste is Kok Toby bezoeken.
We nemen de metro naar Abay en lopen richting de kabelbaan die ons naar boven moet brengen, maar tot onze verbazing zien we dat er een Starbuck’s naast zit. Die koffie laten we ons niet ontnemen.

Kok Toby is een soort kermis/pretpark/mini-dierentuin op een heuvel naast de TV-toren, net buiten Almaty. Er is hier van alles te doen voor de hele familie: een reuzenrad(je), een huis-op-de-kop, een klimmuur, een klimbos(je), lachspiegels, botsautos, rodelbaan en nog veel meer. Wij laten de attracties echter links liggen en zijn vooral benieuwd naar het uitzicht over Almaty.
We zoeken een uitkijk-platform op en proberen bekende gebouwen te ontdekken, maar dat valt niet mee. Het valt ons wel op dat er een smog-deken over de stad hangt.

Voordat we weer met de kabelbaan naar beneden gaan maken we een rondje over het kermis-terrein. Hoewel het zondag is, is er nog niet veel te doen. Het personeel hangt wat verveeld rond en de beesten in de veel te kleine hokken maken ook geen spektakel.
We gaan nog wel even op de foto met de John, Paul, George en Ringo, maar stappen dan weer in het bakje naar beneden.

Volgende stop is Dostyk Plaza; een enorm modern winkelcentrum waar alle bekende merken vertegenwoordigd zijn. We hopen dat daar de prijzen net zo laag zijn als die van het eten of de benzine, maar het zou helemaal mooi zijn als Diana een paar schoenen op de kop kan tikken.
We duiken een paar sportwinkels in, maar geen schoenen die een verbetering zijn t.o.v. de Teva’s. De prijzen van kleding en schoenen vallen niet mee. Het prijsnivo is ongeveer gelijk aan Nederland. Een half uurtje later staan we al weer buiten.

Als laatste staat het Central State Museum of the Republic of Kazakhstan op het programma. We hebben getwijfeld of we naar dit museum zouden gaan, maar nu we er zo dicht bij zijn laten we deze kans niet glippen.
Het grote grijze gebouw met blauwe koepels zien we al van grote afstand. We gaan naar binnen, maar twijfelen gelijk of we wel in het juiste gebouw zijn. De hele benedenverdieping is een grote kleedjesmarkt waar producten van huisvlijt verkocht worden.
We lopen naar de kassa en we blijken toch echt in het Central State Museum of …….. te zijn. We kopen 2 kaartjes en gaan door het detectiepoortje naar binnen.

Een kaartje voor dit museum kost net iets meer dan een euro dus een buil kun je er niet aan vallen. We lopen tussen de kleedjes door en gaan de trap op naar de tweede verdieping. In een grote zaal staat alles in het teken van de vorige president van Kazachstan, Nursultan Nazarbajev. In de vele vitrines worden prularia uitgestald die de president heeft ontvangen bij bezoekjes van andere wereldleiders. Die troep wilde hij waarschijnlijk niet in z’n woonkamer hebben. Er is ook een vitrine met de officiele trainingspakken van Kazachstan toen zij de Asian Winter Games organiseerden in 2011. Allemaal heel boeiend museum-materiaal.

Wij zijn als snel uitgekeken op de 2e, dus dalen we een trapje af. Daar hangen enkele tientallen schilderijen waarop mensen in het dagelijks leven zijn geportretteerd. Aardige plaatjes, maar deze schilderijen zouden ook door buurman Kees gemaakt kunnen zijn.
We gaan snel weer een trappetje lager waar we, heel toepasselijk, het dieptepunt van de collectie aanschouwen. Een hele rits poppen; de ene nog lelijker dan de andere. Dit heeft niets te maken met antropologie, is geen bijzondere kunstuiting, maar is waarschijnlijk voortgekomen uit verveling bij de vrouw van Kees.
We lopen het museum uit en gaan even op de trap voor het gebouw zitten. We laten alles nog even op ons inwerken. Dit moet het meest bijzondere museum zijn dat wij ooit bezocht hebben.

Op weg naar metrostation Abay lopen we langs het Zheltoksan Monument, dat ook bekend staat als het Dawn of Freedom monument. Het is opgedragen aan de personen die zijn omgekomen tijdens de rellen in december 1986. Deze rellen waren een gevolg van de eerste grote protesten tegen de Sovjet-Unie in Centraal-Azie en werden gewelddadig neergeslagen door de Sovjetautoriteiten.

We nemen de metro naar het eindstation Raiymbek Batyr om dan een bezoekje te brengen aan de 600m verderop gelegen grote moskee van Almaty. Het is inmiddels 13:30 uur, dus onderweg naar de moskee eten we Even een broodje. Hoewel het brood in Almaty over het algemeen stevig tot hard is, lijken deze broodjes ovenvers.
Rond 14:00 uur zijn we dan bij de moskee, maar helaas zijn daar werkzaamheden aan de gang. We maken een rondje en gaan dan terug naar het metrostation en dan terug naar het hotel om onze rugzakken in te pakken voor de treinreis.

Tegen zessen nemen we een taxi naar het treinstation. Dat is wat vroeg, maar we weten niet wat we allemaal gaan tegenkomen met het in Nederland geboekte treinticket.
Ook het stationsgebouw is van het type ‘Russisch blok’ en in het gebouw gaan we eerst op zoek naar iemand die onze tickets kan goedkeuren.
Gelukkig valt het allemaal mee en hoeft de Kazachstaanse bureaucratie geen plasje te doen over onze tickets.
We nemen plaats in de wachtruimte, maar het lijkt Diana wel handig om de extra tijd te gebruiken om alvast een treinticket voor de rit van Tulkubas naar Shymkent te kopen. Ze checkt bij loketjes of er een woord Engels uitkomt, maar pas bij het vierde loket (een speciaal Tourist loket) wordt er wat Engels gesproken. De kaartjes worden gekocht en het wachten is op de trein naar Tulkubas.

Iets voor zevenen rijdt onze trein op perron 1 binnen. We slepen de rugzakken naar wagen 13 en installeren ons bij de bedden 11 en 12. We hebben dit keer een luxe 2-persoons coupe, dus geen last van snurkende medereizigers.
De trein vertrekt op tijd en al snel merken we dat dit geen zoevende Shinkansen uit Japan is. De trein rammelt over het spoor, dus of we lekker zullen slapen……
Rob zet de wekker op 04:00 uur en om 21:15 uur nemen we onze ligposities in. Weltrusten!!

Maandag 7 oktober 2019

Na een onrustige nacht (zoals dat heet) schrokken we om 04:00 uur wakker van de wekker. We zouden om 04:50 uur in Tulkubas aankomen, dus we konden nog even op gang komen.
We hadden het gevoel dat we vannacht een aantal keer lang stil hadden gestaan en het leek dat de trein erg langzaam reed.
We kleden ons aan en Rob kijkt door de ramen aan het gangpad of er al iets stedelijks te zien is, maar het is nog te donker.
Dan komt de conducteur door het gangpad gelopen en brabbelt wat in het Russisch. Even later komt hij terug met z’n telefoon en laat het scherm zien. Met behulp van Google Translate laat hij weten dat de trein 8 uur vertraging heeft opgelopen! Maar dat is bijna net zo lang als de treinreis zou duren, WTF, in Tulkubas staan ze waarschijnlijk al op ons te wachten! Tja, wat doe je eraan, overmacht. We trekken onze kleren uit en gaan weer slapen, dit keer zonder wekker.

Iets na 08:30 uur worden we voor de tweede keer wakker. We kleden ons aan en gaan op verkenning uit. In de restauratiewagen krijgen we een update. De conducteur laat ons via Google Translate weten dat de vertraging nog steeds hetzelfde is en dat deze veroorzaakt is door een vrachttrein. Meer details krijgen we niet.
We bestellen een pot thee en gebakken ei van de kaart, maar dat laatste is er niet. De barman laat weten dat er alleen maar rijstepap te krijgen is, maar dat laten we aan ons voorbij gaan. Gelukkig hebben we zelf nog wel wat in de voorraadtas, Als pleister op de wonde is al het drinken wel gratis, dus we springen een gat in de lucht.

Tegen 13:30 uur komt de conducteur triomfantelijk vertellen dat Tulkibas in zicht komt. We pakken onze rugtassen in en als de trein tot stilstand is gekomen lopen we naar de uitgang. Na een rit van 18 uur zijn we eindelijk in Tulkibas.
We gaan op zoek naar de auto van Ruslan die ons hier op komt halen. Hij heeft ons eerder ontdekt dan wij zijn auto, want nog voordat we de trap af zijn horen we opeens ‘Rob and Diana?’. Het is Ruslan. We schudden hem de hand en lopen naar zijn auto, bagage achterin en scheuren met die bak.

We hadden Ruslan in de trein al laten weten dat we vertraging hadden, maar dat bericht heeft hem te laat bereikt. Hij vertelde dat hij om 05:00 uur al op het station was toen hij hoorde van de vertraging. Hij lacht erom en zegt dat vertraging wel vaker voorkomt in Kazachstan, alleen niet zoveel vertraging als wij hadden. Wat een bofkonten zijn we toch.
Bij het guesthouse van Ruslan brengt hij ons naar de yurt. Hij vraagt of we nog steeds in de Yurt willen slapen, want het is erg koud ‘s-nachts. Dit is onze enige kans op een romantische nacht in een yurt, dus voor hij het weet staan onze spullen al in de ronde tent.

Ruslan had onderweg al verteld dat we om 14:00 uur zouden worden opgehaald voor de tocht naar Aksu Canyon. Als we nog bij de yurt staan te kletsen komt de park-ranger al aangereden. We pakken onze camera’s en gaan op weg.
Er gaat nog een Duitse reiziger met ons mee naar de canyon. Door de vertraging van onze trein, staat hij al de hele dag te wachten op dit tochtje.
In drie kwartier rijden we naar de canyon, eerst nog over asfalt, maar het laatste stuk over een hobbelig zandpad.
Als de auto geparkeerd is lopen we eerst naar de rand van de canyon om van het uitzicht te genieten.

Aksu Canyon is niet te vergelijken met Charyn Canyon waar we een paar dagen geleden waren. Het beeld in Charyn Canyon wordt bepaald door de grillige vormen van rood zandsteen waar bijna geen boom of struik groeide, terwijl de Aksu Canyon juist heel groen is afgewisseld met bruine en grijze rotsen.
Dit is de regio waar de (wilde) tulpen vandaan komen. Herschrijf de geschiedenis boeken; niet Nederland, niet Turkije, maar Kazachstan is het land van de tulpen.
We hebben van Ruslan een lunchbox meegekregen, maar besluiten die later op te eten; we gaan nu eerst naar beneden.

De park-ranger gaat ons voor op een smal paadje dat af en toe verraderlijk is door de vele steentjes die er liggen. Behoedzaam slingeren we naar beneden en proberen onderweg zoveel mogelijk van het uitzicht te genieten. Ranger-Rob ziet (zonder bril) een adelaar vliegen en volgens de park-ranger is het nog een jong beest.
We hebben drie kwartier nodig om bij de rivier te komen. Hier rusten we even uit en genieten van het uitzicht over de rivier.

What comes down must go up, of zoiets. Na een kwartiertje beginnen we aan de listige beklimming van de canyonwand en daarvoor is heel wat inspanning nodig. Onze Duitse vriend heeft het zichtbaar moeilijk, maar uiteindelijk komt ook hij weer boven.
Na deze inspanning duiken we op de lunchbox en doen we ons tegoed aan de dumplings, het brood en het fruit. Er is zelfs een thermosfles heet water meegegeven, dus een lekker bakkie thee completeert deze late lunch.

Het programma bij de canyon is nog niet helemaal klaar. De chauffeur start de auto en we gaan een vijftal kilometers verderop om de canyon vanuit een andere hoek te bekijken.
Bij de eerste stop is het uitzicht fantastisch, maar het tweede uitkijkpunt hadden we rustig over kunnen slaan.
Dan rijden we terug naar onze overnachtingsplek. We pikken onderweg de park-ranger op en aan de grote weg stapt de Duitse man uit omdat hij vanavond de trein naar Shymkent wil pakken.

‘s-Avonds heeft de moeder van Ruslan een heerlijke maaltijd bereid. Samen met een tweetal andere toeristen die samen met een gids door Centraal-Azië reizen, laten we het ons goed smaken.
Tegen negenen gaan we dan naar onze yurt. We hebben nog wel wat slaap in te halen, na de gebroken nacht in de trein.
We trekken de dekens over ons heen en vallen al snel in slaap.

Japan 5

Maandag 12 november

Onze laatste dag op Ishigaki willen we zo snel mogelijk van het eiland af, maar omdat het zelfs in downtown Ishigaki onmogelijk is om aan een ontbijt te komen, vluchten we eerst de Family Mart in, kopen daar allemaal ontbijt-ingrediënten en gaan aan een bistro-tafeltje van een naastgelegen restaurant zitten om heel romantisch van dit voorverpakte ontbijt te genieten.

Na het uitgebalanceerde ontbijt lopen we naar de ferry-terminal om daar kaartjes voor de ferry naar Taketomi te kopen.
Taketomi is een piepklein eilandje (eigenlijk een atol) van 5,4 vierkante kilometers, dat op slechts 15 minuten varen van Ishigaki ligt, dus ideaal voor een (halve) dagtocht.
We hebben de ferry van 09:30 uur en om 09:45 uur staan we al bij de Tourist Information van het eiland. We krijgen een geplastificeerde kaart van het eiland mee, waarop een route is getekend die je langs de hoogtepunten leidt. We maken het onszelf niet te moeilijk vandaag en volgende aangegeven route. Niet op de fiets, zoals veel andere toeristen, maar te voet.

Eerst lopen we naar het Ryukyu dorpje op het eiland. Dit dorpje bestaat bijna alleen maar uit traditionele huisjes die omgeven zijn door muren van gestapelde stenen en waarvan het dak bedekt is met rode pannen. Bij de huisjes vind je altijd wel een shisa beeld om de boze geesten weg te houden. De huisjes zijn bijzonder goed onderhouden en dat geeft een prachtige sfeer. De straten zijn van zand, en meestal niet breder dan twee meter. Auto’s zie je hier dus bijna niet.

We gaan in het dorp rechtsaf en lopen eerst naar de noord-westkant van het eiland. We komen langs prachtige huisjes, waarvan enkele dienst doen als restaurant en bij een paar verkopen ze lokale souvenirs. We komen langs een bedrijfje waar ze tochtjes met een kar achter een waterbuffel aanbieden. Helaas is de Nagominoto toren in deplorabele staat, waardoor we niet van het uitzicht over het eiland kunnen genieten.
Na een half uurtje komen we bij de Sanbashi pier, waar we van het uitzicht genieten. We kunnen het eiland Kohama zien liggen.

Over het strand lopen we verder naar het Kondoi strand, Het witte zand schittert in het zonlicht en het kabbelende zeewater is glashelder. Met een comfortabele ligstoel en en een volle koelbox kom je hier de dag wel door. Het vreemde is dat er op geen enkele manier handel van de toeristen wordt gemaakt. Er is een toiletgebouw, maar je kunt er nog geen flesje water kopen.

We lopen verder over strand en gaan naar het Kaiji strand. Dit strand is beroemd vanwege z’n sterren-zand, dat voor een deel bestaat uit de overblijfselen van de foraminifera, een organisme dat is staat is van vorm te veranderen door het uitrekken en terugtrekken van z’n cellen. Interessant verhaal, maar als je goed zoekt kun je hele kleine sterretjes in het zand vinden. Het is ons niet gelukt om dit sterren-zand te vinden en na onze mislukte zoektocht gaan we terug naar het dorpje.

Omdat we geen geschikte lunchtent kunnen vinden, lopen we gelijk door naar de haven en nemen de ferry terug naar Ishigaki. Gelukkig hebben ze daar wel een vette hap.
Na een goede lunch (vooral de patatjes waren heeeeerlijk) lopen we terug naar het hotel omdat we naar een strand aan de westkant van Ishigaki willen. Bij het hotel blijkt de bus net weg te zijn en de volgende bus gaat pas om 16:30 uur. Dan gaan we maar weer terug naar de haven en nemen we een versnapering op een terrasje.

Rond vier uur lopen we dan weer naar het hotel (de fitbit van Diana blijft juichen) en laten we ons door de bus van 16:30 uur bij een zusterhotel afzetten. Het is natuurlijk veel te laat om nog in de zon plaats te nemen, maar de zonsondergang zou hier heel mooi moeten zijn, dus daar wachten we maar even op.
Helaas gooit de bewolking een beetje roet in het eten, maar het is toch best wel een mooi plaatje.

Terug bij ons hotel lopen we nog een keer naar het centrum, want we moeten nog wel wat eten. We komen in een restaurantje terecht waar de muren helemaal vol hangen met visitekaartjes, boardingpassen en andersoortige reisbewijzen. In Nederland zou zo’n zaak niet lang bestaan, maar hier maakt dat allemaal niet zoveel uit. We bestellen wat lokale noedelgerechten en het smaakt voortreffelijk.
We lopen nog een laatste keer terug naar het hotel en gaan gelijk door naar de kamer om onze rugzakken in te pakken voor de vlucht naar Tokyo.

Dinsdag 13 november

Tja,wat valt er te vertellen over een reisdag waarop alles soepeltjes verloopt? Eigenlijk helemaal niets, maar je wilt je publiek ook niet teleurstellen……
We begonnen weer met zo’n chique ontbijtje uit de supermarkt. Dat is geen tafereeltje om een foto van te maken, maar het smaakte wel weer vurrukkuluk. Terug bij het hotel slepen we de rugzakken van de kamer en wachten we op de gratis shuttle-bus van het hotel, die ons naar de luchthaven brengt. Die bus levert ons precies om 11:00 uur af bij de luchthaven waar we in de rij gaan staan voor het inchecken. Een half uurtje later gaan de rugzakken via de lopende band naar het vliegtuig en nemen wij de route langs de security check. Hierna nemen we plaats in de ongezellige wachtruimte waar de slecht verstaanbare stewie om 12:15 uur begint met het inchecken. Alle passagiers zitten in no time in het vliegtuig en we kunnen precies op tijd vertrekken naar Tokyo.

De vlucht verloopt heel smooth en om 15:00 uur landen we op Haneda airport. Als wij ons net geinstalleerd hebben bij de bagageband, komen onze rugzakken er al aan. We nemen de roltrap naar de monorail en stappen in de klaarstaande trein. Een paar minuten later zijn we op weg naar het eindstation van de monorail: Hamamatsucho. We lopen een paar honderd meter naar metrostation Daimon waar we Asakusa lijn nemen naar het Asakusa station en lopen het laatste stukkie naar ons hotel.
Even inchecken, rugzakken op de kamer en we kunnen er weer op uit.
Zoals al aangegeven is er dus niets te melden over onze reis van Ishigaki naar Tokyo.

We lopen eerst terug naar Asakusa station omdat we willen weten hoe we donderdag op Narita airport moeten komen. Bij de Tourist Information kunnen ze ons niet helpen (?), maar een vriendelijk dame op het station, die ook nog eens goed Engels spreekt (die zijn het zeldzaamst), legt ons precies uit hoe we zonder overstap op de luchthaven komen. Ze geeft ons ook nog een papiertje met de vertrektijden mee.

Dan gaan we een hapje eten bij een klein Chinees restaurantje en als we daar de al net zo kleine rekening hebben betaald, gaan we nog even bij Doutor zitten voor een bakkie koffie.
Daarna lopen we kris-kras door Asakusa en gaan we af en toe een winkeltje binnen op zoek naar een souveniertje. Asakusa is een leuke wijk met veel kleurrijke reclames, restaurantjes en een enorme hoeveelheid souvenierwinkels.

Rond 19:00 zijn we weer terug bij het hotel waar we even in de lounge gaan zitten. Als we even later van een bakkie koffie zitten te genieten komt er aan het tafeltje naast ons een Chinees zitten die uitgebreid z’n nagels gaat knippen. We moeten ons bekertje afdekken om te voorkomen dat er nagels in onze koffie terecht komen. Waarom moet die Chinees zo’n perfecte reisdag toch nog verpesten?

Woensdag 14 november

Dat was geen sterke start op de laatste dag in Japan. We hebben ons verslapen en dat brengt gelijk het eerste onderdeel van ons programma in gevaar.
We willen eigenlijk nog iets sumo-achtigs zien. Wedstrijden zijn er niet, maar we hebben een adresje gevonden waar deze potige mannen trainen en daar zou je een kijkje kunnen nemen.
We kleden ons snel aan en gaan op weg naar Asakusa station. Daar aangekomen kopen we een dagpas voor de metro, want we hebben nog meer plannen voor vandaag. Van Asakusa station snellen we naar Hamacho station en lopen dan nog drie blokken naar de Arashio Sumo Stable, gaan het kleines straatje in waar deze trainingslocatie is gevestigd om dan op het raam een bordje CLOSED te zien met een poppetje van een sumo worstelaar. Da’s pech, maar er staat nog wel meer op ons lijstje voor vandaag.

We duiken de metrogangen weer in en verplaatsen ons naar Tokyo station. Vanaf dit station is het maar een paar honderd meter lopen naar het Imperial Palace.
Op weg naar het paleis passeert er nog een stoet met paarden, koets en een aantal limousines, waarschijnlijk gevuld met hoogwaardigheidsbekleders, want de politie deed heel veel moeite om pottenkijkers op afstand te houden.
We lopen naar de gate waar de stoet vandaan kwam, maar die is duidelijk niet voor ons bedoeld. In z’n beste Engels verteld een bewaker dat we bij de oostelijke poort moeten zijn.

We sluiten aan in de rij die bij deze poort staat en wachten rustig op onze beurt, om er na zo’n tien minuten achter te komen dat we niet in de rij staan voor de ticketoffice, maar voor de controle van de tassen. Omdat wij geen tassen bij ons hebben, hadden we eigenlijk gelijk door kunnen lopen, maar ach, we stonden in het zonnetje.
Als we binnen zijn komen we er ook achter dat we eigenlijk niet het Imperial Palace bezoeken, maar de Imperial Palace East Gardens. Geen fantastische gebouwen dus, maar een fantastische tuin. We wandelen een uurtje langs de meest fantastische Japanse creaties en lopen dan weer terug naar het metrostation.

Van zo’n wandeling krijg je best dorst, maar gelukkig heeft men in Japan daarvoor de oplossing gevonden: vending machines. Op de hoe van elke straat, op metrostations, in hotels, bij de supermarkt naast de afvalcontainer, overal staan deze drankenautomaten. Gevuld met zowel warme als koude dranken (dat herken je aan het blauwe of het rode knopje). Vending machines hebben onze dorst al menigmaal gestild en ook deze keer trekken we weer een flesje, onze favoriet: Supply!

Na deze dorstlesser gaan we op weg naar het Tokyo Metropolitan Government Main Building. Niet omdat er iets mis is met onze papieren, maar omdat je hier vanaf de 45e verdieping een prachtig uitzicht hebt over Tokyo. Het gebouw is zo’n beetje op Tochomae station gebouwd, dus dit keer hoeven we niet veel te lopen.
We gaan in de rij staan voor het Observation Deck en wachten netjes tot we in de lift worden gepropt.
Het uitzicht is inderdaad fantastisch. Aan de oostelijke kant van dit gebouw zien we de Sky Tree en aan de zuidwestkant zien we Mt. Fuji (althans dat vermoeden we). We lopen een rondje langs alle ramen en proberen de bekendste attracties te vinden.

Veel langer dan een half uurtje zijn we niet boven en als de lift ons weer netjes beneden heeft afgezet, lopen we langs de promotie stand van een evenementje dat hier over iets meer dan anderhalf jaar zal plaatsvinden: Tokyo 2020. De mascottes zijn in ieder geval al bedacht. We snuffelen wat rond op deze afdeling en duiken dan de metro weer in en gaan we naar station Suehirocho (vlak bij Akihabara).

We hebben gelezen dat daar een manga-warenhuis is dat helemaal volgepakt zou staan met manga-memorabilia. Manga is een vorm van Japanse comic-art en strips, puur gemaakt voor de Japanse markt. De personages zijn vaak meisjes en jongens met onrealistische grote hoofden en ogen. De meisjes zijn vaak snoezig oversized gekleed met een onschuldige gezinsuitdrukking.
Het warenhuis mag dan voor de diehard manga-fan heaven zijn, wij vinden het niets. Een somber, smoezelig warenhuis van acht verdiepingen helemaal vol met collectables, video’s, games, etc. Niet de mooie poppen met de grote ronde ogen waar wij voor kwamen. Ach ja, what’s next?

We nemen nu eens niet de metro, maar lopen richting Ueno park. We hebben inmiddels wel trek gekregen en gaan bij MOS Burger naar binnen voor een snelle hap. Vooral het ijsje smaakt heerlijk!
Halverwege MOS Burger en Ueno park maken we een kleine detour over de Ameyoko markt. Als je daarbij het idee hebt dat je langs marktstalletjes loopt waar de kleuren en geuren je zintuigen prikkelen, dan heb je het net zo mis als wij. Het is een verzameling trash-winkels waar vooral de schoen-fetisjist aan z’n trekken komt. We lopen het straatje door en steken dan de weg over richting Ueno park.

Bij de Lawson supermarkt pinnen we voor de laatste keer en klimmen dan de trap op naar het park. Het is geen spectaculair park voor degenen die van bomen en ander groen houden, maar het is er wel gezellig druk. Na een paar honderd meter gaan we een trap af naar de Lotus vijver, om tot de ontdekking te komen dat het een slecht seizoen is voor de lotusplanten. De bladeren zijn bruinig en hangen er slapjes bij.
We keren dus weer om en gaan het park weer in. Daar zien we nog een ballonartiest die verschrikkelijk goed Mickey Mouse van ballonen kan maken en even verder doet iemand z’n kunstje op een fiets met één wiel (of zoiets). Nog wat verder zien we het National Museum waar we op onze eerste dag in Tokyo hebben geschuild voor de regen en dan is het wat ons betreft wel mooi geweest in het park. Op naar de metro.

Het cirkeltje is bijna rond, want we gaan op weg naar de Skytree en dat is helemaal niet zo ver van ons hotel. Met z’n 634 meter is het de hoogste vrijstaande toren ter wereld en een niet te missen onderdeel van de skyline van Tokyo. Waar je ook bent, je ziet deze toren.
Het metrostation zit direct onder de toren dus als je buiten komt, moet je je nek tot het uiterste flexen om het topje van de toren te kunnen zien. We nemen honderd meter afstand om ‘m iets beter in het vizier te krijgen, maar het blijft een joekel.

Nu we toch in de buurt van het hotel zijn, gaan we daar eerst onze jassen ophalen. We lopen de hele dag al met korte mouwtjes, maar heel veel warmer dan 15 graden is het vandaag niet geweest en omdat de zon begint te dalen, is jasje toch wel prettig
Van het hotel gaan we weer naar Asakusa station om vervolgens naar Toyusa station te crossen. Dit station is het verste station op de Yurakucho line en moet ons in de wijk Odaiba (by night) brengen. Een tochtje van drie kwartier, incl. overstap.
Als we het metrostation uitkomen is het inmiddels donker en omdat onze buikjes beginnen te protesteren, gaan we eerst op zoek naar een restaurant. Gelukkig is er op nog geen honderd meter buiten het station een Coco Curry gevestigd en die geur kunnen we niet weerstaan.

De curry was heerlijk en eigenlijk zou je nu je hoofd even op een bank willen gaan liggen om na te genieten, maar daar hebben we geen tijd voor. Wij moeten nog even uitzoeken hoe we deze wijk verder in kunnen komen.
We lopen terug naar het metrostation en treffen daar gelukkig een man met een pet die Engels spreekt en hij verwijst ons naar de Yurikamome line. Dit is geen metrolijn van Tokyo Subway of Toei Subway, dus we hebben hier niets aan onze dagpas, maar deze metro brengt ons wel naar het mega reuzenrad, een van de grote attracties van deze wijk.

Het op een na grootste reuzenrad ter wereld is prachtig verlicht, maar we hebben hier weer hetzelfde probleem als bij de Skytree: het is te groot! We lopen er een keertje onderdoor, maar gaan dan op weg naar het Fuji Television Building (een andere ‘attractie’ van de wijk), om het rad van een afstandje te kunnen bekijken.
Odaiba by night is mooi, maar het is eigenlijk wel jammer dat we hier overdag niet zijn geweest. Mega warenhuizen, outlets, grote gebouwen, een prachtige Rainbow Bridge (nog een attractie) en waarschijnlijk nog veel meer wat we nu niet kunnen zien.

Voor ons zit het er nu helaas op. We lopen terug naar het metrostation en nemen de eerste metro terug naar ons hotel. Zoals zo vaak (en vooral in de metro) observeren we de Japanse medereizigers. Het is inmiddels tegen negenen en de metro zit nog steeds behoorlijk vol. Veel zakenlui die net van hun werk komen, bijna allemaal in een pak en bijna allemaal van dezelfde fabrikant (zo lijkt het). Vrijwel iedereen is druk in de weer met z’n telefoon of tablet. Oogcontact maken de Japanners niet snel; ze zullen een buiginkje maken en meer niet. Vreemde gewoontes zijn er in overvloed: het regelmatig terugkerende monddoekje, de te grote schoenen, de bizarre kledingsmaak van de Japanse vrouw, het uniforme kapsel, slurpen, de taalbarriere (slechts een klein aantal Japanners die wij zijn tegengekomen spreekt behoorlijk Engels), het vrolijke ontvangst- en uitzwaaideuntje door het personeel in winkels en restaurants, de vele regeltjes en nog veel meer.
Wij hebben hele goede herinneringen aan het prachtige Japan en de behulpzame Japanners en zullen iedereen adviseren om dit land te bezoeken (en het is minder duur dan je denkt).

Donderdag 15 november

Aan al het moois komt een eind. Mwaaahh, dat is wel heel erg dramatisch. Onze vakantie zit erop, punt.
We zijn er vandaag al weer vroeg uit, want de rechtstreekse metro naar de luchthaven vertrekt om 07:23 uur vanaf Asakusa station. Samen met een aantal andere toeristen staan we er al veel te vroeg te wachten.
We hebben vijf kwartier om nog een beetje Japan op te snuiven en lopen dan vertrekhal 1 van Narita Airport binnen. We gaan gelijk door naar de balie van KLM waar we onze rugzakken inchecken. 23 kilo lichter gaan we op zoek naar een restaurantje waar we kunnen ontbijten. In tegenstelling tot een gemiddelde Japanse stad zijn er daar voldoende van op de luchthaven.
Als we om 09:31 uur op het Observation Deck staan te kijken, zie we de kist van KLM binnenkomen; die is mooi op tijd.
We nemen voor de laatste keer een bak koffie bij Lawson en gaan dan op weg naar gate 14.

Er wordt op tijd gestart met boarden en als we in het vliegtuig zitten vertelt de gezagvoerder al snel dat iedereen aan boord is en dat hij binnen enkele minuten zal starten. Helaas is het erg druk in de lucht bij Tokyo, waardoor het nog tot 11:50 uur duurt voordat de wielen los komen van de grond. We zijn weer op weg naar Nederland.

Japan 4

Maandag 5 november

Het weer was gisteren al niet best, maar toen we vanochtend de gordijnen open deden zag het er allemaal nog slechter uit. Het leek wel of er een gordijn rondom Fujiyoshida was opgetrokken, het zicht was nog veel beroerder!
Tja, wat doe je eraan? Inderdaad, helemaal niets. We zijn dus maar naar beneden gegaan om van het westerse ontbijt te genieten. Dit is nl. een van de weinige hotels waar we ontbijt bij hebben.

Het ontbijt wordt geserveerd en het ziet er prachtig uit en afgezien van de salade behoorlijk westers. We laten het ons smaken, maar als we over onze schouder naar buiten kijken, zien we dat het inmiddels is gaan regenen. Waarom hebben we dat nu net in Fujiyoshida waar je het van het uitzicht moet hebben.

De geniale voetballer uit Amsterdam zei altijd ‘elk nadeel heb ze voordeel’ en dat was ook nu het geval. We moesten de vlucht en het hotel voor onze strandverlenging nog boeken en daar hadden we nu mooi de tijd voor.
We zijn met onze spullenboel in de lobby gaan zitten en zijn het internet gaan afstruinen.
Ik zal jullie de krachttermen besparen, maar het viel nog helemaal niet mee om wat te vinden. Moet het Okinawa of Ishigaki worden, waar is de weersverwachting beter, in welke plaats moeten we iets boeken, zijn de kamers wel beschikbaar,……..
Een uur en een paar paracetamol later hadden we dan toch eindelijk een vlucht naar Ishigaki en een hotel (eigenlijk hotels) naar onze zin geboekt.

Het is inmiddels 10 uur en de eerste breukjes in de bewolking zijn zichtbaar. We gooien alle spullen weer op de kamer en gaan op weg naar de Chureito pagode, een van de bekendste uitzichtpunten voor Mt. Fuji. We kunnen alleen maar hopen dat er straks wat grotere scheuren in de bewolking zullen zijn.
Het is een half uur lopen naar de pagode en zowaar begint de zon af en toe te schijnen. Helaas wil Mt. Fuji niet onder z’n deken vandaan komen, maar wij hebben alle tijd vandaag, dus wie weet.
Het is ons al eerder opgevallen, maar in Japan hebben ze hele grappige waarschuwingsborden. Waar in Nederland dit soort borden een formeel karakter hebben, gaat het hier meestal gepaard met een cartooneske afbeelding.

Als we in de buurt van de pagode komen hebben we inmiddels spijt dat we onze jassen aan gedaan hebben. De zon brandt er stevig op los en als we naar boven kijken zien we dat blauw de overhand krijgt. Van Mt. Fuji nog steeds geen teken, maar we moeten eerst 398 treden op om bij de pagode te komen en dan kan alles anders zijn. We drinken ons wat moed in bij een frisdrank-wagen (met een hond als bedrijfsleider) en beginnen dan aan de klim.
We zijn niet de enigen die dit plekje vanochtend hebben uitgekozen. We slingeren ons langs mede-Fuji-spotters en komen hijgend boven, bij de pagode. Dan zijn we er nog niet helemaal, want het platform waar je de beste foto’s kan maken is achter de pagode.

We nestelen ons tussen de andere toeristen en als we langs de pagode kijken zien we zowaar een deel van de top van Mt. Fuji. Omdat we niet weten of het vandaag nog beter zal worden schieten we er op los. Een tiental minuten later zien we een klein stukje van de flank van Mt. Fuji, dus richten we de camera’s nog maar eens op de 3776 meter hoge vulkaan. Met deze 3776 meter is Mt. Fuji ook de hoogste berg van Japan.
We blijven nog even op deze hotspot voor fotografen en laten onze camera’s overuren maken. Er was toch duidelijk iets meer te zien van Mt. Fuji dan een paar minuten geleden, of toch niet, of……. ja nu, dit is het moment, oh nee er hing een wolkje voor de top, etcetera, undsoweiter, enzovoort, …….. Na ruim een half uur onze camera’s te hebben mishandeld houden we het voor gezien. Beter wordt het niet vandaag en het is al vele malen beter dan we vanochtend gedacht hadden.

We lopen ongeveer dezelfde weg naar beneden en komen daar een bruidspaar tegen dat met de bruidsreportage bezig is. Ook zij hebben vandaag pech met Mt. Fuji, maar er valt best nog wat te photoshoppen.
Eenmaal beneden lopen we door naar het Shimoyoshida station om daar de trein te nemen naar Kawaguchiko bij het gelijknamige meer. Hier heb je ook nog een paar mooie lokatie om Mt. Fuji te spotten.

In Kawaguchiko lopen we eerst naar de oostkant van het meer, omdat daar de Mt. Kachi Kachi kabelbaan is die je naar een platform brengt.
Daar aangekomen vraagt Diana aan een stel toeristen die net naar beneden is gekomen, hoe het zicht was. ‘Too much clouds’ is het antwoord. Wij gaan dus maar niet in de rij staan voor een wolkendek, maar lopen verder naar de noordkant van het meer waar je Mt. Fuji ook kunt zien.
Als we daar aankomen, ziet het er niet veel beter uit. Er is weer een wolkengordijn voor de vulkaan geschoven, waarmee we de naam de rest van de dag kunnen veranderen in Mt. Foetsie.

We wandelen terug naar Kawaguchiko en eten er wat bij een sjofel Chinees restaurant. Iets verderop trakteren we onszelf dan nog op een heerlijk ijsje. We lopen nog een keertje naar de waterkant maar daar is ook niet zo veel te zien. We besluiten om dan maar terug te lopen naar het hotel, maar beseffen ons dat we, na het slechte begin van deze dag, niet mogen klagen.

‘s-Avonds eten we bij een Chinees restaurant, vlak bij het pretpark en daarna pakken we de rugzakken alvast in voor de reis van morgen.
Meestal beginnen we een vakantie in de hoofdstad van het land, maar nu gaan we er pas tegen het einde naartoe.

Dinsdag 6 november

Volgens plan zouden we de trein van 09:03 uur nemen vanaf station Fujikyu Highland, maar omdat we wat te vroeg op het station waren hebben we maar een trein eerder genomen. Deze was wel een paar honderd yen duurder, maar dat zou ons wat extra koffietijd in Otsuki geven. Terwijl wij staan te wachten op de trein, staat naast het station al een rij te wachten tot de poorten van het pretpark open gaan. Het zijn die-hard fans van de achtbaan, want het regent en dat is toch geen prettig weer in zo’n attractie.

Ons Julianatoren-treintje stopt alleen in Tsurubunkadaigakumae (probeer dat maar eens uit te spreken) en met drie kwartier zijn we in Otsuki. We halen er een bak koffie en lopen dan naar perron 5 voor de volgende trein. Als we op perron 5 aankomen zien we dat er een rechtstreeks trein naar Tokyo gaat. We besluiten die trein te nemen en omdat de trein er inmiddels aan komt rijden, bewaren we de koffie voor in de trein.
In tegenstelling tot gisteren knapt het weer niet op. De regen blijft naar beneden komen en de wolken hangen laag op de bergen.

Door onze trein-wissel zijn we al om 11:00 uur in Tokyo. We nemen de metro naar ons hotel en houden het ook nu niet droog. Hopelijk wordt dat vanmiddag wat beter.
Zoals gebruikelijk worden de incheckregels streng gehanteerd, dus we laten onze grote rugzakken maar weer achter in het hotel. Omdat we wel zin hebben in een bakkie koffie lopen we eerst even bij de naastgelegen Lawson supermarkt naar binnen. Met de beker koffie in de hand lopen we terug naar het hotel, maar wandelen wordt rennen als het steeds harder begint te regenen. We gaan aan een tafeltje bij het hotel zitten en genieten van de koffie. Als het weer wat droger is besluiten we de stad even in te lopen, maar we zijn nog geen vijfhonderd meter van het hotel of het begint opnieuw te hozen. We duiken snel het hostel in waar we op dat moment langs lopen.
Na een half uurtje proberen we het opnieuw, maar voor de zekerheid lenen we wel een paraplu bij het hostel.

Omdat eigenlijk alle wegen in deze wijk naar de Senso-ji tempel leiden, komen wij daar ook uit. De geleende paraplu komt goed van pas want het komt met bakken uit de lucht. Gelukkig is de tempel van alle kanten vrij toegankelijk, dus we gaan snel het grootste tempelgebouw binnen.
We weten niet zeker of het door de regen komt, maar het is gezellig druk in de tempel. De Senso-ji is de oudste tempel van Tokyo en deze tempel ontvangt jaarlijks maar liefst 30 miljoen bezoekers. De oorspronkelijk tempel is tijdens de luchtaanvallen van 10 maart 1945 vernietigd, dus de huidige tempel is later herbouwd.

Ondanks de aanhoudende regen is het een waar spektakel rondom de tempel. Er lopen heel wat meiden die een kimono hebben gehuurd op het tempelterrein en die willen natuurlijk de meest spectaculaire foto’s van zichzelf (laten) maken. Dat het regent maakt niet zoveel uit, want met en paraplu kun je er ook best leuk op staan.
Je kunt voor een paar yen kaartjes kopen om een ritueeltje uit te voeren met stokken in een busje en het is mogelijk om wensbriefjes op te hangen. Het geheel wordt begeleid door de kletterende regen die van het tempeldak afvalt.

Na een half uurtje te zijn opgegaan in de massa op het tempelterrein gaan we naar een overdekt winkelcentrum iets verderop en gaan even zitten bij Chococroc voor een versnapering. We hopen dat we gelijk een beetje opdrogen.
Het is alweer ruim na tweeën als we van Chococroc naar ons hotel lopen. We checken in en brengen onze spullen naar de kamer. Vanwege de aanhoudende regen nemen we alleen het hoogstnoodzakelijke mee (waaronder de geleende paraplu) en gaan we voor de ideale regenactiviteit: een museum bezoeken.

Het Tokyo National Museum is slechts een paar haltes met de metro, dus onder de plu naar Asakusa station (ter info: de ‘u’ van Asakusa spreek je niet uit).
Vlak voor vieren zijn we bij het museum en het lijkt wat minder te gaan regenen. We zetten onze paraplu in de afsluitbare paraplustalling en betalen het gunstig geprijsde kaartje aan het loket zodat we kunnen beginnen aan onze ontdekkingstocht langs de meest toonaangevende collectie van Japanse zaken.

Er zijn zo’n 3000 objecten tentoongesteld en ik zal ze niet allemaal opnoemen, maar er zijn een paar boeiende zalen bij.
Er zijn harnassen uit de 15e eeuw, hoogtepunten van Japanse kunst, kostuums uit de 16e eeuw, veel boeddhistische beelden, beschilderde kamerschermen, beeldjes van klei uit de Jomon periode (1000-400 BC), prachtige theeserviezen, heel veel views of Mt. Fuji en nog veel meer.

Het museum sluit al om 17:00 uur, dus we konden niet lang op een bankje voor een tentoongesteld kunstwerk blijven zitten staren, maar het bezoek aan dit museum was zeker de moeite waard.
Om het bezoek aan het Tokyo National Museum waardig af te sluiten, laten we ons vastleggen als Tohaku-kun (terracotta graf figuurtjes).

Buiten is het inmiddels donker geworden, maar het is wel zo goed als droog. We lopen terug naar Ueno station voor de metro naar ons hotel.
Als we bij de Senso-ji tempel lopen gaan de sluizen toch weer open, dus de paraplu gaat weer open. De tempel is ‘s-avonds mooi uitgelicht, maar we kunnen het niet opbrengen hier van te genieten. We lopen door naar het hotel, maar net voor het hotel begint het zo hard te regenen dat we het eerste het beste restaurantje binnengaan. Het piepkleine restaurantje blijkt een schot in de roos, want het eten smaakt er voortreffelijk.

Woensdag 7 november

Het zag er vanochtend allemaal een stuk vriendelijker uit. Het regende niet meer en er was zelfs weer blauwe lucht te zien. De jassen lieten we in de hotelkamer en de paraplu hebben we terug gebracht bij het hostel waar we het gisteren geleend hadden.
We moesten nog wel op zoek naar een ontbijt, want dat hadden we er hier niet bij geboekt. Uiteindelijk kwamen we bij McDonald’s uit, want om 07:15 uur is er nog niet veel open. De pannenkoeken smaakten voortreffelijk.

We gingen eerst met de metro vanaf Asakusa station naar de Tsukiji vismarkt. Een lange rit, helemaal als je in de verkeerde metro stapt (het was vroeg) en voller dan we tot nu toe hadden meegemaakt.
De beroemdste vismarkt van Japan is vorige maand gesplitst en verhuis. Het binnen gedeelte, waar de vis geveild wordt is verhuisd naar een nieuwe lokatie, terwijl het buiten gedeelte, waar de vis gegeten wordt (restaurants en winkels) op de oude lokatie is gebleven. Het binnen gedeelte heeft bovendien een nieuwe naam gekregen. Om een lang verhaal niet nog langer te maken: wij stonden op de verkeerde lokatie. Althans, we wilden eerst naar het binnen gedeelte en dan misschien later naar het buiten gedeelte waar we met de metro heen waren gegaan. Omdat je op de veiling vroeg aanwezig moet zijn, had dat nu geen zin meer. Volgende week woensdag een herkansing.

De winkeltjes en restaurantjes stelden niet zoveel voor. De vis die er verkocht wordt ziet er prachtig uit, maar om 9 uur ‘s-ochtends hebben wij daar nog geen zin in. We lopen door de smalle straatjes en zien dat de meeste restaurantjes op dit tijdstip nog gesloten zijn. Waarschijnlijk was het een groter spektakel toen het hier nog een grote markt was. De enorme reclames aan de gevels verwijzen naar betere tijden.

We lopen terug naar het metrostation waar we vandaan kwamen en gaan op weg naar Harajuka station. Het gebied rond dit station is bekend van de jongeren die hier in het weekend rondhangen. Ze zijn dan gekleed in verschillende stijlen, zoals gothic, lolita, visual kei en cosplay. Harajuku is zelfs bekend als modehoofdstad vanwege de unieke straatmode. Helaas hebben die jongeren op een woensdagochtend wel wat anders te doen.
We lopen even de roze straat in tegenover het station. Hier vind je bijna alleen maar meidenkledingwinkels, crêpes-restaurantjes en snoepwinkels. Een hele zoete ervaring.

Aan de andere kant van Harajuku station is de Meiji schrijn. Dit heiligdom is opgedragen aan de geest van keizer Meiji en zijn vrouw keizerin Shoken. Je zult hun graf hier echter niet vinden, want dat is ten zuiden van Kyoto.
De schrijn ligt in een groot bosachtig park dat bestaat uit uit 120.000 bomen die zijn gedoneerd door mensen uit heel Japan. Wij zijn niet de enige beroemdheden die hier zijn geweest; George W. Bush en Hillary Clinten gingen ons voor.
Je moet misschien geen oordeel over dit soort heiligdommen geven, maar deze vonden wij niet veel aan. Daar hebben we er wel mooiere van gezien. Het interessantst was misschien wel de muur met vaten sake die geofferd zijn.

We stappen in Harajuku op de yamanote lijn. Dit is een trein die een rondje door Tokyo maakt, dus het is een handige manier om bij een bezienswaardigheid te komen. Voor ons is de volgende stop Shibuya. Vlak bij Shibuya station zijn een tweetal bezienswaardigheden die we niet willen missen. We lopen eerst naar de bekendste hond (Akita) van Japan: Hachiko. Zijn bekendheid heeft hij te danken aan het feit dat hij na de dood van zijn baasje 9 jaar lang wachtte op diens terugkeer van werk bij het treinstation (de tranen springen me weer in de ogen). Na zijn dood werd voor Hachiko een standbeeld opgericht. Het ontroerende verhaal is tweemaal verfilmd. Misschien een leuk idee voor een druilerige herfstavond.

De tweede attractie is een zebrapad, of eigenlijk 5 zebrapaden waar in de spits duizenden voetgangers gelijktijdig oversteken. Het wordt de drukste voetgangersoversteekplaats van de wereld genoemd. Wij lopen natuurlijk ook een paar keer de straat over, maar het is vooral leuk om dit spektakel van bovenaf te bekijken. Starbuck’s is zo slim geweest om hier op een strategische lokatie een koffieshop neer te zetten, maar dan moet je wel even een drankje bestellen.

Na de heerlijke Christmas Strawberry Cake Frappucino naar binnen te hebben gewerkt, gaan we weer een stukje verderop. We nemen wederom de Yamanote line en dit keer stappen we uit bij Hamamatsucho station.
De reden waarom we hier uitstappen is al van veraf te zien. De rood-witte Tokyo Tower (officieel: Japanse Radiotoren) is met z’n 333 meter hoogte de op een na hoogste toren van Japan.
Er is 19 maanden gewerkt aan dit bouwwerk dat in 1958 werd voltooid. Het diende als symbool van de wedergeboorte van Japan als economische macht. Een tweede reden voor de bouw was dat Japan rond het jaar 1953 op zoek was naar een zendstation, toen de Japanse televisiemaatschappij startte met televisieuitzendingen.
Het ontwerp is duidelijk gebaseerd op de Eiffeltoren.

Om bij de toren te komen lopen we over het terrein van de Zojo-ji tempel. De poort naar deze tempel dateert van 1622 en is daarmee het oudste houten gebouw van Tokyo. De rest van de gebouwen is verwoest door brand, natuurrampen of WW2.
Zojo-ji is beroemd vanwege de relatie met de Tokugawa clan, de heersers van Japan tijdens de Edo-periode. Zes van de Tokugawa shoguns liggen begraven in het Taitoku-in mausoleum bij deze tempel.
Als we langs de tempel lopen horen we dat er een mis aan de gang is. We gaan naar binnen want dit is altijd bijzonder om mee te maken. Het gezang van deze monnik doet denken aan onze ochtendmis in Koyasan.

Als de mis is afgelopen gaan we door naar de Tokyo Tower en lopen om deze kolossale toren heen. Het is wel heel jammer dat ze tussen de poten van de toren een foeilelijk gebouw hebben neer gezet; jammer van het plaatje. We proberen de toren vast te leggen, maar van dichtbij lukt het eigenlijk alleen maar met de GoPro.
Na het rondje om de toren lopen we terug naar het treinstation. We lopen langs de ander kant van de tempel en zien daar tig Jizo beeldjes staan bij de begraafplaats. Het is een beetje tegenstrijdig, maar die beeldjes met hun rode mutsjes zien er zo leuk uit!

We springen weer in de trein en gaan naar Akihabara, de electronicawijk en gamewijk van Tokyo, maar ook bekend van de Akihabara maid. Dit zijn meisjes die zijn uitgedost in werksteruniform en pamfletten uitdelen voor de lokale handel.
De enorme warenhuizen hangen vol met kleurrijke reclame voor games, manga en anime. Overal zie je winkels met stekkers, kabeltjes, opladers, batterijen, maar ook heel veel gadgets. Je kijkt je ogen uit.
We lopen kris-kras door de wijk en als we last van onze nek krijgen van het omhoog kijken, lopen we weer terug naar het station.

Voor vandaag is het mooi geweest. We gaan nog een keer met de Yamanote trein en dit keer stappen we uit bij Ueno station De laatste paar kilometers naar ons hotel gaan we lopen. We hebben vandaag heel veel indrukken opgedaan van Tokyo, maar er staat nog wel wat op ons lijstje voor volgende week woensdag.

‘s-Avonds willen we wel weer eens zo’n Jpanse pannenkoek eten, dus we zoeken een okonomiyke restaurant uit op een paar honderd meter van ons hotel. We doen de schoenen uit bij de deur en nemen plaats bij een tafel waar de poten onder vandaan zijn gezaagd.
Als we de kaart onder de neus geduwd krijgen, snappen we er in eerste instantie niets van. Geen plaatjes van heerlijke okonomiyakes, maar schaaltjes met ingredienten. Blijkt dat je op een bakplaat de okonomiyake zelf moeten bereiden.
We bestellen dus maar twee porties ingrediënten en gaan ermee aan de slag. Het zal je waarschijnlijk niet verbazen, maar het smaakte voortreffelijk.

Donderdag 8 november

We gingen vandaag nog vroeger op pad dan gisteren, omdat we de drukte in de metro voor wilden zijn. Als we met onze rugzakken in de spit in de metro moeten staan, gaan we dat niet overleven. Nu paste het precies.
We gaan er op Daimon station uit en stappen over op de monorail naar Haneda airport. Het lijkt erop dat álle openbaar vervoer in Tokyo propvol zit, want ook in deze monorail is het vechten voor een plekje. Omdat we geen haast hebben, laten we een tweetal treintjes vertrekken zodat wij vooraan staan bij de volgende.

De monorail brengt ons in 20 minuten naar terminal 2 van de luchthaven. We zijn er veel te vroeg, maar ach, we moeten toch nog ontbijten.
We gaan eerst onze rugzakken inchecken op etage 3 en gaan dan op zoek naar een restaurantje waar ze een continentaal ontbijt serveren. Op de 1e etage zit Becks Cafe waar ze geroosterd brood met ei en spek hebben, dus daar vallen we aan.

Na het ontbijt lopen we langs de vele winkeltjes op deze luchthaven. Inmiddels is men al overgestapt van Halloween naar de Kerst, waardoor er in veel etalages al wat kerstsfeer te vinden is.
De luchthaven kleurt zo langzamerhand blauw van de schooluniformen. Het lijkt erop dat er een hele school met het vliegtuig op schoolreis gaat. We moeten af en toe wat manoeuvreren om ze te ontwijken, maar het is ook altijd leuk om even contact te leggen.

Van het een komt het ander en ook het toilet ontsnapt niet aan onze inspectie en we zijn weer een hele ervaring rijker mee. Als je op de wc gaat zitten begint een speaker spoelgeluid te maken. Dit is handig als je niet wilt dat je buurman hoort dat je…….luidruchtig….zit…..te………nou ja, je weet wel. Kun je even goed gas geven.

Rond 10 uur drinken we nog een bakkie koffie en daarna gaan we door de veiligheidscontrole. We vertrekken van gate 60, dus gaan daar in de wachtruimte zitten.
In de verte zien we dan een groot geel gevaarte aankomen. Is it a bird, is it a plane…., ja, it’s a plane en wel de geel gekalkte 777 van ANA waar wij mee naar Ishigaki vliegen. En het is niet zo maar een geel gekalkt vliegtuig, nee, het is een Star Wars 777. Wat kan een mens geluk hebben!

We gaan mooi op tijd boarden en als we het vliegtuig binnenlopen worden we verwelkomd met de soundtrack van Star Wars. Dit is te gaaf! Met een brede glimlach lopen we naar rij 29 en nestelen ons in onze stoelen.
Als de piloot heeft verteld dat de deuren dicht zijn en we kunnen gaan taxiën, horen we ineens R2-D2 en C-3PO uit de cockpit. Ze brabbelen wat in het Japans en lijken het niet eens te zijn over de aanvliegroute voor Ishigaki. Die glimlach gaat bij mij voorlopig niet meer weg.

Vanuit de cockpit vertelt de piloot (of was het toch C-3PO) dat de vliegtijd naar Ishigaki 2 uur en 38 minuten is. Dat valt niet tegen. We gaan er dus maar weer voor zitten.
We zien Tokyo onder ons weg schuiven en volgen de kustlijn van Japan naar het zuiden. Opeens zien we de witte punt, waarvoor wij naar Fujiyoshida zijn gegaan en waar we veel moeite moesten doen om die punt in beeld te krijgen, onder ons verschijnen. Een prachtige blauwe lucht als achtergrond voor de prachtige Mt. Fuji. Hebben we ‘m toch nog goed in beeld gekregen.

Om 14:12 uur staat de 777 (of was het toch de Millenium Falcon) op de landingsbaan van de kleine luchthaven van Ishigaki en taxiën we naar de gate. Geheel in stijl neemt C3-PO afscheid: ‘we thank you for flying ANA and hope to see you again on one of our flights in the future, may the force be with you’. Is toch wel te gek dat je als vliegmaatschappij zo’n dikke vette knipoog geeft.
We halen onze rugzakken van de band en gaan naar de bushalte, direct buiten de aankomsthal. Een vriendelijke dame staat ons al op te wachten bij een gereedstaande bus. Als wij zeggen dat we naar ANA Intercontinental moeten, vertelt ze dat onze bus om 15:15 uur vertrekt. Ze overhandigt ons nog wel een kortingsbon voor de ferry naar Taketomi en daar zijn wij Nederlander altijd gek op.

De bus brengt ons in een half uurtje naar ons hotel waar we gelijk kunnen inchecken. Het is een enorm hotel met binnen- en buitenbad, de zee met privestrand voor de deur en een vijftal restaurants in da house. Dat is andere koek dan we tot nu toe gewend zijn in Japan.

Op onze kamer doen we wat luchtigere kleding aan, want de temperatuur ligt hier wat graden hoger dan in Tokyo, waarna we op weg gaan naar de duikschool die een paar honderd meter van het hotel verwijderd is.
In het kleine gebouwtje nemen we plaats op een doorzitbank, waarna de vriendelijke eigenaresse ons wat zaken verteld over het duiken met deze duikschool. We willen graag zondag gaan duiken en dat is gelukkig nog mogelijk. We vullen de benodigde papieren in en spreken af dat ze ons in bij het ART Hotel komt ophalen. Dat is geregeld!

Vrijdag 9 november

Geen wekker! We zouden kunnen uitslapen, maar doen dat niet want dat is toch eigenlijk ook wel weer zonde bij dit strandhotel.
We schuiven om 8 uur aan bij het ontbijtbuffet en gaan ons te buiten aan alle heerlijkheden die er te krijgen zijn.
Om 9 uur sluiten we af met een bakkie koffie en gaan dan naar de kamer om de zwembroek aan te trekken.

Met een flesje zonnemelk factor 30, een paar tijdschriften en een flesje water gaan we naar het strand. We willen naar de luxe strandbedden toelopen, maar worden tegengehouden door de badjuf; ‘die zijn voor members’ zegt ze en ze neemt ons mee naar de iets minder luxe bedjes, die overigens ook best liggen.

Tja en wat doe je dan zoal op zo’n dag? We zwemmen wat (in een afgebakend deel van de zee want rond dit eiland komen zeer giftige kwallen voor), we wandelen wat, we lezen wat, we gaan wat eten en gaan aan het eind van de middag nog even spoelen in het zwembad.

Als de zon begint te zakken lopen we over het strand in westelijke richting omdat je daar moet zijn voor de zonsondergang. Dit klinkt makkelijker dan het is, want als je wat verder van het strand van het hotel verwijderd bent, moet je over stukken koraal en rotsen klauteren. Uiteindelijk weten we een plekje te vinden waar we van hét moment kunnen genieten.

Dan kom je terug op je kamer en schrik je als je jezelf in de spiegel ziet: zijn er lichaamsdelen die roder zijn dan een kreeft. Dat wordt smeren!
‘s-Avonds nemen we de bus naar downtown om daar een hapje te eten. Het is hier best gezellig. Winkeltjes, bars en restaurants in overvloed. Daar kunnen we wel aan wennen.
Rond half acht nemen we de bus terug naar ons hotel en zo zie je maar: een ander soort vakantiedag geeft ook een ander soort vakantieverslag.

Zaterdag 10 november

Dat is sneu! Zit je in een strandhotel, regent het. Gelukkig hebben we behoorlijk wat tijd nodig voor het ontbijt, want dan zou het straks best weer droog kunnen zijn.
We weten de weg langs het buffet beter te vinden dan gisteren, dus we komen niets te kort. Ze hebben ons een mooie tafel gegeven met uitzicht op het zwembad, maar hier kunnen we wel héél goed zien hoe hard het regent.

Tegen de tijd dat we aan ons fruithapje toe zijn regent het niet meer! We nemen nog een bakkie koffie en kunnen dan naar de spoelgeluiden op de wc gaan luisteren.
Daarna pakken we onze rugzakken in, want we verkassen vandaag naar een ander hotel. Het ANA Resort is nl. volgeboekt voor de rest van ons verblijf op Ishigaki.
We leveren onze rugzakken in bij de bell-boy en gaan dan naar het strand. Het is nog steeds bewolkt, maar af en toe prikt de zon er tussen door. Voor ons is deze mindere dag helemaal niet erg, want dan kan de verkoolde huid tot rust komen. Het is heerlijk weer om met een tijdschriftje aan zee te verpozen.

Rond het middaguur verruilen we het strand voor het zwembad. De zon doet steeds beter z’n best, zodat we sommige lichaamsdelen moeten gaan bedekken tegen de stekende stralen.
Om kwart over twee houden we het voor gezien. We halen onze rugzakken op en wachten voor het hotel op de lokale bus die ons naar het ART Hotel brengt.

De twee hotels liggen maar 10 minuten rijden uit elkaar, waardoor we in record tijd weer zijn ingecheckt bij ons volgende hotel en op weg kunnen naar downtown Ishigaki. We zoeken eerst iets om te lunchen en dat valt in Japan helemaal niet mee om 3 uur. De meeste restaurants zijn tussen 2 en 5 gesloten; een soort siësta. Ergens halverwege het hotel en de haven vinden we eindelijk een restaurantje dat open is.

Na de lunch wandelen we eerst langs het busstation omdat we misschien nog naar een idyllisch strandje aan de noordkant van Ishigaki willen gaan. Het blijkt dat er maar heel af en toe een bus naar Kabira Bay gaat, dus dat wordt waarschijnlijk lastig. Dan lopen we langs de haven waar we overmorgen de veerboot willen nemen naar het eilandje Taketomi op 50 minuten varen van Ishigaki. Die veerboot gaat elk halfuur, dus dat zal geen probleem worden. We slenteren nog wat langs het water en gaan dan terug naar het hart van Ishigaki town.

We komen langs een gedenksteen met het getal 730 erop. Gisteravond hadden we dat getal 730 ook al op allerlei winkels en restaurants zien staan. Op de plaquette bij de gedenksteen lezen we wat het betekent. Dit monumentje is ter nagedachtenis aan de dag dat het verkeer op Okinawa (en dus ook Ishigaki) een belangrijke verandering onderging. Op 30 juli 1978, 6 jaar nadat Okinawa weer onder Japanse bestuur was gekomen, gingen de auto’s weer links rijden. Tot die tijd volgden ze de verkeersregels van de Amerikaanse bezetter. Wij stonden er wel van te kijken dat Okinawa pas in 1972 aan de Japanners was terug gegeven.

Zoiets vraagt om een moment van bezinning, dus zijn we snel naar het restaurant aan de overkant van de weg gegaan om een lekker koud biertje te vatten. Even bijkomen.
Van het ene biertje komt een ander biertje en dan kun je er eigenlijk net zo goed wat eten.
We bestellen een echt Okinawaans/Okinawees/Okinawa’s gerecht: Taco rice. Dit gerecht is een combinatie van iets lokaals met een Amerikaanse inbreng. Het smaakt voortrefbaar.

Zondag 11 november

In de bevestigingsmail van duikschool Prime Scuba had gestaan dat we om 08:00 uur bij de ingang van het hotel klaar moesten staan en omdat Japanners nogal van de tijd zijn, stonden wij daar ruimschoots voor 08:00 uur al klaar. Dat was maar goed ook want om vijf voor acht kwam het busje van de duikschool al aanrijden.
We pikten onderweg nog een Amerikaanse dame op en reden daarna door naar de haven. Nadat het gezelschap van vandaag was aangevuld met een Fransman en 6 andere Amerikanen, gingen de trossen los.

De eerste duiksite was maar een half uurtje varen en Kieran, onze gids voor vandaag, gaf een snelle briefing van de duik. Het kwam er in het kort op neer dat je hier macro-spul of mantas ziet en aangezien onze laatste duik bij Manta City zou zijn……
De onderwaterwereld was niet erg kleurrijk, maar Kieran deed z’n uiterste best om ons zoveel mogelijk klein spul te laten zien. Ondanks dat alles onder water 25 procent groter lijkt, had een leesbril wel handig geweest. Toch hebben we heel wat grut gezien dat we nog niet eerder hadden gezien.
Na bijna 55 minuten klimmen we weer aan boord en maken we onze uitrusting klaar voor de volgende duik.

We hadden niet heel veel tijd om over de eerste tijd na te praten, want om kwart voor elf plonsden we al weer in de blauwe zee. Dit keer niet alleen beesies voor een macrolens, maar er kwamen er ook wat grotere rifvissen voor de lens. Een paar koraalduivels, murenes, nemo, zeeslang en helemaal aan het einde van de duik zijn we nog op de foto gegaan met een groene schildpad. Na ruim drie kwartier was het tijd om weer aan boord te gaan en van de lunch te genieten.

De laatste duik moest het klapstuk van vandaag worden. Dé reden dat duikers naar Ishigaki komen: zwemmen met de manta. Máár, er is geen garantie! Dat laatste was ons al meerdere keren verteld en ook de duikers die hier gisteren al waren geweest bevestigden dat, want gisteren hadden ze er slechts twee in de verte zien zwemmen.
Rond 13:00 uur hijsen we de jacket weer om onze schouders en springen we voor de derde keer vandaag in het water. We zwemmen achter Kieran aan om vervolgens plaats te nemen achter een rots op ongeveer 10 meter diepte. Het zwemmen met mantas heeft eigenlijk niet zoveel met zwemmen te maken. Je gaat achter een rots zitten en probeert zoveel mogelijk op te gaan in de omgeving. Dan maar wachten of er mantas zijn die jeuk hebben.
De plek waar wij zitten is nl. een cleaning station voor mantas. Omdat mantas ook wel eens jeuk hebben, maar geen vingers hebben om zich te krabben, laten ze zich op bepaalde lokaties behandelen door vissen die hun huid ontdoen van kriebelende parasieten en als ze er dan toch zijn, worden gelijk hun kieuwen en tanden schoongemaakt; een soort schoonheidssalon eigenlijk.
Als het mogelijk zou zijn om onder water een gat in de lucht te springen hadden wij dat na een paar minuten al gedaan. Daar kwamen 2 mantas met een spanwijdte van 3 a 4 meter op ons af. Wat een majestueuze beesten zijn dat. Het zijn net onderwatervogels. Ze zweven als het ware door het water en bewegen daarvoor maar af en toe hun enorme vleugels. Het blijft niet bij die twee mantas, want soms komt er eentje van voren en soms een paar van achteren op ons af zwemmen. Wat hebben wij geluk vandaag.
Na 40 minuten aan de rotsen te hebben gehangen keren we dan terug naar de boot. Duiken in Japan is niet goedkoop, maar dit was het dubbel en dwars waard.

We zijn om 13:50 uur uit het water en moeten dan ruim een uur terug varen naar de haven van Ishigaki. Iedereen aan boord is enthousiast over wat we vandaag gezien hebben.
Nadat we ons op de hotelkamer hebben omgekleed gaan we snel naar een terrasje in de zon om dit te vieren.

Japan 3

Maandag 29 oktober

Omdat we vandaag niet zo heel vroeg in Koyasan hoeven te zijn, doen we het rustig aan. Eerst een beetje uitslapen en dan ontbijten bij Doutor. We laten onze grote rugzakken in het hotel achter, want we komen hier morgenmiddag toch weer terug.
De broodjes van Doutor kennen we nog van Sapporo en ze smaken hier net zo lekker. Na dit ontbijt duiken we het metrostation weer in en gaan naar station Namba. Hier vertrekt nl. onze trein naar Koyasan.

Op Namba station gaan we naar de Ticket Desk omdat we een combi-kaart voor Koyasan willen kopen. Een allervriendelijkste mevrouw vertelt ons dat we bij haar aan het juiste adres zijn en rekent ongevraagd ook nog even voor hoeveel we hiermee besparen. Zijn we als echte Hollanders altijd blij mee. We moeten nog even wachten voordat onze trein vertrekt, dus we lopen even een rondje door Namba station op zoek naar een bak koffie.

Om 11:02 uur vertrekt onze trein naar Hashimoto. Het is een forensentrein, dus veel comfort biedt deze trein niet. Het ritje duurt maar 45 minuten, dus veel last hebben we er niet van. In Hashimoto stappen we over op de trein naar Gokurakubashi. Deze trein zit stampvol toeristen, incl. een stel verdwaalde supporters van het Nederlands elftal. De trein doet er ruim een uur over, maar dat kwam vooral omdat we op een tussenstation moesten wachten op 3 treinen die van boven kwamen.

In Gokurakubashi stappen we dan in een kabelbaan die ons in een paar minuten naar Koyasan station brengt. Daar springen we in een van de bussen die klaarstaan en laten ons afzetten bij halte Daimon, omdat daar de toegangspoort naar Koyasan staat en waar kun je beter starten dan aan het begin.
Het verhaal van Koyasan start in het jaar 805 met de monnik Kobo Daishi (aka Kukai), stichter van het Shingon-boeddhisme. Kukai bouwt zijn hoofdkwartier op de bergtop van Koyasan, nadat hij jaren op zoek was geweest voor een goed lokatie. Sindsdien zijn er meer dan honderd tempels verrezen op deze berg.

Onze verwachting van Koyasan komt niet helemaal overeen (of eigenlijk helemaal niet) met de werkelijkheid. We hadden gedacht in een kloostercomplex te komen met diverse tempels, pagodes en andere heiligdommen. Koyasan is echter een dorp waar links en rechts heiligdommen staan en waar een groot aantal tempels is opengesteld voor de toeristen om er te kunnen slapen (shukubu). Het is dus veel minder knus dan we dachten, maar het voordeel is wel dat er ook een Familymart is waar je van alles kan kopen.

Na de toegangspoort maken we een koffiestop bij diezelfde Familymart en daarna gaan we door naar de belangrijkste tempel: het Danjo Garan Complex. Je loopt het terrein op via de enorme Chu-mon poort waar grote afschrikwekkende beelden de wacht houden. Opvallendste gebouw is de grote oranje (=vermiljoen) pagode van 48,5m hoog. In de pagode staan een vijftal mega boeddha beelden. Behalve een (paar) volle treinen met toeristen, staan de parkeerplaatsen ook vol met bussen die ook nog een lading afleveren. Bijna al deze toeristen willen een selfie voor de pagode, dus voor een leuke foto moet je wel geduldig zijn. Naast de pagode staat de Kon-do hal. Dit is de belangrijkste hal van dit complex en wordt gebruikt voor ceremonies. Het terrein staat verder vol met grote pijnbomen en esdoorns in de fraaiste herfstkleuren, die het plaatje compleet maken.

Onze volgende stop is de Kongobu-ji tempel. Dit is de hoofdtempel van meer dan 4000 tempels van de Shingon sekte in de wereld. Het is een prachtig gebouw met een mooi detail van een draak, maar heel speciaal is deze tempel in onze ogen niet; we hebben wel mooiere gezien. We lopen wat rond de tempel en als we alle hoeken en gaten gezien hebben gaan we door naar onze eigen slaaptempel.

Onderweg naar onze slaapplaats lopen we af en toe nog het terrein op van een tempel die we passeren. Sommigen fungeren als slaapplaats, maar anderen doen alleen dienst als tempel. Regelmatig lopen we monniken tegen het lijf en dat is niet zo gek, want de helft van de bevolking is monnik.
Na een half uurtje lopen komen we dan bij Shojoshin-in, waar onze bedjes staan. Het is een prachtig gebouw met een schitterende Japanse tuin er omheen.
We checken in, betalen de veel te hoge kamerprijs en worden naar onze kamers begeleidt. Onderweg wordt uitgelegd waar we moeten zijn voor de ochtendceremonie, het ontbijt en het diner, waar de toilet is, waar de badkamer is, hoe de badkamer op slot gaat en welke slippers je waar aan moet doen en hoe de verwarming aan gaat. Een sleutel krijgen we niet, want dat is niet gebruikelijk in een tempel; de deur schuif je gewoon achter je dicht.
Onze kamer is weer eens in ryokan-style, dus dat betekent een matrasje op de grond en een laag tafeltje met wat kussens er omheen. We weten inmiddels dat onze oude lichamen hier eigenlijk niet meer tegen kunnen, maar je moet wat over hebben voor een beetje avontuur. Bij een nadere inspectie van de slaapplaats blijkt dat we hier beter af zijn dan in Sounkyo, we slapen nl. op dubbele matrassen; wat een luxe!

Na de kamerinspectie gaan we snel weer naar buiten, want we willen de Okuno-in bezoeken. Dit is de plek waar het mausoleum van Kobo Dashi staat, maar waar ook 200.000 andere mensen zijn begraven. We lopen over een 3km lang pad met aan beide zijden alleen maar graven. De meeste zijn voorzien van granieten altaartjes die vaak overwoekerd zijn met mos. Bij sommige graven staan stenen beeldjes, vaak voorzien van een rood slabbetje en een rode muts. Deze ‘poppetjes’ lijken verdacht veel op Master Yoda, afgezien van de puntige oortjes, maar stellen Ojiso-san voor. Ojiso is een boeddhistisch figuur die naar het hiernamaals was gestuurd om anderen te leiden en te beschermen. De slabbetjes staan voor overleden kinderen of om levende kinderen te beschermen.

We lopen helemaal door tot aan het mausoleum van Kukai. Als we honderd meter voor het mausoleum een bruggetje over gaan mogen we niet meer fotograferen, want nu zijn we in het heiligste der heiligen. Het mausoleum is geen bijzonder gebouw, maar is binnen wel heel sfeervol. Het plafond hang vol met lampionnen en dat is ook de enige verlichting in het gebouw. We lopen een rondje om het mausoleum en gaan dan weer terug naar onze eigen tempel. Om 17:30 uur wordt het diner geserveerd en we willen niet te laat zijn.

We zijn ruim op tijd op de plek die ons aangewezen was voor het diner, maar het blijkt niet de plek te zijn waar we gaan eten. We hadden zelf bedacht dat we met alle toeristen in een grote eetzaal zouden moeten eten, maar dat is niet het geval. We worden naar een mooie kamer begeleidt waar voor ons allebei, op een drietal kleine tafeltjes onze vegetarische maaltijd staat te wachten. Een monnik komt de peper en zout nog brengen en dan vouwen we ons dubbel achter de tafeltjes om te gaan genieten van deze verantwoorde maaltijd.

Het eten smaakt boven verwachting goed en bijna alle kleine potjes en pannetjes gaan leeg. Als de buikjes vol zijn , halen we in onze kamer nog even de camara’s op omdat we de begraafplaats ook wel bij nacht willen zien. De lantaarntjes langs het pad zijn dan verlicht en dat zou best mooi kunnen zijn.
Als we buiten komen merken we pas goed dat we op bijna 900m hoogte zijn; het is hier verrot koud. De verlichte lantaarntjes langs het pad vallen een beetje tegen, dus we gaan snel weer terug naar onze slaapkamer waar de elektrische verwarming de kamer heel behaaglijk heeft gemaakt.

Dinsdag 30 oktober

Vandaag wordt er een record gebroken: de wekker gaat al om 06:00 uur af. De boeddhistische ochtendceremonie start om 06:30 uur en dat wil je niet missen. We kleden ons aan en gaan op de slippers van het huis naar de gebedsruimte van onze tempel.
Een grote kale monnik komt iets voor half zeven binnen en gaat op z’n knieën achter een minuscuul tafeltje met attributen zitten. Als hij alle voorwerpen op de juiste plek heeft gelegd begint het ritueel.
Eerst roert hij een paar keer met een stok in een klein potje en dan begint hij luidkeels te oeoeoeoehhhmmm’en en te aaahhhmmmm’en. Het is dat typische geluid dat je hoort als je langs een willekeurige boeddhistische tempel loopt, waar een dienst wordt gehouden. Na dit intro slaat hij met een grote kledingroller op een nog grotere koperen schaal wat een lang aanhoudende boooooing tot gevolg heeft. Dan begint hij pas echt. Hij slaat een boekje open en begint, bladzijde voor bladzijde de boeddhistische gebeden op te zeggen. Elke keer dat hij een bladzijde omslaat, slaat hij met de kledingroller op de koperen schaal. Als je dus net lekker aan het indommelen bent, haalt dat je wel weer bij de les. Nu zul je denken: ‘wat mooi dat je zoiets van dichtbij meemaakt’, maar ik kan je zeggen dat het na 40 minuten toch een hele zit is geworden.

Nadat de dienst is afgelopen mogen we de gebedsruimte nog even van dichtbij bekijken, maar dan is toch het tijd voor het ontbijt.
We lopen naar dezelfde ruimte waar we gisteren gedineerd hebben en opnieuw zijn er schattige kleine tafeltjes gedekt. Dit keer is het er maar eentje en dat is uiteindelijk maar goed ook, want er staat bijna hetzelfde eten op als bij het diner en dat is voor ons toch een beetje te veel van het goede op de nuchtere maag. Uit goed fatsoen eten we een paar hapjes uit de de kleine potjes en gaan dan naar onze kamer om de rugzakken te pakken.

Het voordeel van zo’n ochtenddienst is wel dat je vroeg op pad kan. Al ruim voor achten lopen we de ‘hoofdstraat’ in op zoek naar een bushalte.
Om 08:15 uur zitten we in de bus naar Kayosan station, waar we om 08:37 uur de kabelbaan naar beneden hebben. Daar springen we in de trein naar Hashimoto die om 08:45 uur vertrekt. Dat past allemaal precies.
Binnen drie kwartier zijn we in Hashimoto, waar we op spoor 4 op de trein naar Namba (Osaka) wachten.
Dan zien we andere toeristen naar de trein op spoor 2 lopen. Als we goed kijken zien we dat die trein naar Nara gaat. Dat lijkt een veel snellere optie dan eerst terug naar Namba te gaan. We rennen naar spoor 2 en springen in de trein. Als we nog maar net op onze stoel zitten begint de trein te rijden.

De trein gaat inderdaad naar Nara, maar het is een trein waar de benaming stoptrein voor is uitgevonden. We zijn op een gegeven moment maar gestopt met het tellen van de stationnetjes, want het waren er te veel.
Iets na elven komen we aan in Nara en dat is, ondanks al die stops, toch wel sneller dan eerst naar Namba en dan naar Nara.
In Nara volgen we de meute naar het park Nara-koen, waar de meeste bezienswaardigheden te vinden zijn.

Nara was de eerste permanente hoofdstad van Japan. Vanaf het jaar 710 regeerde keizerin Genmei over het land. Permanent is in dit geval betrekkelijk, want Nara was maar 74 jaar de hoofdstad van het land. In het jaar 784 werd eerst Nagaoka en 10 jaar later Kyoto (toen Heijan) de hoofdstad. De plattegrond van Nara was gebaseerd op de toenmalige hoofdstad van China, met een rechthoekig stratenpatroon en het keizerlijk paleis aan het noordelijke uiteinde. Ook lagen er veel boeddhistische kloosters in de stad.

Dankzij de grote aantallen boeddhistische tempels is Nara tegenwoordig een bekende bestemming voor toeristen en dus ook de reden dat wij hier zijn.
We lopen Nara-koen aan de westzijden binnen en staan gelijk al oog-in-oog met de Three Storey Pagoda bij de Kohfukuji tempel. We brengen daarna een bezoekje aan de bijbehorende National Treasure Hall en lopen langs de Five Story Pagoda richting de Todaji tempel.

Op onze route langs de vele heiligdommen komen we regelmatig kleinere heiligdommen tegen; heiligdommen die bewegen, die aan je tas snuffelen en als je pech hebt, je een douw geven. Het zijn de 1200 tamme herten die op het terrein rondlopen. Deze viervoeters werden in de pre-boeddhistische tijd gezien als de boodschappers van de goden en hebben tegenwoordig de status van National Treasure. Als je niets te eten bij hebt, laten ze je met rust, maar als je ergens een kruimel in je tas hebt zitten, ben je aan de beurt en dan zijn het niet altijd lieve tamme hertjes.

Nadat we 764 hertjes ontweken hebben komen we dan via de Nandai-mon (zuidelijke poort) bij de Todai-ji. Deze tempel bied onderdak aan de mega boeddha van Nara (Daibutsa). Dit boeddhabeeld is een van de grootste bronzen beelden ter wereld en is oorspronkelijk in het jaar 746 gemaakt. Het beeld is ruim 16m hoog en is gemaakt van 437 ton brons en 130 kg goud. Deze grote boeddha staat in de Daibutsu-den, wat het grootste houten gebouw in de wereld is. Door de eeuwen heen heeft het beeld behoorlijk wat te verduren gehad van aardbevingen en branden, waarbij hij z’n hoofd een paar keer is kwijt geraakt, maar tegenwoordig zit deze beeltenis van Vairocana Boeddha er parmantig bij.

Na een rondje om de boeddha lopen we langs nog een groot aantal gebouwen. De Great Bell, de Nigatsudo hal, de Sangatsudo hal en net als we weer richting de uitgang willen lopen vraagt een vijftal leerlingen van groep 8 aan Rob of ze hem een paar vragen in het Engels mogen stellen. De juf staat op een paar meter afstand om te checken of alles goed gaat. De leerlingen pakken hun schriftjes en stellen een-voor-een een vraag, die Rob vakkundig beantwoord. Als ze allemaal 2 of 3 vragen gesteld hebben, bedanken ze hem voor de medewerking en zoeken ze een volgend slachtoffer. Hopelijk is het Engels van die generatie straks beter als van de huidige volwassenen.

Hoewel de echte tempelliefhebber hier waarschijnlijk wel een hele dag kan doorbrengen houden wij het na een paar uurtjes voor gezien. We groeten de Five Storey Pagoda voor een laatste keer en lopen dan naar het treinstation waar we op de trein naar Osaka stappen.
Na een half uur stappen we uit op station Tennoji en nemen daar de metro naar Hommachi. Een paar minuten later zijn we weer in het hotel waar we onze rugzakken hadden achtergelaten.

We checken in en krijgen opnieuw ‘bezemkast’ 509. We brengen onze spullen erheen en gaan dan weer de straat op. We lopen eerst naar Nakanoshima Park, dat op en eiland tussen de Dojima rivier en de Tosabori rivier ligt, in de hoop dat er een gezellig terras is te vinden. Niets van dit alles, hoewel het er een schitterende plek voor is. Dan gaan we naar koffiebar Brooklyn op de oever van de Tosabori rivier en genieten daar, onder het genot van een stevige cafe cortado, van het uitzicht op de rivier.

Na een tijdje gaan we weer de straat op en gaan we op zoek naar een leuk restaurant. Daar zijn er genoeg van in deze stad, maar in de meeste restaurants is nog geen klant te bekennen. Niet ver van ons hotel zien we een bord met een paar lokkende glazen bier erop. We besluiten dit restaurant binnen te gaan. Via een smal trappetje gaan we een kelder in. In het restaurant liggen alleen maar Japanse menukaarten, maar de Chinese eigenaresse overtuigt ons te blijven. Ze laat zelfs een tijdschrift zien waar haar maaltijden in genoemd worden.
Wij bestellen die maaltijden en eten onze stokjes er bijna bij op; heerlijk!

Woensdag 31 oktober

Vandaag gaan we naar de trouwlocatie van Japan: Himeji-jo. Dit witte kasteel ligt bij het plaatsje Himeji op ongeveer een half uur treinen van Osaka. We gaan eerst weer ontbijten bij Doutor, twee blokken verderop en nemen dan de metro naar Shin-Osaka. Qua timing had het beter gekund, want we zitten middenin de spits. We voelen ons als haringen in een ton en proberen maar niet al te diep te ademen.

Het is gelukkig maar een paar haltes naar het treinstation en samen met heel veel pakken stromen we de metro uit op weg naar de trein. Met z’n allen de roltrap af, met z’n allen de poortjes door en met z’n allen op weg naar de trein. Gelukkig gaat niet iedereen naar Himeji, dus we kunnen weer vrijuit ademen.

Nog voordat we het treinstation van Himeji bereiken zien we het kasteel al. Het is sprankelend wit en torent hoog boven de stad uit.
Het is maar een klein stukje lopen van het treinstation naar het kasteel en naarmate we dichterbij komen wordt het kasteel indrukwekkender.
We komen eerst door de Otemon poort en betalen onze tickets bij de Hishi poort. Je kunt niet vrij door het kasteel banjeren, want je moet een verplichte route volgen. We lopen eerst langs de enorme muren die de fundering vormen van het kasteel. Je kunt je voorstellen dat het niet mogelijk was dit kasteel via deze muren binnen te dringen. De ruimtes in het kasteel zijn groot en de constructie oogt meer dan solide. We klauteren via stijle trapjes naar de 5e verdieping en genieten van het uitzicht over de stad. We blijven niet lang in het kasteel, want er is binnen eigenlijk niet veel te zien. De buitenkant is veel interessanter!

Ook buiten het kasteel kan je niet je eigen route uitstippelen en moet je dus met de meute mee, maar ze hebben op er wel voor gezorgd dat recht voor het kasteel een mooie grote ruimte is waar je van het kasteel kunt genieten. Ze hebben er zelfs bankjes neergezet. Ook wij nemen even de tijd om van Hakuro-jo (Witte Reiger), zoals het kasteel ook wel wordt genoemd, te genieten.
Himeji-jo wordt gezien als Japan’s meest spectaculaire kasteel, door z’n omvang, schoonheid en goed bewaard gebleven terrein rondom het kasteel. De eerste werkzaamheden aan het kasteel begonnen in de 15e eeuw en het kasteel was pas klaar in 1609. In tegenstelling tot veel andere kastelen in Japan, is de Witte Reiger nooit vernield door oorlog, aardbevingen of brand.

Na ongeveer anderhalf uur verlaten we het kasteelterrein en gaan we naar de naastgelegen Japanse tuin. Deze tuin is in 1992 geconstrueerd, waarbij gebruik gemaakt is van technieken ui tde Edo periode (1600-1860). De tuin is fantastisch met watervallen, een grote vijver met koi-karpers, esdoorns en strak gesnoeide dennen. Er zijn een paar tuinmannen aan het werk die gehurkt alle blaadjes en oneffenheden verwijderen.
Als we tuin uitlopen zien we eindelijk een bruidspaar. We hadden gelezen dat deze lokatie populair is voor bruidsreportages, maar begonnen al te twijfelen aan dat verhaal. In vol ornaat worden de bruid en bruidegom op de gevoelige plaat vastgelegd!

Hiermee is het verhaal van Himeji verteld en gaan wij terug naar het station. Als onderweg pas gebakken brood ruiken, volgen we onze neus naar een piepklein bakkerijtje in een steegje dat parallel aan de hoofdstraat loopt. Het is er verschrikkelijk druk, maar we besluiten toch om wat van die lekkere broodjes te kopen.
Na deze geïmproviseerde lunch gaan we verder naar het station en zijn we ruimschoots op tijd voor de trein van 12:55 uur.

Terug in Osaka zijn er nog 2 locaties die we willen bezoeken: de Umeda Sky Building en Amerika Mura.
We nemen de metro naar Umeda station en lopen dan naar het gebouw dat zo’n prominent onderdeel van het stadsaanzicht vormt. Het gebouw bestaat uit twee torens van elk 40 verdiepingen, die aan de top worden verbonden met bruggen en een roltrap. Het is een kwartiertje lopen vanaf het metrostation, maar dan staan we er ook midden onder. Normaal gesproken kun je naar een uitkijkpunt op het dak, maar vanwege de laatste orkaan is dat nu niet toegankelijk. We buigen ons in allerlei bochten om het gebouw vast te leggen, maar dat is vrijwel onmogelijk.

Onze laatste stop in Osaka is Amerika Mura of Amemura. In de 70’er jaren zijn de warenhuizen in deze wijk verbouwd om er geïmporteerde luxe artikelen uit America te verkopen. Omdat dit heel bijzonder was in die tijd werd er door de media veel aandacht aan besteed. Amemura werd hierdoor de geboorteplaats voor de laatste modetrends.
We lopen kris-kras door de wijk en zien leuke kleine winkeltjes en bijzonder geklede mensen. We moeten er wel eerlijk bijzeggen dat een een groot aantal van die mensen vreemd gekleed is vanwege Halloween.

Donderdag 1 november

We hebben vandaag geen haast, want we hoeven alleen maar in Magome te komen. Rond een uurtje of negen ontbijten we weer bij Doutor, waarna we de metro naar Shin-Osaka nemen. Op perron 24 staat onze trein al te wachten en we gaan er maar weer eens voor zitten. Deze Shinkansen heeft een uurtje nodig om in Nagoya te komen waar we op zoek gaan naar de trein naar Nagatsukawa.

In Nagatsukawa schakelen we de hulp in van een manneke met pet, witte handschoentjes en een treintijdenboek om het juiste perron te vinden. Naar Nagatsukawa geen luxe Shinkansen, maar een Rapid Express. Voordeel van de Rapid Express ten opzichte van een normale lokale trein is dat deze niet bij álle stations stopt. Da’s mooi, maar later zullen we merken dat de trein toch wel bij bijna alle stations stopt.

Om 12:30 uur staan we dan eindelijk op het station van Nagatsukawa en gaan we naar het busstation voor de bus die ons in Magome moet brengen.
Omdat die bus pas om 13:10 uur vertrekt gaan we op zoek naar een lunchplek en dat valt nog niet mee in dit soort kleinere plaatsjes. Uiteindelijk lopen we een klein restaurantje in waar ze een heerlijke hamburger voor ons klaarmaken.
Tegen enen lopen we weer terug naar het busstation en zien dat er al een rijtje toeristen staat te wachten op de bus. Zoals het hoort in Japan, sluiten wij netjes achteraan.

We zagen het in de trein al gebeuren, maar ook in de bus zien we de omgeving veranderen. We worden omgeven door bergen en de temperatuur lijkt ook al een paar graadjes te dalen.
De dorpjes die we nu nog tegenkomen zijn niet meer dan een paar boerderijtjes, verbonden door rijstvelden. Na big-city Osaka is dit wel een verademing.
De bus slingert zich over de bergweg omhoog en af en toe stapt er een dorpsbewoner in of uit. Na een half uurtje komt de bus bij z’n laatste stop: Magome.

Morgen lopen we een stukje van de Nakasendo en we starten hier in Magome. De Nakasendo was een van de twee hoofdwegen in Japan die Tokyo met Kyoto verbonden. Deze 534km lange weg kende 69 halteplaatsen en wij lopen morgen van halteplaats Magome naar halteplaats Tsumago; een stukje van nog geen 8km.

We willen inchecken bij onze herberg, maar de man die achter de balie staat legt ons uit dat dit pas vanaf 3 uur kan. Althans, we denken dat hij dit heeft gezegd, we verstaan alleen ’three o’clock’.
We kijken hier inmiddels niet meer van op en laten onze rugzakken achter en gaan op stap. Het is heerlijk zonnig buiten, dus een terrasje zou nu wel goed uitkomen.
We lopen de eerste steile meters van de de Nakasendo omhoog in de halteplaats Magome. We zijn niet alleen, want overal om ons heen zijn Chinese toeristen. Magome is blijkbaar ook erg geschikt voor de dagjestoerist: busje voorrijden, lading eruit en een uurtje of twee weer omgekeerd.

Wij lopen eerst naar de Tourist Information omdat ze daar een soort bezorgservice hebben voor de bagage, zodat wij de grote rugzakken die 8km niet mee hoeven te slepen. Dit blijken ze inderdaad te regelen, dus dat is een zorg minder. 09:30 uur de rugzakken inleveren en vanaf 13:00 uur kunnen we ze in Tsumago weer afhalen.
We lopen het straatje in Magome een keertje op-en-neer, maar een terrasje is nergens te vinden. Bij het postkantoor, vlak bij de ATM staan een paar oude stoelen waarop we dan maar plaatsnemen. Het is een plekje vol in de zon, dus dat is wel lekker.

Rond een uurtje of vier merken we dat het al behoorlijk begint af te koelen, dus we lopen maar even naar onze herberg om in te checken. Er staat dit keer een andere man en die handelt de formaliteiten netjes af. Hij loopt mee naar onze kamer en dat is dit keer een familie-kamer. Ruimte genoeg dus, maar het is wel jammer dat de (gezamenlijke) badkamer en wc aan de andere kant van de gang zijn.
Voordat hij ons op de kamer achterlaat, vertelt hij nog wel dat de restaurants in dit dorp allemaal om 17:00 uur dicht gaan. Dat betekent dat we niet veel tijd meer hebben.

We leggen onze spullen op de kamer en lopen nog een keertje terug naar Magome. Bij het eerste restaurant staat al een bordje dat ze na 4 uur geen bestellingen voor eten meer aannemen. Wij lopen door naar de hoofdstraat van Magome, maar zien we ook alleen maar bordjes met ‘closed’ aan de deur hangen. Er zit dus niet anders op dan boodschappen doen bij de super en eten op de kamer.
Bij de lokale Coop halen we twee bakken noedelsoep en twee bakjes yoghurt. We nemen ook nog wat te drinken en wat chips voor bij de tv mee en lopen dan terug naar ons guesthouse.

Rond zeven uur bereiden we ons 2-gangen diner en het smaakt best (honger maakt rauwe bonen zoet). Omdat het best begint af te koelen in de kamer gaan we op zoek naar de verwarmingsknop, maar er staan alleen maar Japanse tekens op de apparaten. In het guesthouse is inmiddels niemand meer die ons kan helpen, dus we liggen er vroeg in.

Vrijdag 2 november

De Ikea-matrassen lagen goed, maar de kachel moest wel aan! Het koelt behoorlijk af op deze hoogte en HR+ glas hebben ze hier nog niet van gehoord.
Het ontbijt bestond uit 2 witte boterhammen een hard gekookt ei, dus daar moesten we de energie uit zien te halen voor de 8km Nakasendo.
Onze grote rugzakken moesten we bij de Tourist Information afgeven voor transport naar Tsumago en, achteraf gezien, zijn deze 300m misschien wel de zwaarste van de hele trek.

Er waren gelukkig nog niet veel lopers te bekennen, dus we gingen snel op pad. Na 100m lieten we Magome achter ons en liepen we de oude ‘snelweg’ op. Eerst nog even genieten van het uitzicht over de vallei en dan de sokken erin. We hebben vanochtend onze windstopper aangedaan en daar zijn we nu heel blij mee! Ondanks de stralende zon, maakt de wind het berekoud.
Het eerste stuk klom behoorlijk, maar dat was nog niet eens het lastigste. Het pad is nl. gemaakt van grote rotsblokken, dus je moet blijven opletten dat je de voeten goed neerzet. Dit is voor het eerst dat we onze bergschoenen missen.

De Nakasendo loopt enigszins parallel met de weg van Magome naar Tsumago (eigenlijk is het andersom) en als we niet ver van Magome die weg oversteken en aan de andere kant het bos inlopen, zien we voor het eerst de beer-waarschuwing-bel. Aan een paal hangt een bel met erbij een papier waarin gewaarschuwd wordt voor beren. Je moet dus een paar keer aan het touw bij de bel slingeren om de beren op afstand te houden. We komen zo’n bel een stuk of tien keer tegen op dit stukje, dus het zal wel serieus zijn.

Het pad blijft de eerst paar kilometer behoorlijk klimmen en dit gaat grotendeels over rotsblokken of bospad. Het is dus mooi meegenomen dat we een beetje conditie hebben. Een stuk of vijf beer-waarschuwing-bellen verder bereiken we het hoogste punt van onze route. Dit is gelijkertijd de ‘grens’ tussen Magome en Tsumago en voor ons een mooi moment om even op een bankje te gaan zitten bij een soort boerderij.
Toen we daar een slokje water wilden nemen, zagen we dat er binnen iemand aan het werk was. Diana vroeg aan de vriendelijke man of we misschien een bakkie thee konden krijgen en voordat we het wisten zaten we in de boerderij aan tafel met een bakkie thee voor onze neus.
De man vroeg waar we vandaan kwamen en probeerde een gesprekje op gang te brengen, maar zoals gewoonlijk is het Engels beperkt.
Blijkbaar heeft de man connecties met de lokale VVV, want Rob krijgt een enquete van 4 bladzijden onder z’n neus gedrukt met het vriendelijke verzoek deze in te vullen. Als beloning krijgen we gelakte eetstokjes van de lokale pijnboom.

Na het invullen van de vragenlijst en twee heerlijke bakjes thee, gaan we weer verder. Als snel merken we dat het klimwerk erop zit en gaat het allemaal een stuk makkelijker. Het had een haar gescheeld, of we waren gaan zingen. Onderweg komen we regelmatig rotsblokken met Japanse tekst tegen. Dit zijn dan meestal kleine monumentjes voor het een-of-ander, maar soms zijn het ook ‘mijlpalen’. Uit de oudheid. Op basis van de afstand waarover iets of iemand vervoerd moest worden werd nl. de prijs bepaald. Dat is dus vergelijkbaar met de taximeter.

Met nog een drietal kilometer en 2 beer-waarschuwing-bellen voor de boeg komen we bij een volgend hoogtepuntje van de route een tweetal watervallen: Otaki en Metaki (man en vrouw). We hadden al enige tijd langs een riviertje gelopen en dat riviertje splitste zich, wat hier resulteerde in deze twee watervallen. Het zijn geen watervallen waar het water met donderend geweld naar beneden komt, maar daarvoor moet je hier in het voorjaar zijn. Door de lokatie zijn de watervalletjes zeker de moeite waard.

De laatste paar kilometers zijn vrijwel vlak en nadat we beer-waarschuwing-bel voor het laatst geluid hebben, zien we weer in welke prachtige omgeving we lopen. We worden omgeven door bergen, waarvan de hellingen wel een lappendeken lijken door de vele herfstkleuren.
Rond 11:30 uur lopen we dan Tsumago binnen en gaan we op zoek naar restaurantje waar je een bak koffie kan kopen.

Het is nog betrekkelijk rustig als we door de hoofdstraat van Tsumago lopen. Deze halte op de Nakasendo ziet er toch weer heel anders uit dan Magome. Hier geen steile weg door het dorp, maar wel veel meer museum-achtige zaken. Zo zijn er een aantal huizen op authetieke wijze ingericht en is ook de mens/paard wisselplek die in elke halteplaats van de Nakasendo aanwezig was. We lopen een paar keer de hoofdstraat heen-en-weer en nemen af en toe de gelegenheid waar om even in de zon te gaan zitten. Het is vandaag prachtig weer met een strak blauwe lucht, dus daar moet je ook even van genieten.

Iets na enen gaan we naar de Tourist Information om onze grote rugzakken op te halen en lopen we vervolgens naar de busstop voor de bus naar Nagiso. In Nagiso nemen we dan de trein naar Matsumoto, waar we vandaag en morgen zullen slapen.
De treinrit van twee uur vliegt voorbij. Het uitzicht op de bergen om ons heen is adembenemend. Als dit de voorbode is van wat ons morgen staat te wachten, gaat het allemaal goed komen.

In Matsumoto checken we in bij ons hotel. We krijgen de invaliden-slaapkamer toegewezen; zo kreupel kwamen we toch niet aanlopen?
Zoals zo vaak moeten we onze schoenen achterlaten en lopen we op sloffen door het hotel. Het heeft wel iets gezelligs.
We laten onze spullen op de kamer en gaan op zoek naar het sushi restaurant dat Diana op internet heeft gevonden.

Sushiten is een kwartiertje lopen van ons hotel en het is weer eens zo’n piepklein restaurantje dat gerund wordt door een familie. We krijgen een plek aan de bar toegewezen en gelukkig spreekt dochters behoorlijk Engels, want dan weten we in ieder geval wat we bestellen.
We bestellen drinken en een portie sushi en genieten dan van de manier waarop pa en ma achter de bar de sushi bereiden. Ze voelen elkaar goed aan en hebben de taken gelijk verdeeld. Terwijl de dochter de drankjes brengt, maakt ma een aantal sushi’s en doet pa z’n best op andere sushi’s. Daarbij maakt hij af en toe wat bezwerende bewegingen over de sushi, maar dat is waarschijnlijk alleen maar omdat hij het wel interessant vindt dat er toeristen in de zaak zitten. Hij probeert hier vooral de aandacht van Diana mee te trekken.

Na een voortreffelijke sushi-maaltijd, gaan we terug naar het hotel om het programma van morgen in elkaar te zetten. We lopen natuurlijk nog wel even langs de 7-Eleven voor een bak koffie.
Hopelijk hebben we morgen in de Japanse alpen net zulk mooi weer als vandaag.

Zaterdag 3 november

We wilden met de trein van 8 uur naar Kamikochi, dus om nog een beetje van ons ontbijt bij Vie de France te kunnen genieten, moesten we er weer op tijd uit. Omdat ook dit hotel weer zo’n klein bedje van 1 meter 40 heeft, is het niet heel erg om vroeg op te staan. Bij Vie de France kun je heerlijke verse broodjes uitzoeken, dus over het ontbijt hadden wij geen klachten.

We halen de veel te dure kaartjes voor Kamikochi uit de automaat en gaan naar perron 7 voor de trein. Het lijkt erop dat veel medereizigers grootse plannen hebben. Ze hebben grote rugzakken, dikke jassen, bergschoenen, energierepen en wandelstokken bij zich. Onze uitrusting steekt daar schril bij af; we hebben zelfs de handschoenen in het hotel laten liggen. Gaan we daar spijt van krijgen?

Kamikochi betekent letterlijk ‘de plaats waar de goden naar beneden komen’, dus onze verwachtingen zijn hoog gespannen. Het is de bekendste lokatie in het Chubu Sangaku National Park en de hoogtepunt van het park zijn de fantastische uitzichten op de alpen, een actieve vulkaan, prehistorisch bos en het glasheldere water van de Azusa rivier dat uit de bergen komt stromen. Het hoogste punt dat wij zullen bereiken is ongeveer 1500 meter, maar de omliggende bergen zijn ruim 3100 meter.

Het is een half uurtje met de trein naar Shin-Shimashima, waar we overstappen op de klaarstaande bus die ons naar Kamikochi brengt. Zoals we inmiddels van de Japanners gewend zijn, is alles tot in de puntjes geregeld en als de bus tot de nok is volgeladen gaan we op weg.
Het ritje met de bus duurt net iets meer dan een uur, maar je krijgt al een voorproefje van wat er straks komen gaat. De omgeving is wederom schitterend en de bergtoppen met daarop een klein beetje sneeuw lonken in de verte.

We stappen uit bij de Taisho vijver en het is gelijk duidelijk dat we vandaag niet de enigen zullen zijn in dit park. ‘Het is zaterdag, het is prachtig weer, dus een perfecte dag om te gaan wandelen’, moeten de Japanners uit de omgeving gedacht hebben.
De Taisho vijver is ontstaan na een uitbarsting van Mt. Yakedake in 1915. De rivier raakte geblokkeerd, waardoor deze vijver is ontstaan. Bij deze vijver hebben we een mooi uitzicht de vulkaan die deze vijver heeft gemaakt.

We vervolgen onze weg en omdat ons tempo wat hoger ligt dan de meeste anderen, slingeren we ons tussen de Japanse families door. We passeren de Tashiro vijver en kiezen daar voor de Azusa River Trail. Dit lijkt ons een aantrekkelijker route dan door het bos. De rivier is in dit jaargetijde niet heel breed of wild, maar het uitzicht over de rivier op de bergketen is prachtig.
We lopen iets verder en zien dan opeens een aapje dat zich uit de voeten maakt. We hadden gelezen dat je ze tegen kunt komen (en dat je ze vooral niet moet voeren), maar dit beestje zat best dichtbij.
Iets verderop kunnen we lezen dat apen niet de enige dieren in dit park zijn. Op een mededelingenbord lezen we dat er op 23 september nog een zwarte beer is gespot. Gelukkig hebben bijna alle Japanners een belletje aan hun uitrusting hangen, dus beren zullen we vandaag geen last van hebben.

Dan komen we bij de eerste brug over de rivier: de Tashiro brug We twijfelen even of we op de andere oever verder zullen lopen, maar blijven uiteindelijk toch aan de rechterkant omdat we dan iets verderop op de droog gevallen rivierbedding kunnen lopen.
We houden continue zicht op de Oku-Hotakadake berg waarvan de top het ene moment wel en het andere moment niet in de wolken verdwijnt.
Na een paar honderd meter dalen we een stenen trappetje af en lopen we over de kiezels op de rivierbedding naar het overgebleven rivierwater. Het is niet meer dan een derde van de normale rivier, maar de stroming is nog steeds voldoende om je mee te sleuren. Ook hier valt weer op hoe helder dit water is. In de bocht van de rivier is een goudgeel lariks bos dat op het punt staat z’n naalden te verliezen.

We vervolgen onze wandeling en na een kwartier komen we in de buurt van de Kappa brug. Vlak voor deze brug is ook het busstation en daar gaan we eerst heen, omdat we de busstoelen voor de terugreis zeker moeten stellen. Bij het loketje gokken we dat we de bus van half drie kunnen halen. De vriendelijke dame achter het loket draait een bonnetje voor ons uit en zegt dat we 10 minuten voor vertrek bij gate 4 moeten staan.

Naast het busstation is een restaurantje waar we koffie en een broodje bestellen. Onze handen zijn inmiddels zo koud dat we wel even wat warms kunnen gebruiken. We gaan in de grote hal bij de Tourist Information zitten en proberen op temperatuur te komen. Het is buiten een graadje of 5 en zonder handschoenen worden je handen na een paar uurtjes toch wat gevoelloos.

Na een kwartiertje gaan we verder en lopen we eerst naar de Kappa brug. Het is hier behoorlijk druk en er staan zelfs een paar hotels aan de rivier. We nemen even de tijd om ook hier weer van de alpen te genieten en gaan dan verder; dit keer wel op de linkeroever.

We lopen in eerste instantie wat van de rivier af en komen dieper in het bos terecht. Er staan allerlei soorten bomen en het voelt soms alsof je ver van de bewoonde wereld verwijderd bent. Omdat we over goed aangelegde wandelpaden lopen met regelmatig groepjes wandelaars om ons heen, is de bewoonde wereld toch weer heel dichtbij.
Na een kwartiertje komen we dan ineens in een apenkolonie terecht. Ze hangen links en rechts in de boom en je hoort ze ook door de lage bossages lopen. Een moederaap maakt het wel heel bont. Aan de rand van het pad zit ze haar jong te vlooien terwijl een groep wandelaars hun camera’s bijna onder haar rode neus duwt.

We lopen nog even verder en komen dan bij de laatste brug van onze wandeling. Het is bij de Myojin brug een stuk rustiger dan bij de andere twee bruggen. Het lijkt erop dat veel dagjesmensen net iets minder fanatiek zijn dan wij.
We nemen een drankje bij het restaurant aan de andere kant van de brug en zetten ons dan schrap voor de laatste drie kwartier naar het busstation.

Dat deze kant minder boeiend is blijkt wel uit de belangrijkste bezienswaardigheid hier: de cosmetische berken. De witte berken hebben deze bijnaam gekregen omdat het bij de jonge takken lijkt alsof ze make-up gebruiken. Op deze takken ligt in het voorjaar een laagje witte poeder (de coca-berk was dus ook een heel toepasselijke naam geweest).
Iets voor de Kappa brug lopen we de kampeerplaats op om voor het laatst een blik te werpen om de Oku-Hotakadake. Het is misschien wel de plek met het mooiste uitzicht op de berg.

Hierna lopen we door naar het busstation en omdat we iets eerder terug zijn dan we eerder dachten, ruilen we de bustickets van 14:30 uur om voor bustickets van 14:05 uur. Om tien voor twee gaan we netjes in een rij staan en precies vijf minuten later begint een dame met een veel te zachte stem voor zo’n klusje, aan de rij mensen uit te leggen hoe de incheckprocedure (?) is. Dit doet ze alleen in het Japans, dus als ze even later onze nummer roept, reageren wij natuurlijk niet. Pas als ze op onze tickets komt kijken, wijst ze dat we de bus in mogen.
De busreis terug is minstens zo mooi als de heenreis en de treinreis net zo vervelend.

Om 15:55 uur zijn we weer terug in Matsumoto en omdat we hadden gehoord dat er een festival-achtig iets in de stad zou zijn, vragen we dit even na bij de Tourist Information. Er blijkt inderdaad een feestje te zijn geweest, maar dat is om vier afgelopen.
Eigenwijs als we zijn, lopen we toch naar het kasteel, maar tevergeefs. Zoals met alles gaat het hier allemaal precies op de klok, dus het festival was om 16:00 uur afgelopen.

Uit chagrijnigheid eten we nog een paar broodjes bij Vie de France en gaan dan terug naar het hotel. We duiken het internet op om te kijken hoe de weersverwachting in Ishigake is. De laatste dagen zag dat er helemaal niet goed uit. Als dat zo blijft gaan we onze (strand)plannen voor de laatste dagen omgooien, maar we weten nog niet waar we dan heen zullen gaan.

Rond half zeven gaan we weer de straat op, omdat de inwendige mens verzorgd moet worden. Het blijkt op zaterdagavond nog helemaal niet makkelijk om een restaurantje te vinden. Meerdere keren wordt ons de deur gewezen omdat het restaurant vol is. Gelukkig vinden we in een zijstraatje nog een tafeltje voor twee, zodat we met volle buikjes naar bed kunnen.

Zondag 4 november

Vandaag gaan we Matsumoto weer verlaten, maar niet voordat we Matsumoto-jo hebben gezien. Dit kasteel met de bijnaam Karasu-jo (zwarte kraai) vanwege de zwarte kleur van het kasteel, is het oudste kasteel van Japan en één van de drie kastelen die als National Treasure worden beschouwd. Het kasteel dateert van het eind van de 16e eeuw en in tegenstelling tot het kasteel van Himeji is dit kasteel niet op een heuvel gebouwd.
Op weg naar het kasteel maken we even een pitstop bij Vie de France voor ons dagelijkse ontbijt, want dat is te lekker om links te laten liggen.

We hebben een kwartiertje nodig om bij het kasteel te komen en we arriveren er net voor de eerste toeristenbus. We gaan dus eerst maar op zoek naar een goed plekje voor de foto’s en, alsof het geregisseerd is, poseren er 2 zwanen zwemmend in de gracht rond het kasteel.
We gaan dit keer het kasteel niet ín, want we hebben gelezen dat de binnenkant net zo kaal is als de binnenzijde van het witte kasteel dat we eerder gezien hebben. Wij nemen genoegen met de buitenkant en die is prachtig.

Na een rondje om het kasteel besluiten we toch ook nog maar even een bezoekje aan het Museum of Modern Art te brengen. In dit museum exposeert de wereldberoemde Yayoi Kusama, die in 1929 in Matsumoto geboren is. Deze avant-garde artiest is waarschijnlijk het meest bekend van de grote gele pompoen die soms op het eiland Nashima staat en soms bij de dit museum. Als we bij de vriendelijk dame van de ticketverkoop vragen of de pumpkin er is, vertelt ze dat dit kunstwerk alleen zomers bij dit museum te vinden is. Dat is jammer voor ons, maar de rest van haar geëxposeerde kunstwerken is ook zeker de moeite waard.

Na het flitsbezoekje aan het museum lopen we terug naar het hotel om onze rugzakken op te halen. Daarna gaan we weer op weg naar het station voor onze volgende treinreis met als doel Fujiyoshida waar we dan eindelijk hét icoon van Japan gaan zien: Mt. Fuji.
Op het treinstation nemen we een bakkie koffie mee en gaan naar het perron en positioneren ons precies op de goede lokatie voor onze wagon.
De dame die de trein-berichten omroept begint elke aankondiging met ‘Matsumotooooo, Matsumotoooo, ………’ en als je even op het perron zit begin je elke aankondiging automatisch mee te doen: ‘Matsumotooooo, Matsumotooooo’.

We gaan eerst met de trein naar Kofu en stappen daar over op de trein naar Otsuki. In Otsuki gaan we verder met een trein van de Fujikyu Railway en omdat dit ritje niet gedekt wordt door de JR Pass, moeten we een treinkaartje kopen.
Het treintje dat ons naar Fujisan moet brengen is wel heel apart beschilderd. Dit zou niet misstaan bij de Julianatoren.
Naarmate we dichter bij Fujiyoshida komen, wordt de bewolking dichter en als we op station Fujisan uitstappen weten we zeker dat we Mt. Fuji vandaag niet meer gaan zien. De kans op een regenbui is veel groter. Hopelijk lost het wolkendek morgen een beetje op.

Het is een kwartiertje lopen vanaf station Fujisan naar ons hotel, waar we gelijk in mogen checken. We brengen de rugzakken naar de kamer en gaan de buurt verkennen. Op slechts een paar honderd meter van ons hotel is het Fuji-Q pretpark met een hele spannende achtbaan. Als Mt. Fuji ons in de steek laat, moeten we hier maar wat gaan beleven.

‘s-Avonds eten in het naast ons hotel gelegen restaurant Yakiniku. Dit keer kiezen we voor de Japanse indoor barbecue. We bestellen wat vlees en een salade en roosteren er lustig op los. We zitten achter gordijntjes en als we wat willen bestellen moeten we op de bel drukken.
Het vlees is heerlijk mals en de salade erg lekker aangemaakt. Weer wat uitgeprobeerd in Japan!

Japan 2

Maandag 22 oktober

Vandaag gaan we de culturele hoofdstad van Japan van dichterbij bekijken. Kyoto was overigens tot 1868 de echte hoofdstad van Japan, maar das war einmal. We wandelen vanaf het hotel naar de Nishiki markt, maar als we daar aankomen blijkt dat de markttijden in Japan heel anders zijn dan die in Nederland. Er zijn enkele handelaren bezig wat koopwaar uit te stallen, maar de klandizie laat nog wel even op zich wachten. Dan gaan we maar door naar Gion, maar bezoeken aan het einde van de marktstraat nog wel een verstopt tempeltje.

Ook in de wijk Gion en de naastgelegen Pontocho-steeg lijken ze vandaag allemaal uit te slapen, dus dat vraagt om een gewijzigd plan. We springen in de trein naar Fushimi Inari-taisha, de populairste tempel van heel Kyoto. Het is maar 3 haltes naar deze tempel, dus we zijn er binnen 10 minuten. Als we de trein uitstappen krijgen we wel het idee dat alle toeristen in Kyoto dit tijdstip hebben uitgekozen voor een bezoek aan de tempel met de duizend torri’s; wat een drukte!

We wurmen ons tussen de selfie-makende menigte door en lopen gelijk door naar de galerijen met de duizenden scharlaken (oranje keur ik ook goed) torri (poorten). Al deze poorten zijn gedoneerd door personen, families of bedrijven. De Fushima Inari-taisha is gewijd aan de god Inari en vormt de hoofschrijn van ongeveer een derde van alle Inari-heiligdommen. Het heiligdom behoort tot de oudste en bekendste shintoistische heiligdommen in Kyoto.
De torri zijn fantastisch en het oranje doet het erg goed in de groene omgeving, maar er lopen zoveel onbekenden door de poorten! Ondanks de drukte genieten we wel van dit spektakel en doen ons best een bruikbare foto te maken.

Nadat we ook nog even de ‘bijgebouwen’ hebben bewonderd, gaan we terug naar het treinstationnetje om ons te verplaatsen naar het Keizerlijk Paleis voor de Jida Matsuri. Dit festival vindt elk jaar op 22 oktober plaats en is ontstaan toen de Japanse hoofdstad werd verplaatst van Kyoto (toen: Heian-kyo) naar Tokyo. Met het verplaatsen van de hoofdstad, verhuisden ook de Keizerlijke familie, het Keizerlijk paleis en duizenden officials naar Tokyo. Omdat het stadsbestuur bang was dat de hiermee de glorie van Kyoto verloren zou gaan, bedachten ze een feestje voor de 1100e verjaardag van de stad. En zo is het gekomen……
Het spektakel zou om 12:00 uur beginnen, maar wij wilden natuurlijk een plekje op de eerste rij, dus om 11:15 uur stonden wij al in de brandende zon te wachten tussen mede-enthousiastelingen. De eerste minuten gaan nog wel, maar na een half uurtje in de zon te hebben gestaan, mocht het voor ons wel eens beginnen. De laatste minuten hebben we afgeteld en toen onze nekjes medium-raw waren, hoorden we eindelijk wat getrommel in de verte.

Niet veel later komen de eerste vlaggendragers de hoek om, gevolgd door mannen op paarden, geisha’s op karren, militairen met wapens, mannen met fluit, dansers, een enorme aanhangwagen (?), mannen met hoeden en nog veel meer. Allemaal gekleed in kostuums uit lang vervlogen tijden. Wat een spektakel, maar wat moeten die lui het ook warm gehad hebben!
Om 13:45 uur, als we inmiddels well-done zijn, verplaatsen wij ons naar een klein restaurantje een paar straatjes verderop om ons vocht- en calorietekort aan te vullen.

Na de sobere lunch besluiten we naar de Tenryu-ji tempel en het naastgelegen bamboebos te gaan. Hiervoor nemen we het Arashiyama treintje naar de gelijknamige wijk. Daar aangekomen lijkt het alsof al die lui van vanochtend ons achtervolgen, ze lopen hier ook. Je wordt er schizofreen van!
We lopen snel naar de tempel en worden daar voor het eerst geconfronteerd met een entree-ticket. Nou staat de tempel op de werelderfgoedlijst van Unesco, dus dan zal het wel een bijzonder tempel zijn. We kopen de tickets, doen de schoenen uit bij de ingang en gaan op zoek naar het bijzonders. We lopen kris-kras door de tempel, maar het bijzonders is nergens te vinden. De tempel bestaat uit grote lege kamers en afgezien van een paar puike bamboematrassen is er niet veel te zien. De tuin rondom het complex ligt er wel fantastisch bij. Gelukkig dekt de entree ook een rondje door de tuin.

Via de achteruitgang van de tuin komen we in het bamboebos en dat ziet er gaaf uit. Metershoge bamboestengels buigen van beide zijden van de weg naar elkaar toe en vormen zo een groene erehaag. Ik ga niet vertellen wat het enige nadeel hier is, want dan worden we straks bij de douane opgepakt in een dwangbuis.
We lopen een paar rondjes door het bamboebos en gaan dan terug naar het treinstation van Arashiyama. We hebben wel genoeg gedaan voor vandaag.

Omdat het weerbericht voor morgen een bak water voorspelt, strikken we de loopschoenen nog een keertje stevig en gaan we op weg naar de Pontocho steeg en de naastgelegen wijk Gion, die vanochtend zo uitgestorven waren. Op de weg erheen lopen we nogmaals over de Nishiki markt. Dit keer is er veel meer bedrijvigheid, maar het echte markt-gedeelte is relatief klein; het is meer een enorme shoppingmall met een paar marktkraampjes. We kuieren langs en door de winkels en komen uiteindelijk in de Pontocho steeg terecht. We komen hier geen geisha’s tegen, maar het stikt hier van de restaurantjes, dus daar maken we dan maar gelijk gebruik van. Het is een tandje duurder dan verderop in de stad, maar het smaakt voortreffelijk!

Na het luxe diner, lopen we nog even door Gion. Ook hier geen geisha’s, maar het is er nu wel een stuk gezelliger dan vanochtend. We gaan een keer links en gaan een keer rechts en uiteindelijk komen we weer op de Shijo Dori uit, waar we linksaf naar ons hotel gaan. Onderweg pakken we nog een ijsje bij de M en aan bak koffie bij de 7 en rond 21:00 uur zijn we weer terug bij het hotel. Volgens de health-app op de telefoon hebben we vandaag 22,2km afgelegd.

Dinsdag 23 oktober

Na de intensieve dag van gisteren besloten we geen wekker te zetten. We hadden vandaag niet zo’n druk programma, dus het mocht wel een half uurtje later worden. Toen we beneden kwamen, viel wel gelijk op dat de blauwe lucht plaats gemaakt had voor een wolkendek. Da’s altijd jammer, maar je doet er zo verdomd weinig aan.
Dit is het enige hotel waar we deze vakantie een ontbijt hebben, dus we nemen het ervan. Heel bijzonder is het niet, maar er is brood en dat is al heel wat.

Na het ontbijt gaan we eerst naar het treinstation. We willen onze stoelen veilig stellen voor de treinrit naar Hiroshima, maar bovendien is het treinstation van Kyoto de moeite van een bezoekje waard. Het heeft een enorme stalen constructie met heel veel glas en dat willen wij wel van dichtbij bekijken. We gaan er niet met de metro of trein heen, maar nemen voor de verandering de bus. Na een half uurtje zijn we bij het station en gooien we het geld bij de chauffeur in de automaat en springen dan uit de bus.

In het stationsgebouw sluiten we aan in de rij voor de treinkaartjes, maar gelukkig weten de dames van aanpakken en zijn we snel aan de beurt. We vragen om 2 stoelen te reserveren op de Shinkansen naar Hiroshima, maar de dame aan de balie vertelt ons dat we dan niet in dezelfde coupe kunnen zitten. Dat is wat erg ongezellig, dus we switchen naar een normale trein: de Hikari 495. Deze vertrekt wel een half uur eerder dan we gepland hadden, maar het uitslapen lukt toch niet zo.
Met de treinkaartjes op zak gaan we het stationsgebouw verkennen. Het is een kolossaal gebouw met een enorm hoog glazen plafond. Enorme roltrappen brengen je tot vlak onder dit plafond. We lopen er wat rond, pakken een bakkie koffie en lopen dan naar het naastgelegen busstation om naar onze volgende bestemming te gaan.

We wachten op bus 205 die ons naar de Rokuonji tempel, beter bekend als de Kinkaku-ji (gouden paviljoen tempel), moet brengen. Deze tempel is een van de bekendste toeristische trekpleisters van Japan en de busrit ernaar toe neemt een half uur in beslag. Als we uitstappen hebben we al snel in de gaten dat we ook hier niet de enigen zijn. We kopen een kaartje en lopen samen met onze vrienden de tuin bij de tempel in. We worden door een strenge meneer in een blauw pak naar links gedirigeerd, want er is een verplichte looproute en die lopen we met z’n allen achter elkaar aan. Het is waarschijnlijk zoals dat gaat op een drukke zomerdag in de Efteling. De tempel en de omliggende tuin zijn best de moeite waard, maar het voelt niet zo fijn om er in polonaise doorheen te moeten. Het paviljoen staat in een vijver en lijkt erin te drijven. Behalve de onderste verdieping is het hele paviljoen met zuiver bladgoud bedekt, dus de waarde voor de OZB is behoorlijk hoog.
We lopen langzaam met de meute mee en proberen af en toe een plekje aan het hek te vinden voor een foto en als je geluk hebt wordt je niet aan de kant geduwd door een Chinees.

We zijn niet langer dan een uurtje bij deze top-attractie geweest en gaan vervolgens met de bus naar de minder dure Jishoji tempel, beter bekend als de Ginkaku-ji (zilveren paviljoen tempel). Shogun Ashikaga wilde met de bouw van deze tempel de Kinkaku-ji, die in opdracht van zijn grootvader was gebouwd, naar de troon steken. Het was oorspronkelijk de bedoeling het paviljoen met zilver te bedekken, maar een oorlog stak daar een stokje voor. Het paviljoen is mooi, maar de tuin rondom deze tempel is fantastisch; veruit de mooiste van de tempel-tuinen die we tot nu gezien hebben. Het is er bovendien (relatief) rustig.

Van de Ginkaku-ji willen we naar de Kurama tempel, maar daar kunnen we niet met een bus naartoe. Met behulp van Google Maps komen we erachter dat er anderhalve kilometer verderop een treinstationnetje is, waar de trein naar Karuma stopt. We besluiten daar naartoe te lopen.
Op dit soort kleine stationnetjes wordt alles alleen maar in het Japans aangegeven, dus we vragen een vrouw die hier op de trein staat te wachten om hulp. Als we duidelijk hebben gemaakt waar we heen willen, laat ze weten dat we pech hebben, want door de orkanen is het laatste deel van dit spoortracé onbegaanbaar geworden. We moeten dus over naar plan B.

Gisteravond waren we al even in Gion en toen leek het erop dat deze wijk ook wel de moeite van een daglicht-bezoekje waard zou zijn. I.p.v. de trein naar Kurama, nemen we dus de trein naar Shijo-Gion, om dat te checken.
Volgens de boeken heb je in Gion de grootste kans om geisha’s tegen te komen, maar wij komen hier alleen maar wanna-be geisha’s tegen. Voor zo’n 2500 yen huur je nl. een kimono en kun je voelen hoe het is om als geisha nagestaard te worden.
Gion is inderdaad best een leuke wijk. De oude huisjes met bamboe-zonwering zijn aandoenlijk en de wijk-tempel is erg sfeervol. Al-met-al een goed alternatief voor Karuma.

‘s-Avonds willen we bij een populair sushi restaurant naast de M gaan eten, maar als we daar aankomen staat er al een hele rij hongerige Japanners buiten in een rij te wachten tot ze gevoerd worden. Daar hebben wij geen zin in, dus we gaan op zoek naar een ander restaurant. Nog geen honderd meter verder staat een bord met foto’s van heerlijke gerechtjes. Het restaurant blijkt in een kelder weggestopt te zitten, maar dat houdt ons niet tegen. Helaas is het ook hier bomvol, maar we laten onze naam op de wachtlijst zetten. ‘Kom om 7 uur maar terug’, zegt de man achter de kassa. Best bijzonder. dat de restaurants op een dinsdagavond zo vol zitten. Wij lopen nog een stukje over de Shijo Dori, op zoek naar een barretje waar we een drankje kunnen nuttigen, maar die vinden we ook dit keer niet.
Om 7 uur melden we ons dan weer in de kelder bij restaurant Kushihachi en worden we naar een plaats aan de bar tegenover de grill geleidt. Bij binnenkomst worden we luidkeels begroet door het keukenpersoneel achter de bar. Dit was overigens niet speciaal voor ons, dat doen ze voor iedereen!
We krijgen een Engelstalige menukaart in de hand gedrukt en beginnen met het bestellen van de hapjes. Sushi met krab en tonijn, gegrilde kip met ui, zalm met kaas en garnalen volgen elkaar op en het smaakt allemaal erg lekker.
Als we iets na half negen de kelder uitkomen, blijkt het te regenen. We rennen terug naar ons hotel waar we nog een lekere bak koffie nemen.

Woensdag 24 oktober

Omdat we een trein eerder nemen, moeten we ook eerder ons bed uit; logisch! Dat betekent dat we al voor zevenen onze tandjes staan te poetsen. Het ontbijt in dit hotel is vanaf 7 uur, maar als de man in het restaurant Diana ziet aankomen, gaat hij toch alvast wat brood halen. Zo gaan we dus toch met een ontbijt achter de gepoetste kiezen op weg naar het treinstation.

Daar aangekomen wurmen we ons door de mierenhoop van mensen, naar spoor 14. We zijn natuurlijk weer ruimschoots op tijd, dus kunnen we in de wachtruimte nog wel een bakkie koffie naar binnen werken.
We dachten gisteren nog dat we met een normale trein zouden reizen, maar de Hikari 495 blijkt toch een snelle Shinkansen te zijn. Via Shin-Osaka, Kobe en Fukuyama zoeft deze bullettrein in 2 uur naar Hiroshima.

Op het station van Hiroshima struikelen we bijna over de schoolkinderen. Hiroshima is voor de Japanse kinderen een soort practicum voor geschiedenis. Op soepele wijze banen we ons een weg tussen de klasjes door en gaan op zoek naar de informatiebalie van JR om onze stoelen voor de rit naar Nagasaki te reserveren. Als we dat geregeld hebben, verlaten we het station aan de zuidkant en gaan we met de elektrische tram naar ons hotel. De tram is een beetje krap en wiebelig, dus onze medereizigers zullen onze grote rugzakken af en toe wel hebben moeten ontwijken.

Helaas wordt bij ons hotel de inchecktijd nogal strak gehanteerd, dus we kunnen nog niet op onze kamer. We laten onze rugzakken dan maar in de bagageopslag leggen en gaan op weg naar het Peace Park.
Het park is maar een kwartiertje lopen vanaf ons hotel en overal zien we schoolklasjes. Sommigen zijn aan het zingen bij het Kindermonument, anderen lopen met een schriftje vragen te beantwoorden en weer anderen maken een klassenfoto.

We lopen eerst naar het Peace Monument, een massieve stenen boog van waar je de A-bomb Dome kunt zien aan de andere kant van de rivier. De A-bomb Dome deed voor de bom dienst als de Hiroshima Prefectual Commercial Exhibition Hall en was destijds een belangrijk herkenningspunt in stad met z’n groene koepel. Dit gebouw heeft men gelaten zoals het was na de aanval met de atoombom, net als de Gedächtniskirche in Berlijn.

Na het rondje door het Peace Park gaan we even terug naar het hotel om in te checken. We stoppen nog even bij de A-bomb Dome en bekijken het van dichtbij. Zelfs het puin ligt er nog net als 73 jaar geleden. De t-vormige brug die naast dit gebouw ligt, was voor de piloten van de B29 bommenwerper Enola Gay het herkenningspunt voor het afgooien van Little Boy. Op 6 augustus 1945, om 08:15 uur, ontplofte de bom op 150 meter van de Exhibition Hall op zo’n 600 meter boven de grond en vaagde bijna alles in de omgeving weg. Er vielen vrijwel direct 78.000 doden. Men schat dat het aantal doden als gevolg van beide atoombommen aan het eind van de oorlog 250.000 bedroeg.

Terug bij het hotel gaan we even in de lobby zitten, want het is nog geen tijd om in te checken. Klokslag 14:00 uur roept de receptionist ons dat we aan de beurt zijn. Na het invullen van een papiertje en het overhandigen van de creditcard kunnen we onze kamer in. We leggen de paspoorten in de kluis, zetten de rugzakken tegen de muur en gaan weer naar buiten. Het plan was om vanmiddag naar Miyajima te gaan, maar we besluiten dat morgen te doen en gaan vanmiddag naar het Peace Museum.

Het museum blijkt under construction te zijn, Ze zijn het aardbeving-proof aan het maken, maar we kunnen er wel in. Ook hier zijn de schoolklasjes weer goed vertegenwoordigd, maar dat is allemaal goed georganiseerd, dus daar heb je geen last van.
Op de derde verdieping wordt op een aantal platen aan de muur van alles uitgelegd: dat de Amerikanen bang waren dat de Duitsers de atoombom aan het ontwikkelen waren en dat zij ‘m dus eerder moesten hebben (Manhattan Project), dat er door de geallieerden afspraken zijn gemaakt over het beëindigen van de oorlog (Verklaring van Potsdam), dat er voor Hiroshima is gekozen vanwege haar grote industriële en militaire betekenis, etc. In vitrines liggen allerlei memorabilia van na de atoombom: gesmolten flesjes, een verwrongen buitenlamp, een driewielertje van een overleden jochie van 3 dat door zijn vader samen met het jochie in de achtertuin is begraven, kledingstukken, etc. Verder hangen er gruwelijke fotos van mensen met brandwonden, maar ook van mensen die pas jaren later kanker ontwikkelden door de radioactieve straling. Als Rob nog door het museum loopt, gaat Diana naar de videoruimte. Daar werd in 20 minuten het verhaal van de atoombom verteld en kwamen slachtoffer van de bom aan het woord. Het is wel iets waar je even stil van wordt!

Na anderhalf uur staan we weer buiten en drinken we wat op een bankje in het park. Even niets, lekker in het namiddag zonnetje. Zoals vaak met dit soort grootste dingen is niet te bevatten hoe dat geweest moet zijn. Alles waar wij nu op uitkijken (en meer) is in een klap weggevaagd………

Zonder veel te zeggen lopen we terug naar het hotel en voor je het weet sta je weer in de werkelijkheid van vandaag. Fel verlichte reclamezuilen, etalages van winkels vol met Halloween spullen, Mc Donalds, gokhallen en dan in het kwadraat. We zijn weer terug in de stad.
Over alledaagse dingen gesproken; wij verzamelen ons wasgoed en draaien een trommeltje in de wasmachine bij het hotel. Lekker fris. We zijn echter niet de enigen met dat plan en we kunnen. De was niet direct uit de wasmachine in de droger doen. We hangen de was op onze kamer op elk plekje dat daarvoor bruikbaar is en gaan dan eerst een hapje eten. Als we daarna weer terug zijn bij het hotel zijn de drogers lee en grijpen wij onze kans.

Donderdag 25 oktober

Vandaag was het dan tijd voor het eigenlijke doel van deze reis: het bedrijfsspionage uitje bij Mazda. We moesten ons om 09:45 uur op het hoofdkwartier van Mazda melden, dus we hadden alle tijd om de camera’s op niet nader te beschrijven donkere plekjes te verstoppen.
Op ons gemakkie liepen we naar Café Veloce voor een ontbijtje. Dit keer geen gehaast vanwege een vroege trein of een volle agenda, dit keer konden we heel rustig aan doen.

Na het ontbijt nemen we de tram naar het station van Hiroshima en van daar nemen we de lokale trein naar station Mukainada. Het hoofdkantoor van mazda ligt op een paar minuten wandelen van dit station.
We melden ons aan de receptie en de vriendelijke dame heet ons welkom en legt uit dat we nog wel even een bakkie koffie kunnen nemen, maar om 10 uur vertrekt de bus voor de tour! Vervolgens geeft ze ons een bezoekerspas.
We bewonderen een paar Mazda’s die staan te glimmen bij de receptie en nemen dan een lekkere vette bak koffie. Zoals gebruikelijk gaan we precies op de afgesproken tijd met z’n allen naar de bus. We zijn met zo’n 40 man, hoofdzakelijk toeristen.

Op weg naar het museum vertelt onze ‘gids’ van alles en nog wat over het bedrijfsterrein. Dat er een grote brandweerpost met 5 brandweerwagens is die ook wordt ingezet bij calamiteiten in de omliggende wijk, dat de productiestraat van anderhalve kilometer is opgebouwd uit een deel waar het koetswerk wordt gemaakt, gevolgd door de spuiterij en de montagestraat, dat het 15 uur kost om een auto klaar te hebben (waarvan 8 uur spuiterij), dat er een ziekenhuis op het terrein is dat ook al wordt ingezet voor de omliggende wijken, dat er een sportzaal is, dat er slaapzalen zijn voor het personeel en nog veel meer.

We worden er bij het museum uitgegooid, waar we eerst een film krijgen te zien van de hele geschiedenis van Mazda. Dan neemt ze ons mee naar de eerste verdieping waar allerlei Mazda’s zijn uitgesteld; van de eerste driewieler, tot de CX8. Vervolgens krijgen we een lesje rotatiemoter en mogen we op de foto met de eerste Japanse auto die de 24 uur van Le Mans won. Daarna is het tijd voor een kijkje bij de montagestraat. Ze drukt ons meerdere keren op het hart dat de camera’s nu in de tas moeten! Hier mogen absoluut geen foto’s of video’s gemaakt worden.

Het is wel het meest interessante deel van de tour. Hier zie je hoe de auto’s op de lopende band door de arbeiders in elkaar gezet worden. Onze gids is nogal trots op deze multiple vehicle assembly line, want deze is blijkbaar door vele andere autobedrijven gekopieerd. In deze fabriek worden dus meerdere modellen achter elkaar geassembleerd. Zo zien wij achter elkaar een MX5, de schitterende CX3 en de CX5 in elkaar geschroefd worden. Er wordt dus pas een auto gemaakt als er een order is geplaatst door een klant. Wel lekker afwisselend voor de arbeiders.

De hele tour duurt precies anderhalf uur en als we weer terug zijn bij het hoofdkantoor krijgen we allemaal een Mazda lensendoekje als souvenir mee naar huis. We hadden liever wat kortingsbonnen voor een nieuwe auto gehad, maar je moet ook een gekregen Japans paard niet in de bek kijken.
We nemen de trein terug naar het station van Hiroshima en nuttigen daar onze lunch voordat we aan het middagprogramma beginnen.

Na de lunch gaan we met de trein in de tegenovergestelde richting van vanochtend, naar station Miyajimaguchi om daar de veerboot naar het eiland Miyajima te nemen. Op dit eiland staat de Itsukushima schrijn, een 16 meter hoge oranje (ik weet niet wat het bijvoeglijk naamwoord van vermiljoen is, dus ik noem het oranje) torri die afhankelijk van het tij, in het water of op het droge staat.
Als we van de veerboot naar de torri lopen, komen we ander bijzonder verschijnsel van het eiland tegen: wilde (?) herten die hier door de straten lopen. Het is even leuk, maar als ze aan je kaart of Lonely Planet beginnen te knagen, is de lol eraf.

Als we bij de torri zijn, is het net eb aan het worden, dus we kunnen straks waarschijnlijk heel dicht bij de torri komen. We wandelen eerst door de Hokoku schrijn, een bibliotheek voor Boeddhistische soetra’s. Vanaf de houten paden heb je steeds een fantastisch uitzicht op de grote torri. Als we de Hokoku schrijn uit zijn, lopen we zo ver als we kunnen richting de Itsukushima schrijn. Als je er zo dicht bij staat is het een imposant gevaarte. Zoals alle andere toeristen maken ook wij een selfie voor de oranje torri en gaan dan verder met ons rondje over dit eiland.

We gaan op weg naar de kabelbaan die ons naar Mt. Misen moet brengen. Dit is met 535m de hoogste berg op het eiland. De kabelbaan gaat over weelderig oerbos, via een tussenstation naar 430m hoogte. Het laatste stuk naar het observatorium moeten we te voet doen en dat doen we ook. De uitzichten over zee zijn fantastisch en we kunnen Hiroshima goed zien liggen.
We hadden een enkeltje gekocht voor de kabelbaan, dus dat betekent dat we nu de 535 meter naar beneden moeten lopen.

De route naar beneden valt geenszins mee, want 90% is trappen. Bovendien wordt het zicht beperkt door het oerbos om ons heen. Tel daar nog eens bij op dat om de paar honderd meter een waarschuwingsbord hangt voor dodelijk giftige slangen, dan begrijp je dat we blij waren dat we na een uurtje beneden waren.

De zon begint inmiddels te zakken en dat momentje willen we graag bij de Itsukushima schrijn meemaken. We lopen via de 5-verdiepingen-pagode, achter de Hokoku schrijn om naar de plek waar alle andere toeristen (en herten) zich inmiddels verzameld hebben. In dit licht is het vermiljoen nog dieper oranje dan overdag. We blijven er even staan genieten en gaan dan op weg naar de veerboot. Het is inmiddels 5 uur geweest en om 7 uur hebben we een tafeltje gereserveerd bij een goed okonomiyaki-restaurant. we moeten het water nog over en met trein en tram terug nar ons hotel. Dat wordt krap!

We kunnen met de veerboot van 17:25 uur mee halen de trein van 17:49 uur naar Hiroshima. Er zijn betere tijden om een trein in Japan te nemen, want we worden af-en-toe fijn gedrukt tegen het raam, zo vol is de trein in de avondspits.
Enigszins verwrongen komen we om 18:30 uur aan in Hiroshima en enkele minuten later zitten we in de tram. Om 18:45 uur zijn we bij ons hotel en het lukt ons om in een kwartiertje naar restaurant Hassei te lopen.

We krijgen een tafeltje-voor-2 in het rokerige restaurantje (ook hier weer een combinatie van keuken en sigaretten) en bestellen allebei de okonomiyaki (Hiroshima pannenkoek) met alles erop en eraan. Op een pannenkoek bodem gaat een berg witte kool, een hand tauge, bacon, noedels en het geheel wordt afgedekt met een gebakken ei. Wat kruiden en oystersaus erover en smullen maar. Je zal een pannenkoek thuis waarschijnlijk niet snel op die manier klaarmaken, maar het is een aanrader; het smaakte fantastisch.

Vrijdag 26 oktober

We zijn vandaag al wakker voordat de wekker begint te jengelen. Waarom zou je ook uitslapen tijdens de vakantie, dat kun je thuis ook! We hebben nu wel wat meer tijd voor een ontbijtje, dus nemen snel de tram naar het station, waar we bij Little Mermaid wat verse broodjes met een mok thee nemen. Na dit uitgebreide ontbijt lopen we naar spoor 12 voor onze Shinkansen naar Shin-Tosu.

In tegenstelling tot eerdere bullettrains waar de stoelindeling 3-2 is, heeft deze trein een 2-2 indeling. De stoelen zijn breed, log, lelijk gestoffeerd, maar oh zo comfortabel. Jammer genoeg duurt dit ritje maar anderhalf uur.
Naarmate de kilometers vorderen, neemt de bewolking toe. De weerwebsites hadden regen voorspeld, dus ze konden wel eens gelijk gaan krijgen.

We moeten in Shin-Tosu overstappen op de trein naar Nagasaki en hebben net genoeg tijd om een bakkie koffie bij de Familymart te halen. Dekseltje op de beker en dan snel naar spoor 2.
De trein naar Nagasaki is geen Shinkansen en al na een paar meter is duidelijk dat het comfort van zo’n gewone trein te wensen overlaat. De stoelen zijn goed, maar wat wordt je heen-en-weer geschud in zo’n bak. We zouden er zeeziek van worden.
Gelukkig duurt de rit naar Nagasaki voor deze verwende treinreizigers maar anderhalf uur.

Ook op dit station weer hetzelfde ritueel: eerst de stoelen reserveren voor de volgende treinreis en dan met de tram naar ons hotel en ook dit hotel hanteert de inchecktijd zeer strikt. De rugzakken gaan dus weer in de opslag en wij gaan op weg.
We lopen via Chinatown, dat tegenover ons hotel is gelegen, naar de Dutch slope (Oranda-zaka). Dit is een stijl klimmende straat die zijn naam ontleent aan de vele westerse en vooral Nederlandse handelaren die zich hier vestigden in de tweede helft van de 19e eeuw. Er staan nog steeds westers aandoende huizen, die overigens wel een likje verf kunnen hebben. Dat wij wij worden verwend met Dutch weather als we Dutch slope oplopen, kan geen toeval zijn.

Als het een paar minuten later serieus begint te regenen, versnellen we onze pas en vluchten we de dichtstbijzijnde tram in. We hebben bedacht dat het perfect weer voor een museum is. Met lijn 3 gaan we richting het Nagasaki Atomic Bomb Museum.
We stappen uit bij de gelijknamige tramhalte, maar gaan eerst even lunchen bij Coco’s restaurant.
Na een heerlijke lunch lopen we de laatste 300 meter naar het museum. Het druppelt behoorlijk door, dus we zijn blij als we binnen zijn. Dit museum toont ongeveer hetzelfde als het museum in Hiroshima. Je ziet luchtfoto’s van voor en van na de bom, er zijn allerlei objecten die door de ontploffing zijn vervormd, wat informatie over het ontstaan van de atoombom en veel getallen. Er vielen 74.000 doden bij de ontploffing, de bom (Fat Man) was 3,25 meter lang, had een diameter van 1,52 meter en woog 4,5 ton, de bom ontplofte op 9 augustus 1945 om11:02 uur en zo is er nog veel meer informatie.
Wij vinden allebei het museum in Hiroshima mooier, maar in dit museum zijn wel heel veel tekeningen en kleurrijke kraanvogel-kunstwerken van kinderen te zien en dat maakt het allemaal net wat ‘zachter’.

Om 14:30 uur gaan we naar de naastgelegen Nagasaki National Peace Memorial Hall for the Atomic Bomb Victims. Behalve een informatiecentrum en een bibliotheek is hier een prachtige Remembrance Hall waar kan worden gerouwd om alle slachtoffers van de atoombom. In een metershoge glazen archiefkast worden alle namen van de slachtoffers bewaard en als je voor deze kast staat, kijk je als het ware naar het hypocentrum van de bom.

Als we weer buiten komen, blijkt het te zijn gestopt met zachtjes regenen. We haasten ons terug naar de tramhalte en springen in de eerstvolgende tram die aan komt rijden. Inmiddels is het na drieën, dus we gaan terug naar het hotel om in te checken.
Volgens de Japanse buienradar wordt het rond 5 uur weer wat droger. Daar wachten we dan maar even op, in onze kamer.

Helaas is de Japanse weersite net zo (on)betrouwbaar als die in Nederland. Het regende na vijven nl. gewoon door. Niet aaneengesloten, maar voldoende om nat van te worden. We moesten er toch uit voor een hapje eten, dus hebben we bij de receptie maar even een pluutje meegenomen.
We lopen opnieuw via Chinatown waar ze de boel feestelijk verlicht hebben. Dan lopen we nog even langs de haven en komen uiteindelijk bij een leuk restaurant tegenover Dejima, een voormalig eilandje dat dienst deed als Nederlandse handelspost. Het eten smaakt ons opnieuw zeer goed en onder de plu lopen we terug naar het hotel. Hopelijk is het morgen droog!

Zaterdag 27 oktober

Vol spanning schoven we de gordijntjes open, maar gelukkig zag het er een stuk beter uit dan gisteren. Nog wel een wolkje hier-en-daar, maar vooral veel blauwe lucht. De jassen en plu konden dus in het hotel blijven.
We gingen eerst op zoek naar een restaurantje om te ontbijten en dat valt nog helemaal niet mee in Japan. Je kunt natuurlijk de dag wel beginnen met noedelsoep of rauwe vis, maar een broodje met een bakkie thee is bijna niet te vinden.

Omdat we op onze zoektocht lang Deijima komen, gaan we dat eerst bekijken. Dejima was vanaf 1641 een Nederlandse handelspost, maar daarvoor was de VOC ook al actief in Japan en de Nederlanders waren niet alleen, ook de Portugezen waren hier heel actief. Er werden kerken gebouwd en het christendom breidde zich uit. Dit laatste was een doorn in het oog van de shogun, die Japan afsloot voor de buitenwereld. Alleen de Hollanders hadden toestemming om vanaf Dejima met de Japanners te handelen.
Dejima is allang geen eiland meer; door inpoldering ligt het nu bijna midden in de stad. Op het terrein van het vroegere eiland is een soort openluchtmuseum gemaakt waar je de sfeer van toen kunt proeven.

Het zijn overigens niet alleen Nederlandse toeristen die Dejima bezoeken. Busladingen Chinezen lopen door de gerestaureerde Nederlandse pakhuizen. Gelukkig waren wij er erg vroeg bij vandaag.
Op het terrein valt ons oog dan op een heel armetierig boompje met een bordje ervoor. Hierop staat dat Prins Willem Alexander dit boompje op 14 november 1990 hier heeft gepland. Het wordt tijd dat die meiden van hem er eens een beetje kunstmest bij gaan gooien.
Als de straat van Dejima steeds voller loopt met dagjesmensen, verlaten wij deze trekpleister via de uitgang aan de noordkant en zetten onze zoektocht naar een ontbijt voort.

We besluiten richting de haven te lopen, omdat we wat informatie willen inwinnen over Loujima, een eilandje net buiten de haven van Nagasaki. Het is er rustig en een vriendelijk mevrouw geeft ons een briefje met de vertrektijden van de ferry. Ze vertelt er ook nog het een-en-ander bij, maar dat is vooral Japans. Goed bedoelt, maar verstaan er nog steeds niet veel van.

Op weg naar de haven zagen we dat er een groot warenhuis naast het havengebouw stond. Daar zou je toch wat te eten moeten kunnen krijgen. We gaan er naar binnen en in de kelder is inderdaad een foodcourt. Helaas geen bakkerijtje, maar wel een M. Daar bestellen we allebei een portie Little Pancakes met een bak thee. Het is inmiddels na tienen dus dat gaat er in als Ketellapper.

Na dit uitgebreide ontbijt nemen we de tram naar het Peacepark. Net als in Hiroshima is vlak bij de lokatie waar de bom tot ontploffing kwam, een park met monumenten aangelegd.
Vanaf het tramstation lopen we eerst naar het herdenkingspark. Het is hier een drukte van belang. Een grote groep kinderen staat in afwachting van hetgeen gebeuren gaat. Wij zoeken een plekje waar we alles goed kunnen bekijken. Het is bijna 11 uur, dus we vermoeden dat er dan ‘iets’ gaat gebeuren.
In het herdenkingspark staat een cenotaaf, een marmeren zuil, ter nagedachtenis aan alle overledenen waarvan het lichaam niet gevonden is, of waarvan het lichaam elders begraven is. Hier is de bom, op 500m hoogte ontploft, dus je zou dit ‘ground zero’ kunnen noemen.
Om 11 uur is ineens iedereen stil en worden er klokken geluid: kippenvel! Als het geluid van de klokken verstomd laten alle kinderen een ballon opstijgen en begint er een groep muzikanten ‘Yesterday’ van John Lennon te spelen. Wat een geluk dat we juist op dit tijdstip hier waren.

Van het herdenkingspark lopen we naar het Peacepark. In dit park op een heuvel is aan de ene kant een vijver met fontein en staat aan de andre kant het Peace Statue. Als je door de fontein heen kijkt, kun je dus het standbeeld aan de nadere kant zien. Wij zijn niet de enige die dit willen fotograferen, want de hele bus met Chinezen laat zich stuk voor stuk, staand voor de fontein fotograferen. Heb je effe?

We nemen de tram terug en stappen uit bij het treinstation omdat we een nogal aparte tempel willen bezoeken. Het is de Fukusai-ji, een Boeddhistische tempel in de vorm van een schildpad met een 18 meter hoog aluminium standbeeld van de Bodhisattva van mededogen. We hadden het vermoeden dat zoiets er gek uitziet en dat deed het ook, maar het was de wandeling zeker waard.

Na dit bezoek aan de schildpad, gaan we naar de haven voor ons bezoekje aan Loujima. Vanwege de lastige vaartijden van de ferry zal het een soort koffiestop worden. Het is inmiddels 13:00 uur; eerst tijd voor een lunchstop bij Starbucks aan een tafeltje in de zon.
De ferry gaat pas om 14:20 uur, dus we hoeven ons niet te haasten. We kunnen heerlijk even blijven zitten in het zonnetje.
Kwart voor twee hebben we onze vervoersbewijzen uit de automaat getrokken en een kwartiertje later gaan we aan boord van de catamaran-ferry. We hebben slechte ervaringen met zo’n voertuig, maar gelukkig duurt deze hele oversteek maar 20 minuten. Wat kan er gebeuren?

Vanaf de boot zie je pas goed hoe de haven van Nagasaki ingesloten ligt tussen de bergen. De hellingen van deze bergen zijn volgebouwd met huisjes die doen vermoeden dat het begin 20e eeuw is.
In de haven is ook veel bedrijvigheid; schepen in aanbouw, vracht die wordt geladen en gelost. Veel van de bedrijven zien er nogal roestig uit, dus dat doet vermoeden dat de zaken niet heel goed gaan.

Na iets meer dan 20 minuten worden we gelost in Loujima. Zoals al gemeld kunnen we niet veel meer doen dan een bakkie koffie drinken en een paar fotos maken. Heel aantrekkelijk oogt het eiland ook niet, maar wellicht dat we een volgende keer het eilandje met de fiets gaan verkennen.

Om 15:17 uur brengt de ferry ons weer terug naar Nagasaki en daar aangekomen besluiten we deze dag christelijk af te sluiten. We brengen nog even een bezoekje aan de Ouro-kerk. Dit is de oudste houten kerk van Japan en dateert uit 1865. De kerk is gebouwd ter nagedachtenis aan de 26 christenen die zijn geexecuteerd. De Japanse christenen werden in die tijd nl nog vervolgd.
De kerk ligt vlak bij de aanlegplaats van cruiseschepen en dat is te merken aan de vele winkeltjes aan de weg naar de kerk.

Omdat ons hotel bijna in Chinatown ligt besluiten we ‘s-avonds maar bij de Chinees te gaan eten. In elk straatje zitten minstens 5 Chinese restaurants, dus er is keuze genoeg. Om deze keuze te vergemakkelijken hebben ze plastic modellen van de maaltijden in de etalage staan; daar proberen ze je dus mee naar binnen te lokken. Die plastic maaltijden zijn wel heel kunstig gemaakt en bijna niet van echt te onderscheiden. Bij het zien van de babi-pangang en nasi wil je gelijk naar binnen. Wij laten ons de echte maaltijd goed smaken en gaan dan terug naar het hotel om de rugzakken in te pakken.

Zondag 28 oktober

Vandaag staat er weer een reisdag op het programma. We gaan naar Osaka, een stad met 2,7 miljoen inwoners.
We beginnen met een kort tramritje naar het treinstation. Hoewel het zondag is, staat er al een hele rij Japanners-in-pak te wachten op de tram. Wij sluiten netjes achteraan de rij. Het is gelukkig maar 4 haltes naar het treinstation, want bij elke halte komen er weer een paar passagiers bij en het laatste stukje staan we als de sardines in het welbekende blik tegen elkaar aan gedrukt. We zijn blij dat we er bij het treinstation uit kunnen.

We zijn ruim op tijd, maar moeten nog wel ergens een broodje op de kop zien te tikken. Omdat er geen restaurant is waar je kunt ontbijten, kopen we een paar broodjes bij een bakker en eten die op het perron op. Het smaakt er niet minder om.
De trein naar Hakata staat al op perron 2 te wachten, maar de deuren gaan niet voor 08:30 uur open. De eerste 2 uur reizen we weer met de Kamome 10, een normale trein die een 10-tal keer zal stoppen voor we in Hakata zijn.

In dit deel van Japan zie je veel rijstvelden en in de kleine dorpjes hebben de huizen vaak nog zo’n authentiek pannen-dak. Bij de huisjes bijna altijd zo’n bonsai-achtige tuin met fraai geknipte dennenbomen, een vijver en strak geharkt grind. De grotere steden zijn grijs en grauw met veel lelijke flats. Parkeerplaatsen vol met auto’s, vrijwel allemaal van Japanse makelij. Vooral het type hondenhok-op-wielen is erg populair. Dit zijn korte, smalle voertuigen met een hoog dak; een beetje een mini pausmobiel.
Zonnepanelen zijn in Japan inmiddels in grote getale aanwezig. Af en toe op huizen, maar meestal staan er veel bij elkaar op een akker of tegen een berg.

Om 10:53 uur komen we aan in Hakata en hebben we 20 minuten voor de overstap op de Shinkansen naar Osaka. Gelukkig is het een overzichtelijk station, zodat er ook nog tijd overblijft om een bakkie koffie te halen bij de 7-Eleven. Met de beker in de hand wachten we op perron 13 op de trein.
Zoals gebruikelijk gaat alles weer volgens de dienstregeling, dus om 11:15 uur rijden we richting Osaka.

De rit met de Shinkansen verloopt soepeltjes en om 13:48 uur staat de trein stil op het perron van Shin-Osaka. We hadden gelezen dat dit een enorm hectisch station is, dus we zetten ons schrap. Uiteindelijk kost het ons weinig moeite om hier de stoelen voor 1 november te reserveren en de M te bereiken, maar het is vandaag wel zondag!
Na een verkwikkende lunch lopen we door naar het metrostation waar we de metro naar Hommachi nemen. Dan is het nog 500m lopen naar het hotel. We checken in en gaan naar onze kamer. Dit is verreweg de kleinste hotelkamer die we tot nu toe hebben gehad. Er past een klein bed in (140cm), een plank aan de muur stelt het buro voor en er zit weer zo’n prefab badkamer in. Ruimte voor onze rugzakken is er eigenlijk niet, maar die stapelen we op tegen de muur. Ach, hoe lang ben je nou op zo’n hotelkamer. We pakken onze camera’s en gaan op pad.

We duiken hetzelfde metrostation weer in en komen een paar stations verderop weer boven de grond. We wandelen eerst naar Tsutenkaku, een soort Eiffeltorentje van 103m hoog, De originele toren stamt uit 1912 en was toen via een kabelbaan verbonden met een naastgelegen lunapark. De toen 64m hoge toren was het op een na hoogste gebouw van Azie. In 1943 brandde de toren af en in plaats van de toren weer op te bouwen, is het staal gebruikt voor de oorlog.
Op aandringen van de bevolking is na de oorlog toch een nieuwe toren gebouwd die in 1956 is geopend. Diezelfde toren staat er nu nog, maar is wel ingesloten door veel hoogbouw.

We besluiten eerst door te lopen naar de Shitennoji tempel omdat het buurtje rond de Tsutenkaku er pas echt leuk uitziet als de neonverlichting aangaat.
Het is een half uurtje lopen naar de tempel en dat is maar goed ook, want Diana heeft haar 10.000 stappen vandaag nog niet gezet. Men zegt dat deze tempel de oudste van Japan is. Niet de tempel die er nu staat, want dat is een herbouwsel van een herbouwsel van een herbouwsel, maar de oorspronkelijke tempel is door 3 Koreaanse timmermannen in het jaar 593 gebouwd. Allemaal goed en wel, maar als wij bij de tempel zijn blijkt deze gesloten te zijn. We kunnen dus helaas niet dicht bij de pagode van 5 verdiepingen en de bijbehorende gebouwen komen.

Dan maar weer terug richting de Tsutenkaku, maar omdat het nog te licht is gaan we eerst wat drinken bij een restaurantje in de schaduw van de toren. In plaats van pinda’s krijg je hier een soort peultjes bij je biertje. De erwten druk je uit de schil je mond in en zijn dus eigenlijk een soort groene pinda’s.
Om 16:30 gaan we maar weer eens naar buiten om de toren en vooral de omliggende straten in een ander licht te bekijken en we blijken niet de enigen te zijn die op dit idee zijn gekomen. Het is een gezellige drukte in het licht van de vele neon reclames.

Deze lichtshow is echter nog maar een voorprogramma van onze volgende stop. Hiervoor nemen we de metro naar station Namba om dan naar het Dotonbori kanaal te lopen. Hier vind je heel veel winkels en restaurants, maar waar het echt om gaat zijn de enorme verlichte reclameborden. Het lijkt of heel Osaka zich hier heeft verzameld; je kunt er over de hoofden lopen en iedereen probeert vanaf de Dotonboribashi brug deze lichtshow te fotograferen en daar doen wij vrolijk aan mee.

Het is inmiddels 18:30 uur dus het is tijd om de inwendige mens te verwennen en wat kun je daar beter voor uitzoeken dan de lokale specialiteit: Takoyaki.
We gaan bij een van de vele restaurantjes naar binnen en bestellen een portie. We moeten er even op wachten maar dan worden de gloeiend hete balletjes geserveerd: aanvalluhh!
De ballen zijn gloeiend heet, de binnenkant is van heel zacht deeg en ergens in dat deeg zit dan een blauw/paars stukje tentakel van een inktvis verstopt. Je zult begrijpen dat dit voortreffelijk smaakt, zelfs zonder de mayonaise die de locals er overheen spuiten.

Na dit verrassingsdiner lopen we terug naar ons hotel. Niet over een saaie weg of door donkere steegjes, we lopen door een winkelpassage van een kilometer lang. De hoeveelheid winkels is enorm en heel veel artikelen hebben op dit moment halloween-korting. Halloween wordt hier blijkbaar groots gevierd, want het doet denken aan de kerstversiering bij ons.

Japan 1

Dinsdag 16 oktober

Om 11:30 uur zijn we in hal 2 om in te checken voor onze vlucht naar Sapporo, maar de self-check-in werkt niet mee: Sapporo wordt niet herkend. We vragen een dame in blauwe KLM-kledij om hulp, maar ook zij komt niet verder dan Osaka. Dat begint lekker. Volgens deze lady-in-blue zou het wel goed komen bij haar collega bij de bagage drop-off.
Die collega was minstens zo vriendelijk, maar ook zij kreeg ons niet voorbij Osaka. ‘Jullie moeten in Osaka door de douane, bagage van de band halen en opnieuw inchecken voor Sapporo’, zegt ze! Maar we hadden juist 1 ticket naar Sapporo gekocht om dat gedoe te voorkomen. Even later bevestigt haar supervisor dat dit gebruikelijk is als je via Osaka vliegt; hadden we dat geweten……

Als de stoom uit onze oren een beetje is weggetrokken, lopen we door de douane- automaat en gaan zitten bij Amsterdam Bread voor een lekkere bruine boterham met een bakkie koffie. Inmiddels is Rene bij ons aan tafel komen zitten en we vertellen hem over de gang van zaken bij het inchecken en ook hij vind dit vreemd.
Gelukkig hebben we 5 uur overstap-tijd in Osaka en kunnen we die tijd nu nuttig besteden; elk nadeel heb z’n voordeel!

Om 14:55 uur start de stewies met het boarden en in het vliegtuig gaan wij op zoek naar rij 19. Op stoel G heeft een Japanse vriend zich al geïnstalleerd en wij doen hetzelfde op stoel D en E, althans dat dachten we. Een paar minuten later staat een tweetal Japanners schaapachtig naar onze stoelen te kijken; we blijken niet op rij 19 ter zitten, maar op rij 20. We pakken onze spullen op gaan een rijtje naar voren, waar ons een verrassing wacht: een moeder met een kind van nog geen jaar op stoel G! Dat belooft een gezellige vlucht te worden.
Moeders vraagt bij een stewie of er misschien nog ergens een dubbel plekkie vrij is voor haar en het jochie, maar zonder ook maar rond te kijken blaft de stewie: ’the plane is full’.

Inmiddels heeft gezagvoerder Dellevoet ons verteld dat hij maar 10 uur en 25 minuten nodig heeft voor de 9532 km. Máár 10 uur en 25 minuten naast dat kleine jochie…… Hopelijk is het schattige Japanse jochie een lief kind!
Als we de waddeneilanden nog maar net achter ons gelaten hebben, komt de purser de situatie redden. Ze heeft 2 individueel reizende passagiers gevonden die 3 stoelen tot hun beschikking hebben. Één van hen wil wel ruilen met moeders en het jochie zodat iedereen dan een eigen stoel heeft en wij niet langer hoeven te vrezen dat het jochie een huiler zal zijn.

Woensdag 17 oktober

De nachtelijke uren kruipen voort en ergens boven Rusland gaat de dinsdag over in woensdag. Net als we eindelijk de slaap lijken te gaan vatten, komen de stewies met hun karretjes het ontbijt serveren. Ach, we kunnen nog genoeg slapen deze vakantie.
Om 08:32 uur zet Dellevoet de Dreamliner aan de grond op Osaka International Airport (KIX). Het toestel stroomt snel leeg en we gaan met de massa mee om de Douane formaliteiten te ondergaan. Normaal gesproken zou je in de transitruimte wachten op de volgende vlucht, maar blijkbaar gaat dat bij een vlucht naar Japan anders. Als we bij de tweede balie ook ons visumzegeltje in het paspoort krijgen, zijn we officieel ingeklaard.

We hebben een overstap van 5 uur en die willen we nu ook optimaal benutten. We crossen eerst met bagagekarretje naar de JR Information om daar onze railpass op te halen. Dit verloopt soepeltjes en we besluiten ook gelijk de stoelen voor de treinreis van a.s. zondag te reserveren. Dit blijkt geen overbodige luxe, want zowel de bullettrain naar Tokyo, als de bullettrain naar Kyoto zit al behoorlijk vol.
Daarna checken we onze bagage in voor de vlucht naar Sapporo en tanken we wat Yens uit een ATM. Bij McCafe verwennen we onszelf daarna met een hete cappuccino.
Na dit lekkere bakkie gaan we naar de Lawson om te kijken of ze daar een simcard verkopen. Dat blijkt het geval te zijn en om 11:15 hebben we dan alle klusjes die we eigenlijk voor Sapporo hadden gepland, al achter de rug.

We nemen nog even een voorproefje van de Japanse keuken en gaan dan door de security-check voor onze vlucht naar Sapporo. Het vliegtuig van ANA is wat aan de late kant, maar als de 737 dan eindelijk aan de slurf gekoppeld is gaat het heel snel. Om 14:20 uur gaat de bemanning boarden, om 14:30 uur gooit de piloot hem al in z’n achteruit en om 14:40 uur komen de wielen al los van de startbaan. Tot onze grote vreugde vertelt de piloot dat de vlucht maar 1 uur en 25 minuten zal duren en voor we het weten staan we al bij de bagageband van Shin-Chitose Airport.

De rugzakken komen netjes op de band aanrollen en niet veel later zitten we in de fast-train naar Sapporo. Na 37 minuten stappen we al weer uit op Sapporo Station en lopen we naar de metro die ons in slechts 7 minuten op enkele honderden meters van ons hotel brengt. We zijn dan in totaal bijna 24 uur onderweg geweest,

Nadat we zijn ingecheckt lopen we even langs het autoverhuur bedrijf waar we morgen onze huurauto moeten ophalen. Gelukkig is de reservering goed doorgekomen. Daarna lopen we nog een stukje verder en gaan tevergeefs op zoek naar een restaurantje waar we morgen zouden kunnen ontbijten. Hopelijk zien we morgen wel iets brood-achtigs.
Als we langs een klein Italiaans restaurantje lopen, besluiten we daar wat te gaan eten. Je moet ook niet te hard van stapel lopen met de Japanse cuisine. We zijn allebei best wel moe na zo’n lange dag en om 19:15 gaat het licht in onze slaapkamer uit.

Donderdag 18 oktober

Zo’n eerste nacht verloopt niet helemaal zoals je hoopt. Rond een uurtje of 2 ben je klaar wakker en als om 7 uur de wekker gaat, voelt het alsof je er net in ligt.
We duiken de badkamer in, zetten een bakkie thee en proppen onze spullen weer in de rugzakken. Om 07:30 uur checken we uit en lopen we in 12 minuten naar het autoverhuurbedrijf. De administratieve afhandeling gaat volledig in het Japans en wij antwoorden dan maar gewoon in het Nederlands. Je hoeft mekaar niet te begrijpen om het eens te zijn. Gelukkig krijgen we een Mazda mee, want daar hoeven ze ons niets over uit te leggen!

Tegen 09:30 uur zitten we aan de verkeerde kant van de auto en rijden we aan de verkeerde kant van de weg (volgens de NL-regels, niet de JPN-regels) naar onze eerste bestemming.
We wurmen ons in 20 minuten door het drukke verkeer van Sapporo en gaan de Hokkaido Expressway op. De aangegeven maximum snelheid is nergens boven de 80 km/u, maar daar lijkt niemand zich wat van aan te trekken. Wij gaan mee in de flow.
De omgeving is prachtig; de bomen zijn getooid in hun mooiste herfstkleuren. Een prachtige Indian Summer, hoewel de weersomstandigheden er een Indian Autumn van maken. Het regent af en toe een beetje en af en toe een beetje meer.

De navigatie doet waar het voor gemaakt is en om 11:00 uur parkeren we de auto op de parkeerplaats bij het Blue Pond. Tijdens deze rit van tweeëneenhalf uur zijn we maar 1 keer aan het spookrijden geweest (!). Als we bij de Tourist Information vragen waar we moeten zijn, wordt ons in perfect Japans uitgelegd dat we naar de volgende parkeerplaats moeten. We antwoorden met een ‘ach ja natuurlijk’ en rijden de auto een klein stukje verder.
Deze blauwe vijver is ontstaan toen er een dam in de rivier werd gelegd. Hierdoor kwam een stuk bos onder water te staan en de stammen van de bomen steken nu troosteloos uit het water. Dat water is misschien wel het meest bijzondere van de vijver. Het heeft een zachtblauwe kleur met een scheutje melk erdoor. De kleur is ontstaan door de cocktail van mineralen die erin zit.
We lopen een rondje om de vijver en zoeken de beste plek om dit bijzondere verschijnsel vast te leggen. Met veel te veel foto’s en film gaan we terug naar de auto.

Onze volgende bestemming is Asahidake; de heilige berg volgens de Japanners, of eigenlijk volgens de Ainu, de oorspronkelijk bewoners van Hokkaido.
Het is een uur rijden en de omstandigheden worden er niet beter op; we zien zelfs sneeuw liggen op een tegemoetkomende auto. De weg slingert het laatste stuk omhoog en als we de auto op de parkeerplaats zetten, staan we in een grotendeels witte omgeving. Om 12:45 uur nemen we de kabelbaan naar het tussenstation en neemt ons wintersportgevoel nog verder toe. We vragen ons wel af of we onder deze omstandigheden de skiën zouden onderbinden, want hoe dichter we bij het tussenstation komen, hoe slechter het zicht wordt.
Buiten bij het tussenstation blijkt alles onder een laagje sneeuw te liggen en op onze hardloopschoenen is dat best lastig. We lopen een paar honderd meter omhoog, maar als de wolk om ons heen ook nog sneeuw begint te spugen, keren we om.
We wisten dat het 9 maanden per jaar sneeuwt op Asahidake, maar waarom moet het vandaag nou zo slecht zijn.

Weer beneden aangekomen warmen we ons op met een hartige lunch en gaan dan op weg naar de laatste bestemming van vandaag: Sounkyo.
Er zijn meerdere manieren om in Japan met de auto te navigeren: op adres, op telefoonnummer, op map-code en op GPS-coordinaten. Omdat het navigatiesysteem in onze Mazda alleen de GPS coordinaten van het hotel slikte, moesten we het daar maar mee doen. We werden opnieuw de expressway op gestuurd, dus konden lekker opschieten. Rond half 4 uur worden we de expressway weer afgestuurd, maar ons bekruipt het gevoel dat we niet in de buurt van Sounkyo zijn. We parkeren de auto en controleren het navigatiesysteem met Maps.me op de telefoon. Ons vermoeden is juist: helemaal verkeerd! De 60km expressway mogen we nog een keertje doen, in tegengestelde richting.
Tegen vieren begint de zon al behoorlijk rood te kleuren, dus we gaan Sounkyo nooit meer met daglicht bereiken. Dat is jammer, want het laatste stuk over de 39 is een prachtige kloof om doorheen te rijden.

Uiteindelijk komen we rond 17:15 uur bij ons hotel in Sounkyo aan en het is inmiddels pikdonker. We checken in en als we de deur van onze slaapkamer open doen staan we voor het eerst in een ryokan. Een ryokan is een kamer in een soort familiehotel. Overdag staat er een ultra laag tafeltje met twee zitzakken er omheen. Als je wilt gaan slapen, zet je de tafel aan de kant, rol je de futons (dunne matrassen) uit, gooi je er een dekbedje overheen en kun je slapen. Niet het toppunt van comfort, maar wel authentiek. Ook de wc bij zo’n ryokan is heel authentiek; de wc-bril is niet verwarmd! Toch wel vreemd hoe snel je aan dit comfort went

We gaan ‘s-avonds Sounkyo in om een hapje te eten, maar veel keuze is er niet. Er blijkt maar 1 restaurant open te zijn. We kiezen de curry en die is heerlijk. Met onze buikjes gevuld gaan we terug naar de ryokan.

Vrijdag 19 oktober

Als het om de matrassen gaat is zo’n ryokan eigenlijk een ryokannetniet. Daar zijn onze ruggetjes veel te fragile voor. Gelukkig mochten we weer om 07:00 uur opstaan, want we wilden vroeg met de kabelbaan de berg Kurodake op. Het weer is vannacht volledig omgedraaid; er is geen wolkje aan de lucht, dus daar gaan we van profiteren.

Samen met 2 busladingen Chinezen nemen we de kabelbaan om 08:20 uur. Ook nu duurt dat ritje niet langer dan 10 minuten. Normaal gesproken kun je dan nog een stukje verder omhoog, maar de stoeltjeslift is vanwege onderhoud buiten gebruik. We lopen wat rond bij het tussenstation, op zoek naar een wandelroute, maar het gaat hier vooral om de mooie uitzichten en met dit weer is het in alle windrichtingen prachtig. Het is alleen jammer dat de rust af en toe wordt verstoord door een gillende Chinees.

Na ruim een uur zijn we weer beneden en gaan met onze Mazda Axela (in Nederland bekend als Mazda 3) over de 39 richting richting Kitami. Een paar kilometer buiten Sounkyo stoppen we nog even bij O Bako voor een laatste blik op de kloof. Omdat het gisteren al schemerig was toen we in Sounkyo aankwamen, willen we dit spektakel ook nog wel even bij daglicht zien.

Hierna vervolgen we onze weg naar Kitami en gooien in Rubeshibe de tank maar eens vol. Een liter benzine doet hier ongeveer 1,25 euro. Iets verderop stoppen we langs de weg bij wat eetkraampjes en we kunnen ons geluk niet op want voor het eerst kunnen we een bakkie leut bestellen.
Na deze korte pitstop gaan we om Kitami heen en dan naar Bihoro om daar de 243 te nemen naar Lake Kussharo. Dit is niet wat we oorspronkelijk van plan waren, maar we willen niet weer zoveel kilometers in de auto zitten. De omgeving is net als gisteren weer fantastisch kleurrijk, maar door de bijdrage van de zon, krijgt vandaag een hoger cijfer.

De weg naar Lake Kussharo begint na zo’n 20km behoorlijk te klimmen en na zo’n 30 km bereiken we de kraterrand boven Lake Kussharo. Hier is een prachtige uitkijkplaats aangelegd, waar wij de auto op de ruime parkeerplaats neerzetten. We klauteren via de brede trappen naar het hoogste punt, waar we een prachtig uitzicht hebben op het vulkaanmeer. Als we het meer vanuit elk hoekje hebben bewonderd, trappen we de auto weer aan en gaan op weg naar het volgende kratermeer.

We passeren onze slaapplek van vanavond en gaan een paar kilometer voor Teshikaga linksaf richting Lake Mashu. Het is inmiddels 13:30 uur, dus we moeten onderweg maar gaan uitkijken naar een plek waar we zouden kunnen lunchen. De afgelopen dagen hebben we gemerkt dat het vinden van een lunchplek helemaal niet meevalt. Via een prachtig WRC-parcours slingeren we richting het kratermeer en net als bij Lake Kussharo zijn de faciliteiten prima in orde. We parkeren de auto en lopen naar het ruime plateau waar we een schitterend uitzicht op Lake Mashu hebben. Net als bij Lake Kussharo gaan we ook hier op zoek naar de beste plek voor een foto, maar het is eigenlijk het mooist om zonder camera minutenlang te genieten van zo’n uitzicht. We rijden dan ook nog even naar viewpoint 2, maar die haalt het niet bij de eerste lokatie. De parkeerwacht bij deze lokatie raadt ons aan om vooral ook bij Io-zan te gaan kijken. We hebben geen idee waar hij het over heeft, maar we sturen de Mazda in de richting die hij aanwijst.

Io-zan blijkt ook een vulkaan te zijn en wel de vulkaan met de hoogste concentratie zwavel in Japan. Dat hoeft niemand je te vertellen, want nog voordat je de auto geparkeerd hebt, zit je neus vol met de lucht van rotte eieren. Het ziet er mooi uit die grijzige vulkaan met plukjes gele zwavel. De stoom stijgt op uit alle hoeken en gaten, wat het plaatje compleet maakt. Dit tafereeltje hadden we gisteren bij Asahidake ook al verwacht, maar daar staken de weergoden een stokje voor.

Na een half uurtje rotte eieren inhaleren gaan we op weg naar onze slaapplek, maar we stoppen nog wel even aan de kant van Lake Kussharo voor een snack en een drankje, want de lunch is er weer eens bij ingeschoten. Om 16:00 uur arriveren we bij onze bed-and-breakfast. Dit keer geen futons, maar bedden met matrassen! Wat een luxe.

Zaterdag 20 oktober

Ook onze laatste dag in Hokkaido begon weer om 07:00 uur. Eerst de kant-en-klare badkamer in. Inmiddels weten we dat dit soort badkamers de standaard zijn; een plastic prefab hok van ongeveer 3 vierkante meter waar ze een bad, een wc en een wastafel in weten te proppen. Je kunt er je kont niet keren en vanwege de beperkte ruimte, is het vrijwel onmogelijk om je af te drogen na het douchen. Fris en fruitig gaan we naar beneden waar we nog een bakkie thee nemen. Dan rekenen we af en gooien de rugzakken weer in de auto.
We rijden eerst naar Teshikaga om te pinnen, want vandaag moeten we nog ruim 200km over de tol-snelweg en dat tikt hier aardig aan.

We rijden eerst over de 241 naar Lake Akan. Deze weg behoort tot de Scenic Roads Hokkaida en dat is niet voor niets. De weg slingert door een heuvelachtig landschap en de bomen op de hellingen laten hun mooiste herfsttooi zien. De Japanners hebben helaas niet veel behoefte aan parkeerplaatsen langs de weg, zodat we (bijna) geen stop kunnen maken om te genieten van de uitzichten. Er zijn er 2 op de weg naar Lake Akan, maar bij de ene staan er dan net te veel bomen voor je neus en de ander is eigenlijk weer te ver weg. Het mag de pret niet drukken; we trappen overal waar het kan op de rem. We worden onderweg steeds gewaarschuwd dat Bambi over kan steken, maar wij hebben haar helaas niet voor de auto gehad.

Iets na 09:30 uur zetten we de auto op de parkeerplaats bij Lake Akan. De parkeerwacht ziet ons over het hoofd, waardoor we weer een paar yen in de zak houden. Japan is een duur land en alle kleine beetjes helpen. De winst geven we overigens gelijk weer uit bij de 7-Eleven aan de overkant waar ze heerlijke, vers gemalen koffie hebben.
Lake Akan is ook een kratermeer, maar heel anders dan de kratermeren die we gisteren gezien hebben. Bij Lake Akan is de kraterrand volledig begroeid met bomen en struiken, waardoor je niet direct in gaten hebt dat het een krater is. Aan de rand van het meer zijn een aantal modderpoelen waar je een ei in kan koken (mocht je daar behoefte aan hebben). We lopen langs de rand van het meer en zien dat er vissers tot hun middel in het water staan. Ze zijn aan het vliegvissen en dat vereist een bijzondere techniek. We blijven even staan kijken, maar zien geen vis uit het water getakeld worden. Hierna lopen we langs het meer tot aan het kleine dorpje Akankokohan en wandelen dan terug naar de auto.

Van Lake Akan gaan we op weg naar Sapporo, maar we kunnen Lake Oneto niet links laten liggen. Dit kleine meer is idyllisch gelegen met Mt. Meakan en Mt. Akan op de achtergrond. We parkeren onze auto aan de rand van het meer en zijn blij dat we deze detour gemaakt hebben. Er is een pad van 2,5 km om het kleine meer en we besluiten het rondje te gaan lopen. Om te voorkomen dat we beren op de weg zien, fluiten we af en toe een deuntje, in de hoop ze op afstand te houden. De Japanners fluiten niet, maar die hebben belletjes om hun nek hangen. Daar kunnen de beren hier blijkbaar ook niet tegen.
Het rondje om het meer blijkt iets minder eenvoudig te zijn dan we dachten. Het is een kruip-door-sluip-door pad waar je steeds moet uitkijken dat je niet over een boomwortel struikelt, of van een wegrottend bruggetje afglijdt.
We voltooien de ronde zonder kleerscheuren en lopen het laatste stukje over de weg terug naar onze auto.

We tikken het telefoonnummer van het autoverhuurbedrijf in Sapporo in op het navigatiesysteem en beginnen aan het laatste stuk van onze autorit. Als we na een paar kilometer op een grindpad terecht komen, vragen we ons af of dat systeem denkt dat we in een terreinwagen rijden. Deze Mazda heeft dan wel AWD, maar 25km over een grindpad zien we niet zitten. We draaien dus snel om en nemen een alternatieve route.
De 40km tot aan de snelweg zijn een genot om te sturen. Het navigatiesysteem stuurt ons om de steden en dorpen heen. De weg slingert wederom door een heuvelachtig landschap en het lijkt alsof wij vandaag de enigen zijn. Die van deze weg gebruik mogen maken.
In de buurt van Obihiro gaan we de expressway op, die voor het grootste deel enkelbaans is. We houden na verloop van tijd maar op met het tellen van de tunnels waar we doorheen rijden. Het zijn er tig.

Rond 15:30 uur gaan we de expressway af en rijden we de drukte van Sapporo in. Van een groene golf hebben ze hier nog niet gehoord, want we rijden van het ene stoplicht naar het andere. We tanken de auto nog een keer vol en leveren ons koetsje dan af bij het verhuurbedrijf. Bepakt met onze rugzakken lopen we in 10 minuutjes naar ons hotel. Ons rondje Hokkaido zit erop.

Hoewel het al wat schemerig wordt, willen we toch nog wel even wat van Sapporo zien. We lopen eerst naar het drukke kruispunt op Tsukisamu dori, dat vlak bij ons hotel ligt. Hier nemen we morgen de metro naar het treinstation van Sapporo. Daarna lopen we door naar de Clocktower. Dit gebouw stamt nog uit de begindagen van Sapporo (1878) en is tegenwoordig een museum. Daarna lopen we naar de TV Tower, een mini Eiffeltoren van 147m hoog. Vanaf deze toren heb je een prachtig uitzicht, maar het is inmiddels zo donker geworden dat we dat niet gaan controleren.

Omdat we vandaag de lunch noodgedwongen hebben overgeslagen (ook langs de snelweg kun je nergens kan stoppen, laat staan dat er een wegrestaurant te vinden is), gaan we eerst maar eens op zoek naar restaurant. Diana spot een klein tentje met veel Japanse tekens en daar gaan we naar binnen. Het kleine restaurantje ziet blauw van de rook, maar het is te leuk, dus we blijven. De gerechten staan op gele papiertjes die aan de muur hangen, maar gelukkig hebben ze toch een klein gedeelte van de menukaart vertaald in het Engels en de rest doen we met de vertaalapp van de serveerster. We laten een aantal gerechtjes komen en spoelen ze weg met een lekker koud Sapporo biertje.
Inmiddels weten we dat de rook in het restaurant niet alleen uit de keuken komt. Het is hier blijkbaar nog heel gebruikelijk om te roken in een restaurant: back to the eighties!

Tegen zevenen zijn we uitgegeten en lopen we terug naar ons hotel. We kijken onze ogen uit op straat; overal gokhallen met pachinko machines (een soort verticale flipperkast), grote felle neon reclames en heel veel restaurants. Het is jammer dat we hier morgen weer weg gaan, maar we zullen zeker nog genoeg van deze gekte in andere steden tegenkomen.

Zondag 21 oktober

Vandaag hadden we een hele dag treinen voor de boeg. Eerst drieënhalf uur van Sapporo naar Shin-Hakodate, dan vierenhalf uur naar Tokyo en als laatste tweeënhalf uur naar Kyoto. Zelfs voor onze begrippen een record-afstand.
Op het grauwe, smoezelige station van Sapporo nuttigen we eerst een ontbijtje en gaan dan op zoek naar het juiste perron. Dat valt vandaag best mee, want op zondag is het ook in Japan erg rustig op een treinstation. De trein staat al te wachten, hoewel het nog een half uur duurt voordat we vertrekken. We zoeken onze gereserveerde stoelen en gooien de rugzakken in de bagageruimte. Wat ons betreft mag de trein vertrekken.

Klokslag 39 minuten na 8 uur vertrekt de trein en al snel blijkt dat Japan geen garantie is voor een smooth ride. De trein schudt en wiebelt als een kermisattractie. Dit kan natuurlijk het gevolg zijn van de aardbevingen, maar het zou ook best kunnen dat de spoorwegwerkers te veel aan de sake hebben genipt. Een Amerikaanse mede-toerist heeft z’n plastic zakje al snel vol gekotst.
De stewardess loopt regelmatig met haar trolley door het gangpad en halverwege de reis nemen wij een bakkie koffie bij haar. Niet zo lekker als van de 7-Eleven, maar ok. Het voordeel van treinreizen is dat je volop van de omgeving kunt genieten zonder steeds op de weg te hoeven letten. Dorpen en steden schieten voorbij en vooral de huizen vallen op. Er is er niet eentje gelijk en ze variëren in kleur van roze tot geel en van groen tot paars. Ze zijn allemaal van het type ‘prefab’, maar dat zal wel goed aardbeving-proof zijn. Overal om ons heen zijn bergen en vulkanen. Hokkaido is echt een gebied voor de natuur liefhebber.
Precies op schema arriveren we om 7 minuten over 12 op het station van Shin-Hakodate.

Op perron 11 zijn we in afwachting van de Shinkansen die ons naar Tokyo moet brengen. We kopen nog wat drinken in de kiosk van het station en ruim een kwartier voor vertrek komt de bullettrain het station binnenrijden. We wachten netjes in de rij tot de deuren van wagon 5 opengaan en nemen dan plaats op rij 6.
Al snel blijkt dat het spoor voor deze hogesnelheidstrein van een heel ander kaliber is. De trein zoeft over de rails en je hebt niet in de gaten dat deze zo hard gaat. Al snel duiken we de langste onderwater tunnel in en steken we over van Hokkaido naar Honshu. Je vraagt je toch af wat er er zou gebeuren als tijdens de laatste aardbeving een paar scheurtjes in de tunnel zijn ontstaan en het water de tunnel inloopt of wat als de stroom uitvalt of …….. Niets van dit alles, want om 13:30 uur rijden we de tunnel weer uit. Het lijkt wel of de Shinkansen alleen over een vlak trace kan rijden, want we rijden meer in een tunnel dan erbuiten.

Om 17:10 uur rijden we het station van Tokyo binnen. Het is inmiddels weer donker dus veel hebben we niet gezien van deze mega-stad. We gaan op zoek naar perron 18 waar onze volgende bullettrain om 17:33 uur zal vertrekken naar Kyoto. We slaan wat snaaiwerk in voor onderweg en nemen plaats op rij 1 van de Hikari 523.
De reis is meer van hetzelfde, maar dan zonder de uitzichten. We merkten in Hokkaido al dat het al vroeg donker is en dat is hier niet anders.
De reis met deze Shinkansen verloopt net zo soepel als de eerste en om 20:10 uur arriveren we in Kyoto. Wat een treinreis!

We moeten met de metro en de lokale trein naar station Omija, maar in de haast stappen we in een verkeerde trein waardoor we een ommetje van 10 minuten maken. Nadat we dit foutje hersteld hebben checken we in bij ons hotel. Hier slapen we de komende 3 nachten.

Een dag treinen maakt hongerig en op Google Maps was er een ramen-restaurant te zien naast het hotel. We gooien de rugzakken op de kamer en gaan op zoek. Heel moeilijk is dat niet want het restaurant zit bijna aan het hotel geplakt. Vanavond gaan we dus voor het eerst aan de ramen-noodles. Om niet te hoeven beschrijven wat ramen-noodles zijn, doe ik hetzelfde als de restaurants doen: een plaatje van de maaltijd. Smakelijk eten.

Sri Lanka 5

Dinsdag 28 november

Onze trein naar Colombo gaat pas om 10:55 uur, dus vanochtend doen we rustig aan. Nog 1 keer onder de beste douche van Sri Lanka, dan lekker uitgebreid ontbijten en op ons gemakkie de rugzakken inpakken. We moeten de treinkaartjes nog kopen en ze adviseerden om daarvoor een uur voor vertrek op het station te zijn. Om 09:45 uur proppen we de rugzakken onszelf weer in de tuktuk en gaan we naar Galle Main Station. Als we de treinkaartjes kopen komen we erachter dat, in tegenstelling tot de trein naar Anuradhapura, er geen stoelen worden toegekend. Dat wordt straks slim positioneren om een stoel te bemachtigen. We hebben nog een uurtje voordat de trein gaat en Diana heeft bij het naderen van het station een Hindoe tempel gezien, die ze nog even wil bekijken. De rugzakken worden op het station bewaakt en wij lopen naar de tempel; mooie verdeling!

Zoals gebruikelijk is de trein mooi op tijd en ondanks dat er behoorlijk wat toeristen instappen, hoeven we niemand op de rails te duwen om een stoel te krijgen. We kunnen zelfs aan het raam zitten. De trein vertrekt precies op tijd, maar omdat er nog een blinde man komt aangerend (?) gaat de machinist even op de rem om de blinde een eerlijke kans te geven. Even opnieuw dus: met een minuut vertraging gaan we op weg naar Colombo. De eerste stop is Hikkaduwa waar een aantal toeristen aleer uitstapt. Hikkaduwa staat bekend als hippie-surf-paradijs, maar het groeiende toerisme heeft de plaats niet goed gedaan. Door de vele restaurantjes en barretjes op het strand is de erosie enorm toegenomen. Gelukkig hebben ze hun lesje geleerd en hersteld het strand zich langzaam weer.

Er volgen nog een aantal minder beduidende stops en als Rob weer eens in de deuropening hangt om te filmen, wordt hij aangesproken door de Security Officer. Het maakt de beste man niets uit dat er iemand uit de deur hangt, maar hij verveelde zich waarschijnlijk en wilde gewoon even over koetjes en kalfjes praten met een toerist.
Om 13:00 uur stoppen we bij Mount Lavinia en we weten dat dit nog maar een klein stukje van Colombo verwijderd is. Als we uit het raam kijken, zien we de hoogbouw al aan de horizon verschijnen.

We rammelen nog een kwartiertje door de buitenwijken van Colombo en rijden dan langzaam het station van Colombo Fort binnen. Ons cirkeltje is rond, want krap drie weken geleden, vertrokken we op het andere spoor naar Anuradhapura. Omdat we pas om 17:30 uur op de luchthaven hoeven te zijn, laten we ons door een tuktuk afzetten bij het hotel waar we drie weken geleden sliepen. Het verkeer in Colombo lijkt helemaal vast te zitten, dus we hebben meer tijd nodig om bij het hotel te komen dan drie weken geleden. Bij de naastgelegen Dutch Pub genieten we van een heerlijke lunch, lopen dan naar de Burger King op de hoek voor een ijsje en gaan daarna nog een bak koffie drinken bij Java Lounge, naast de ingang van het hotel. Dan zijn we eigenlijk wel klaar voor de volgende etappe.

We zadelen onszelf weer op met de rugzakken, waarmee we gelijk een tuktuk-magneet zijn. We spreken een schappelijke prijs af met de dichtstbijzijnde chauffeur en laten ons naar het busstation brengen. Opnieuw komt de tuktuk helemaal vast te zitten in het verkeer. Op deze manier krijgen we de maximale hoeveelheid fijnstof voor een jaar, in een kwartiertje binnen. Je kunt nog beter drie balen zware Van Nelle oproken, dan hier rondrijden. Maar goed, we gaan thuis wel een paar keer extra de bossen in om dit te compenseren. We worden netjes op het busstation afgezet en gaan dan op zoek naar onze bus. Dat blijkt geen zware opgave, want als ze je zien lopen schreeuwen ze al ‘airport, airport’. We stappen in een minibus die klaarstaat en wachten op wat gaat gebeuren.

Om 16:00 uur komt er al beweging in het busje, maar de lol is van korte duur. Nog geen 5 minuten later zet de chauffeur de bus stil aan de andere kant van de weg, om daar nog een half uur te gaan staan om klantjes binnen te halen. Wij waren gelukkig erg op tijd, dus we maakten ons nog geen zorgen. In de tuktuk hadden we al ervaren hoe druk het is op straat en daar had de bus natuurlijk ook last van. We hebben zeker een half uur nodig om Colombo uit te komen. Nog steeds geen vuiltje aan de lucht (behalve de uitlaatgassen en de fijnstof), maar als de chauffeur bij de afslag naar de highway ervoor kiest om de landelijke route te volgen, beginnen we ‘m toch te knijpen. We rijden nu door verschillende kleinere dorpjes, die allemaal last hebben van opstoppend verkeer. Het wordt 17:45 uur en dan vragen we de kaartjesman toch maar eens hoe lang het nog gaat duren. ‘Half ’n hour’ antwoordt hij. ‘Half ’n hour’ schreeuwen wij, ’then we’re gonna miss our plane!’. Dat was een beetje overdreven, maar het heeft wel effect, want de rijstijl van de chauffeur verandert op een positief agressieve manier, waardoor het net wat sneller lijkt te gaan. Om 18:15 uur zijn we dan eindelijk op de luchthaven. De chauffeur durft 2000 roepies te vragen voor de rit, maar als wij hem daarop bijna naar de strot vliegen, wordt het bedrag snel verlaagd naar 600 roepies. ‘He not speak so good English’ zegt de kaartjesman; ja, dat zal wel! Die 600 roepies is nog te veel, maar wij hebben haast dus betalen deze ritprijs. Bij het weglopen bijten we hen nog wel toe dat het een waardeloze busrit was (heb je niks aan, maar lucht wel op).

We lopen naar de ingang van het luchthavengebouw, waar we gelijk een ‘Security Control’ krijgen. Gelukkig is de rij hier niet al te lang. Datzelfde geldt voor de rij bij de Emirates-balie, dus we zijn snel aan de beurt met inchecken. Dan via de kerstboom naar de ‘Emigration’ en vervolgens naar de volgende ‘Security Control’. Na alle hectiek hebben we dan hebben we wel een broodje verdiend en laten we daar nou toevallig de Burger King zien. Na het verwennen van de inwendige mens, gaan we op zoek naar Gate 14 en die blijkt helemaal aan het einde van een lange gang te zijn. Daar aangekomen worden we onderworpen aan de derde ‘Security Control’. Er zullen dus niet veel bommen en granaten aan boord zijn vanavond.

Om 19:45 uur begint Emirates met boarden en wij zijn de eersten die aan boord gaan. Dit had niets te maken met het gebruik van onze ellebogen, maar er ging niet meer dan 100 man mee met de Boeing 777 naar Male. We hadden dus alle ruimte op deze vlucht. Al voor vertrek waarschuwt de piloot dan dat de weersomstandigheden onderweg niet al te best zullen zijn en dat gaan we even later ook merken. Net als de stewies met de karretjes door de paden rijden, moeten ze plots minutenlang op een passagiersstoel gaan zitten. Terwijl het toestel lijkt te worden gebruikt als cocktail-shaker, wordt er omgeroepen dat er vandaag geen hete dranken geserveerd zullen worden. Je moet maar denken: ‘meestal gaat het goed’.

Om 21:05 uur zet de piloot het toestel neer op een drijfnatte landingsbaan en dat is niet zoals je op de Malediven wilt aankomen. Hopelijk is dat morgen allemaal weer opgedroogd. We worden netjes opgewacht door iemand van ons hotel en lopen met het mee naar de veerboot. De luchthaven van Male ligt nl. op een langwerpig eiland en om in de stad te komen moet je met de veerboot oversteken. Dit verloopt allemaal heel soepeltjes en als we aan de andere kant zijn, worden we in een taxi gestopt die ons naar het hotel brengt. Goede service van ons hotel. Morgen gaan we dan met een speedboot naar het resort waar we 4 nachten verblijven.

Woensdag 29 november

Onze slaapkamer leek wel wat op een coupe in een slaaptrein of een hut aan boord van een schip, maar we hadden er heerlijk geslapen. Ons resort had gisteravond laten weten dat we om 10:15 uur bij de aankomsthal van het vliegveld moesten staan, dus om 09:45 uur worden we door iemand van het hotel, netjes afgezet bij de ferry-haven. Aan de andere kant van het water worden we dan weer opgewacht door een andere medewerker van hotel Novina, die ons vervolgens naar de balie van het Bandos resort. Dit is wel een heel uitgebreide haal- en brengservice. Op de luchthaven is het enorm druk met vrouwen in het zwart en mannen in het wit. Er wordt ons verteld dat deze mensen naar de Hadj in Mekka gaan.

De medewerker van het resort brengt ons, samen met alle andere mensen die vanochtend naar het resort moeten worden gebracht, naar een speedboot die dan vol gas richting Bandos verdwijnt.

Het boottochtje duurt maar 15min en bij het resort doen ze alle moeite om ons in de watten te leggen. We nemen plaats op luxe stoelen in de lobby, krijgen een doekje om de handen schoon mee te maken (of iets anders als je dat nodig vindt) en er wordt een welkomst-icetea neergezet. Daarna worden we ingecheckt en last but not least krijgen we ons all-inclusive armbandje omgegespt (en het is nog geen 14:00 uur). Als we onze paspoorten weer terug hebben gekregen en de rekening is voldaan, worden we met een golfkarretje naar onze kamer gebracht. Het kan slechter!

Onze kamer is prima in orde; hier houden we het wel een paar dagen uit. Even een verkenningsrondje om het eiland (dat kost niet meer dan 20 minuten) en nadat we ons dan wat zomerser gekleed hebben, gaan we eerst naar de duikschool om onze broodnodige lichaamsbeweging te regelen.

Een medewerker van de duikschool vertelt ons e.e.a. over het duiken. Er worden ‘s-ochtends 2 bootduiken gemaakt en ‘s-middags eentje. Een nachtduik kan elke dag op afroep. De eerste duik wordt gebruikt om te checken of je het duiken wel voldoende onder de knie hebt en die duik moet op het huisrif worden uitgevoerd. Omdat wij morgen met de boot mee willen, handelen we die check-duik ‘s-middag gelijk af. We krijgen nog wat formulieren mee om in te vullen en om half drie worden we bij de duikschool verwacht.Het is inmiddels 13:00 uur, dus we besluiten eerst het lunchbuffet aan te vallen. We hebben ons bandje om, dus dat wordt gratis schransen.

Na het uitgebreide lunchbuffet, vullen we op de kamer de formulieren in, trekken onze zwemkleding aan en gaan terug naar de duikschool. Daar krijgen we onze uitrusting aangereikt en worden we gebriefd over de gang van zaken m.b.t. het duiken. Ze hebben de spullen hier goed voor elkaar; de uitrusting ziet er nieuw uit, er loopt veel personeel rond en er is genoeg ruimte voor de duikers om de tank op te tuigen. Het duiken is hier ook drie keer zo duur als in Sri Lanka, dus dan mag het ook wel goed zijn. Als we hebben laten zien dat we het optuigen van de tank onder de knie hebben, gaan we naar buiten voor de eerste duik. Dan pas merken we dat ook de Malediven met de dagelijkse hoosbui te maken heeft en bijna op hetzelfde tijdstip als Sri Lanka. We lopen in de stromende regen het water in en weten niet wat warmer is: de regen of de zee.

We doen de verplichte oefeningen op onze knieën, in water van een metertje diep en als we ‘geslaagd zijn’, beginnen we aan het echte duiken. De gebruikelijke rifvissen zijn in overvloed aanwezig; het lijkt wel wat op Egypte. Het koraal is helaas erg beschadigd, maar ze zijn bezig met het kweken van koraal op metalen korven onder water. Het duurt niet lang voordat we onze eerste rifhaai in het vizier krijgen. Een beestje van zo’n anderhalve meter. Het is altijd weer een opwindend moment als je een haai tegenkomt. Tijdens onze duik zien we er uiteindelijk meer dan 10, dus dan wordt het toch weer wat gewoontjes. Verder zien we nog 2 grote roggen en zwemmen we een keer in een hele grote school gele vissen. We blijven ruim 60 minuten onder en dat is niet gek voor een eerste duik.

Nadat we onze uitrusting hebben gespoeld, gaan we even naar de kamer om ons om te kleden. Dan gaan we naar de Huvan-bar om met onze eerste cocktail de smaak van het zeewater weg te spoelen. Dit kon wel eens onze favoriete plek van het resort worden. Deze bar, op een enorm houten vlonder boven het water, biedt een fantastisch uitzicht over zee en heeft bovendien een uitgebreide cocktailselectie. Tegen zevenen gaan we terug naar de kamer om onze chiqueste kleren aan te trekken voor het dinerbuffet.

Donderdag 30 november

Je moet wel wat over hebben voor je hobby. Voor zevenen staan we alweer onder de douche, zodat we straks op tijd bij de duikschool kunnen zijn. Om 08:15 uur moeten we spullen gecontroleerd hebben en om 09:30 uur varen we uit. Er staat een stevige wind vanochtend, waardoor de geplande duik bij Paradise Rock niet doorgaat. Maagiri Cave ligt wat rustiger, dus dat wordt de eerste duiksite van vanochtend. Na een kwartiertje varen over een ruige zee, gaan we ons opmaken voor de eerste duik. De boot wordt behoorlijk heen en weer gesmeten, dus je moet het juiste moment kiezen om in het water te springen. Omdat we de test gisteren goed hebben doorstaan zijn wij gekwalificeerd als ‘unguided divers’. Dat betekent dat we onze eigen gang mogen gaan en niet bij de gids hoeven te blijven.

We laten ons snel onderwater zakkenen gaan op pad; rif aan de linkerschouder en genieten van de onderwaterwereld. Het is weer een prachtig rif, veel vis en het koraal is hier veel minder beschadigd dan op het huisrif. We spotten als snel een paar vette murenen, maar ook het gewone visvolk is goed vertegenwoordigd. We hangen even onder een enorme uitstekende rots, waar een grote school glasvisjes zwemt en en passant pikken we nog even een GoPro van de zeebodem.

Bij 100bar draaien we om; rif aan de rechterschouder en we zweven terug naar de boot, maar nu iets hoger. Grote scholen paarse vis zwemmen ons tegemoet en tussen de rotsen ontdekken we nog een paar murenen, waaronder een grote geel gevlekte variant. Terwijl we onze safetystop doen, ontdekt Rob nog een octopus die zich probeert te verstoppen. Hij verraadt zich omdat z’n huid van kleur verschiet. Niet ver daar vandaan zit er een grote kreeft te trillen onder een rots, bang dat hij op een bordje zal belanden vanavond. Als we dan naar de boot zwemmen zien we vaag de contouren van een wegzwemmende schildpad. Al met al een goede vangst tijdens deze duik.

Het kost de nodige moeite om met de hoge golven weer aan boord te klimmen. De tanks van de duikers klappen tegen elkaar en het valt niet mee om je aan het trappetje omhoog te hijsen. Als we allemaal weer aan boord zijn, wordt verteld dat de tweede duik van vanochtend niet doorgaat. De omstandigheden zijn te slecht! Grote teleurstelling natuurlijk, maar we hebben nog wat tijd om hier te duiken. Tegenover ons zit een meisje met doorgelopen mascara. Zij blijkt degene te zijn die de GoPro heeft verloren. Ze is dolgelukkig als we haar het cameraatje teruggeven. We varen terug naar Bandos en de boot klapt op de hoge golven. Het water spoelt over het dek en ook wij krijgen af en toe een douche. Terug bij het resort lukt het de stuurman niet om de boot bij de duikschool af te meren. We gaan dus naar het haventje aan de andere kant van het eilandje waar ook de veerboot aanlegt. Hier kunnen we veilig van boord.

We schrijven ons alvast in voor de bootduiken van morgen en gaan dan naar de kamer om de zwemkleding uit te doen. Voor de lunch doen we nog een verkenningsrondje over het eiland. Dit keer kijken we op alle kleine strandjes en proberen we de verschillende strandstoelen uit. Bij de Sandbar drinken we een ‘Get me Fresh’ en zien we weer wat druppels naar beneden komen. Die druppels maken we ons geen zorgen om, maar die wind is een groter probleem m.b.t. het duiken. We maken ons rondje af en gaan dan naar het restaurant voor de lunch. Als die wind vanmiddag wat gaat liggen kunnen we misschien nog het huisrif op.

Na de lunch boort een instructeur van de duikschool gelijk alle hoop de grond in als we hem vragen of we onder deze omstandigheden op het huisrif kunnen duiken. Het duiken is geen probleem, maar door het ondiepe water bij het rif komen is het probleem. De golven smijten je heen en weer over de bodem en dat gaat net iets verder dan een goede scrub. Dan moeten we vanmiddag de inwendige mens maar tevreden stellen. We hebben per slot van rekening all-inclusive. Om 15:30 uur is er een soort high-tea in de Sea Breeze (toepasselijke naam). De hoeveelheid eten die we daar voorgeschoteld krijgen is net iets meer dan goed voor ons is, maar we slaan ons er doorheen. Daarna wandelen we naar de Huvan bar om er nog een cocktail achteraan te gooien. De lijst met cocktails in de menukaart is nog lang, maar we hebben nog even.

Terug op onze kamer gaat Diana op zoek naar een hotel voor onze nachten in Negombo en leest Rob het laatste tijdschrift uit. Tegen zevenen zitten we allebei nog zo vol van het eten en drinken dat we het diner-buffet maar overslaan vandaag. We eindigen de dag met een cappuccino bij de Huvan bar en hopen dat de weergoden ons morgen gunstiger gezind zijn.

Vrijdag 1 december

Indra, god van onweer en regen, heeft het niet goed met ons voor. Als we om 07:00 uur naar het restaurant lopen, waait het nog steeds hevig en er moet zelfs een paraplu aan te pas komen. De zee lijkt wel rustiger dan gisteren, dus dat is gunstig voor het duiken. Als we om 08:15 uur bij de duikschool komen is iedereen dat wel met ons eens, maar het besluit moet van hogerhand komen en die besluiten even later dat de duiken geannuleerd worden. Ze hebben er geen vertrouwen in dat het weer zo ‘kalm’ blijft als het nu is.

Teleurgesteld lopen we terug naar onze kamer, maar bedenken dat het nu wel een mooi moment is om even het zwembad in te duiken. Er is u nog niemand bij het grote bad, dus er kunnen ongestoord baantjes getrokken worden. Het worden uiteindelijk niet meer dan 3 baantjes, maar de ochtendgymnastiek kunnen we weer afvinken. Tijd voor een bakkie.

Na de koffiepauze lopen we toch maar weer eens naar het strand. De lucht begint wat op te klaren, dus wie weet! Als je dan toch met je tenen in het zeewater staat, is het maar een kleine stap om even te gaan dobberen. Het zeewater is zo lekker warm dat het helemaal geen moeite kost om er in te gaan, De wind blijft echter nog aanhouden, dus een echte stranddag zal het niet worden. Om 13:00 uur gaan we voor de verandering maar weer eens richting het restaurant om te lunchen.

Na de lunch trekken we onze zwembroek weer aan en gaan het proberen bij de duikschool; een duikje op het huisrif moet nu toch wel kunnen. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. We sluiten onze spullen aan en gaan het water in. Omdat er nog een behoorlijke golfslag is, gaan we langs het touw dat op de bodem ligt door de branding heen. Met de rechterschouder aan het rif, gaan we eerst een stukje met de stroming mee. Het lijkt iets troebeler dan woensdag, maar nog steeds is het zicht zo’n 15 meter. Er is weer veel vis te zien en ook de haaien zijn weer van de partij.

Na 27 minuten keren we om, omdat we anders nooit binnen de maximale duiktijd van 60 minuten uit het water zijn. Nog maar net omgekeerd komt er een grote adelaarsrog voorbij zweven op de andere rijbaan; prachtig! We zwemmen verder, slaan nog wat haaien van ons af en zien dan ineens een tweetal manta’s voorbij zweven. Het zijn geen joekels, maar wel gaaf om ze zo dichtbij voorbij te zien komen. Met een huisrif zoals hier bij Bandos hoef je eigenlijk helemaal niet met een boot naar een ander rif. Om 15:50 uur steken we de kop weer boven water. De duik heeft meer dan 65 minuten geduurd (niet verder vertellen) en was prachtig.

Nadat we zijn omgekleed gaan we toch maar weer naar de bar Sea Breeze voor de dagelijkse high tea. We hebben net wat calorieën verbrand, dus er mag wel weer wat ingenomen worden. De sandwiches zijn heerlijk, maar we komen eigenlijk voor de patatten; de lekkerste in 4 weken! Na deze tussenmaaltijd is het weer tijd voor een cocktail. We lopen naar de Huvan bar (je moet er wel wat voor over hebben) en bestellen het volgende gekleurde drankje van de lijst. Nu alleen nog een diner naar binnen werken en dan kunnen we gaan slapen.

Zaterdag 2 december

Als we vanochtend de gordijnen opendoen zien we dat Mr. Blue Sky het voor het zeggen heeft. Deze keer geen donkere wolken en een stormachtige wind, maar een stevige bries met blauwe lucht. We gaan weer om 07:00 uur ontbijten omdat we vandaag weer voor de bootduiken hebben ingeschreven. Dat gaat vandaag wel goed komen.

We zijn iets na achten bij de duikschool en we zien aan de bedrijvigheid dat er vandaag gedoken gaat worden. Alle duikers zijn opgelucht. Wij pakken onze spullen en gaan naar de boot. We krijgen wel gelijk te horen dat we niet naar de geplande site gaan, omdat deze te ver weg is en ze vertrouwen het weer toch niet helemaal.Als iedereen aan boord geeft de bootsman gas en varen we naar de eerste duikplek van de ochtend: Feydhoo Caves.

Tijdens de briefing krijgen we te horen dat we een stromingsduikgaan maken. Da’s lekker makkelijk; hangend in het water wordt je door de stroming onderwater langs het rif getransporteerd. De instructeur vertelt ook nog dat er in de koraalwand een aantal grotten zijn waar meestal schildpadden schuilen. We springen van de boot en dalen gelijk naar zo’n 15m diepte. De stroming is goed te voelen, dus we gaan in onze comfortabele waterstoel zitten en zien wel wat er komen gaat. Lang hoeven we niet te wachten, want bij het eerste grotje is het gelijk raak; een groene zeeschildpad kijkt verbaasd hoe de groep duikers aan z’n onderkomen voorbij zweeft. Het zal niet de laatste keer zijn, want we zien maar liefst 5 van deze beestjes. Je zou het bijna vergeten, maar tussendoor genieten we ook van het aanwezige koraal en de vele vis die langs de wand te zien is.

Voor de tweede duik gaan we terug naar ons eigen eilandje om te duiken bij Bandos Rock. Opnieuw een makkie, want ook hier zal de stroming het werk doen. Het rif is hier wat minder kleurrijk dan op eerdere plekken, maar dat wordt gecompenseerd door een fantastische opstaande rotspunt die vol met kleurrijk koraal zit en waar enorme scholen kleine vis omheen zwemmen. Voordat we deze rots aanvallen, stuiten we nog op een octopus die wat schijterig terug kruipt in z’n holletje. We zwemmen een paar rondjes rond de rotspunt en laten ons dan nog een stukje verder dragen door de stroming. Na een uurtje klimmen we weer aan boord en gaan we terug naar de duikschool.

Nadat we onze wetsuit gespoeld hebben, zoeken we dan een bedje op het spierwitte strand. Het is inmiddels na twaalven en het moet er dan toch maar van komen: zonnen! Croma in de pan en laat het vlees maar sudderen. De bedjes staan met de voorste poten bijna in zee, dus we worden lekker gekoeld door de zeewind. Zo af en toe valt de wind weg en dan merk je dat de zon wel erg z’n best doet. We hoeven niet gelijk heel lang te sudderen, want om 13:00 uur gaan we naar het restaurant voor de lunch. Na tweeën nemen we dan onze posities in de pan weer in en pas na 15:30 uur mogen we er weer even uit voor de high-tea.

Na de high-tea, rond 16:30 uur begint de zon in kracht af te nemen en maken wij ons op voor de zonsondergang. We kruipen met z’n tweeën in een grote ronde loungebank en wachten we tot de zon in de zee zakt. Omdat dit nog wel even gaat duren, bestellen we voor de verandering een cocktail. Slurpend aan het rietje zien we de zon steeds roder worden en rond zessen is het spektakel voorbij. We gaan naar onze kamer, waar we de tube aftersun op onze rode huid leeg maken. Als het goedje is ingetrokken gaan we maar weer een hapje eten.

Zondag 3 december

Onze laatste halve dag op de Malediven was alweer aangebroken. Zoiets vliegt natuurlijk voorbij; beetje eten, beetje drinken, beetje duiken, beetje zonnen, daar kan iedereen wel aan wennen. Helaas had Diana gisteravond een fout bacterieel dingetje binnen gekregen, dus die had de halve nacht op de pot gehangen. Deze laatst ochtend zou dus vooral in het teken van herstel staan. Voorzichtig een toastje met thee bij het ontbijt, nog een bakkie thee bij de Huvan bar en vervolgens de laatste crackers die we nog in de tas hadden zitten naar binnen gewerkt. Heel langzaam ging het weer wat beter.

Om 12:00 uur checken we uit en dan hangen we nog een uur in de lobby omdat de boot naar Male pas om 13:15 uur vertrekt. We worden dit keer door een soort luxe-jacht-veerboot naar de luchthaven vervoerd. Je betaald een vermogen voor zo’n retourtje per boot, dus we hadden zelfs nog wel met de Groene Draek vervoerd kunnen worden. Op de luchthaven doorlopen we het standaard riedeltje: bagage door de scan, inchecken, scan van de handbagage en nog even langs de douane. Dan nemen we plaats bij de gates in afwachting van onze vogel.

De wachtruimte bij de gates is laag en de vliegtuigen rijden met hun neus bijna tot tegen het glas. Het is net of een groot roofdier je gaat vermorzelen. Ons beest van Emirates arriveert te laat en omdat het vliegveld van Male wat problemen heeft met de hoeveelheid vliegtuigen van vanavond vertrekken wij uiteindelijk met een uurtje vertraging. Als we dan in het zachte licht van de ondergaande zon over een van de eilandjes vliegen, zwaaien we en denken ’tot ziens’.

Op de luchthaven van Colombo is het voor ons ‘gesneden koek’. We vullen weer een briefje in voor de douane, halen onze rugzakken van de bagageband en lopen via de ‘nothing to declare’ uitgang naar de taxis. De toeristen-ronselaar zag ons voor groentjes aan vraagt een veel te hoge prijs. Dat corrigeren wij ter plekke en voor de helft van de vraagprijs rijden we naar ons hotel in Negombo. Om 20:30 uur zijn we op onze kamer. We drinken er nog een colaatje en gaan dan naar bed. Morgen gaat de wekker weer om 07:00 uur.

Maandag 4 december

Na een snelle douche, kruipen we weer als vanouds in een tuktuk en gaan we naar de vismarkt van Negombo. Het gaat ons daarbij niet zozeer om de vismarkt, maar om het drogen van de vis, dat hier op het strand gebeurt. Het is een minuutje of 10 met de tuktuk en dan komt de geur je al tegemoet. Als we even later uit de tuktuk stappen zien we enorme hoeveelheden vis die op matten van kokos op het strand liggen te drogen. Van hele kleine sardientjes, tot grote tonijnen.

Een man vertelt ons dat het hele proces 4 dagen in beslag neemt. Eerst worden de ingewanden verwijderd, dan wordt de vis gepekeld en vervolgens worden ze op de matten gelegd. Dan wordt er plastic overheen gerold en de volgende dag wordt het plastic er vanaf gehaald, wordt de vis gedraaid en gaat het plastic er weer over. Op deze manier blijft de vis 3 maanden houdbaar. Je moet er een neus vol vislucht voor over hebben, maar dan zie je ook wat. Nadat we nog even over de naastgelegen vismarkt hebben gelopen, gaan we terug naar ons hotel en laten we een heerlijk ontbijt voorschotelen.

Na het ontbijt lopen we via een gezellige straat met restaurants en hotels richting het strand. Het is al erg warm zo vroeg in de ochtend, dus we doen het rustig aan. We willen naar het strand omdat we hopen daar de visserscatamarans met de roestbruine zeilen te zien. We weten nl. niet of dit iets uit lang vervlogen tijden is (net als de paalvissers bij Unawatuna) of dat er nog echt mee gevist wordt. Via een restaurantje lopen we het strand op en daar zien we direct al zo’n vissersboot voor de deur liggen. Als we er heen lopen zien we ook een tiental boten op zee varen. We zijn dus op de goede plek.

We bestellen een bakkie bij het restaurant en vragen dan aan de ober ‘hoe het zit’ met die boten. Hij vertelt dat de boten die we op zee zien nog steeds gebruikt worden voor de garnalenvisserij en dat dit nog op authentieke wijze gebeurt; geen motor, geen radar, geen chemicaliën, alleen maar de wind en hun speciale vistechniek. De vissers springen in het water, bewegen wild, trekken gekke bekken (zelf bedacht) waardoor de garnalen zich een hoedje schrikken en gedesoriënteerd raken. Voor de vissers is het dan een makkie om ze binnen te halen.

Na het bakkie koffie slenteren we in noordelijke richting over het strand, waarbij we af en toe stil staan om een fotootje te maken. Er ligt een enkele catamaran op het strand en we komen er snel achter dat sommige vissers van branche aan het veranderen zijn.Voor een paar duizend roepies willen ze wel een half uurtje met je gaan varen. We lopen net zo lang door tot een berg rotsen verder lopen onmogelijk maakt. We draaien om en lopen in omgekeerde richting tot onze warmtemeter aangeeft dat we een drankje moeten nemen.

Na de verfrissing gaan we niet terug naar het strand, maar nemen we een tuktuk naar het centrumvan Negombo. We laten ons afzetten bij de restanten van een Nederlands fort, waar we boven een poort het jaartal 1678 lezen. Verder hebben we hier niets te zoeken, want op de restanten van het fort staat tegenwoordig de gevangenis. Van de gevangenis lopen we naar de andere vissershaven, waar heel veel vissersboten tegen elkaar geplakt liggen. Dan gaan we op weg naar een ander Nederlands product in Negombo: het kanaal. Dat Nederlanders gek waren van kanalen graven hebben ze hier wel laten zien. In totaal is er tussen Colombo en Puttalam 120km kanaal aangelegd. Het doet af en toe wel een beetje Nederlands aan.

Het is inmiddels 14:00 uur en we vinden dat we wel genoeg van Negombo hebben gezien. Er is een langgerekt strand vlakbij, dus waarom zouden we daar de rest van de dag niet doorbrengen? We nemen handdoeken van het hotel mee en nestelen ons op een bedje bij een onbeduidend strandtentje. Zoals gebruikelijk in Sri Lanka zijn de bedjes gratis als je wat consumeert, dus dat doen wij nu ook maar weer. Het strandplezier lijkt van korte duur als we om 14:15 uur al donkere wolken zien verschijnen. Als even later de eerste druppels naar beneden komen, vluchten we naar een strandtent bij de duikclub. Het blijkt een schijnbeweging te zijn geweest, want even later wordt het weer lichter en komt de zon weer te voorschijn. We slaan ons drankje achterover en sprinten terug naar onze bedjes, waar we tot na vieren blijven bakken in de zon.

‘s-Avonds eten we voor de laatste keer allebei een Sri Lankaans gerecht. Het smaakt weer heerlijk spicy. Daar poepen we op Sinterklaasavond waarschijnlijk nog vlammetjes van. Terug op de kamer pakken we voor de laatst keer de rugzakken in, waarbij we de warmste kleding die we hebben bovenop leggen. Die schijnen we morgen nodig te hebben.

Dinsdag 5 december

Na ruim 3 weken rondreizen door Sri Lanka, met een een korte break op de Malediven, breekt de dag van de terugreis al heel vroeg aan. Om 06:30 uur snel een ontbijtje naar binnen werken en, geheel in stijl, in de tuktuk naar het Bandaranaike International Airport. Nog één keertje stof happen en de warme uitlaatgassen van de lokale bus tegen je lichaam voelen. Incl. pitstop hebben we een half uurtje nodig om er te komen.

We gaan wat later aan boord dan gepland, maar om 10:30 uur laten we Sri Lanka dan echt achter ons. Sri Lanka is een heerlijk land om door te reizen. Dit relatief kleine land heeft heel veel te bieden; zowel de cultuur-, als natuurliefhebber komt hier aan z’n trekken en zelfs voor de zonaanbidder is er aanbod genoeg. Dit alles wordt extra aantrekkelijk gemaakt door de vriendelijke, behulpzame en eerlijke bevolking. Waar maak je het nog mee dat ze met je geld terug komen als ze denken dat je teveel fooi hebt gegeven?

Tijdens de vlucht naar Dubai lijkt het wel of we in de kinderopvang terecht zijn gekomen, zoveel kinderen en het bijbehorende gekrijs aan boord. Het is maar 4 uurtjes, dus een filmpje, een lunch en wat muziek later zet de piloot de 777 voorzichtig aan de grond. In aanvulling op de eerdere lunch nemen we in Dubai dan nog een kerst-latte bij Starbucks, waarna we plaats nemen in de wachtruimte bij gate 20.

Hoewel het boarden van de A380 op tijd begint, vertrekken we toch met een kleine vertraging van Dubai. De piloot roept om dat de vlucht 6 uur en 50 minuten gaat duren; pffffffffff, dat wordt een hele zit. We hebben nog wel geluk, want een rijtje van drie naast ons blijft leeg, waardoor we niet met z’n vieren in het midden hoeven te zitten. We vermaken ons zo goed mogelijk met film, muziek en eten, maar zijn blij als de wielen om 19:35 uur Nederlandse bodem raken. Omdat onze rugzakken als snel op de band liggen halen we de rechtstreekse trein van 20:36 uur naar Apeldoorn. Het zit er weer op!

Sri Lanka 4

Donderdag 23 november

Vandaag verkassen we naar Tangalle, maar eerst gaat er een stevig Sri Lankaans ontbijt in. Behalve de toast met gebakken ei, werken we een soort driehoekige loempia met daarin een gekookt ei, sjoelschijven met dal en dubbele toast gevuld met groente naar binnen. Wij zullen geen honger lijden tijdens het busritje naar Tangalle. Om 08:45 staan we bij de bushalte en iets voor negenen worden stappen we in bus 493/5 naar Embilipitiya. Best lastig hoor, 2 kaartjes naar Embilipitiya kopen. In Embilipitiya stappen we over op de bus naar Matara, die ons er in Tangalle uit zal gooien. Het is een relaxed busritje; de bus zit niet helmaal vol en binnen anderhalf uur staan we op de Main Bus Stand van Tangalle.

We gaan met een tuktuk naar ons hotel, waar we om 11:30 uur het incheckformulier invullen. Helaas is onze kamer nog niet gereed, maar omdat het hotel zo dicht bij het strand is, gaan we daar eerst maar even een kijkje nemen. Het ziet er prachtig uit, maar het zweet loopt in straaltjes over ons lijf; het is hier zo verschrikkelijk warm! Na een kort bezoekje aan het strand, gaan we snel terug naar de lobby van het hotel en proberen daar wat af te koelen.

Gelukkig kunnen we dan al snel op onze kamer en daar trekken we eerst onze zwemkleding uit de rugzak. We kleden ons om en gaan naar het strand (die bikini-lijn komt later wel). Niet het strand bij het hotel, want daar is de zee te ruig om te zwemmen, maar het Goyambokka-strand dat een kilometer westelijker ligt. Daar is de zee kalmer en het strand breder. We planten onze bibs op een ligbedje en besluiten dat we hier vanmiddag niet meer weg gaan. Omdat het zo warm is gaan we maar gelijk de zee in. Het zeewater is niet koud, maar heerlijk lauw. De golven zijn hier wel uitdaging; ze zijn soms wel meer dan tweeënhalve meter hoog en als je niet oplet wordt je met grof geweld omver gekegeld. We weten nu hoe het ongeveer moet voelen als je in de wasmachine meedraait.

Rond 14:30 uur begint het te betrekken en dat is voor ons een goed moment om wat te gaan eten bij een Robinson Crusoe-achtige eettent. Als we daar nog maar net zitten, komt er uit het niets een tropische stortbui naar beneden. Wij zitten gelukkig hoog en droog. De bui duurt niet lang en een half uurtje later gaan wij alweer terug naar onze ligbedjes. Omdat de zon het de rest van de middag laat afweten, gaan wij tegen 16:00 uur terug naar het hotel. Hebben we nog even tijd om Tangalle te verkennen. We lopen even over de markt, gaan richting de zee, komen langs de vissershaven en staan dan weer bij het busstation.

Nog geen overblijfselen uit de Nederlandse koloniale tijd gespot, maar daar gaan we morgen wel naar op zoek. Voor die vissershaven geldt hetzelfde. Daar is het nu een dooie boel, maar ‘s-ochtends tussen 06:30 uur en 07:30 uur schijnt het een gekkenhuis te zijn. Je voelt ‘m al aankomen: we gaan de wekker weer zetten.

Wanneer we ‘s-avonds op zoek gaan naar een restaurantje, blijkt Tangalle geen Ella te zijn. Hier geen gezellige straat waar je de restaurantjes en barretjes voor het uitkiezen hebt. M.b.v. Tripadvisor gaan we een paar lokaties af, maar geen van allen nodigt uit om te gaan eten. Uiteindelijk komen we terecht bij Tangalle Rice & Curry. Dit restaurant aan huis moet volgens Tripadvisor de best curry in town serveren, dus daar gaan we het proberen. We moeten wel even geduld hebben, want de gerechten worden allemaal vers bereid. Gelukkig staat er een koud biertje in de koelkast om de tijd te doden. Als even later de curry’s worden neergezet en wij onze smaakpapillen er op los laten, kunnen we niet anders dan bevestigen wat anderen al hebben beschreven op Tripadvisor. We eten onze vingers erbij op en na een uur gaan er allemaal lege schaaltjes terug naar de keuken. Deze heerlijke maaltijd heeft onze buikjes weer gevuld.

Vrijdag 24 november

Nog één keertje gaat de wekker af (waarschijnlijk). We willen de lokale vissershaven bezoeken wanneer daar de vis verhandeld wordt en dat is tussen 06:30 uur en 07:30 uur. Omdat er geen tuktuk’s beschikbaar zijn, lopen we maar richting het centrum van Tangalle. Gelukkig hoeven we niet het hele stuk te lopen, want halverwege worden we toch nog opgepikt door zo’n driewieler. We laten ons afzetten bij het toegangshek, betalen de 100 roepies entree (?) en gaan dan op de lucht af. De vissersboten liggen allemaal netjes op een rijtje in het haventje en de vis ligt inmiddels op de kade uitgestald, om verhandeld te worden.

Er is een grote variëteit aan vis, waarvan wij de meeste liever onder water, voor onze duikbril zouden zien. Er liggen grote roggen, tonijn, inktvis, vissticks, van alles. We lopen tussen de handelende vissers door en zien hoe ze zaken doen met de lokale visboer en vertegenwoordigers van restaurants en hotels. Als door een koper een ladinkje vis wordt gekocht, wordt deze in een krat afgewogen en wordt er vervolgens een bonnetje geschreven. De tonijn wordt ter plekke vaak al in moten gehakt. Als je er net iets te dicht bij loopt kan je geraakt worden door een afgehakte vin of neus van de tonijn.

We lopen richting het strand omdat we daar ook nog wat lijkt te gebeuren. Als we dichterbij komen, zien we dat hier de netten van de smalle, langwerpige bootjes worden leeggemaakt. Deze vissers kunnen de snelheid van de grote vissersboten niet bijbenen. Met een aantal man worden hier, stuk voor stuk, de kleine visjes uit het net gehaald. Het is te hopen dat ze nog op tijd zijn om deze vis te verkopen.

Als de vis eenmaal gekocht is, wordt het op allerlei manieren vervoerd. Sommige kopers hebben een koelwagen waar ze gekochte vis in vervoeren, maar anderen hangen hun brommertje vol met tassen vis en ook de tuktuk doet het goed als visvervoerder. Het is onvoorstelbaar hoeveel vis je in een tuktuk kunt proppen. Lekker als jij daarna zelf met zo’n vis-tuktuk vervoerd wordt.

Na een neus vol vislucht op de nuchtere maag, gaat er niets boven een lekker ontbijtje, dus we gaan terug naar ons hotel. Het ontbijt is weer heerlijk uitgebreid en dat komt goed uit na zo’n vroege start. Na het ontbijt gaan we weer terug naar het centrum van Tangalle, want er zouden nog wat overblijfselen uit de Nederlandse koloniale tijd moeten zijn. Het lijkt erop dat deze gebouwen herbruikt zijn door politie, of een militaire functie hebben gekregen. Voor ons blijven ze verborgen achter hekken. We drinken nog een bakkie koffie in Tangalle en gaan dan terug naar het hotel. Ondanks de bewolking gaan we er weer een middagje aan zee van maken.

We gaan opnieuw naar het Goyambokka-strand, maar gaan dit keer op een bedje bij strandtent ‘Greetje’ (?) liggen. We hebben onze tijdschriften bij ons, dus ons maak je niet gek. Bovendien blijkt Greetje wifi te hebben! De zee laat zich weer van z’n ruige kant zien, dus dat wordt een mooi gevecht tussen man en natuur. De huiskamerhoge golven doen hun best om je te vermorzelen, maar met een goede timing kun je er een heel eind op surfen.

Van al dat gespeel krijg je natuurlijk honger dus we bestellen wat eten bij Greetje. Na de stevige lunch gaan we weer terug op onze bedjes en dagen we de zee nog een paar keer uit. Aan het eind van de middag is de kont gratis gescrubd door al het zand in je zwembroek. We houden het maar liefst tot 16:30 uur uit aan het strand en dat moet een nieuw record zijn voor ons.

Zaterdag 25 november

Het leek vanochtend wel of ze vergeten waren het licht aan te doen in Tangalle. De lucht was donker en dreigend. We besteden er niet te veel aandacht aan, want we zitten toch de hele ochtend in de bus. Vandaag schuiven we weer een stukje op aan de zuidkust en gaan naar Unawatuna. Eerst even een ontbijtje wegwerken, tandjes poetsen, rekening betalen en met de tuktuk naar het busstation. Het is een vast ritueeltje op onze reisdagen.

Op het busstation worden we naar bus 32 verwezen. De rugzakken gaan achterin en wij zoeken een een plaatsje bij een raam dat open kan. Niet veel later kunnen we dit nog een keer over doen, want ze hebben besloten dat er een andere bus 32 eerst gaat. We stappen dus uit de bus pakken onze rugzakken en laden alles in de andere bus 32; whatever! Zoals altijd vertrekken we precies op tijd en na een rondje over de rotonde (!) gaan we dan op weg. Deze chauffeur rijdt erg rustig Tangalle uit. Dat hebben we niet eerder meegemaakt. Meestal trappen ze gelijk het gaspedaal in en scheuren ze toeterend naar hun bestemming. Deze maakt het wel heel gek, want ook buiten Tangalle rijdt hij in een slakkengangetje. We worden zelfs ingehaald door een fiets, een fiets met terugtraprem en zonder spatborden nota bene! We zien andere chauffeurs ook verbaasd om kijken als ze vol gas onze bus inhalen. Wat doet die gek?
Na een half uur stapt er weer eens een passagier in en opeens, als getroffen door de bliksem, gaat onze chauffeur als een dolle; plankgas en toeterend als een bezetene, lijkt hij het licht te hebben gezien.De donkere lucht van vanochtend was de voorbode van een flinke portie regen. De ruitenwissers hebben moeite om de voorruit schoon te houden. In Dickwella gaat de chauffeur dan ineens op de rem, stapt uit en doet het stuur over aan een andere knaap die aan komt lopen. Hij neemt vervolgens zelf kaartjesapparaat ter hand en alsof er niets gebeurd is begint hij buskaartjes te verkopen aan de passagiers. Het zal! Zelfs de monnik die op de, voor monniken gereserveerde, eerste rij in de bus zit kijkt er niet van op, dus waarschijnlijk zijn wij de enigen die dit een beetje vreemd vinden.

De omgeving aan de zuidkust is volledig anders dan de omgeving die we een paar dagen geleden nog zagen. Hier geen theeplantages, maar old-school rijstvelden. Om 12:15 komt er een eind aan deze dollemansrit en worden we er aan de kant van de weg uitgelaten. Het regent nog steeds hevig, dus we kruipen in de eerste de beste tuktuk die langs komt en laten ons er bij het hotel weer uitgooien. Het hotel is dik in orde en we schamen ons wel een beetje voor de bagger die we op de spierwitte vloer achterlaten. We gooien onze spullen op de kamer, nemen een parapluutje van het hotel mee en gaan een bakkie koffie drinken bij Le Cafe Francais. Tot 14:00 uur kijken we hier vanonder het metalen dakje naar het regengordijn dat op Unawatuna gedrapeerd wordt.

Na tweeën lijkt de regen iets minder heftig te worden. We klappen onze paraplu uit en lopen naar het met palmen omzoomde strand dat een paar honderd meter verderop ligt. Het ziet er natuurlijk heel anders uit dan wanneer er een strak blauwe lucht is, maar dit zou best wel eens een heel gezellig strand kunnen zijn (onder andere weersomstandigheden). De charme van Unawatuna zit vooral in de ligging, aan een baai met redelijke afmetingen die begrensd wordt door een rotspunt waarop op een mooie witte dagoba prijkt. Het strand ligt ver genoeg van de hoofdweg af, zodat je geen last hebt van de verkeersdrukte.

Wij gebruiken deze middag om bij de vele duikscholen informatie in te winnen over de duikmogelijkheden en als we bij de laatste duikschool aan de baai zijn geweest, is het inmiddels bijna droog geworden en gaan we dat vieren bij een beachbar met de welluidende naam Tartaruga. We zijn niet de enige toeristen die hier schuilen voor de laatste druppels. Onder het genot van een drankje staren we naar de grauwe zee en de sombere lucht en hopen dat het morgen allemaal beter zal zijn.

Zondag 26 november

We hadden ons gisteren nog even tot Boeddha gewend en het lijkt te hebben geholpen. De lucht zag er een stuk vriendelijker uit dan gisteren. Na de gebruikelijke ontbijttest (weer een dikke voldoende) maken we ons op voor een bezoekje aan Galle. Veel Hollandser gaan we het niet krijgen in Sri Lanka. Nadat wé Galle in 1640 op de Portugezen veroverden, hebben we er ongeveer 150 jaar gezeten. In die tijd is er een fort gebouwd, zijn er stadsmuren gemetseld, pakhuizen neergezet en kerken gebouwd. Het meeste is er tegenwoordig nog steeds te vinden. We ritselen een tuktuk om de 5km naar Galle te overbruggen. Onderweg laten we onze chauffeur nog even stoppen omdat vissers bezig zijn met het binnenhalen van de netten en dat willen wij wel even van dichtbij zien.

Om 09:00 uur stappen we bij de grote stadspoort uit de tuktuk en gaan we op ontdekkingsreis. De stad wordt omringd door indrukwekkende stadsmuren en steekt als een versterkte boeg vooruit in het ruige water van de Indische Oceaan.De eerste indrukken zijn goed; daken met oranje pannen golven tussen de tuinen met mangobomen en kokospalmen. Smalle straatjes snijden elkaar. Wij bezoeken eerst de klokkentoren van waar we een mooi uitzicht hebben over het cricketveld naar de nieuwe stad. Binnen de muren zijn kinderen bezig met een crickettraining. Wij blijven even kijken naar deze voor ons onbegrijpelijke sport, die overal aanwezig is in Sri Lanka.

We vervolgen onze weg en komen dan langs de Nederlandse Hervormde Kerk. Het is zondag dus er staat een mis op het punt van beginnen. De kerk is niet uitverkocht vandaag, maar dat mag de pret niet drukken. Het gezang klinkt al snel uit de openstaande deur. Iets verderop staat het godshuis van de concurrentie: de Anglicaanse Kerk. Ook hier is de bezetting mager, maar ook hier zingen ze uit volle borst.

We komen langs de oude stadspoort, waar we een oude steen zien met de de inscriptie VOC, geflankeerd door 2 leeuwen. Op het naastgelegen plein wordt een bruidsreportage gemaakt en daarvan zullen we er later nog veel meer zien. Galle is blijkbaar hot voor de bruidsreportage. We komen langs het oude Nederlandse ziekenhuis dat prachtig gerestaureerd is en waar nu hippewinkels in gevestigd zijn. De arcade bij het ziekenhuis is ook een goede plek voor een bruidsreportage, want ook daar wordt een kleurrijk bruidspaar op de gevoelige plaat vastgelegd

Onze volgende bestemming is de vuurtoren. Deze 18m hoge, witte vuurtoren uit 1938 staat op een bastionen is nog steeds in gebruik. Het wordt eentonig, maar wederom moeten we met een boog om een bruidsreportage heenlopen. Nou ja, boog, eigenlijk een boogje, want het bruidspaar poseert ook gewillig als Diana een fotootje wil maken. Vanaf de vuurtoren lopen we westwaarts naar de vlag-rots. Tegenwoordig is dit de perfecte plek voor een zonsondergang, maar vroeger werden schepen vanaf deze plek met vlaggen gewaarschuwd voor de gevaarlijke rotsen die hier in zee liggen. We werpen een blik naar beneden en zien dat die rotsen er nog steeds liggen.

Na de vlag-rots lopen we van de stadsmuur naar de gezellige straatjes van Galle, want het is zo langzamerhand wel weer eens tijd voor een bakkie koffie. We wilden eigenlijk bij het Royal Dutch Cafe aan de Leyn-baan (!) gaan zitten, maar zijn uiteindelijk bij een ander gezellig cafe terecht gekomen. De straatjes in Galle zijn allemaal even gezellig en overal vind je hippe winkeltjes met prachtige accessoires voor je interieur, bars en restaurantjes in mooie koloniale gebouwen met sfeervolle binnentuinen. Dit hebben we in Sri Lanka maar heel weinig gezien. We lopen nog wat kris-kras door de straatjes van Galle en rond 12:00 uur gaan we dan op weg naar het treinstation om onze treinkaartjes voor overmorgen veilig te stellen.

Het treinstation is zo gevonden, maar de treinkaartjes reserveren is niet mogelijk. We moeten dinsdag gewoon om 10:00 uur op het station zijn en dan kun je waarschijnlijk wel kaartjes krijgen, wordt ons verteld. We gaan het dinsdag wel zien. De nieuwe stad is zo groot dat ze zelfs een KFC hebben! Wij maken van de gelegenheid gebruik om een broodje kruimel-kip te eten. Behalve een KFC hebben ze ook een BATA en daar koopt Diana een paar chique teenslippers voor 200 roepies, zodat ze niet met de lompe TEVA-slippers op de Malediven naar het diner hoeft. Hierna lopen we nog langs de fruitmarkt, wat specerijenwinkeltjes en een half lege groentemarkt, om vervolgens een tuktuk charteren voor de rit terug naar Unawatuna.

Terug bij ons hotel trekken we de bikini weer aan en nestelen we ons voor de rest van de dag op ligbed met een lekker dik kussen. Helaas is het vandaag weer zo’n typische tropische dag waarop er dan ineens weer een bui ontstaat. Dit keer is het om 15:00 uur. We vluchten het terras van strandbar op en wachten daar tot de druppels verdwenen zijn. Ook dit keer duurt dat niet langer dan 30 minuten. Dan lopen we nog wat heen en weer over het strand en informeren we bij twee duikclubs hoe de omstandigheden vandaag waren. We hebben nl. nog steeds de hoop dat we in ieder geval 1 duikje kunnen maken in Sri Lanka.

Om 17:00 uur besluiten we om toch maar even naar het meest westelijke puntje van de baai te lopen om daar de Devol Devalaya te bekijken. Behalve de leuke wandeling over het strand naar deze Dagoba met Boeddha, is het ook een goede plek om van de zonsondergang te genieten. Voor ons zit dat er vandaag niet in vanwege het dikke pak wolken dat op de horizon ligt.

Maandag 27 november

We zitten iets vroeger dan gisteren aan het ontbijt, want we moeten om 08:45 uurbij de duikschool zijn. Ondanks de mindere omstandigheden, gaan we het toch maar proberen. De eigenaar van Sea Horse Divers ziet ons al van ver aankomen en heeft de twee inschrijfformulieren al in de hand. Hij had er wel heel veel vertrouwen in dat wij zouden komen. Na de administratie is het tijd om de duikoutfit te passen.Eerst passen we het duikvest en dan krijgen we een shorty aangereikt, want de watertemperatuur is hier belachelijk hoog. Nog even een masker en een paar vinnen passen en we zijn klaar om het water in te gaan.

Na een uitgebreide briefing, stappen we in het bootje dat op het strand ligt en worden het water ingeduwd. We zijn met z’n tweeën, en worden begeleid door een divemaster en een bootsman.Het is zo’n 10 minuten varen en het bootje klapt af en toe hard op de golven. Als we bij de duikplek aankomen, gaat er een anker overboord en kunnen wij ons optuigen. Om 09:20 uur plonsen we in het heerlijke water van de Indische Oceaan en werken we ons via het ankertouw naar beneden.

Het zicht isinderdaad niet beste; het is net alsof we via een geel koord in een bak erwtensoep verdwijnen. Als we even later de rotsen op 10m diepte in beeld komen, lijkt het zicht al wat te verbeteren. We laten het ankertouw los en volgen onze divemaster rond de rotsen. Er is voldoende vis te zien: grote papegaaivissen, een verdwaalde barracuda, een murene die wat verlegen in z’n holletje bleef zitten en scholen kleinere vis. Dan zien we ook nog een octopus die zich verstopt hield, een krab die onder een steen probeerde weg te kruipen en wat naaktslakken die langs de grote rotsen hun weg probeerden te vinden. Hard koraal is hier niet te vinden, maar wel behoorlijk wat zacht koraal. Een paars-blauwe soort is duidelijk in de meerderheid. Ook op 25m is het water nog aangenaam warm, dus we hebben het geen moment koud. Nadat we zo’n 25 minuten op deze diepte hebben rond gezwommen, cirkelen we langzaam rondom de rotsen omhoog en na 46 minuten steken we ons hoofd weer boven het water uit.

We klimmen in de boot en varen weer terug richting het strand. Als wij uit de boot stappen, gaat de eigenaar van de duikschool net met een student de zee op om wat oefeningen te doen. Wij kleden ons weer aan en omdat de eigenaar de enige is die kan afrekenen, gaan wij een bakkie doen. We komen later wel terug om te betalen. De cappuccino bij Le Cafe Francais smaakt heerlijk en ook de chocolade croissant is voortreffelijk. Na een uurtje gaan we weer terug naar de duikschool en lossen daar onze schuld af. We kletsen nog wat met de eigenaar en gaan tegen twaalven weer richting ons hotel omdat we met onze vaste tukuk chauffeur hebben afgesproken om naar Kogalla te gaan.

Kogalla is een van de plaatsen waar de zgn. paalvissers aan het werk zijn. Deze vissers proberen hun portie vis binnen te halen, terwijl ze op een paal zitten die in de branding staat. Dit oeroude beroep wordt tegenwoordig eigenlijk niet meer uitgeoefend. Er zijn tegenwoordig handiger methoden om vis te vangen. Toch kruipen de mannen af en toe nog op zo’n paal, al is het dan niet om vis te vangen, maar roepies van de toeristen die hier een foto van willen maken. Ook wij dragen bij aan deze alternatieve inkomstenbron van de vissers.

Na een half uurtje gaan we weer richting Unawatuna. Onderweg laten we onze tuktuk chauffeur iets omrijden zodat we ook het Kogalla meer even kunnen bekijken. Dit meer werd in de tweede wereldoorlog gebruikt door de watervliegtuigen van de geallieerden bij de verdediging van Sri Lanka tegen de Japanners, maar is tegenwoordig een natuurgebied met mangrovenbossen, eilandjes en veel vogels. Wij lopen via een bruggetje naar een van die eilandjes, waar we een groep jonge monniken tegenkomen. Ze zitten in een soort lokaal waar ze les lijken te krijgen. We kijken hier wat rond en gaan dan weer terug naar onze tuktuk.

Om 13:30 zijn we weer terug in Unawatuna en gaan we lunchen bij strandtent Full Moon, waarna we terug zijn gegaan naar het hotel. De rugzakken moesten nog gefatsoeneerd worden voor de reis van morgen. Aan het eind van de middag gaan we nog een keer terug naar het strand en drinken we wat bij Chill Cafe, een strandtent met zware lounge muziek. Als we daar nog maar net zitten kunnen de wolken het niet langer ophouden en begint het weer te regenen. Zoals gebruikelijk een half uurtje, waarna het weer droog wordt. Om 18:00 uur gaan we naar een vlakbij gelegen restaurantje en als we daar nog maar net het bord voor onze neus hebben staan, begint het opnieuw te regenen, om vervolgens de hele avond niet meer op te houden.

Sri Lanka 3

Zaterdag 18 november

Vandaag gingen we naar Horton Plains en hiervoor hadden we een auto met chauffeur geregeld. We hoefden gelukkig pas om 06:30 uur op, want de chauffeur zou ons om 07:00 uur oppikken. Horton Plains ligt op 30km van Nuwara Eliya en dat is ongeveer een uurtje rijden. Zo hadden we in ieder geval even de tijd om het ontbijtboxje dat we van het hotel hadden meegekregen, op te eten. Dit moest wel op de tast gebeuren, want de zon komt pas rond 06:00 uur op. Als we de broodjes en het sapje naar binnen hebben gewerkt, zie we dat de zon boven de horizon verschijnt. De chauffeur gaat in de ankers en wij kunnen even van een mooie zonsopkomst genieten.

Horton Plains is een nationaal park op een hoogte van 2000 tot 2300 meter. Het landschap bestaat uit, met bossen overdekte bergen en heuvels die ‘s-avonds in nevelslierten worden gehuld. Grote, sprookjesachtige bossen met harige bomen wisselen af met graslanden waar korte stevige grassoorten groeien. De ironie wil dat dit park, dat gewijd is aan bescherming van flora en fauna, genoemd is naar Sir Robert Wilmot Horton, een Britse koloniaal die tussen 1831 en 1837 het olifantenbestand hier eigenhandig heeft gedecimeerd. Vandaag de dag zijn er helemaal geen olifanten meer, maar er leven enkele luipaarden, herten, apen en meer dan 80 vogelsoorten. De herten zijn wat aan de tamme kant, want bij de parkeerplaats eet een groot hert het gras onder je schoenen weg.

We staan iets voor zessen voor de gate van het park en kopen onze tickets. Daarna is het nog 2km rijden naar de parkeerplaats vanwaar de 9,5km lange wandeling vertrekt. Deze wandeling gaat langs een drietal hotspots: Baker’s Falls, World’s End en Little World’s End. Tijdens het eerste deel van onze tocht lopen we vooral tussen de glooiende graslanden. De uitzichten zijn wijds en worden af en toe versierd met een rhododendron boompje. Een enkele keer wordt het grasland onderbroken door een klein spiegelend meertje.

Om de Baker’s Falls te bereiken moeten we een klein bos in. We worstelen ons over een lastig pad met klei-achtige grond en grote keien. Dit is duidelijk geen walk in the park meer. We moeten goed uitkijken waar we onze voeten neerzetten. We doen ruim een half uur over dit betrekkelijk korte stukje. De Baker’s Falls vallen niet mee; we hadden ze wat hoger verwacht, maar met een picknickmand op een kleedje aan de voet van deze waterval kan het best gezellig zijn. Na het flitsbezoek aan de waterval, worstelen we ons het bos aan het andere einde weer uit. Ook nu moeten we weer goed uitkijken dat we niet onderuit gaan. Zonder kleurscheuren bereiken we de rand van het bos en gaan we op weg naar World’s End.

Het landschap blijft glooien, maar we zien nu meer bossen aan de horizon. Onder ons loopt een riviertje dat vredig kabbelend het grasland doormidden snijdt. Omdat de meeste toeristen het rondje andersom lopen, hebben wij hier nu het rijk alleen. We horen de apen schreeuwen en de vogels zingen. We zouden ook hier het kleedje kunnen neerleggen en de picknickmand openklappen, maar daar hebben we geen tijd voor omdat je vroeg bij World’s End moet zijn vanwege het slechte weer dat hier in de loop van de ochtend aanwaait.

Tegen 08:00 uur horen we het eerste geroezemoes van andere toeristen. World’s End zal dus niet ver meer zijn. We volgen nog een laatste smal paadje en staan dan ineens bij een kaap die duizelingwekkend hoog boven een vallei uit torent. Dit is het hoogtepunt van deze wandeling en dat is ook te merken aan de hoeveelheid toeristen die hier foto’s aan het maken is. Hier spreiden we ons kleedje wel uit en nemen het ervan met een krokante graanreep van Bolletje. We volgen de verrichtingen van de aapjes waar we wel dichtbij kunnen komen. Ze maken selfies, springen voor de foto en gaan voor de perfecte foto gevaarlijk dicht bij de afgrond staan. Langzaam droogt de groep toeristen weer op. Zij gaan door naar Baker’s Fall, wij blijven achter om te kunnen genieten van dit prachtige stukje natuur. In de verte hangt een dik wolkendak dat in de loop van de ochtend steeds dichterbij zal komen totdat het de hele kaap heeft opgeslokt. Wij hopen dan alweer in de auto te zitten.

Nadat ook wij uitgekeken zijn op World’s End, gaan we op weg naar het kleine zusje Little World’s End. Het is iets meer dan een kwartier lopen en onderweg komen we nog steeds mensen tegen die op weg zijn naar World’s End. Hopelijk zijn zij nog op tijd. Little World’s End is wat je ervan mag verwachten. Deze kleinere uitvoering van World’s End heeft een minder mooie setting en is kleiner (duh!). We genieten van het uitzicht en van de betrekkelijke rust in vergelijking met World’s End. Veel meer valt er niet over te zeggen. Het is een mooie plek, in het geval World’s End onzichtbaar is vanwege de wolken.

Wij gaan op weg naar de uitgang van het park. Het eerste stuk gaat iets omhoog en we moeten het rustig aan doen omdat het weer van die glibberige klei-achtige grond is. Dan krijgen we nog 1 klauterpartij voor de kiezen, maar die gaat dan wel over prachtige rode glitter-rotsen. Daarna vlakt het pad af en lopen we op ons gemakkie terug naar de plek waar vanochtend alles begon. Er komen nog steeds bezoekers het park binnen, maar dat is voornamelijk lokale bevolking. Voor hun is het weekend, dus ze zullen eerst wel uitgeslapen hebben.

Om 10:00 uur zitten wij weer in de auto en rijden we de 30km terug naar Nuwara Eliya. In PattiPola moeten we bij de spoorwegovergang wachten tot de trein voorbij is. We zien de trein op het station staan (dit is het hoogste treinstation van Sri Lanka) en als we even later de trein, vol met toeristen, voorbij zien komen, bedenken we dat wij morgen in dit zelfde treintje zitten om in Ella te komen. Binnen een uur zijn we weer terug in Nuwara Eliya, waar we netjes bij het hotel worden afgezet. Daar gaan we even nadenken over het middagprogramma.

We drinken bij de receptie van het hotel een bakkie Ginger tea, als we bedenken dat we in dit belangrijke theegebied nog helemaal geen theefabriek of theeveld bezocht hebben. Aan de overkant van het hotel zijn we even wezen kijken bij een aantal vrouwen die bezig waren het onkruid tussen de theestruiken te verwijderen, maar dat is toch wat anders dan thee plukken. We vragen de manager van het hotel even om bij een nabij gelegen fabriek te checken of we daar welkom zijn. Dat blijkt helemaal geen probleem te zijn, dus iets voor enen zitten wij in een tuktuk naar de Labookellie theefabriek.

Onderweg zien we een paar theepluksters die druk bezig zijn hun theemand te vullen. We laten de tuktuk chauffeur even stoppen om een foto te maken. Dat onderdeel van het thee-proces hebben we al gehad. Een paar kilometer verderop zet de tuktuk chauffeur z’n zwarte bolide bij een oerlelijke grijze fabriek neer en regelt dat wij nog kunnen aansluiten bij een rondleiding die net begonnen is.

De customer relations dame van de fabriek legt buiten de fabriek eerst iets uit over het plukken van de thee. Zo vertelt ze dat de bovenste drie blaadjes van een uitloper worden geplukt, behalve voor witte thee, want dan wordt alleen het enkele bovenste uitlopende blad gebruikt. Nu begrijp je alvast waarom witte thee zoveel duurder is dan groene of zwarte. We horen ook dat een theeplukster zo’n 40 euro per maand verdienen als ze minstens 20kg bladeren per dag plukt. We gaan de fabriek in, maar helaas wordt er niet gewerkt in de fabriek. De fabrieksarbeider heeft hier blijkbaar ook recht op een vrije zaterdag.
We worden wel even langs de machines geleidt en krijgen uitleg over het proces. Eerst worden de blaadjes zo’n 12 uur ingedroogd op een enorme hetelucht tafel, daarna worden de blaadjes in een enorme machine gerold waardoor de cellen barsten en het vocht vrijkomt. Dit vocht komt in aanraking met zuurstof, waardoor oxodatie plaatsvindt en de blaadjes van kleur veranderen. Om dit fermentatieproces te stoppen moeten de blaadjes verder gedroogd worden in een heteluchtoven. Daarna wordt de thee gesorteerd;losse thee bestaat uit de grovere deeltjes, terwijl het theegruis in theezakjes terecht komt. Met 2 dagen is het hele proces doorlopen en kan de thee verstuurd worden. Zo, weer wat geleerd.

Als laatste onderdeel van de rondleiding mochten we wat thee proeven en dat kwam goed uit, want we hadden we wel wat dorst gekregen. Er zit enorm veel verschil in smaak tussen de lichtste (minst gefermenteerde) en de donkerste thee. Die laatste is bijna niet te drinken zonder suiker.

Omdat we nog niet geluncht hadden, bestellen we er gelijk een paar vette happen bij. Zo slaan we twee vliegen in een klap. We kijken nog even rond in de souvenirshop, maar wij kunnen er niets leuks vinden. Dan lopen we maar terug naar onze tuktuk en vragen de chauffeur om ons terug te brengen naar het hotel. Onderweg moet de chauffeur nog even stoppen bij een winkeltje waar hij een postzegel haalt (?) en als we dan net weer op weg zijn roept Diana tegen de tuktuk chauffeur: Sir STOP!

Langs de kant van de weg staat een twintigtal theepluksters hun dagopbrengst te wegen en over te hevelen in grote zakken van de fabriek. Dat zijn natuurlijk unieke plaatjes. Dit is een onderdeel uit het theeproces waarover niemand ons nog wat verteld had. Elke theeplukster laat haar zak thee wegen en vervolgens wordt in een schriftje aangetekend hoe goed ze haar best heeft gedaan. Wij maken wat foto’s en kletsen wat met de vrouwen. Na een paar minuten is het allemaal voorbij en zitten wij weer in de tuktuk naar het hotel.

Zondag 19 november

Na een uitgebreid ontbijt (incl. smoothie) in ons hotel, laten we ons door de tuktuk chauffeur van gistermiddag naar het treinstation van Nanu Oya brengen. Dit ligt 15 km verderop en dat is een half uurtje met de tuktuk. Onze trein vertrekt om 09:30 uur, dus we kunnen het enigszins rustig aan doen. Om 09:00 uur komt de trein al aanrijden en we zoeken ons plekje in de 1e klasse. We hebben onszelf maar eens verwend. Stel je er overigens niet te veel bij voor, want de 1e klas rijtuigen van hier staan bij ons op het treinenkerkhof. We hebben wel hele mooie stoelen toegewezen gekregen; helemaal achterin de wagon tegen de achterruit (!) aan. Dit noemen ze hier een observation saloon! Ook nu vertrekt de trein weer precies op tijd.

Dit ritje van Nanu Oya naar Ella wordt het mooiste treinritje van Sri Lanka genoemd, dus de kaartjes zijn meestal helemaal uitverkocht. Je zou dan alleen nog op de dag zelf 3e klasse kaartjes kunnen kopen, maar met een beetje pech heb je dan geen stoel. Wij zaten in ieder geval goed met veel beenruimte en ook nog eens uitzicht rondom. Het eerste stuk van de rit gaat door voor ons bekend terrein. Hellingen vol met theeplanten, zover je kunt kijken. We klimmen behoorlijk en dan verandert de vegetatie ook. Enorme grote eucalyptus bomen krijgen de overhand.

We stoppen regelmatig op kleine stationnetjes, dus een intercity kun je dit niet noemen. Het is elke keer weer een behoorlijke chaos op de stationnetjes. Mensen springen uit de trein en lopen over het spoorom even een versnapering te halen bij een kraampje langs de weg. We stoppen niet altijd om mensen in- of uit te laten stappen. Soms staan we gewoon stil omdat er een trein van de nadere kant moet passeren. Het is nl. allemaal enkel spoor.

Na elke stop is het weer hetzelfde ritueel. De stationschef blaast op z’n fluitje, waarna de machinist z’n toeter een lel geeft. Dan kun je maar beter weer in de trein zitten, want binnen tien seconden komt de trein in beweging. We rijden door donkere tunneltjes en over roestige bruggetjes en delen het spoor met de lokale bevolking die het als voetpad gebruikt. De machinist geeft regelmatig een waarschuwings-toet zodat de mensen even aan de kant kunnen springen, om vervolgens weer op het spoor te springen als de trein voorbij is. Wij kunnen dat heel goed zien via de achterruit. Het is bijzonder om te zien dat alle verrichtingen die nodig zijn bij een treinreisje hier nog handmatig gebeuren. Het signaleren gebeurt met rode en groene vlaggen, het omzetten van de wissels trekt een mannetje z’n handschoenen voor aan en ook de spoorbomen worden door een medewerker omlaag en gehaald en weer omhoog geduwd.

Naarmate we dichter bij Ella komen, komen de wolken dichter naar ons toe. Heel af en toe rijden we zelfs dwars door een wolk heen. Hopelijk is dit geen voorbode van het weer wat ons te wachten staat. Ons treinavontuur duurt 4 uur, dus om 13:30 uur springen we op station Ella uit de trein. We lopen de paar honderd meter naar ons hotel en verzamelen onze was om die aan een wasmachine toe te vertrouwen. Daarna gaan we de stad in (wat hier niet meer is dan 1 hoofdstraat) op zoek naar een restaurant o.i.d.

We komen er snel achter dat Ella anders is dan alle andere dorpen. Hier rijgen de restaurants, bars, hotels en souvenirshops zich aaneen, waar we in andere dorpen soms moeite hadden om een restaurant te vinden, laat staan een bar. Het heeft wel iets van een toeristenbestemming in Thailand of Cambodja. Massages, tattoos, piercing, zeg maar waar je ‘m hebben wil, want hier kan het.
Dat vraagt natuurlijk om een test, maar we beginnen voorzichtig; 1 flesje bier alstublieft!Als we rond 17:30 uur het laatste slokje uit de fles persen, komt er ineens weer zo’n tropische bui beneden. We wilden eigenlijk even terug naar het hotel gaan, maar met dit soort buien is zelfs 100m te ver (weten we uit ervaring). We besluiten dus maar in La Ella Breeze te blijven en hier een bordje eten te bestellen.

Maandag 20 november

Het is inmiddels 3 dagen geleden dat we Adam’s Peak beklommen hebben, maar nog steeds protesteren onze kuiten tegen deze inspanning. We besluiten daarom vandaag niet Ella Rock te beklauteren, maar de eenvoudigere Little Adam’s Peak aan te vallen. Om 08:00 uur staat ons uitgebreide ontbijtje klaar en dat laten we ons smaken. Tegen negenen staan we in de startblokken voor het activiteitenprogramma van vandaag.

Het eerste half uur gaat over een smalle asfaltweg. We moeten af en toe de berm induiken als er een auto langs komt. Dan gaan we een zandpad op dat langs theeplantages loopt. Er zijn plukkers aan het werk en we kijken even of ze het goed doen. Wij hebben er na de rondleiding nl. ook verstand van. De uitzichten vanaf dit paadje zijn al fantastisch, dus we hebben hoge verwachtingen van Little Adam’s Peak. Hoewel deze beklimming maar een fractie is van z’n grote broer, moet het laatste stuk toch weer via trappen beklommen worden. Hier zijn onze kuiten niet blij mee, maar na anderhalf uur staan we dan toch boven.

Little Adam’s Peak stelt niet teleur. De uitzichten rondom zijn prachtig en als je heel goed zuidwaarts kijkt, kun je de zee zien. De top van L.A.P. Is wat langgerekt, dus we wandelen hier ook nog even naar het meest zuidelijke puntje. Onderweg maken we veel te veel foto’s en poseren we af en toe op een spannende rots.We blijven ruim een half uur boven en zijn dan wel toe aan een versnapering. Gelukkig is er een resort om de hoek, dus daar gaan we heen. Als we de trappen naar beneden lopen, komen andere toeristen ons steunend en kreunend tegemoet; ze zouden Adam’s Peak eens moeten proberen!

98 Acres Resort heet het hotelcomplex waar we wat gaan drinken. Het is vernoemd naar de oppervlakte van de kavel waar het op staat. We bestellen een bak thee en een chocolade cake (het lijkt wel vakantie). Na de inspanning van vanochtend kunnen we die calorieën wel gebruiken. Het is een prachtig resort met zwembad en vanuit je kamer heb je uitzicht op L.A.P. Na een half uurtje gaan we op weg voor onze tweede attractie van de dag.

We dalen het zandpaadje langs de theeplantage we af, maar als we halverwege zijn, komt er een tropische bui langs. We rennen naar een hutje dat waarschijnlijk bedoeld is voor de theeplukkers en schuilen daar even onder het afdakje. De bui duurt maar heel even, dus we kunnen snel weer verder. Weer terug bij de asfaltweg slaan we rechtsaf. Als het goed is komt er iets verderop een zandpaadje naar links dat naar de Nine Arch Bridge leidt. Het zandpaadje wordt uiteindelijk een glibberpaadje waar we heel voorzichtig naar beneden gaan. De bui van net werkt niet in ons voordeel.

De Nine Arch Bridge is iconische stenen brug met 9 bogen, en een goed voorbeeld van de Engelse spoorwegwerkzaamheden. Deze spoorbrug is ongeveer 91 meter lang en 24 meter hoog. Over deze brug, die sinds 1921 in gebruik is, tjoekt het treintje van Ella naar Demodara. Interessante gegevens allemaal, maar het is vooral een hele mooie brug in een hele mooie omgeving. We moeten nog een half uurtje wachten voordat de trein uit Ella langs komt, dus lopen we over de brug en gaan in afwachting van de trein wat drinken bij een kraampje dat hier een leuk slaatje slaat uit de dorstige toeristen die hier een fotootje komen maken. Als we de toeterende trein in de verte horen naderen, zoeken we snel positie voor een ultieme foto.

Als de trein de brug over is gaan wij terug naar Ella, maar niet via het glibberige paadje en ook niet met een tuktuk. We lopen over het spoor, zoals de lokale bevolking ook vaak doet. Je past je paslengte aan op de afstand tussen de bielsen en in een heerlijk ritme hobbel je de volgende trein tegemoet. Gelukkig kennen wij het treinschema uit ons hoofd, dus wij lopen geen risico (waarschijnlijk). We ontmoeten een moeder met haar 2 kinderen die ons tegemoet loopt, vrouwen die inkopen hebben gedaan op de markt en ook andere toeristen gaan in omgekeerde richting naar de brug om daar de volgende trein te fotograferen. Koeien grazen langs de spoorlijn en af en toe komen we iets tegen waar mensen zouden kunnen wonen. Ook vanaf het spoor kunnen we genieten van de omgeving en als het duo-treintje uiteindelijk Ella bereikt, lopen we het perron op en gaan terug naar ons hotel.

We zijn onze kamer nog maar net binnen of de eigenaar klopt op de deur. De was is gedaan en die komt hij even afleveren. Alles ruikt weer heerlijk fris, maar sommige kledingstukken lijken een maatje kleiner te zijn geworden. We reorganiseren onze rugzakken en gaan dan weer de straat op. Diana heeft nog een tempeltje op haar lijstje staan en we hebben nog wel wat tijd over.

Op straat charteren we een tuktuk en we gaan op weg naar de Dhowa Rocktemple. Deze tempel ligt ongeveer 6km buiten Ella, dus heel lang hoeven we niet te rijden. Zoals gebruikelijk is er een Dagoba, een Bhodi tree, een gebedsruimte en toiletgebouwen, maar het gaat ons vooral om de 4m hoge, staande Boeddha die hier uit de rots is gehakt. Als je er vlak voor staat heb je pas in de gaten hoe groot dat is. Omdat er overal hekken staan, is de grootste uitdaging het vastleggen van deze kolos. Uiteindelijk lukt dit door de camera op de grond te leggen. Hierna doen we nog een kleine donatie bij een tempeltje en stappen dan weer in de tuktuk.

Dinsdag 21 november

Vandaag zijn we officieel over de helft van onze vakantie. Voor sommigen slecht nieuws, anderen vinden het niet zo erg. Het is vandaag ook weer slingers-dag in het appartement aan de Vrolikstraat in Amsterdam. Wij peuzelen ons ontbijtje op en nadat we de rekening voldaan hebben, lopen we naar de bushalte. Samen met een tiental andere toeristen proppen we ons in de bus naar Matara. We rijden eerst zuidwaarts naar Thanamalwila, waar we moeten overstappen op een bus westelijk naar Udawalawa. De hele rit valt uiteindelijk best mee. Het eerste deel leggen we in minder dan anderhalf uur af, terwijl het tweede deel drie kwartier in beslag neemt. Als we langs een stuwmeer rijden zien we een groep olifanten die hun dorst aan het lessen is. We zijn op de goede weg! We worden aan de rand van Udawalawe, aan de kant van de weg eruit gegooid en wandelen de laatste paar honderd meter naar ons verblijf voor de komende 2 nachten. Ons hotelcomplex bestaat maar uit 2 huisjes, maar ze zien er mooi uit.

Het was bijna 13:00 uur, dus we gingen op zoek naar een plek waar we konden lunchen. We lopen richting het centrum van Udawalawa en komen voorbij de lagere school. Als een groep meisjes uit groep 7/8 (gokje op basis van een meisje dat wij kennen) ons voorbij ziet lopen, beginnen ze naar ons te roepen en trekken ze een sprintje. Ze willen allemaal hun beste Engels laten horen en poseren gretig voor de fotograaf. Terwijl deze klas pauze lijkt te hebben, luistert verderop een klas aandachtig naar de meester. Dit is een goede les in concentreren voor de leerlingen die hier in de buitenlucht de les volgen.

Onze zoektocht naar een lunchplek, bracht ons uiteindelijk bij het Grand Udawalawa Safari Resort. De prijzen in het restaurant blijken net zo chique te zijn als de naam doet vermoeden, maar what the heck.We bestellen een sandwich en wachten met z’n tweeën in een de grote eetzaal af wat er komen gaat.We zijn hier eigenlijk niet (alleen) voor de lunch, maar willen ook het zwembad inspecteren. Je mag hier als buitenstaander voor 1000 roepies de hele dag gebruik van maken en dat lijkt ons een goede optie voor morgen na de safari. De sandwiches worden gebracht en ze zien er prachtig uit en gelukkig smaken ze ook heerlijk. Nadat we onze broodjes opgepeuzeld hebben, lopen we quasi nonchalant langs de receptie van het hotel op zoek naar het zwembad. We hebben het snel gevonden en het voldoet aan onze eisen: water erin en bedjes er omheen.

Na de lunch lopen we terug richting het ‘gezellige centrum’ van Udawalawa, maar net als we de weg oplopen horen we geschreeuw van rechts komen. Het blijkt een boer te zijn die z’n ossen over de weg terug naar de boerderij brengt. Het is normaal gesproken al een zootje op straat, maar dit doet er een schepje bovenop, helemaal omdat de beesies niet al te best luisteren. Voor ons wel een mooie gelegenheid om ons te verdiepen in het fenomeen ‘de os op straat’. Als de boer samen met z’n ossen een klein paadje is ingeslagen, lopen wij verder richting het Olifanten Weeshuis (Elephant Transit Home).

Het Elephant Transit Home ligt aan de andere kant van Udawala en dit is eigenlijk een soort olifanten-Pieterburen. Olifanten die zijn verstoten of een blessure hebben opgelopen worden hier opgelapt zodat ze kunnen terugkeren naar de natuur. De beesten worden vier keer per dag bijgevoerd en dat is een leuk moment om de olifanten van dichtbij te bekijken. We blijken niet alleen te zijn en samen met nog enkele tientallen toeristen nemen we plaats op de staantribune in afwachting van de hoofdrolspelers. De sterren van deze voorstelling laten gelukkig niet lang op zich wachten; vanuit het groene achterland betreden ze de arena en lopen zo snel als ze kunnen richting de plek waar ze van hun begeleiders een jerrycan melk krijgen. Als een olifant genoeg heeft gehad, wordt hij doorgestuurd naar een berg gras, zodat ze allemaal aan de beurt komen. Dat gaat niet altijd zonder protest. Soms trompettert een olifant omdat hij meer melk wil.

Nadat we dit spektakel een half uurtje hebben gade geslagen, gaan we nog even naar het nabij gelegen stuwmeer. Hier zou je nl. een aardige zonsondergang kunnen hebben. We nemen eerst waterijsje en een bakkie thee bij een kraampje naast het olifanten weeshuis en gaan dan weer op pad. Als we bij het meer aankomen zien we dat de zonsondergang er vandaag niet inzit; te veel bewolking. We hebben toch een beetje mazzel; op een steenworp afstand loopt een grote groep olifanten richting de rand van het stuwmeer. Als dit een voorproefje is van wat we morgen tijdens de safari kunnen verwachten, dan zijn wij tevreden.

Woensdag 22 november

Vanochtend ging de wekker om 05:30 uur, want vanochtend gaat Ari op safari. Eerst een geïmproviseerd ontbijtje en dan komt ons pausmobiel al aanrijden. We proppen nog snel een banaantje naar binnen, slurpen de te hete thee o en stappen dan in ons 6-persoons verkenningsvoertuig. We blijken het voertuig voor ons zelf te hebben, dus als het erop aankomt kunnen we van links naar rechts en van voor naar achter springen om het wild te bewonderen.

Om 06:00 uur zijn we bij de ingang van het park en kopen de toegangskaarten. Opnieuw een aanslag op het budget, net als bij bijna alle andere toeristische hotspots en opnieuw zijn we niet de enige toeristen (in een pausmobiel).We gaan in colonne op pad, maar al snel scheiden de wegen van de voertuigen. Er leiden blijkbaar meerder wegen naar een olifant. De olifant wordt niet onze eerste jachttrofee. Het is Jeroen, poserend op een tak van een dode boom, die we als eerst vastleggen. We zullen vanochtend merken dat de pauw (pavo cristatus) zeer goed vertegenwoordigd is in het Udawalawa National Park. Voor vogelaars is het sowieso een park om niet te missen; voordat we bij onze eerste olifant zijn, zien we nog een mooie adelaar (spilornis cheela) een koppeltje neushoornvogels (anthracoceros coronatus).

De eerste keer dat je een olifant spot is altijd weer bijzonder, maar hier staan we er zo dicht op dat je hart sneller gaat kloppen. Samen met een 2-tal andere jeeps volgen we een mannetje dat een deel van z’n dagelijkse 150kg voedsel naar binnen aan het werken is. In Kenia waren de chauffeurs altijd doodsbang om (te) dicht bij een olifant te komen, maar hier is dat niet het geval. Misschien is de Aziatische olifant wel wat goedaardiger. Wij hebben in ieder geval 1 olifant van dichtbij gezien. Op naar meer!

De zandpaden in het park hebben ook te lijden gehad onder de vele regen die er gevallen is. Er zijn zelfs paden waar onze chauffeur niet overheen kan/durft, vanwege de diepe modderpoelen. Ondanks dat, worden we achterin af en toe behoorlijk heen en weer geschut en heeft de wagen soms behoorlijk wat moeite met de modderpoelen waar we doorheen moeten. Bij ons geploeter worden we gadegeslagen door een groepje ooievaars (mycteria leucocephala) en je hoort ze denken: ga dan door de lucht. Plots staan we dan weer stil. Er staat een groepje olifanten aan de kant van de weg. Ook zij zijn bezig met de belangrijkste dagtaak van de olifant: eten. De olifanten lijken zich maar weinig van ons aan te trekken. Ze kauwen lekker door en als ze aan de andere kant van de weg groener gras zien staan, steken ze vlak voor de auto’s over. We hebben in ieder geval gekregen waar we voor kwamen: olifanten!

Na deze close encounter slingeren we verder het park in en komen we bij een ondergelopen deel van het park. Hier schetteren oneindig veel watervogels, waaronder de ijsvogel (alcedo atthis) die we een paar keer een poging zien doen om een vis te vangen. Met een snelle vleugelbeweging hangt het blauwe vogeltje even stil in de lucht, om zich vervolgens als een kamikaze op een nietsvermoedende vis te storten. In deze waterplas neemt een grote groep waterbuffels hun noodzakelijkbad. Eén van de buffels had zich wat afgescheiden van de rest. Waarschijnlijk was hij z’n zwembroek vergeten.

We vervolgen onze weg en gaan iets verderop aan het water kijken hoe een paar vissers in hun bootje probeert een maaltje vis binnen te halen. De mannen zitten met z’n drieën, achter elkaar in een smal bootje met stabilisatiestang en halen vol verwachting hun net binnen. Als er een vis inzit houdt de voorste visser deze triomfantelijk naar ons omhoog. Hierna verlaten we de waterkant en gaan weer de bush in. Al een paar minuten later zien we onze volgende prooi: de gouden jakhals (canis aureus). Ze zijn zelfs met z’n vieren en waarschijnlijk op zoek naar een makkelijke maaltijd. Hierna gaan we naar een hooggelegen plek in het park waar we een prachtig uitzicht hebben over het park.

Hierna is het tijd om terug te rijden, maar zo af en toe trapt de chauffeur toch weer op de rem. We stoppen nog een paar keer voor wat olifanten, we zien Jeroen z’n dansje doen en we worden gewezen op een enorm groot nest, hoog in de boom, waar een stelletje visarenden de wacht houdt. We ontwijken nog een leguaan die de weg oversteekt, maar dan komt de onvermijdelijke uitgang in zicht. Het is inmiddels 10:15 uur en na 4 uur hobbelen in onze pausmobiel zijn we wel toe aan een ontbijtje.

Bij het hotel wordt in razend tempo ons ontbijt bereid. Dit keer geen continental breakfast, maar een Sri Lankaans ontbijt met pannekoekjes gevuld met kokos en honing, hoppers met ei en chilikokos en toast met groentevulling. Heerlijk als je een beetje uitgehongerd bent. Na het ontbijt gaan we even naar onze kamer. Helaas is de stoom uitgevallen, dus de verkoeling van de airco kunnen we vergeten. Het is best een grote overgang van Ella naar Udawalawa; we zijn 2000m afgedaald, maar hebben er 10 graden bij gekregen. Het is van die vochtige warmte die alle energie uit je lijf zuigt.

Nadat de oudjes een uurtje op bed hebben gelegen, is het tijd voor serieuze verfrissing. We trekken de zwembroek aan en gaan naar het hotel waar we gisteren geluncht hebben. Daar zoeken we plekje bij het zwembad, waar we de hele middag blijven. Het koele water van het zwembad is heerlijk verfrissend bij deze temperaturen. Zelfs wanneer het wolkendek wat dikker wordt en er wat spatjes vallen, gaan wij niet weg bij het zwembad. Tijdschriftje erbij, drankje besteld en een zak winegums; wat wil je nog meer?