Alle berichten van admin

Sri Lanka 2

Dinsdag 14 november

Vandaag verkassen we naar Kandy en het zal me het dagje weer worden. Het begon allemaal heel ontspannenmet met het heerlijke ontbijtje in de tuin bij ons hotel; bordje fruit, paar toastjes, een Sri Lankan Omelet, glaasje jus en een pot thee. We hadden vandaag geen haast want er stond niet zoveel op het programma.

Na het ontbijt worden we door de eigenaar van het hotel met een tuktuk naar de bushalte gebracht en hij helpt ons zelfs met het aanhouden van een bus (niet nodig, maar goed bedoeld). We gooien onze rugzakken op de inwendige motorkap en gaan er maar weer goed voor zitten.

Het is nog geen 09:00 uur als we Dambulla achter ons laten en we van de groene omgeving kunnen genieten. We stoppen af en toe om mensen in te laden, geen vuiltje aan de lucht. Na een half uurtje zien we dan ineens de man-van-de-buskaartjes onze tassen verplaatsen en wij staan gelijk op scherp. Er blijkt echter helemaal niemand in onze rugzakken geïnteresseerd te zijn, want nog geen 100 meter verder zet de chauffeur de bus aan de kant en gaat de inwendige motorkap omhoog. De chauffeur duikt erin, wriemelt een beetje aan een slangetje, een palletje of een nippeltje en neemt daarna weer vrolijk plaats achter het stuur en geeft weer gas.

We hadden er niet zo op gelet, maar voelen nu ook dat de motor af en toe inhoudt, vooral als het bergopwaarts gaat. Helaas blijft het niet bij 1 pitstop; uiteindelijk worden het wel 10 of zo. De lokale bevolking lijkt zich er overigens helemaal niet aan te storen (ze hoeven blijkbaar nooit ergens op tijd te zijn) en als Diana een keer een foto maakt van zo’n onderhoudsbeurt roepen ze in koor: Lanka Bus! Wij nemen dus maar een voorbeeld aan onze medereizigers en laten het allemaal maar gebeuren.

Rond 11:30 stappen we uit op het busstation van Kandy en nemen een tuktuk naar ons hotel. Ondanks dat we zelfs het adres van ons hotel noemen, rijdt deze tuktuk chauffeur ons eerst naar het verkeerde hotel om vervolgens vrolijk de goede kant op te rijden. Ons hotel heeft de kamers op de 4e en 5e verdieping en de lift moet nog bezorgd worden. Dat wordt dus traplopen met de rugzakken om. We checken in en kunnen ondanks het vroege tijdstip, vrijwel direct onze kamer in. We gooien onze spullen op de kamer en gaan op zoek naar een plek waar we wat kunnen eten en drinken. Als onze buikjes weer gevuld zijn gaan we eerst naar het treinstation om de kaartjes voor donderdag en vrijdag te reserveren.

Kandy is na Anuradhapura en Polonnaruwa de derde hoofdstad van het land geweest, maar waar Anuradhapura en Polonnaruwa zijn verworden tot stoffige dorpjes is Kandy weer een echte stad; een beetje Colombo in het klein. Het verkeer is hier weer een gekkenhuis en de lucht is niet aan te bevelen voor astma patiënten. Lijkt misschien niet zo aantrekkelijk, maar wij houden hier wel van.

Kandy is bovendien het grootste religieuze centrum en hoofdstad van het Singalese Boeddhisme, want Kandy herbergt de heilige tand van Boeddha, een relikwie dat als een rode draad door de geschiedenis van het land loopt. Deze tand ligt goed opgeborgen in de Tempel van de Tand, maar dit was ook de plek waar op 25 januari 1998 door de Tamiltijgers een aanslag werd gepleegd. Voor het eerst was een religieus symbool (het belangrijkste symbool) doel van een aanslag en voor het eerst vond een aanslag plaats buiten Colombo. Het was een ommekeer in de strijd tussen de regering en de Tamiltijgers, een strijd die gelukkig al weer enkele jaren achter ons ligt.

Op weg naar het treinstation komen we lang een tempeltje en we kunnen het niet laten om even binnen te gaan kijken. Als we na een rondje door de tempel bijna bij de uitgang zijn, wordt Diana aangesproken door een monnik die in een soort kantoortje zit. Hij laat haar een foto zien van zichzelf en de Dalai Lama. Deze monnik had de geestelijk leider in 1990 ontmoet in Dharamsala en was daar duidelijk trots op. Out of the blue vraagt Mr. Monk of we misschien trek hebben in een geluksceremonie. Nou kun je daar nooit genoeg van hebben, dus wij nemen plaats op een bankje.
Hij vraagt naar onze namen en knipt voor ons beide een stukje wit touw af. Dit moeten we in onze hand, tegen het hart houden. Vervolgens prevelt hij voor ieder van ons wat onverstaanbaars en maakt met een waaier wat bezwerende bewegingen rond ons hoofd (Rob wordt ook nog een paar keer over de bol geaaid, maar laten we daar niet gelijk iets verkeerds van denken). Vervolgens moeten we het witte touwtje weer teruggeven en maakt hij er een armbandje van, waarna hij nogmaals iets onverstaanbaars brabbelt. Na dit hele ritueel zegt hij dat het met geluk wel goed zou moeten komen. Oh ja, of we ook nog een donatie willen doen, want dan worden onze namen morgenvroeg bij de dienst in de Tempel van de Tand opgelezen. Voor een paar cent ga je je eigen geluk niet in de weg zitten, dus we trekken de portemonnee maar weer.

Hoewel het met het geluk goed zou moeten zitten, kijken we toch maar goed uit als we de weg oversteken naar het station. We weten nl. niet wanneer de zegen precies ingaat. Op het treinstation gaan we opzoek naar het juiste loket voor onze treinkaartjes. De rij is hier gelukkig niet zo lang als in Colombo, dus we zijn snel aan de beurt. ‘We want to buy 2 tickets for the 16th to Hatton, second class’. De beambte tikt wat op z’n toetsenbord, wacht tot er iets op het beeldscherm verschijnt en zegt dan heel vriendelijk: ‘Sold out!’. Daar hadden we dus niet op gerekend. ‘We also need tickets for the train from Hatton to Nanu Oya on the 17th’. Opnieuw wat getik op z’n toetsenbord en opnieuw heel vriendelijk: Also sold out’! Dat valt even tegen. Hij vertelt ons nog wel dat er op de dag van vertrek tickets gekocht kunnen worden, maar dan heb je geen gereserveerde stoel. Tijd voor een back-up plan!

Eigenlijk is er maar 1 alternatief: de bus. Net als we willen omkeren om op het busstation de vertrektijden naar Hatton te achterhalen, lopen we langs de lokale markt. Het is er een drukte van belang, dus besluiten hier eerst maar even te gaan kijken. De markt is helemaal niet groot, maar de marktkooplui doen allemaal hun uiterste best om hun koopwaar aan te bieden. We lopen over de markt en opnieuw merken dat niemand het erg vindt dat foto’s maken en lopen te filmen; ze vinden het nog wel mooi ook! Dat hebben we in andere landen wel anders meegemaakt.

Na een half uurtje zetten we dan toch maar koers naar het busstation. Omdat we hier door de bomen het bos niet zien, vragen we een tuktuk chauffeur waar de bussen naar Hatton vertrekken. Hij is zo vriendelijk om even mee te lopen naar de juiste bus. Omdat de buschauffeur geen Engels spreekt tolkt hij ook nog even voor ons. Over de vertrektijden van de bus hoeven we ons geen zorgen te maken. Ze beginnen te rijden om 5 uur en gaan elk half uur. Dat zal dus wel goed komen.

Als we terug lopen, vraagt de tuktuk chauffeur of we al naar de botanische tuinen zijn geweest. Dat zijn we nog niet en we hebben daarvoor ook nog niets geregeld. Omdat deze vriendelijke vriend ons zo goed geholpen heeft gunnen we hem dat tochtje en spreken met hem af dat hij ons morgen om 13:00 uur bij het hotel ophaalt. Hij blij, wij blij. Als we hem vervolgens vragen om ons even bij Cafe Secret Alley af te zetten, kan hij z’n geluk helemaal niet op (?). Bij dit, wat achteraf gelegen, cafe bestellen we twee grote pineapple cooler’s en kunnen we even op adem komen. Na deze versnapering gaan we even terug naar ons hotel om de portemonnee bij te vullen, want het lijkt ons wel een goed idee om vanavond de Tempel van de Tand te bezoeken.

Om 16:30 uur gaan we op weg naar dé Tempel, maar eerst eten we een paar cupcakes vlakbij ons hotel. Dan springen we in een tuktuk en laten we ons bij de tempel afzetten. Er is nog steeds een verscherpte toegangscontrole, maar tot een fouillering komt het niet. Omdat het inmiddels tegen vijven loopt, kleurt de tempel zacht in het avondlicht. Zet er nog een paar monniken in oranje gewaad voor en je hebt een prachtig plaatje.

Bij de ticketoffice lezen we dat de ceremonie om 18:30 uur begint, dus we hebben nog even de tijd om de tempel te verkennen voordat het spektakel begint. De tempel bestaat uit een aantal verschillende gebouwtjes met allemaal een eigen functie. Zo is er een bibliotheek, een museum en staan er verschillende Boeddhabeelden opgesteld in daarvoor ingerichte ruimtes. Buiten is er dan nog een soort glazen gang waar kaarsjes gebrand kunnen worden. De belangrijkste plek bevindt zich op de 1e verdieping, want daar is de Zaal van het Beeld, een kleine tempel waar de reliekhouder met dé tand wordt bewaard.

Als we om 18:00 uur terug komen bij de Tand is het al een drukte van belang. De locals zijn weer in het wit gekleed en zitten allemaal op de grond in afwachting van de ceremonie. Velen hebben hun bloem-offer al op een soort grote toonbank neergelegd, die daardoor al helemaal vol ligt.

Wij bewegen ons er voorzichtig tussendoor en je kunt voelen dat er iets belangrijks gaat gebeuren. Om 18:30 uur horen we dat er een verdieping lager op trommels wordt geslagen. Wij gaan snel een trapje lager om dit spektakel te aanschouwen. Mannen met ontbloot bovenlijf en een rok slaan uit alle macht op trommels, begeleidt door iemand op een trompet-achtig instrument.

Na een paar minuten gaan we weer naar boven en zien we dat de mensen in een rij zijn gaan staan. Het kan nu niet lang meer duren voordat het deurtje opengaat waarachter de reliekhouder met de Tand staat. De toeristen verdringen zich om dit spektakel te aanschouwen. Als uiteindelijk het deurtje opengaat zet de rij mensen zich in beweging, langs de opening waar de reliekhouder te zien is. Het hoogste doel voor vandaag hebben ze bereikt. Wij volgen dit alles aandachtig en je merkt dat dit een hele belangrijke plek is voor de Boeddhistische Singalezen.

Iets na zevenen verlaten we de tempel en gaan we op zoek naar een restaurantje, want de inwendige mens begon inmiddels aardig te protesteren; ceremonie of niet. Op een paar honderd meter van de tempel vinden we een leuk restaurantje waar we een heerlijke curry naar binnen werken. Als we de foto’s van vandaag terug kijken, moeten we concluderen dat we meer gedaan hebben dan we voor vandaag bedacht hadden.

Dinsdag 15 november

We hebben vanmiddag om 13:00 uur afgesproken met onze tuktuk chauffeur, dus hebben we de hele ochtend om een beetje te lanterfanten. Van dat laatste komt het niet echt, want we willen nog even naar een uitzichtpunt vanwaar je de stad en het meer kunt zien liggen en daarna nog even om het meer wandelen. Het ontbijt nuttigen we bij een restaurantje om de hoek, waar het steeds vol zit met lokale bevolking. Dit is meestal een goed teken. Omdat we niet kunnen kiezen uit de gerechten op de menukaart aan de muur, wijst Diana bij de vitrine aan wat we willen eten: wat witte bolletjes, een omelet en een bak thee. Het smaakt allemaal voortreffelijk.

Na het ontbijt lopen we dan via het kunstmatige meer dat in 1807 is gegraven in opdracht van de laatste koning van Kandy. Het lijkt wel een beetje een Oostenrijks meer met de heuvel erachter. Die heuvel is ons doel. We steken de weg over aan de achterkant van het meer en gaan via een slingerpaadje omhoog. Dit paadje heeft een behoorlijk stijgingspercentage, dus we kunnen gelijk weer aan de bak. We hebben een minuut of 10 nodig voor het klimmetje en gaan dan richting de plek waar de eerste toeristenbus z’n lading al heeft gedropt. Vanaf deze plek heb je een mooi uitzicht over het meer en de achterliggende stad. Helaas is het restaurant van het ernaast gelegen hotel nog gesloten, dus geen bakkie voor ons op deze plek. Dan maar weer terug naar het meer.

Omdat het nog vroeg is, doen we nu eerst een rondje om het meer en gaan daarna ergens een bakkie doen. Het is ongeveer 2,5 km om het meer, dus dat is zo gepiept. Het kunstmatige meer zit vol vette vis. Dit betekent dat de lokale bevolking hier niet mag vissen, of dat de vis niet te eten is, want anders was het meer wel leeg gevist. Ondanks het drukke, toeterende verkeer zien we witte reigers, vleermuizen, schildpadden, apen en zelfs een leguaan van wel een meter lang. We ronden het meer in een nieuwe recordtijd, dus hebben nu wel een bakkie verdiend.

Met behulp van Google Maps gaan we naar Buono. Dit cafeetje schijnt een heerlijke cappuccino te schenken en bovendien gaat een deel van het geld naar de opvang van kinderen. De navigatie werkt uitstekend want een kwartiertje later zitten we bij Buono. Het cafeetje is verstopt in een achteraf gelegen straatje dat we zonder de hulp van Google niet gevonden zouden hebben. Over de cappuccino kunnen we niet klagen, die smaakt uitstekend.

We manoeuvreren terug naar het hotel, maar onderweg eten we nog wat hartige hapjes bij de tent waar we vanochtend ontbeten hebben. We hebben voor 13:00 uur een tuktuk gereserveerd, en dan wil je er wel lekker fris bij zitten. Nog even genieten van de airco op de kamer en dan kan het middagprogramma beginnen.

Opnieuw is de tuktuk chauffeur op tijd, of eigenlijk een tuktuk chauffeur. De man waar we mee afgesproken hadden heeft waarschijnlijk een lucratievere deal kunnen sluiten en heeft nu z’n ‘broer’ naar ons gestuurd. Maakt ons niet uit; gassen met die bak! We gaan eerst voor de rust van de koninklijke botanische tuinen. Als actieve toerist moet je toch af en toe ook gas terug nemen.We weten in ieder geval zeker dat het mooiste botanical gardens zullen zijn die wij ooooooit gezien hebben, want we zijn nog nooit naar een botanical garden geweest.De cijfers zeggen genoeg: 60 hectaren groot, 4000 soorten groenvoer, 1,2 miljoen bezoekers per jaar. Het is de grootste botanische tuin van Azië en een van de grootste van de wereld.

We krijgen een plattegrondje mee bij de ingang, maar we weten eigenlijk niet hoe we dit moeten aanpakken. Als de welbekende kip zonder kop lopen we eerst naar de orchideeën kas waar vooral orchideeën staan, dan lopen we naar de palmen avenues waar veel palmen staan.

We hebben een klein beetje pech vandaag. We kwamen hier ook een beetje voor de rusten laten ze nu net vandaag hebben uitgekozen om een enorme woudreus om te halen. Dat doen ze hier dus ook niet met de handzaag, nee, daar gebruiken ze ook hier een gillende kettingzaag voor. We zijn blij als we na een half uurtje de majestueuze boom tegen de grond horen gaan (die zal toch wel ziek zijn geweest?).

We lopen rond het grote ronde grasveld en komen dan langs een hangbrug die daar vooral voor de show hangt te hangen. Je kunt erop om een fotootje te maken. Na de hangbrug komen we bij het bamboebos waar heel veel bamboe staat, dan het pijnbomenstraatje met pijnbomen en als laatste het grassenveldje met, je raad het al, veel grassen. Tussen al die thematuinen staan nog duizenden planten waarvan wij niet eens de naam kunnen onthouden, maar je hebt nu een idee wat je kunt verwachten. Het geheel is fantastisch aangelegd en hoewel wij vooraf enigszins sceptisch waren, moeten we toegeven dat het geheel een idyllische omgeving vormt.

Bij de uitgang worden we gelijk weer met de harde realiteit geconfronteerd: toeterende tuktuk’s, luchtvervuilende vrachtwagens en schreeuwende mensen. We stappen snel in onze tuktuk en gaan op weg naar de grote Boeddha. De grote witte Boeddha is, zoals mag verwachten een grote witte Boeddha en deze grote witte Boeddha staat op de top van een berg ten oosten van de stad. Bij dit kadootje van Japan hebben we opnieuw een fantastisch uitzicht over de stad. Bahirawa Kanda, zoals hij hier wordt genoemd is een indrukwekkende verschijning, waar je niet omheen kunt.

Inmiddels is de middag al weer aardig gevorderd en we laten ons nu afzetten bij het Kandyan Cultural Centre. Hier gaan we om 17:00 uur genieten van een uurtje folklore. Wie had dat gedacht? In ons reisboek werd hierover geschreven dat het een enorm toeristisch gebeuren is, maar wel de moeite waard. We gaan het zien. We drinken eerst nog wat op het terrasje bij het theater en gaan dan om 16:30 uur al naar binnen, omdat we helemaal niets willen missen. Wij zitten op de eerste rij van het balkon en kunnen alles dus goed in de gaten houden. Tot onze verbazing loopt de zaal helemaal vol en zit er wel een paar honderd man binnen. Om 17:00 uur gaan de spotlights aan en komen de trommelaars het podium op. Ze worden begeleidt door iemand met een soort klarinet (eigenlijk dus een klarinetniet). Wat dan volgt is een wervelende show waarbij verschillende volksdansen worden opgevoerd. Soms door mannen, soms door vrouwen, maar altijd weer begeleidt door de opzwepende trommels. Het uurtje vliegt voorbij en voor de tweede keer vandaag zijn we positief verrast.

Na de staande ovatie, snellen wij naar The Pub. Na Colombo is Kandy de tweede stad waar eindelijk weer eens een biertje te krijgen is en met dit warme weer is dat toch een fijne beloning na weer een drukke dag. Nadat we het diner hebben genuttigd (klinkt beter dan broodje gegeten), gaan we weer terug naar onze kamer om de tassen in te pakken. Morgen is weer een reisdag.

Donderdag 16 november

We deden het vanochtend rustig aan want we hadden vandaag een kort ritje voor de boeg. Het is iets meer dan 100km naar Delhousie, dan zouden we vanmiddag toch wel op tijd op een terrasje moeten kunnen zitten, zou je denken. We ontbijten eerst weer op ons vaste adres en gaan rond 09:00 uur op zoek naar een tuktuk die ons naar het busstation kan brengen. Op het busstation staan 2 bussen die naar Hatton gaan; een rooie die om 10:00 uur vertrekt en een wit-blauwe die om 10:20 uur vertrekt. We gaan voor de rooie, want hoe eerder we dat terras bereiken, hoe beter. In de rooie bus blijken de zittingen wel erg hard te zijn. Gaan we dat wel 2,5 uur vol houden? Last-minute switchen we toch naar de wit-blauwe; onze konten zullen ons daar dankbaar voor zijn.

Zoals gebruikelijk vertrekt de bus op tijd. We rijden langs plekken die ons inmiddels bekend voorkomen: de rotonde bij het meer, de weg naar de botanische tuin en de weg achter het treinstation. 2,5 uur lijkt lang voor 70km, maar we hebben bijna een uur nodig om Kandy uit te komen. Het is voor de eerste keer dat de bus ook echt vol is. Mensen staan in het gangpad en het is een gedring van jewelste. Er zitten maar liefst 4 andere toeristen in de bus; dat hebben we nog niet eerder meegemaakt. Langzaam begint de omgeving te veranderen. Er verschijnen steeds meer bergen om ons heen en we zien ook steeds vaker een theeplantage tegen de hellingen aan. Om 13:10 uur rijden we het busstation van Hatton op.

Op het busstation kopen we een fles drinken en een paar vage gefrituurde hapjes die uiteindelijk lekker blijken te smaken. Er gaat buiten het seizoen geen rechtstreekse bus meer naar Delhousie, wordt ons verteld, dus nemen we de bus naar Maskeliya en dan stappen we daar over op de bus naar Delhousie. Het tochtje naar Meskeliya is prachtig en gaat rond een prachtig blauw meer. Ondanks de slakkengang van de bus, vliegt dit ritje van 20km voorbij. Om 14:30 uur staan we in de hoofdstraat van Maskeliya.

Als we de bus uitstappen worden we bijna gelijk een andere, kleinere bus ingejaagd. Dit busje zal dus wel snel naar Delhousie gaan. We stappen in en proppen onze rugzakken achter de stoel van de chauffeur. 14:30 uur wordt 15:00 uur en 15:00 uur wordt zelfs 15:20 uur. Daar zit je dan te smelten in een bloedheet busje, dat bovendien tot de nok gevuld is. Niet alleen vervoert dit busje mensen, ook fungeert het als een pakketten-bezorgdienst en bovendien lijkt de chauffeur een soort Thuisbezorgd.nl op na te houden. Als we eindelijk weg rijden hangen er mensen uit de zijdeur, staat er een jongen op onze tenen en hangt de rugzak van een Russische toerist bij Rob in de nek. Dan denk je dat er niets meer bij kan, maar onderweg worden gewoon nieuwe passagiers naar binnen gepropt. Gelukkig hoeft niet iedereen naar Delhousie, dus gedurende het ritje van drie kwartier krijgen we steeds meer lucht. Om 16:20 uur rollen we dan vlak bij ons hotelletje uit de bus. We doen even een rekensommetje: 110km in 7 uur is een gemiddelde van iets meer dan 15km per uur. Lekker dan!

Ons hotel is ook geen succes. Het lijkt wel Fawlty Towers, maar dan zonder Manuel en met een strontbezopen eigenaar Basil Fawlty. Het is een zootje binnen; vuil op de vloer, plastic flessen op de balie, dekens slingeren overal rond. Onze kamer is ok, maar het hotel heeft wel een beurtje nodig. We hadden het hotel incl. ontbijt geboekt, maar met alleen een dronken Basil gaat dat natuurlijk niet lukken. We laten hem even weten dat we hier niet het volle pond voor gaan betalen. Daar had hij blijkbaar al rekening mee gehouden, want de oorspronkelijke prijs wordt bijna gehalveerd. We eten ‘s-avonds bij een ander hotel en daar vertellen ze ons dat hij elke dag bezopen is. Er is het e.e.a. voorgevallen in z’n priveleven, waardoor z’n vrouw weg is gegaan. Dit hotel scoorde een 8.9 in de reviews en daar is in een paar weken helemaal niets van over.

Delhousie is minder dan een dorpje; het is niet veel meer dan een verzameling slaapgelegenheden voor de mensen die de 2243m hoge Adam’s Peak, of Sri Pada zoals ze hier zeggen, willen beklimmen. En dat zijn zeker niet alleen toeristen. Adam’s Peak is een bedevaartsoort voor alle gelovigen van Sri Lanka omdat Adam, Boeddha of Shiva (kies je geloof) hier een voetafdruk heeft achtergelaten. Op dit moment zijn er hoofdzakelijk toeristen die de klim maken, want de grote meute lokale gelovigen doet de bedevaart pas na Poya-day en dat is dit jaar 3 december. We eten ‘s-avonds een curry bij een vriend van de eigenaar want eten bereiden was de eigenaar van ons hotel niet meer toe in staat. Als we na het eten het hotel inlopen, ligt Basil al te ronken op een van de banken bij de receptie.Wij gaan vroeg naar bed want we willen om 02:30 uur aan de klim beginnen (de wekker staat dus op 02:15 uur). Je moet rekenen op 3 uur trappen lopen en met de zonsopkomst willen we boven zijn.

Vrijdag 17 november

De wekker werkt als een zonnetje; om 02:15 uur schrikken we wakker. Leuk zo’n vakantie! We horen buiten al andere beklimmers langs komen, dus we doen onze fleece-pullies aan (het kan koud zijn op de top) en nemen de rugzak met etenswaren en drinken mee en lopen achter de rest aan. Het is pikdonker dus iedereen heeft z’n eigen koplampje bij zich. Dat ziet er gezellig uit.

Na 10 treden maken we onze eerste stop. Met dank aan Basil hebben we niets gegeten, dus bestellen we bij een klein stalletje 2 thee en spoelen daarmee een Snelle Jelle naar binnen. Er zat voldoende suiker in de thee, dus we kunnen wel een paar treden nemen.

212, 213, 214, we komen langs een goed verlichte, liggende Boeddha. Die lag daar lekker te pitten met z’n oranje pyjama aan. Wanneer je even in een zwart gat loopt en dus geen last hebt van de lampjes van anderen, zien we enorme hoeveelheden sterren. Veel meer dan wanneer je in de bewoonde wereld naar boven kijkt. De afwezigheid van (strooi-)licht maakt de hemel zo veel mooier! 1335, 1336, 1337, het echte klimmen is begonnen. Was het eerste stuk af en toe nog vlak met treden ertussen, nu lopen we van de ene trap naar de andere. Zoals we gewend zijn bij AV Veluwe gaan we ieder in ons eigen tempo en wachten we om de zoveel minuten op elkaar. Tussen de jonkies doen we het nog niet zo slecht. We schatten dat de meesten half onze leeftijd zijn, maar ze lopen te hijgen als oude stoomlocomotieven.

3877, 3878, 3879, het wordt nu serieus! Er zijn leuningen in het midden van het pad geplaatst waaraan we ons als het ware omhoog kunnen trekken. Daarmee ontlast je de benen, die het zo langzamerhand steeds moeilijker krijgen. We kunnen de verlichting op de top al goed zien, maar we hebben nog wel een paar treden te gaan. 5401, 5402, 5403, we zijn er bijna. We kunnen de contouren van de gebouwtjes op de top al zien. Nog een paar honderd stappen te gaan. Mensen om ons heen worden euforisch; ze gaan het halen. Om 05:40 uur staan ook wij op de hoogste treden van Adam’s Peak. Helaas is het tempel-terrein dicht, maar dat wisten we vooraf al; Poya-day is pas over 2 weken.

We wachten met een paar honderd man voor de hekken van de tempel tot de zon opkomt en proberen ondertussen de perfecte vroeg-in-de-ochtend-op-Adam’s-Peak-foto te maken. De zon laat z’n lachebekje iets na zessen zien en dat is voor ons het teken om de afdaling in te zetten.

Dalen is soms nog vervelender dan klimmen en na een kwartiertje staan we al op onze benen te trillen. Op de terugweg zien we wat we heen allemaal gemist hebben: Boeddha’s, Dagoba’s, watervallen en fantastische vergezichten. Om 07:45 uur zijn we weer beneden en omdat om 08:00 uur een rechtstreekse bus naar Hatton gaat zetten we alles op alles om die te halen. Basil is in geen velden of wegen te zien, dus uitchecken doen we vandaag niet aan. We proppen onze spullen in de rugzakken en lopen zo snel als dat nog gaat naar de bushalte. De bus moet gelukkig nog komen. We hebben zelfs nog tijd om een foto van Sri Pada tegen een strak blauwe lucht te nemen. Dat kunnen niet veel bezoekers zeggen.

De rit naar Nuwara Eliya gaat veel voorspoediger dan de rit naar Dalhousie. De buschauffeur van de bus naar Hatton trapt lekker door. We zitten in de bus op een 3-zitsbank waarbij Rob in het midden zit. Het plastic van de zitting is zo glad dat hij bij een linkerbocht tegen de linkerdij van Diana aan wordt geperst, terwijl hij bij een rechterbocht tegen de rechterdij van een bevallige verpleegster wordt geslingerd; lucky basterd! Om 09:45 uur zijn we in Hatton, waar we worden overgeladen in de bus naar Nuwara Eliya. Dit is weer zo’n klein k-busje waarin je helemaal opgevouwen zit. Gelukkig is het maar 43km.

De chauffeur van het kleine busje presteert het om anderhalf uur nodig te hebben voor 43km. Enige voordeel is dat we meer tijd hebben om te genieten van de prachtige bergachtige omgeving, en de enorme hoeveelheid theeplantages op de berghellingen. Als we om 11:30 uur uitstappen moet eerst de bloedsomloop in de benen weer een beetje op gang komen. We charteren weer een tuktuk en laten ons bij ons hotel voor de komende 2 nachten afzetten. Dit is het tegenovergestelde van wat we gisteren hebben meegemaakt. De dame bij de receptie is attent en de kamers zijn spic-en-span. Het is een beetje zo’n hotel in klassiek Engelse stijl; beetje posh. Dit lijkt ons wel wat!

Nadat we de spullen op de slaapkamer hebben gegooid, doen we een eerste rondje Nuwara Eliya. Dit stadje lijkt op alle andere stadjes waar we geweest zijn; stoffig, betonnig, druk en lawaaierig, maar misschien ontdekken we de pareltjes morgen nog. Op de terugweg naar het hotel laten we ons eerder uit de tuktuk gooien. Het laatste stuk lopen we dan tussen de theeplantages en door kleine gemeenschappen waar je je weer terug in de tijd waant. De kinderen lopen om je heen te springen en de ouderen groeten je vriendelijk. Dit is veel beter dan downtown Nuwara Eliya.

Sri Lanka 1

Maandag 6 november

Op schiphol heeft de douaneambtenaar plaats gemaakt voor een automaat. Paspoort in een gleuf, een camera neemt je foto en je mag door. Dit klinkt fantastisch, maar gaat niet perse sneller. Bij het inchecken waren we gelijk aan de beurt, bij de bagagecontrole konden we onze spullen gelijk in de bakken gooien, maar bij de douane-robot stond een enorme rij. Niet alleen lijken de machines moeite te hebben met scherpstellen, ook de (nog) oudere mede-reiziger had behoorlijk wat moeite met de werking van het apparaat.

Na deze eerste beproeving was het tijd voor een kleine familie-reunie. Samen met Rene drinken we wat bij de bakkerij in Lounge 3. Na wat koetjes en kalfjes gaan we tegen enen naar gate G9. De bigbird van Emirates staat te glimmen aan de slurf. We kijken vanaf een soort luxe kruk naar de drukte op Schiphol in afwachting van de oproep om te gaan boarden.

Het boarden verloopt gladjes en nadat de enorme hoeveelheid passagiers is ingestapt, vertrekken we mooi op tijd. We hebben weer het geluk dat we met z’n tweeen drie ruime zitplaatsen hebben, dus we gaan er maar weer eens goed voor zitten. In de menukaart lezen we dat er tussen kip en rundvlees gekozen moet worden, we gaan allebei voor de kip, maar dat is geen groot succes. Gelukkig hebben we nog een reep chocola in de handbagage gepropt.

Het zeer uitgebreide entertainmetprogramma helpt ons door de vlucht heen en als we na een paar uur weer eens de voortgang van onze vlucht op het scherm bekijken, zien we dat we net Iran binnen vliegen. We volgen de lijn Tabriz, Qazvin, Esfahan, Shiraz, een route die we vorig jaar met de bus hebben gedaan. Piet piloot had ons na het vertrek al beloofd dat we 5 minuutjes na middernacht (Dubai-tijd) zouden landen en hij blijkt een man van de tijd te zijn.

Dinsdag 7 november

Het vliegtuig stroomt leeg en via lift, trein en nogmaals lift bereiken we de vertrekhal voor onze vlucht naar Colombo. We eten een broodje en een bak sla bij Camden food co. en gaan dan op weg naar pier B16. Daar zijn ze al begonnen met inchecken, dus we sluiten maar gelijk aan. De 777 die ons naar Colombo moet brengen zit veel voller dan de 380 van vanochtend. Hier dus geen 3-zits bank voor ons tweeen. We horen de piloot zeggen dat de vlucht naar Colombo iets minder dan 4 uur gaat duren. Een snel rekensommetje levert een aankomsttijd van 08:20 uur op.

De formaliteiten op de luchthaven van Colombo vallen mee en nadat we wat kleurrijk geld hebben gepind en een lokale simkaart hebben gekocht gaan we op zoek naar een bus. De bussen staan niet meer waar ze volgens de Lonely Planet zouden moeten staan, maar met een beetje hulp van wat omstanders vinden we uiteindelijk de fraaie bus. We weten gelijk dat we onze verwachtingen bij moeten stellen, want zulke armetierige bussen hebben we nog niet vaak gebruikt voor de langere afstanden. Na een kwartiertje is het oude barrel redelijk vol gestroomd en gaan we op weg. Het verkeer is hier net zo hectisch als in India of Thailand, maar na een uur staan we dan toch op het busstation van Colombo. Dan nog een paar minuten met de tuktuk naar ons hotel en onze reis van ruim 21 uur zit erop.

Na een bak koffie een een vruchtentaartje gaan we dan maar te voet op pad. Eerst even door het oude Nederlandse ziekenhuis en dan op zoek naar de Clocktower omdat deze bezienswaardigheden op een steenworp van ons hotel zijn. In de buurt van de Clocktower worden we aangesproken door een man die zegt dat hij in een naburig hotel werkt. Hij vertelt dat hij naar een grote ceremonie gaat en vraagt of wij dat ook leuk vinden. We hebben niets gepland dus dat lijkt ons wel wat.

We lopen richting de zee, maar na een kwartiertje vragen we hoe ver het nog is. Hij zegt dat het in een ander wijk is, dus we besluiten dan maar een tuktuk te nemen. Hij gaat met ons mee. Onderweg wijst hij ons nog op een mooie Hindoeistische tempel, waar we even stoppen voor een foto.
Na zo’n 10 minuten komen we bij de tempel aan waar de ceremonie zou zijn. We gaan naar binnen, maar van een ceremonie is weinig te merken. Het is ook eigenlijk geen ceremonie, zegt hij dan, maar het is heel speciaal dat je hier naar binnen mag; dat kan maar twee keer per jaar. Op ons ticket lezen we dat we bij het Gangaramaya klooster zijn en dat is inderdaad een plek die in de reisboeken aangeraden wordt. We lopen een minuut of 10 rond en behalve mooie Boedhas, een oude boom en een olifantenkop aan de muur, zie we ook veel oude Hollandse ‘troep’; wapens, sieraden en VOC-servies staan opgesteld in vitrines.

We kruipen weer in de tuktuk en laten ons naar de Pettah-markt brengen, daar aangekomen schrikken we van de prijs die de tuktuk chauffeur vraagt; bijna 25 euro voor iets meer dan een half uurtje toeren. Nu blijkt ook dat ‘de man van het hotel’. onder een hoedje speelt met de tuktuk chauffeur.  We gaan niet accoord met die prijs en bluffen dat ze de politie er maar bij moeten halen. We gaan op een hekje zitten en vragen nogmaals om de politie. Inmdiddels is er al 5 euro van de prijs af, maar het is nog steeds te veel. Na nog wat heen-en-weer geschreeuw komen we uiteindelijk op de helft uit. Nog steeds te veel, volgens ons, maar we laten het er maar bij.

Voordat we naar de Pettah-markt gaan, lopen we nog even naar het treinstation. We weten niet goed hoe het ‘werkt’ met treinkaartjes in Sri Lanka, dus vragen we het na bij een man van de informatiebalie, Hoewel hij ons een auto met chauffeur probeert aan te smeren, adviseert hij uiteindelijk om de treintickets van de populairste treinreisjes, zo vroeg mogelijk te kopen; met al die toeristen kunnen die snel uitverkocht raken. Zo gezegd, zo gedaan. We gaan in de rij staan bij het ticketloket en als we eindelijk aan de beurt zijn kopen we de tickets voor overmorgen naar Anuradhapura. Dan gaan we bij een ander loket weer in de rij staan voor de treintickets naar Ella op 19 november. Na deze geduld-test steken we de weg over en gaan het marktgebouw binnen.

De markthal en de kramen er omheen zien er nogal verwaarloosd uit. De marktkooplui proberen hun koopwaar nog wel zo mooi mogelijk uit te stallen, maar nu het tegen het eind van de markt loopt, is er weinig eer aan te behalen. We besluiten dat we hier morgenvroeg nog maar even naar toe moeten. We wisselen nog wat vriendelijkheden uit met de kooplui en lopen dan terug naar ons hotel. Net voordat we bij het Hilton hotel zijn, woren we dan weer aangesproken door een aardige man. Hij wil weten waar we vandaan komen en als we zeggen dat we uit Nederland komen, vertelt hij dat z’n vader in Nederland woont en dat die helemaal gek is van de TT in Assen. Dan neemt het gesprek een hele vreemde wending; hij vraagt nl. of we naar het Gangaramaya klooster willen omdat daar zo’n mooie ceremonie plaats vindt. We zeggen dat we daar toevallig al geweest zijn en dat we daar niet nog een keer heen gaan. We lopen dan weg bij de man en als we even later omkijken zien we een tuktuk chauffeur naar hem toe rijden. De twee mannen spreken met elkaar en rijden dan samen in de tuktuk weg, waarschijnlijk op zoek naar een volgend slachtoffer.

Woensdag 8 november

We worden rond 8 uur wakker en het lijkt erop dat we de vlucht behoorlijk verwerkt hebben. We nemen een ontbijtje in de koffiebar bij het hotel en maken ons dan op voor een rondje Colombo. Als eerste staat de Pettah-markt op het programma. Het is een hele toer om er te komen; het verkeer is druk en lawaaierig en op het ‘trottoir’ is het ook een gekkenhuis. In de buurt van de markt staan vrachtwagens die vol worden geladen en dat is allemaal nog handwerk. Het is een enorme bedrijfigheid en we moeten uitkijken dat we niet omver gereden worden door de langwerpige karren waarmee de vracht wordt aangevoerd.

De markthal is al even druk en bovendien volgestouwd met vnl. groente en fruit. De kooplui doen weer hun uiterste best om het er allemaal smakelijk te laten uitzien. We worden regelmatig aangesproken, hoewel het Engels vaak niet verder gaat dan ‘Hello’ en ‘where you from’. Colombo is duidelijk geen stad die overspoeld wordt met toeristen, want wij zijn er vanochtend nog niet een tegengekomen op de markt. Na de Pettah-markt steken we de drukke hoofdstraat over naar de Manning-markt waar we gisteren ook al even waren. Ook hier weer veel groente en fruit. De open zolders liggen volgestouwd met lege dozen en kratten en in sommige delen van de markt zijn de muren opgevrolijkt met een fel kleurtje.

Het is weer drukkend warm vandaag, dus we besluiten eerst maar een sapje te gaan drinken. Onder het genot van een groot glas sinaasappelsap bedenken we welk deel van Colombo we nu willen gaan bezoeken. Het wordt de religie-route die iets ten noorden van Pettah ligt.

We lopen eerst naar de Wolvendaalkerk, omdat die het verste weg ligt. We hebben ongeveer een half uurtje nodig om er te komen en slingeren onderweg ook nog even langs de grote moskee die in de steigers staat. De Nederlands gereformeerde Wolvendaalkerk is een beetje vreemde verschijning in het straatbeeld van Colombo, maar de buitenkant heeft zich wel aangepast aan het lokale klimaat. De witte muurverf is er slecht aan toe en groeit overal mos aan de muren. Binnen is het een typische Nederlandse kerk incl. preekstoel en kerkbanken. De informatieborden zijn allemaal ook in het Nederlands vertaald, want de kerk zal voornamenlijk door Nederlanders bezocht worden. In en rond de kerk zijn nog graven uit de 18e eeuw waarvan de grafstenen in het Nederlands zijn.

Na de Nederlands gereformeerde kerk is het de beurt aan Hindoeïstische tempels. We stoppen onderweg nog even bij een bakkertje en happen een paar stukken vers gebakken cake weg. Niet veel verder stuiten we dan op de tempels. Rondom de tempels worden bloemenslingers verkocht die als offer kunnen dienen. De tempels zijn rijk gedecoreerd, maar helaas wel gesloten. We maken wat fotos van de buitenkant en gaan dan op weg naar de volgende geloofsgemeenschap.

Aan de 2nd Cross Street staat de Jami Ul Alfar moskee. Deze rood-en-wit geschilderde moskee is een imposante verschijning en in tegenstelling tot de meeste andere gebouwen verkeert de moskee in zeer goede staat. Volgens goed Moslim-gebruik mag Diana niet mee naar binnen, dus Rob kan eindelijk eens iets in alle rust bewonderen. Die Moslim-mannen hebben dat best goed voor elkaar! Nadat we we de moskee uit alle hoeken gefotografeerd hebben, gaan we op weg naar de laatste geloofsovertuiging.

De Seema Malakaya tempel is te ver om te lopen (of wij zijn inmiddels te moe om te lopen), dus we duiken in een tuktuk en laten ons voor de tempel afzetten. Deze Boeddhistische tempel staat op een vlonder in een meertje en rondom het hoofdgebouw zijn vele gouden Boeddhaatjes te vinden. Er heerst een serene rust temidden van het voortrazende verkeer. Electriciens (mannen met een schroevendraaier) zijn druk bezig het tempeltje aan de buitenkant te voorzien van honderden buitenlampjes. Het zal een fraai gezicht zijn als al die lampjes op het meertje aan gaan. Hiermee zit onze religie-tour erop en hebben we wel een versnapering verdient.

We hebben nog niet veel van Colombo-aan-zee gezien, dus dat lijkt ons wel een goede plek voor de lunch. Rond 2 uur ploffen we neer bij bistro Sugar aan Galle Road. Onder het genot van een drankje en de airco komen we weer op krachten. De voortreffelijke sandwich helpt ook. Drie kwartier later staan we weer buiten en gaan we op weg naar Galle Face Green. Dit is de plek waar de bevolking van Colombo graag hun weekenden doorbrengt. De zee beukt hier op de kade, dus we besluiten er maar niet in te duiken. Er is veel hangjeugd op de boulevard en een aantal knapen wil een selfie met ons maken. Even ons haar in de scheiding en ‘cheese’!

Iets na drieën begint het te druppelen en dat is voor ons het teken om terug naar het hotel te gaan. Al snel merken we dat we het niet droog genoeg gaan houden, dus duiken we in een tuktuk. Een paar minuten later zijn we redelijk droog bij het hotel. Even bijkomen!

‘s-Avonds zijn er optredens van meerdere lokale bands bij ons hotel. Dit alles in het kader van de Street Jam festiviteiten. Er wordt groots uitgepakt; de straat wordt afgezet en er worden houten tafels met bijbehorende banken op straat geplaatst en als klap op de vuurpijl gaat de bbq aan. Let the party begin! Al snel wordt duidelijk dat deze bands het niet tot de MTV awards zullen schoppen, maar de lokale rastafari brengt een hele degelijke Bob Marley op de buhne. Het bier stroomt rijkelijk, dus het was nog lang onrustig onder onze hotelkamer.

Donderdag 9 november

Vanochtend konden we lekker uitslapen, want de trein naar Anuradhapura vertrok pas om 11:50 uur. Na het ontbijt lopen we nog wel even naar het presidentieel paleis, want dat hebben we gisteren moeten missen door de stortbui. Het is prachtig weer vanochtend, dus nadat we het paleis hebben vastgelegd lopen we nog even door naar zee, waar we nog even mensen kijken. Rond 10:30 uur lopen we terug naar het hotel en onderweg drinken we nog even een ijskoude cola bij een koude Burger King. We kijken even terug op dit korte stedentripje Colombo en zijn het niet eens met het veel gehoorde advies om deze stad te mijden. Wij vonden het er heerlijk.

Terug bij het hotel pakken we onze rugzakken, checken uit en laten ons door een tuktuk bij het station van Colombo Fort afzetten. Op de borden lezen we dat we op perron 3 moeten zijn. We zijn erg op tijd, dus dat geeft ons de kans dit oude treinstation even te verkennen. Wat ons op het treinstation vooral opvalt is de beroerde toestand waar de treinen in verkeren. Wij hoeven toch niet 4 uur in zo’n barrel te zitten? Wat ook opvalt is dat de treinen allemaal mooi tijd vertrekken. Je zit dan wel in een soort veewagen, maar ze rijden mooi op tijd.

Voor onze trein geldt alles wat hierboven staat; het is een oud barrel met aangevreten stoelen, maar we vertrekken mooi op tijd. De indeling van de trein is ongeveer gelijk aan die in Nederland. Het grootste deel van de zitplaatsen zijn 2-persoons banken en soms staan er twee bankjes tegenover elkaar. Wij zitten in die laatste opstelling, maar omdat tegenover ons een oud Sri Lankaans stel zit, kunnen we het potje klaverjassen wel op onze buik schrijven. De deuren van de trein blijven openstaan en dat is best lekker in deze hitte. De catering aan boord is best goed verzorgd. Verkopers lopen af en aan door de trein met hapjes en drankjes. Vooral de licht gefrituurde garnalen-hapjes met uienring smaken erg goed, maar ook de pelpinda’s zijn lekker.

De eerste paar uur van de reis zit de trein niet helemaal vol, dus pakken we ieder een eigen bankje. Zo kunnen we ook allebei van het uitzicht genieten. Het landschap bestaat grotendeels uit rijstvelden, afgewisseld met palmen. Heel af en toe verschijnt er iets wat op een heuvel lijkt, maar het grootste deel van het landschap is heel Nederlands-vlak. We razen door kleine dorpjes met buitenaardse namen als Walpolla, Ganemula en Yagoda en heel af en toe stopt onze intercity bij een grotere stad. De trein wordt steeds voller en de laatste twee uur zitten we knus tegen elkaar aan gedrukt op ons eigen bankje. De uren vliegen voorbij in onze eigen romantische Orient Express.

Om 16:10 uur rijden we het station van Anuradhapura binnen. We springen in een taxibusje en laten ons naar Lulu’s Resort brengen. Dit klinkt heel luxueus, maar je mag blij zijn als je warm water hebt. We gooien onze spullen op de kamer en gaan op zoek naar het bruisende deel van deze stad. We drinken eerst nog even een verse jus bij restaurant The Walkers en lopen dan naar downtown Anuradhapura. Onze verwachtingen blijken iets te hoog gespannen. In de stoffige hoofdstraat van Anuradhapura is geen restaurant, bar of andersoortige gelegenheid waar je iets kan drinken, te vinden. We besluiten terug te gaan naar het enige restaurant van deze stad: The Walkers.

Het mag dan het enige restaurant van de stad zijn, het eten bij The Walkers is voortreffelijk. Verschillende soorten rijst, groenten, kip, vis, dal en nog wat onduidelijkere substanties liggen in bakken klaar om opgeschept te worden. We kiezen allebei een aantal gerechten en laten ons bordje opwarmen in de magnetron. Wanneer we een hap hebben genomen, zijn we niet meer te stoppen; heerlijk! Na het eten bestellen we een bakje thee, maar daarbij maken we een klassiek Sri Lanka-beginners fout. We vergeten nl. te zeggen dat we black tea willen, dus we krijgen een bakje thee met melk en suiker. We passen ons maar een keer aan en drinken het meeste van het bakkie thee op. Hier leer je van.

Vrijdag 10 november

Vandaag zijn we vroeg op, want een rondje door de Sacred City kost gauw een paar uur. We proppen het ontbijt naar binnen (incl. de specialiteiten uit Sri Lanka) en tegen 08:30 uur zitten we op onze made-in-China fietsjes. Het is altijd weer even wennen als je aan de linkerkant moet rijden, dus de eerst paar honderd meter rijden we als een bejaarde op een e-bike.

Anuradhapura was de eerste hoofdstad van Sri Lanka en om die reden zijn hier nog zoveel tempels te vinden. Het is een half uurtje fietsen naar de ticketoffice. In Sri Lanka weten ze inmiddels dat je hoge prijzen kunt vragen voor de entree van bezienswaardigheden, dus we kijken niet gek op als we 20 euro p.p. moeten aftikken. We kopen ook nog even een kaart van de sacred city en de verkoper is zo vriendelijk om de ‘route’ er op aan te geven. Laten we die dan maar volgen.

We karren eerst naar de Ruvanvelisaya dagoba. Als we naar de dagoba lopen, springen de apen met ons mee. Dat wordt uitkijken, want de apen hebben het gemunt op alles wat eetbaar is. Deze dagoba is jaren geleden herbouwd, nadat binnenvallende Indiase troepen het origineel hadden gesloopt. Deze dagoba ziet er daarom redelijk nieuw uit. Bij de herbouw hebben ze zich helaas niet aan het originele ontwerp gehouden, waardoor de druppel-vorm is verdwenen. Rondom de dagoba staat een muur waarin olifanten zijn verwerkt. Het is een komen en gaan van gelovigen bij deze dagoba en de meesten zijn in het wit gekleed en hebben de bloem van de blauwe waterlelie (de nationale bloem van Sri Lanka) bij zich als offergift. We lopen samen met de gelovigen een rondje om de dagoba en maken ons dan op voor de wandeling naar het heilige der heiligen.

Over een breed voetgangerspad lopen we de 250 meter naar de Sri Maha Bodhi Tree oftewel de boom van Boeddha. Dit is dus de heiligste plek van de stad en de oudste boom ter wereld. In de 3e eeuw B.C. Is hier een twijg geplant van de boom waaronder Boeddha in Gaya (Noord-India) de Verlichting ontving. Ook hier weer veel gelovigen in het wit die bidden onder de takken van de heilige boom. We zien niet zo veel van de boom, want deze is omgeven door muren en je kunt er niet dichtbij komen. De sfeer is hier wel heel sereen en religieus. Deze sfeer wordt tijdens ons bezoek wel een beetje verstoord door een groep kleuters die hier hun schoolreisje gepland hadden. Na een rondje om de boom wandelen we weer terug naar onze fietsen. We drinken wat en gaan dan op weg naar de volgende bestemming op de kaart.

We komen eerst bij de Thuparama dagoba. Het is hier een stuk rustiger dan bij de Ruvanvelisaya dagoba, maar deze dagoba is ook lang niet zo indrukwekkend, terwijl het wel (de lokatie van) de oudste dagoba van Sri Lanka is. Hier werd ooit zelfs het sleutelbeen van Boeddha bewaard (echt wel!). We fietsen door naar de Lankaramaya dagoba, die van hetzelfde formaat is als de Thuparama dagoba. Ook hier even een kort rondje om de dagoba en dan weer verder met de fiets.

Na een tiental minuten fietsen komen we bij de Mahasena tempel. Van dit oude kloostercomplex is niet veel meer over, maar de maansteen die hier ligt wordt beschouwd als de mooiste van het land.

Van de maansteen fietsen we naar de Abhayagiri dagoba. Dit was ooit de mooiste, de grootste en de hoogste, maar de dagoba was door de tand des tijds aangetast en door de begroeiing  verzwolgen, waardoor een renovatie noodzakelijk was. Nu is de dagoba nog maar 75 meter hoog. Net als we weer op de fiets willen springen begint het te regenen. We besluiten deze bui onder het dakje bij de liggende Boeddha af te wachten. Het is een pittige bui, maar na een minuut of 10 kunnen we weer verder.

We komen bij de Samadhi Boeddha, waar we even snel een fotootje maken van het Boeddhabeeld. Op een bord staat dat je niet met je rug naar het Boeddhabeeld mag staan, dus hier geen selfie met de Boeddha. Voordat we verder fietsen nemen we een verse jus bij een stalletje en als we verder willen fietsen barst de hemel alweer los. Er zit niets anders op dan nog maar even op het bankje te blijven zitten. Als het een tiental minuten later weer droog is fietsen we naar de overkant om de Kuttam Pokuna te bekijken. Dit waren de waterbekkens waar hoge functionarissen zich wasten. Deze baden zijn nog in goede staat hoewel er op het moment van ons bezoek alleen een schildpad aan het badderen was.

We zijn alweer aan onze laatste bezichtiging toe: de Jetavanarama dagoba. Toen ze gebouwd was, was deze constructie de grootste van de stad. Ze was meer dan 150 meter hoog en de spits was versierd met edelstenen. Nu is er een grootschalige renovatie aan de gang. We lopen rond de voet van de dagoba en zien in de verte donkere wolken aankomen. Het is tijd om weer op de fiets te springen en terug naar ons hotel te gaan.

We zitten nog geen 10 minuten op de fiets als de sluizen opengaan. We zoeken de grootste boom in de omgeving op en proberen daar droog te blijven. De bui is dit keer echter niet van korte duur en de hoeveelheid water die naar beneden komt is niet normaal. Dikke vette druppels zorgen ervoor dat onze kleding binnen 5 minuten doorweekt is en als we er 5 minuten later nog staan beginnen we ons zorgen te maken voor onze camera’s. We hebben van alles bij ons voor dit soort situaties: poncho’s, regenjassen, plastic zakken, paraplu’s, maar alles ligt nog in het hotel (!). Na nog weer 5 minuten beginnen we de hoop op een goede afloop net op te geven als er een tuktuk stopt. De chauffeur stelt voor om ons en de fietsen in de tuktuk te proppen en ons terug te brengen. Dit slaat natuurlijk nergens op, maar we hebben geen keus. We duwen de fietsen en ons zelf in de tuktuk en gaan op weg naar Anuradhapura.

Een vijftal minuten later komen we langs The Walker en we vragen de tuktuk chauffeur ons er daar uit tegooien. We bedanken hem voor deze redding en als verzopen katten nemen we plaats in ons favoriete restaurant. Eerst maar een happie eten.
We gaan ‘s-middags niet meer naar Mihintale, Het blijft maar regenen en we hebben geen plek meer in onze kamer om de was te drogen. We lezen wat en ‘s-avonds gaan we weer eten bij het enige restaurant van dit dorp.

Zaterdag 11 november

Als Diana om 07:30 uur de gordijen opzij duwt, ziet ze dat de zon schijnt. We besluiten om vanochtend dan nog maar even naar Mihintale te scheuren. Even snel een ontbijtje naar binnen werken en dan op zoek naar een tuktuk. We spreken een prijs af met de chauffeur en hij geeft gas. Mihintale is de plek waar Mahinda, een leerling van Boeddha zich vestigde, om het woord van zijn meester te verspreiden. In de 3e eeuw B.C. liet koning Dewanampiya Tissa zich bekeren tot de Boeddhistische leer en hij sleepte zijn onderdanen mee in dat avontuur.

Om 09:15 uur staan we onderaan de trappen die uiteindelijk leiden naar de dagoba Mayaseya. Daar waar de heilge stad van Anaradhapura vlak was, moeten we voor Mihintale behoorlijk klauteren. De zon schijnt vanochtend, dus de temperatuur loopt snel op. We beklimmen de brede trappen en worden daarbij begeleidt door apen. Altijd uitkijken, want voor je het weet ben je een tas kwijt. We kopen een kaartje op het eerste plateau en bezoeken daar de oude eetzaal, de relikwieënzaal en de conferentiezaal. Dan is het tijd om een volgende, smallere trap te nemen naar het hoogste plateau.

We komen bezweet aan op het tweede plateau, maar durfen niet te klagen na die bui van gisteren. Dat is wel weer typisch Hollands; regent het, dan lopen we te klagen, maar zweet je uit je broek, dan is het ook weer niet goed. We bezoeken op dit hoogste plateau eerst het waterbekken dat de monniken hier hebben aangelegd. Op deze manier hadden ze altijd drinkwater, ook in het droge seizoen. Daarna lopen we rond de dagoba Ambasthale. Op deze plek zou de ontmoeting tussen Mahinda en koning Tissa hebben plaatsgevonden. Vandaag heeft een juf samen met haar klas deze plek uitgekozen om het e.e.a. te leren over het Boeddhisme. Ze weten hier wel leuke plekjes voor buitenlessen te vinden. Het lijkt de kinderen te motiveren, want ze zeggen de juf feilloos na.

We klimmen dan ook nog even naar een enorme witte Boeddha en genieten daar even van het fantastische uitzicht over de uitgestrekte groene vlakte. Net als we dan de klim naar een hoge rots aan de ander kant van het plateau willen inzetten, begint het toch weer te druppelen. Wij nemen geen risico meer, doen onze paraplu op (we hebben inderdaad ons lesje geleerd) en gaan terug naar de tuktuk. We hebben geen zin om straks tweeëneenhalf uur nat in de bus naar Dambulla te moeten zitten. Onze chauffeur ziet ons in de verte al aankomen en start z’n groene bakkie. Vol gas terug naar Anuradhapura.

Bij ons hotel aangekomen vragen we onze chauffeur even te wachten zodat we onze rugzakken kunnen pakken en hij ons gelijk even op het busstation kan dumpen. Een paar minuten later zijn we al weer onderweg en weer een minuut of 5 later staan we al op het busstation. De bus naar Dambulla staat op het punt van vertrekken en de bijrijder maakt druk gebarend duidelijk dat we op moeten schieten. Diana trekt nog een sprintje naar een kioskje waar ze wat drinken en koekies koopt, dan snel de bus in en rijden met die bak.

We stoppen nog een paar keer in downtown Anuradhapura om wat mensen op te pikken en als de bus aardig vol zit geeft de chauffeur gas en rijdt hij alsof zijn leven ervan afhangt richting Dambulla. Ondertussen komt de man met de kaartjesmachine langs; 2 kaartjes Anuradhapura – Dambulla, dat is zo’n 65 km, kosten ons 218 roepie, omgerekend 1 euro 22 cent: geen geld! Het ritje gaat zo’n 2 uur duren, dus we hebben alle tijd om de kunsten van onze chauffeur te volgen en die zijn niet mis. Op elk stukje vrij asfalt gaat zijn voet helemaal naar beneden en zijn hand gaat bijna niet van de claxon af. Alles wat kleiner is dan zijn bus, toetert hij van de weg af en net als wij denken dat zo’n rijstijl hier normaal zal zijn, wordt de bus tot stoppen gebracht door oom agent; bekeuring! Veel indruk maakt dit bonnetje overigens niet, want als we een paar honderd meter verder zijn, gaat het alweer als vanouds.

Rond enen worden we aan de stoffige hoofdstraat van Dambulla uit de bus gekieperd. We nemen de eerste de beste tuktuk die zich aanbiedt en laten ons naar het hotel brengen. Dit hotel is pas een paar maanden open en er wordt nog druk gebouwd aan de  voltooing van het hotel. Onze kamer is helemaal klaar, met een mooie badkamer met stortdouche, airco en kingsize bed. Lang gaan we daar nu niet van genieten want we willen de grotten van Dambulla nog bezoeken. Camera’s mee, wat geld op zak en gaan maar weer.

We besluiten naar de grotten te lopen, want dan zien we ook nog wat van het bruisende Dambulla. In Dambulla gebeurt alles eigenlijk aan de centrale weg die de stad doormidden snijdt. Zoals overal vloegen de tuktuks aan alle kanten voorbij, maar over. deze weg gaat ook veel vrachtverkeer. Dambulla is het geografische centrum van het land en vooral bekend vanwege de enorme fruit- en groentenmarkt. Hier wordt een groot deel van de verse voedingswaren voor bijna alle steden in het land verhandeld. We laten de drukke markt dit keer nog links liggen want de grotten zijn ons doel.

Net voorbij de markthallen worden we aangesproken door een tuktuk chauffeur. Hij maakt ons duidelijk dat de ticketoffice nog wel een paar kilometer lopen is. We denken dat hij vooral voor eigen parochie spreekt, maar laten ons toch overhalen om in te stappen (het kost toch geen drol). Even later moeten we hem toch gelijk geven, want het ticketoffice was erg ongelukkig, ergens achteraf gelegen. Terwijl we een beetje met hem aan het kletsen zijn, vraagt hij of al vervoer hebben naar Sigiriya. Dat hebben we nog niet, dus we vragen wat hij daarvoor rekent. Zijn prijs ligt lager dan de prijzen die we eerder hoorden dus we gunnen hem deze rit. We spreken af dat hij ons overmorgen om 07:30 uur ophaalt bij het hotel. We zijn benieuwd of dit goed gaat komen.

We kopen onze toegangstickets voor de grotten en omdat ook deze bezienswaardigheid hoog is gelegen, klauteren we weer via een stenen trap omhoog. Onderweg weer de begeleiding van aapjes en af en toe stoppen om van het uitzicht te genieten. Als het heel helder weer is, zou je Sigiriya moeten kunnen zien liggen. Helaas is dat vandaag niet het geval. We laten onze kaartjes knippen bij de toegangspoort en gaan dan op weg naar de eerste grot. Er zijn best nog wat toeristen bij de grotten, maar het lijkt erop dat de ergste drukte al voorbij is.

In grot 1 ligt een granieten Boeddha uit de eerste eeuw B.C. Deze Boeddha is dood, dat kun je aan z’n voeten zien die niet helemaal evenwijdig zijn. Hij heeft het Nirwana bereikt. De fresco’s zijn niet in al te beste staat, maar die stammen ook uit de 18e eeuw. Op naar grot 2; de mooiste en grootste van de 5. Deze grot is wel 50 meter lang en 3 tot 6 meter hoog. Ook hier ligt een Boeddha, maar dit keer met evenwijdige voeten en de ogen wijd open: hij rust. Er staan tientallen beelden in de grot, waarvan ruim 50 uit de 1e eeuw. We zijn wel even zoet met grot 2 en het lijkt er inderdaad op dat de grootste groepen toeristen inmiddels al weer in de bus zitten, want we hebben de grot bijna voor ons alleen. Goede timing! In grot 3 ligt opnieuw een Boeddha, geflankeert door een vijftigtal kleine Boeddha’s. Grot 4 is een stuk kleiner, maar het is wel de plek van de eerste tempel. De fresco’s verkeren in slechte staat, dus we hoppen snel door naar grot 5. Hier opnieuw een liggende Boeddha, maar verder niet zoveel boeiends te zien. We besluiten nog maar even terug te lopen naar grot 2 omdat die verruit de boeiendste was. Als we uit grot komen zien we dat het weer regent, dus we hebben aaaaaaaalle tijd voor grot 2. Het is hier fantastisch, zeker nu er geen andere toeristen meer rondlopen. Wat een prachtige beelden en wat een kleurrijke muur/plafondschilderingen. Dit is een top-site.

Als de stevige bui bijna is opgedroogd gaan we op weg naar de grote gouden Boeddha. Dit was een geschenk van Thailand, Korea en Japan. Ze hebben het groots aangepakt, want met 30 meter is dit een van de grootste Boeddhabeelden ter wereld. Omdat het nog steeds een beetje regent, laten we deze Boeddha maar voor wat het is. We hebben morgen of overmorgen nog wel even tijd voor een bezoekje.

Zondag 12 november

We zijn behoorlijk vroeg uit de veren omdat we vandaag naar Polonnaruwa gaan. Deze stad ligt ongeveer 70 km van Dambulla, dus dat is zeker anderhalf uur bussen. Het ontbijt smaakt heerlijk en als we het fruithapje, de toast met jam en de omelet naar binnen hebben gewerkt, gaan we op zoek naar een bus naar Polonnaruwa. Als we op de bus staan te wachten, komt er natuurlijk weer een tuktuk chauffeur op ons af die voor een aantrekkelijk prijsje wel met ons naar Polonnaruwa wil gaan. Dat heeft alleen maar voordelen, volgens hem. Wij zien het niet zo zitten om 2 uur heen en 2 uur terug in een tuktuk te rammelen, dus slaan zijn aanbod af. We hebben uiteindelijk de bus van 09:30 uur en nemen plaats op de achterbank.

Onderweg hebben we ons eerste olifant-momentje. Met 70 km/uur scheuren we voorbij een zandpaadje waar 2 van die kolossen stonden geparkeerd. Het was niet veel en vooral kort, maar we hebben ze gezien. Hoewel het ritje naar Polonnaruwa maar anderhalf uur duurt, vindt de chauffeur het toch nodig om even een plaspauze in te lassen. Toevallig is dit bij een winkeltje waar ze eten en drinken verkopen. Zal wel een familielid van hem zijn die hier de boel runt. Wij tikken een zak popcorn op de kop en kopen er een flesje drinken bij. Hebben we zo wat te doen in de bus.

Na een uur en drie kwartier stopt de bus in Polonnaruwa, precies op een plek waar ze fietsen verhuren. Voor we het weten zitten we op de fiets, op weg naar de ticketoffice. Het is dan nog een paar honderd meter over de openbare weg en dat is weer een beproeving. Bussen, vrachtwagens en tuktuk’s scheuren vlak langs je heen. Je moet hier geen foute beweging maken, want dan heb je wel een ladder in je panty. Bij de ingang van de site steken we snel over en laten ons ticket stempelen. Wij zijn er klaar voor.

Polonnaruwa was na Anuradhapura de tweede hoofdstad van Sri Lanka en werd in de loop der jaren vergeten en door de jungle overgenomen. Polonnaruwa werd gesticht in de 11e /12e eeuw en is daarmee veel nieuwer dan Anuradhapura, maar waar de tempels van Anuradhapura nog actief zijn, vervult geen enkele tempel van Polonnaruwa nog een religieuze functie. Op advies van de portier gaan we bij de ingang eerst rechtsaf voor een bezoek aan het koninklijk paleis en gezien het grote aantal auto’s, bussen en fietsen volgt iedereen dat advies op. Net als bij Anuradhapura, Mihintale en de grotten van gistermiddag zitten ook hier de apen alweer op ons te wachten.

Het koninklijk paleis heeft nog steeds de uitstraling van een machtig gebouw, ook al zijn er nog maar restanten van 2 van de 7 verdiepingen over. De muren die nog overeind staan zijn wel 2,5 meter dik. We proberen ons een voorstelling te maken van hoe dit geweest moet zijn; een paleis met 1000 kamers en rondom woningen van de dienstboden. Al te lang willen we er ook niet over nadenken, want het voorhoofd begint al aardig te smelten. Wat is het toch warm als die zon zich ermee begint te bemoeien. De nabij gelegen raadzaal, waar de koning met zijn ministers vergaderde, is zeker zo mooi. Vooral de gebeeldhouwde fries met olifanten, roofdieren en dwergen is bijzonder .

We verlaten het terrein van de koning en gaan op weg naar het Terras van de Tand. De naam heeft deze vindplaats te danken aan de Hatadage tempel. Hier werd de tand van Boeddha lange tijd bewaard. De bouwstijl van deze tempel valt op. Net als in Cuzco (Peru) sluiten de stenen van de tempel zo mooi op elkaar aan, dat cement overbodig was. Het is enorm druk op het terras en we beseffen ons ineens dat het zondag is. Er gaat natuurlijk niets boven een dagje Polonnaruwa op je vrije zondag. We vertragen ons tempo een klein beetje zodat we tussen groepen bezoekers in komen te zitten. Hierdoor hebben we af en toe de bezienswaardigheden weer helemaal voor onszelf.

Op het terras staat ook de Vatadage. Deze relikwieenkamer is een van de oudste en mooiste gebouwen van Polonnaruwa. De dagoba is bereikbaar via trappen op de hoofdwindrichtingen. Deze trappen hebben mooie maanstenen en bovenaan de trap kijken vier zittende Boeddha’s naar de vier windrichtingen. Na de Vatadage bezoeken we nog deAtadage tempel, de oudste van Polonnaruwa, de Raadzaal, de Thuparamatempel en de Sat Mahal Prasada. Als je meer wilt weten over deze temples: GA naar Sri Lanka!

Na een korte pitstop bij een stalletje naast Het Terras, vervolgen we onze weg noordwaarts. We brengen een bliksembezoek aan Rankot Vihara, een immense dagoba van 50 meter hoog en helemaal bekleed met baksteen. Deze dagoba is helemaal in de stijl van Anaradhapura, dus maak ik daar nu niet meer woorden aan vuil. Van hier fietsen we verder naar de Lankatilaka, een tempelgebouw uit de 12e eeuw dat wel wat weg heeft van een kathedraal. Achterin staat een 18 meter hoge Boeddha, maar die heeft z’n hoofd er niet bij kunnen houden (en niemand weet waar die is). Voor ons is dit het mooiste gebouw van Polonnaruwa.

Als laatste bezoeken we de Kalu Gal Vihara. Hier zijn 4 beelden uit een enorme graniten wand gehouwen. Helaas wordt deze bezienswaardigheid beschermd door een lelijk metalen dak. Het indrukwekkendste beeld is een 15 meter lange liggende Boeddha. Hij ligt op z’n rechterzij en wij, als kenners, zien aan z’n voeten dat hij dood is. Hij is overigens niet gestorven door de twee kogels die in z’n dij zijn ingeslagen. In de 19e eeuw schoot een te fanatieke Brit op de beroemde Boeddha en raakte hem daarbij 2x en de littekens zijn nog altijd zichtbaar! Naar het schijnt, vluchtte de dader de jungle in, maar daar stuitte hij op een boze olifant en die blies zijn verhaaltje uit; vermorzelt door een trap van een olifant!

Met dit spannende verhaal eindigt ons bezoek aan Polannaruwa en hoewel minder religieus dan Anaradhapura, zeker zo boeiend. Weten nog een rotti met groentenvulling (very hot) en fietsen daarna langs de laatste ruines naarde uitgang. De uitgang bevindt zich nog verder weg van de bushalte dan de ingang, dus met zweet in de bilnaad trappen we onze fietsjes op het randje van het asfalt terug naar onze fietsverhuurder. We leveren de fietsjes ongeschonden weer in en gaan dan aan de overkant van de weg op de bus naar Dambulla staan wachten. Rond 15:00 uur komt nr. 48 aangescheurd. We steken onze hand omhoog en met krakende remmen komt hij tot stilstand. We springen erin, zoeken een plekje en hebben dan anderhalf uur de tijd  om na te praten over Polannaruwa.

Maandag 13 november

We zitten vanochtend al om 06:45 uur aan de ontbijttafel, want we willen niet te laat bij Sigiriya zijn. Dit is voor de meeste Sri Lanka toeristen een must-see, dus er kan enige filevorming zijn. We zitten vandaag niet meer alleen bij het ontbijt, want er is gisteren een groep Duitse toeristen gearriveerd. Toch wel gezellig. Na het ontbijt gaan we nog even de tandjes poetsen en als we buiten komen, blijkt onze tuktuk chauffeur er al te zijn. We hadden met hem afgesproken toen hij ons naar de grotten bracht, maar het blijft altijd een verrassing of hij dan ook daadwerkelijk komt.

Klokslag drie voor half acht rijden we het zandpad bij ons hotel af richting de ‘Rode Rots’. Onze chauffeur kiest een alternatieve route en gaat dus niet over de grote weg naar onze bestemming. We slingeren tussen rijstvelden door en rijden hele stukken tussen meshoge grassen. Hij stopt bij een kunstmatig meer dat wordt gebruikt voor irrigatie. Hier kunnen we even van het uitzicht genieten. We trekken een foto en gaan dan snel verder naar Sigiriya. Als we het dorpje Sigiriya binnenrijden gaat onze chauffeur vol in het anker. Hij ziet dat er in een klein riviertje aan de rechterkant van de weg olifanten gewassen worden. Dat is natuurlijk wel een extra stop waard. We letten goed op, want dan kunnen we tijdens het vervolg van onze reis misschien ook een keer een olifant wassen.

Een paar minuten later vervolgen we onze weg en iets voor 08:30 draait hij de zandweg bij Sigiriya (De Rots) op en zet ons er bij het museum uit. Hier gaan we onze duurste entree-tickets van deze vakantie kopen, terwijl hij z’n tuk parkeert.
Als we de 4650 roepies p.p. hebben afgetikt, willen we geen minuut verspelen en sluiten we snel aan in de rij toeristen die net dezelfde poot zijn uitgedraaid. Het is ongelooflijk druk; zoiets hebben we in Anuradhapura of Polonnaruwa niet meegemaakt. Tussen de mede-bezoekers zijn zelfs invalide personen die al geholpen moeten worden om een trappetje van 4 treden op te komen. Je vraagt je af hoe zij die smalle metalen trapjes tegen De Rots op moeten komen.
Wij wurmen ons tussen groepen Chinezen, Fransen en Ollanders door om een goede startpositie op de grid te hebben. Als we aan de klim beginnen hebben we het grootste deel van het peleton achter ons gelaten waardoor we in eigen tempo omhoog kunnen naar de top van deze rode monoliet.

Ook achter deze trekpleister schuilt een mooi verhaal. De machtgeile koning Kassapa doodde zijn vader, verjoeg zijn broer en kwam zich hier verschuilen. Op de vlakte liet hij een paleis bouwen en prachtige tuinen aanleggen en op de rots liet hij een citadel bouwen, waar hij tijdens het natte seizoen verbleef en waar niemand hem zou komen zoeken (dacht hij). Om vergiffenis te krijgen en bij Boeddha in de gunst te komen overlaadde hij de monniken met gunsten en voordelen. Ook liet hij vele tempels bouwen. Maar achttien jaar na zijn verbanning keerde de broer, samen met troepen uit India, terug om de moordenaar van zijn vader uit z’n gouden kooi te jagen. Na het vertrek van de koning werd het complex aan de monniken gegeven, die er bleven mediteren.

Mediteren zal er voor ons vandaag niet inzitten, want als we hier de aanvallen van grote wilde wespen kunnen afslaan, de smalle metalen trapjes overleven en ongschonden weer beneden komen, ligt er nog zo’n beklimming in het verschiet, maar daarover later meer! We hadden net een lekker tempo te pakken toen we bij een wenteltrap aankwamen, maar er ging ook nog een pad rechtdoor. Opsplitsen was hier de beste tactiek en Rob nam de lastige wenteltrap wel, terwijl Diana rechtuit ging.

Laat die wenteltrap nu bij de fresco’s De Maagden van Sigiriya uitkomen. Een twintigtal mooie vrouwen met ontbloot bovenlijf van het type DD. Deze rotsschilderingen waren in opdracht van koning Kassapa gemaakt die dus behalve een moorddadige man ook ook een tietenman is.  Omdat dit blog ook door minderjarige kinderen wordt gelezen, kunnen er geen fotos van deze fresco’s worden geplaatst. Na dit kunstzinnige spektakel lopen we door naar de wespen-zone. Grote gele borden waarschuwen al dat, wanneer de grote wespen een bloeddorstige bui hebben, je niet verder mag naar het hoogste plateau. Je moet hier niet te veel lawaai maken. Wij houden ons aan dat advies en lopen op onze tenen door deze kill-zone. Op een verdwaalde wesp na, hebben wij geen last van deze grote rakkers en komen we ongeschonden bij De Leeuwenpoten aan.

Die leeuwenpoten zijn een overblijfsel van wat ooit op een leeuwenkop leek. Je ging door de bek naar de citadel. Sigiriya betekent ook ‘Leewenrots’. Als we uitgekeken zijn op het eerste plateau, beginnen we aan de laatste serie trappen naar het hoogste plateau. De beklimming is te doen, want je moet af en toe toch verplicht wachten omdat er een bejaarde op adem moet komen, maar de treden zijn listig; ze zijn zo smal dat je je voet er niet goed op kwijt kunt. Eindelijk boven worden we ruimschoots beloond voor de genomen moeite. De uitzichten zijn fantastisch! Dit is dus de plek waar koning/moordenaar Kassapa z’n paleis liet bouwen. Op een plateau van 200 x 75 meter, op 200 meter boven de zeespiegel. Tegenwoordig zijn alleen de contouren van de gebouwen nog te zien, maar je kunt je voorstellen dat king Kassie zich hier de koning van de wereld voelde.

Na een rondje genieten op het hoogste plateau beginnen we aan de afdaling. We worden wat opgehouden door de enorme stroom toeristen die omhoog komt. Het lijkt erop dat we het nog hebben getroffen tijdens ons bezoekje. Rond 10:15 uur zijn we weer helemaal beneden en zitten we net wat te puffen op een bankje, als onze chauffeur ons alweer gevonden heeft. Hij staat te trappelen om weer verder te gaan, maar wij willen eerst ons flesje cola naar binnen werken; die suikers hebben we hard nodig. Uiteindelijk gaan we natuurlijk met hem mee en alsof 1 zo’n beklimming niet voldoende is, gaan we op weg naar de 1 km verderop gelegen rots Pidurangala. Onderweg stopt onze chauffeur bij een paar uitzichtpunten waar we De Rots mooi kunnen zien liggen.

Tegen elven zijn we bij Pidurangala (zeg dat maar eens 10x snel achter elkaar) en kopen daar het entreekaartje dat 10x zo goedkoop is als voor Sigiriya. Deze klim is heel anders dan die van vanochtend. Hier geen metalen trapjes met drommen toeristen, maar treden gemaakt van rotsblokken of soms gewoon alleen rotsblokken. De beklimming gaat vnl. door een bos en pas de laatste vijftig meter kom je bij de ‘kale’ rots. Dat laatste stukje is ook gelijk een enorme uitdaging. Met onze korte beentjes zijn sommige stappen nauwelijks te maken, maar with al little help from my friend lukt alles. Bij de laatste grote rots trekken we onszelf onder een andere overhangende rots door en zijn we boven. We did it! Hier boven komen is pas een prestatie! Het uitzicht is hier misschien nog wel mooier dan vanochtend. Behalve de wijdse omgeving kun je hier nl. Sigiriya mooi zien liggen. We lopen een rondje op deze topbestemming en moeten uitkijken dat we niet met de mond open naar beneden kukelen. Het is hier (alweer) fantastisch!

Dan wordt het tijd om onze spieren wat op te rekken, want het eerste stuk van de afdaling zal ook geen makkie worden. In de verte zien we donkere wolken hangen, dus treuzelen is er niet bij. De eerste paar ‘treden’ zijn het lastigste; daar moeten we ons helemaal uitrekken om de volgende steen te bereiken. Het lukt allemaal (anders zat je dit nu niet te lezen) en als we de eerste 50 meter gehad hebben, denderen we door naar beneden. Net voordat we het laatste trappetje af willen gaan vallen de eerste druppels naar beneden. Het zijn weer van die dikke druppels, dus we trekken een sprintje naar de tuktuk. De uitspraak ‘Je kunt altijd meer dan je denkt’ van een verstandig hardlooptrainer, wordt hiermee maar weer eens bewezen.

We tikken in het gehuchtje Sigiriya nog een flesje cola en een paar crackers op de kop en kruipen dan in de tuktuk knus tegen elkaar aan terwijl de regen hard op het dak knalt. Na driekwartier komen we weer in de buurt van Dambulla en hier lijkt het helemaal niet te hebben geregend. Dat komt goed uit, want het programma van vandaag zit er nog niet op. In Dambulla is nl. de grootste groente- en fruitmarkt van het land. Dat moet je dan toch ook gezien hebben. We laten ons door Mr. Tuk bij het hotel afzetten, vervangen we wat bezwete kleding door schone en gaan weer op pad.

Dambulla heeft dus niets te bieden, behalve dan de enorme markt met groente en fruit. Hier wordt nl. een groot deel van de verse voedingswaren voor bijna alle steden van het land wordt verhandeld. Er wordt zelfs groente en fruit uit Nederland hier verhandeld. We wandelen naar de grote blauwe hallen en dompelen ons onder in de bedrijvigheid. Er staan vrachtwagens die vol worden geladen, maar er worden ook wagens gelost. Aan de zijkanten van de hal staan enorme hoeveelheden fruit te wachten om verhandeld te worden. Het ziet er allemaal prachtig uit.
Werkvolk loopt met enorme zakken meloenen en grote takken met bananen kris-kras door de hal. Er is geen touw aan vast te knopen, maar ze lijken precies te weten waar ze heen moeten. We lopen door alle drie de grote hallen en raken niet uitgekeken. We snappen niet dat er geen andere toerist te bekennen is.

We raken zo langzamerhand aan het eind van onze latijn, dus we gaan aan de andere kant van de weg een glaasje verse jus drinken (dat mag op deze plek nooit een probleem zijn). Als we er nog maar net zitten begint het toch nog te regenen in Dambulla. Het is dit keer een korte bui en als de zon er weer voorzichtig doorheen komt gaan we nog 1 bezoekje afleggen.

Eergisteren hadden we, na het bezoek aan de grotten, geen zin meer om in de regen de grote gouden Boeddha en naastgelegen gouden dagoba te bekijken. Dat gaan we nu goedmaken. We wandelen de 2km naar deze Golden Temple langs de kant van de weg en af en toe springen we opzij omdat een auto of een bus iets te dichtbij komt. Het tempelcomplex is verlaten. Alleen bij de dagoba zeggen een aantal mensen hun gebedje van de dag. We lopen er nog een paar minuten rond, maar concluderen dat we ons dit tochtje hadden kunnen besparen. We zoeken snel een tuktuk en laten ons bij het hotel afzetten. Even op bed liggen en een boekie lezen.

Iran 4

Dinsdag 1 november

Het is net alsof je in een 5***** hotel beter slaapt dan in een eenvoudig hotel, maar het zal wel verbeelding zijn. We hebben wel weer de wekker gezet want we willen eerst naar Masjed-e Nasir-al-Molk omdat daar in de ochtend een kleurenspektakel is waar te nemen. Het ontbijt is wat uitgebreider dan we gewend zijn, dus het valt niet mee om daar al weer snel op te stappen. We lopen via de kortste route naar de moskee, betalen de entree en gaan de winter gebedsruimte in. De linker muur heeft ramen met gekleurd glas en de ochtendzon laat die kleuren reflecteren op het tapijt, de muren en de zuilen in de gebedsruimte. Het ziet er fantastisch uit en het is zeker de moeite waard om daar wat vroeger je bed voor uit te komen. Een lokale fotograaf doet zijn best om de kleuren zo goed mogelijk uit te laten komen op een model in chador. Heel geniepig gebruikt Diana datzelfde model ook in haar foto’s. We hebben het weer knap getimed vanochtend, want net als wij naar buiten willen gaan komt er een grote groep toeristen binnen om van hetzelfde kleureffect te genieten. Wij gaan gauw verder.

Bij de uitgang van de moskee staan een paar taxichauffeurs en we worden weer eens aangesproken met het veelgehoorde ‘hé mister’ dit keer komt er achteraan ‘you want to go to Persepolis?’ Dat willen wij wel, dus gaan we de onderhandelingen maar eens aan. We kunnen een dealtje maken voor de helft van de prijs die we bij de Tourist Information te horen hadden gekregen, dus daar hoeven we niet lang over na te denken. We besluiten gelijk vanmiddag maar te gaan. We gokken erop dat de meeste toeristen in de ochtend Persepolis bezoeken en dan hebben wij de site voor ons zelf.

Op weg naar de bazaar komen we langs het mausoleum van Sayyed Mir Ahmad en we besluiten hier ook maar even te gaan kijken. Diana neemt de linker ingang, Rob gaat rechts. Het duurt even voordat Diana achter het gordijn vandaan komt, maar ze moet dan ook opnieuw in een dekbedovertrek gehesen worden. Net als in Qom moeten we ook hier weer met een gids mee, gezamenlijk met een zestal andere toeristen. We worden over een enorm binnenplein geloodst en lopen via een grote poort naar een ander enorm binnenplein. Daar neemt onze gids ons mee naar de ruimt waar de tombe staat. De ruimte lijkt er mooi uit te zien, maar wij mogen er niet in, want alleen moslims mogen de kist van dichtbij zien. Sayyed Mir Ahmed, een broer van Imam Reza, is hier vermoord door het kalifaat (!) in het jaar 835 en dit mausoleum is een van de heiligste plekken in Iran. Als we onze foto’s-op-afstand hebben gemaakt, lopen we naar de andere kant van het plein waar nog een mausoleum is waar twee broers van Mir Ahmad liggen. Hier mogen we iets dichterbij komen, maar ook hier komen we niet voorbij de toegangsdeur. Na deze gratis rondleiding lopen we naar de uitgang waar Diana haar hobbezak weer inlevert.

We hebben met de chauffeur afgesproken dat hij ons om 12:00 uur ophaalt bij het hotel, dus we lopen via de bazaar richting hotel. We gaan bij het Seray-e Mehr theehuis naar binnen en bestellen daar een bak thee met koekies en dat is dan gelijk onze lunch voor vandaag. Er hangt een fijne sfeer in zo’n theehuis, waar je even kan ontvluchten aan de drukte van de bazaar.

Het is inmiddels 11:30 uur, dus we lopen terug naar het hotel. Bij de ingang staat onze chauffeur al te wachten. Hij is mooi op tijd (of eigenlijk te vroeg). We zeggen hem dat we nog even het toilet van binnen willen bekijken en gaan naar onze kamer. Op de kamer pakken we extra batterijen, wat snaaigoed en de Lonely Planet en zijn we klaar voor Persepolis.

Het uitstapje naar Persepolis combineren we met een bezoek aan de rotstombes van Naqsh-e Rostam. Het is ongeveer een uurtje rijden en rond 12:45 uur kopen we onze tickets bij het houten keetje. De tombes zijn hoog boven de grond, uit een enorme rots gehouwen en behoren toe aan Darius II, Artaxerxes I, Darius I en helemaal rechts Xerxes I (hoewel historici het hier nog niet helemaal over eens zijn). De reliëfs boven de grafkamers zijn allemaal een beeltenis van de koning op een troon, geflankeerd door andere figuren. De zeven Sassanidische reliefs tonen koninklijke veroveringen en ceremonies. Het ziet er fantastisch uit, die grafkamers zo hoog boven de grond en de prachtige reliefs. We nemen even de tijd om er van te genieten. Tegenover de rots met de grafkamers staat de Bun Khanak, waarvan lang werd gedacht dat het een vuurtempels was, maar de geleerden denken nu dat het ook een schatkamer kan zijn geweest. Wat het ook is, zo mooi als de grafkamers is het zeker niet. We laten de rotstombes achter ons en drinken even snel een verse sinaasappelsap bij het kleine restaurantje. Dan gaan we naar onze taxi en scheuren we naar Persepolis.

Persepolis belichaamt de grootste successen van Achaemenidische rijk, maar ook z’n ondergang. De huidige ruines zijn nog geen schim van Persepolis’ glorie van vroeger. We kunnen deze ruines nu alleen maar zien omdat de hele site honderden jaren onder het zand heeft gelegen, waardoor de restanten bewaard zijn gebleven. De bouw van het complex is begonnen in 520 BC toen Darius I de troon besteeg en verschillende koningen na hem hebben gebouwen toegevoegd. We gaan het complex binnen via de imposante trap. De treden ondiep zijn zodat de Perzen in hun lange gewaden gracieus naar boven konden lopen. Ook wij gaan in onze slobberkleding zo gracieus mogelijk naar boven. Normaal gesproken zou bij de aankomst van hoog bezoek het trompetgeschal hoorbaar zijn geweest, maar blijkbaar was men niet op de hoogte van onze komst, want het blijft stil vandaag. We vervolgen onze weg door Xerxes’ poort (ook wel ‘Poort van alle landen’). Deze poort wordt bewaakt door stier-achtige wezens. Het is ook vandaag nog indrukwekkend om te zien. Hierna lopen we naar het ‘Paleis met de 100 kolommen’. Op een oppervlak van 70×70 meter droegen deze 100 kolommen het dak van een gebouw waarvan wordt gedacht dat hier de militaire elite werd ontvangen. Er staan nu nog maar een paar kolommen overeind, maar het moet toen een indrukwekkend gezicht geweest zijn.

Naast dit paleis is de Apadana trap, dat wordt gezien als het meest indrukwekkende bouwwerk van Persepolis en waarschijnlijk van heel Iran. De reliëfs op de wanden van deze enorme trap zijn schitterend en erg goed bewaard gebleven. Jammer genoeg is er een groot dak gebouwd bovend de trap zodat alles in de schaduw staat. Er zijn reliefs van koninklijke processies, maar ook van internationale delegaties die kado’s komen brengen voor de koning. Met een beetje (veel) fantasie herken je de delegaties uit Ethiopie, Capadocie, Egypte en Thracie. Van de paleizen in de zuidwestelijke hoek is de Tachara de mooiste. Veel van de stenen deurstijlen staan nog overeind en de releifs op de muren zijn mooi gedetaileerd. We hebben waarschijnlijk elke figuurtje wel een paar keer gefotografeerd, maar het is ook zo fantastisch mooi hier. Van de iets verderop gelegen schatkamer is weinig meer over. Toen Alexander de Grote (boef) de in 330 BC Darius III versloeg en de schatkamer leeg roofde, schijnt hij 3000 kamelen nodig te hebben gehad om de inhoud naar buiten te kruien. Nadat Alex een paar maanden in Persepolis is geweest, brandt hij de boel plat en gaat op weg naar Babylon.

Nadat we ruim twee uur over de site hebben gestruind en de ene na de ander foto hebben gemaakt, drinken we wat bij een cafetaria en gaan dan via de Xerxes’ poort op weg naar onze taxi. Persepolis was echt prachtig en je kunt er waarschijnlijk nog wel een paar uur rond lopen. Ook de bijbehorende verhalen zijn prachtig, maar daarvoor verwijs ik graag naar http://persepolis.ir , want anders wordt dit blog veel te groot. Binnen een uur zijn we terug in ons hotel waar we een dikverdiende milkshake bestellen. ‘s-Avonds eten we in de bazaar bij een Iraans restaurant. De service scoort geen punten, maar het eten is heerlijk.

Woensdag 2 november

Omdat we ons gisteren zo druk gemaakt hadden, stond er vandaag niet zo heel veel op het programma. We konden dus eens uitslapen. Veel later dan 07:45 uur is het echter niet geworden en om om 08:00 uur zaten we aan het ontbijt. Dit keer konden we daar wel uitgebreid van genieten.

Onze eerste stop vanochtend was het fort van Karim Khan. Deze kolos is gebouwd in de vroege Zand periode en maakte onderdeel uit van het koninklijke hof waarvan Karim Khan had gehoopt dat het zich dusdanig zou ontwikkelen dat het kon wedijveren met Esfahan. De hoge muren hebben mooi decoratief metselwerk en op de vier hoeken staan 14 meter hoge, ronde torens. Eén van de torens helt wat over omdat deze is weggezakt in de onderliggende kelder waar de badruimte is gevestigd. We lopen wat rond het fort en proberen het te fotograferen. Dat valt nog helemaal niet mee met zo’n joekel van een gebouw, maar het is gelukt.

Van het fort is het maar een klein stukje naar de bazaar en we gaan maar eens op zoek naar souvenirs. Het is heerlijk om over de bazaar te slenteren als je alle tijd hebt. We snuffelen bij kruidenwinkeltjes, we onderhandelen over de prijs van een Perzich tapijtje en we kijken of er bij de sieraden winkeltjes een leuke ring te koop is. We drinken een heerlijke bak koffie bij een winkeltje net buiten de bazaar en storten ons daarna nog een keer in de drukte. De bazaars in Iran beslaan meestal een groot deel van de oude stad en bestaan uit een uitgebreid stelsel van paden waar je makkelijk verdwaalt. We orienteren ons door te onthouden waar de karavanserais zijn, of waar een bepaald restaurantje is, maar als je de bazaar uit komt lopen is het toch vaak een verrassing waar je bent.

We bedenken ons dat er ook nog ergens een koranschool moet zijn en gaan op zoek. Via Taleqani straat en de Lotf Ali Khan boulevard komen we uiteindelijk bij Madraseh-e Kahn, of Kahn School zoals op het bordje staat. Als we door de kolossale deur naar binnen gaan komt de beheerder ons tegemoet. Hij wil een beetje geld zien. Hoewel er geen entree wordt gevraagd, is het gebruikelijk dat zo’n beheerder een fooi krijgt. Deze beheerder weet ook al wat hij van ons wil hebben, maar dat vinden we veel te veel en hij moet het met de helft doen. De school blijkt verlaten te zijn en men is druk bezig met restauratie werkzaamheden. We maken een rondje over het binnenterrein met de sinaasappelboompjes. Het tegelwerk is bijzonder omdat er erg veel rood in zit, maar voor de rest is er niet veel te zien en staan we al snel weer buiten. We gaan terug naar her hotel om ons voor te bereiden op het middagprogramma.

Ook ‘s-middags hebben we geen overvol programma. Eigenlijk willen we alleen maar de tombe van Hafez, de dichter des vaderlands, bezoeken, dus we hoeven ons niet te haasten. We lunchen eerst bij een chique restaurantje op een steenworp afstand van ons hotel. We nemen een goed belegde baquette en Diana neemt zelfs nog een ijsje toe. Het is wat vreemd ijs waar kauwgom aan toegevoegd lijkt te zijn. Het smaakt er niet minder om. Hierna wurmen we ons weer door het verkeer, steken we de volledig opgedroogde Khoshk rivier over via de Efsfahan Gate brug en gaan op weg naar Aramgah-e Hafez.

Net over de brug komen we langs de tombe van Emir Ali, een neef van Shah Cheragh, wiens tombe we gisteren hebben bezocht. Ali is hier ook overleden toen hij op weg was naar Khorasan om Imam Reza te helpen. Wij denken aan een complot! Dit heiligdom is gebouwd in de 19e eeuw nadat aardbevingen eerdere versies ervan hadden verwoest. Het is weer hetzelfde liedje als bij alle mausoleums: Diana moet een chador aan en bij de tombe gaan de mannen de ene ingang in en de vrouwen de andere. Groot verschil met het mausoleum van z’n neef is dat ook wij, ‘ongelovigen’, hier naar binnen mogen en er binnen gefotografeerd mag worden. Wij nemen deze kans waar en gaan gescheiden de ruimtes binnen. Het is prachtig binnen. De ruimte is helemaal bekleed met Venetiaans spiegelwerk en de kozijnen zijn voorzien van gebrandschilderd glas. Na het bezoek aan het heiligdom lopen we nog even rond op het binnenplein dat helemaal is bestraat met grafstenen. Nadat Diana zich weer omgekleed heeft gaan we verder naar het hoofddoel van vandaag: de tombe van Khwajeh Shams Al-din Muhammad Hafez-e Shiraz, of kortweg: Hafez.

Iraniers kennen het gezegde dat er twee dingen in huis aanwezig moeten zijn: de Koran en een collectie van het werk van Hafez. In de praktijk zullen velen het zelfs in omgekeerde volgorde noemen. Hafez de dichter is een Iraanse volksheld, geliefd, vereerd en populair als menige popster. Vrijwel iedere Iranier kan wel iets van zijn werk opzeggen. De tombe is gelegen in een mooie, rustgevende tuin. De marmeren grafsteen, gegraveerd met een vers van de dichter, is hier in 1773 door Karim Khan geplaatst. Later is er een achthoekig paviljoentje overheen gezet. We lopen eerst wat rond en bekijken de grafsteen. Niets bijzonders, afgezien van de gegraveerde tekst. We gaan in een hoekje op een stenen trap zitten, waar we alles goed kunnen bekijken. De ene familie na de andere familie loopt naar de tombe, ze raken de tombe even aan en iedereen wordt dan bij de tombe gefotografeerd door een familielid of maakt een selfie. Soms worden er hele familiepotretten gemaakt met op de achtegrond de tombe van Hafez. De dichter is trouwens niet de enige die hier populair is. Al snel krijgen wij een klein kind tussen ons in gedouwd en maken papa en mama foto’s van ons met de kleine en haar roze ‘Hello Kitty’ rugzakje. Wij kunnen overigens goed omgaan met dit popsterren bestaan. Je leert vanzelf om al die aandacht in banen te leiden!

Er is ook een klas met kleuters naar dit monumentje gekomen. Zo’n 25 kinderen in schooltenue worden in bedwang gehouden door drie jufs. De kinderen zitten iets verderop naast ons op de trap en hebben natuurlijk vooral aandacht voor ons. Na een kwartiertje worden de kinders in het gelid gezet en marcheren ze allemaal naar de zijkant van het terrein. Daar krijgen ze een pakje drinken en een koekje. Het blijkt de voorbereiding te zijn van een fantastisch optreden van de klas. Wanneer ze de versnapering op hebben worden ze dit dit keer in ganzenpas naar de tombe gedirigeerd. Ze gaan er allemaal omheen staan en gezamelijk zeggen ze een gedicht van Hafez op (dat denken wij tenminste). Als ze klaar zijn applaudiseren ze hard voor zichzelf. De jufs leggen dit alles vast met de mobiel en wij natuurlijk met onze camera’s. We zoeken ons plekkie op de stenen trap weer op en net als we daar zitten komen de paps en mams van het ‘Hello Kitty’-meisje weer naar ons toe: of zij ook nog even met ons op de foto mogen. Wij doen ons haar goed, tonen een glimlach-on-demand en eerst gaat mevrouw Kitty op de foto en daarna mijnheer. Kleine moeite hoor, doen we graag! Om de lezers van dit literaire blog niet teleur te stellen komt hier een gedicht van Hafez.

Openlijk beken ik, met plezier en blijdschap
verslaafd aan jouw liefde
van beide werelden ben ik vrij
Als een paradijsvogel ging ik akkoord met de scheiding
Viel in de val des levens en werelds tragedie
ik was een engel, ik verbleef in de hemelen
Vernieuw de wereld, was mijn missie
De elfen van het paradijs, de koele vijvers en de bomen
In de hoop op een samenzijn, verloor ik langzaamaan de herinnering
Op het tablet van mijn hart, beschreven van a tot z
Gaat alles over jou
Ik kan niets anders zien dan jou
Niemand vertelde mij over een uitgang of een ingang
O God deze reis, waarom heeft u dit voor mij besloten
Ik ben enkel een slaaf van de herberg van de liefde
Elk moment, wordt een nieuwe pijn mijn remedie
Als mijn bloedende hart, mijn pijnlijke tranen eruit duwen
Het is dat ik dit verdien, waarom aan anderen maak ik mijn pleidooi
Veeg weg die tranen, met je handen zodat je kunt zien
Of anders deze vloed zal ons allen doen verdrinken.

(Hafez 1326-1390)

Als de zon alweer behoorlijk aan het dalen is, lopen we terug naar ons hotel. We gooien de camera’s in de kluis en proppen de portemonnee weer vol zodat we vanavond weer een happie kunnen eten. We gaan op zoek naar het moeilijkst-te-vinden-restaurant van Shiraz en na drie pogingen en evenzoveel hulpverzoeken vinden we het restaurant. De kaart is niet bijzonder en naar later blijkt het eten ook niet. Die speurtocht hadden we ons kunnen besparen. Terug op onze hotelkamer pakken we de rugzakken alvast in, zodat we morgen tijd genoeg hebben om op het busstation te komen.

Donderdag 3 november

Onze bus gaat om 09:15 uur, dus we hebben alle tijd om van het ontbijt te genieten. Dat komt goed van pas, want het is een ritje van 6 a 7 uur. We checken uit en laten ons door de taxi van het hotel naar het busstation brengen. Voor de eerste keer deze vakantie vertrekt de bus (bijna) op tijd én zitten er nog 6 toeristen in de bus. Het is weer een heerlijke VIP bus en we zitten bijna voorin. Op deze stoelen moeten we vandaag wel door kunnen komen. We rijden eerst weer richting Persepolis, waarna het volle vaart naar Esfahan gaat. Bij de afslag Persepolis zien we in de verte de rostgraven van Naqsh-e Rostam liggen. Zelfs op deze afstand ziet het er mooi uit. De eerste kilometers rijden we richting Yazd en zien we de tenten van de Qashqa’i langs de weg. Deze nomaden staan op het punt om naar het zuiden te trekken, zoals ze altijd doen in de winter.

We hebben weer een overlevingspakketje uitgedeeld gekregen. Dit keer is dat erg goed gevuld, maar we beheersen ons want daar moeten we nog een hele dag op teren. De weg gaat via het droge Zagros gebergte. We hoeven de bergen niet over, maar volgen een brede, dorre, beetje troosteloos aandoende vallei met aan weers zijden de bergen. Zo af en toe komen we dicht bij het gebergte en dan is het weer even de moeite waard om de ogen open te doen, maar de meeste kilometers is het vooral veel niets.

We richten ons dan toch maar even op het overlevingspakketje. Een blikje ananassap, wat biscuitjes, volkorenkoekjes, een cakeje en iets wat kutlu heet. Rob begint aan de laatste, maar komt er dan al snel achter dat deze koekjes vooral hun naam eer aan doen. Rond 13:30 uur maken we dan toch even een korte plasstop en dat geeft ook de gelegenheid om even de benen te strekken en een flesje cola naar binnen te werken. Het is dan nog 150 km, dus dat gaat nog wel twee uur duren. Die laatste kilometers komen we weer wat meer in de bewoonde wereld dus dat geeft afleiding. Om 16:15 uur stappen we uit de bus en gaan we met een taxi naar ons hotel.

Toen we Esfahan naderden met de bus kon je al goed zien dat dit een enorme stad is. Er wonen meer dan 3 miljoen inwoners en in de buitenwijken is zware industrie, waaronder staalfabrieken en zelfs een (veel besproken) nucleare faciliteit. Daar zullen wij niet veel last van hebben, want wij focussen ons op de de oude stad. Nadat we onze spullen op de hotelkamer hebben gegooid lopen we even naar het Nagsh-e Jahan plein. We merken gelijk dat dit toeristenbestemming nummer 1 van Iran is. Het aantal souvenirwinkeltjes is niet te tellen en ze doen hier voor het eerst wat moeite om je ook hun winkeltje binnen te krijgen. Wij lopen een rondje over het plein en staan vooral versteld van de omvang. Dit plein is het op één na grootste plein ter wereld (na het ‘Plein van de Hemelse Vrede’ in Beijing). Het is inmiddels donker geworden en we schieten nog snel een plaatje voordat we wat gaan eten. We hebben de komende twee dagen onze handen vol aan deze stad.

Vrijdag 4 november

Ons hotel ligt op een steenworp afstand van het Nagsh-e Jahan plein, dus dat is ook weer de eerst plek die we vanochtend aandoen. Het is een groot contrast met gisteravond toen het er lekker druk was. Vandaag is het vrijdag, dus is alles weer uitgestorven. We maken een rondje om het plein en zoeken naar een Tourist Information dat ergens naast het Ali Qapu paleis zou moeten zitten. We gaan ergens op een bankje zitten en kijken naar de families die hier aan het picknicken zijn. Kleedje neergelegd, wat broden, een thermosfles thee, wat dadels, maar eerst de afwas doen in de grote vijver. Kan best gezellig zijn. Wij besluiten om vanochtend maar eens naar de grootste moskee van Iran te gaan.

We gaan via de noordelijke ingang de bazaar binnen en lopen via dit enorme doolhof aan gangetjes richting de Masjed-e Jameh. Op vrijdag zijn de meeste van de winkeltjes gesloten, dus het is niet zo heel moeilijk om de weg te vinden. Dat het ook niet makkelijk is, blijkt wel als we na een lange wandeling op de verkeerde plek, naar de verkeerde moskee staan te kijken. Gelukkig zijn we in de goede richting en een tiental minuutjes later zijn we er dan. Het Jameh complex is een waar museum van Islamitische architectuur, maar het is ook nog steeds een drukke gebedsplek. Vandaag is het er vooral druk met toeristen. Je kunt er in een paar uur 800 jaar Islamitische design vergelijken. Van de geometrische elegantie van de Seljuks tot de Mongoolse period, tot de verfijning van de meer barokke stijl van de Safawiden. Voorwaarde is dat je wel een gids mee neemt, of een goed boek onder de arm. Wij doen het met een boek en met een beetje fantasie zie je de verschillende stijlen bij de 4 ivans terug. Misschien dat we er thuis eens een dia-show over geven als er voldoende aanmeldingen zijn. Wij hebben genoeg aan een uur bij deze moskee, waarna we alle stijlverschillen nog eens bespreken onder het genot van een bakkie thee met cake.

We lopen met een kleine omweg terug naar het Nagsh-e Jahan plein omdat we de lange minaret van de Ali moskee niet willen missen. Ook nu hebben we twee doorstarts nodig om er te komen maar dan zien we dat Ali echt een hele lange heeft. Het is vrijwel onmogelijk om die op de foto te krijgen. De bazaar is nog steeds grotendeels uitgestorven en als we weer terug zijn op het plein lopen we naar een keetje waar Tourism op staat, omdat we willen weten waar we de bustickets naar Teheran kunnen kopen. Als we dichterbij komen blijkt er Tourism Police op de keet te staan en die hebben we niet nodig. De politieagent wijst ons in perfect Engels naar de juiste Tourist Information, maar die blijkt vandaag gesloten te zijn. Wij kiezen er dan voor om naar de zuidkant van de (oude) stad te gaan; naar de bruggen over de Zayandeh rivier.

Via de oostelijke uitgang van het plein lopen we naar het Shahid Rajai park. Ook hier dezelfde tafereeltjes als op het plein. Heel veel families die hun dekentje een mooi plekje op het gras hebben gegeven voor de familie-picknick. We merken dat er in dit park niet veel toeristen komen, want we worden weer regelmatig nagestaard of met een vriendelijk ‘hello, welcome in Esfhanan’ begroet. Het is best een groot park waar ook nog eens het mees luxuieus gedecoreerde huis in Esfahan, maar de tand des tijds heeft er behoorlijk aan geknabbeld. Niet veel verder zien we dan de Si-oh-Seh brug, maar eerst duiken we een fastfood cafe in waar ze de lekkerste falafel van Esfahan hebben.

Na de heerlijke lunch lopen we dan naar de brug over de Zayandeh rivier, of eigenlijk de Zayandeh gortdroge rivierbedding. In de verste verte geen druppel water te bekennen! Mensen lopen over de bodem van de rivier van de ene oever naar de andere. Daar hadden we ons wat anders bij voorgesteld, maar de 298 meter lange brug is er niet minder mooi om. De brug is een soort hangplek voor de jongeren van Esfahan. Hier en daar zit een eenling in de schaduw van een boog en koppeltjes verschuilen zich er voor een beetje privacy. Wij lopen over de brug naar de andere kant van de ‘rivier’ en gaan dan via een soort promenade op weg naar de Khaju brug.

Het is zo’n twintig minuten lopen van de ene naar de andere brug en gelukkig staan er veel bomen langs de promenade, want het is weer warm vandaag. Ook hier weer veel families die uitgebreid thee aan het nuttigen zijn of soms zelfs aan een waterpijp lurken. De Khaju brug is rond 1650 gebouwd door Shah Abbas II en de brug doet ook dienst als dam. Deze brug heeft veel meer de functie van ontmoetingsplaats gehad dan dat het verkeer er gebruik van maakte. Deze brug is 110 meter lang en als je goed kijkt zie je nog steeds de stenen stoelen waar Shah Abbas II van het uitzicht genoot. Als wij bij de brug aankomen zien we vooral dat er een een soort toneeldecor wordt opgebouwd. Iemand probeert ons uit te leggen dat er vanavond een herdenkingsdienst is ter ere van het overlijden van de zus van Imam Hossein (maar het zou ook een ander familielid kunnen zijn). Het begint om 17:00 uur.

Vanwege de drukke werkzaamheden gaan wij een kilometertje verderop, om een bezoek te brengen aan het Golestan-e Shohada, de begraafplaats voor de slachtoffers uit de Iran-Irak oorlog. Op een enorme grote oppervlakte liggen duizenden grafstenen schots en scheef door elkaar. Grote en kleine, gebroken of bijna nieuw als ligt er dicht op elkaar. Heel indrukwekkend om die grote aantallen stenen op zo’n terrein te zien liggen. In een klein paviljoentje zit een man op z’n knieën te bidden. Als hij ons in de deuropening ziet staan gebaart hij ons binnen te komen. Hij verbergt zijn verdriet niet. Wij blijven even staan kijken naar de grafstenen in het paviljoentje, maar laten hem dan snel weer alleen. Tussen de grijze, grouwe stenen liggen soms ook mooie marmeren stenen of staan er foto’s bij een grafsteen. Deze zijn dan meestal van een kerkelijke leider of een ander hooggeplaatst iemand. Nadat we half uurtje tussen de stenen doorgelopen hebben gaan we weer terug naar de brug om te kijken hoe het met de voorbereidingen van de herdenkingsdienst staat.

Terug bij de Khaju brug zien we de dat de werkzaamheden aardig zijn opgeschoten. Het volk begint inmiddels toe te stromen. De vrouwen moeten links van de brug plaats nemen, de mannen rechts. Er lopen weer mannen en vrouwen met een plumeau rond die ervoor zorgen dat er geen mensen in de verkeerde vakken terecht komen en vooral ook dat de hoofddoekjes goed zitten. Wij nemen op korte afstand plaats op de brug en wachten wat er komen gaat. Lange tijd zijn wij de enige toeristen die aanwezig zijn, dus regelmatig worden we aangesproken. Meest gestelde vraag is waar we vandaan komen, maar sommige willen iets meer weten en proberen nogmaals uit te leggen ter ere van welke gebeurtenis dit spektakel plaatsvindt. Tegen 17:30 uur begint er dan toch wat te kraken in de microfoon en de voorganger begint er een heleboel Allah’s uit te gooien. De mensen staan in lange rijen met de neus in de juiste windrichting en volgen zijn woorden, als ware het commando’s: ze buigen, gaan op de knieen zitten en drukken het voorhoofd op de grond, dan gaan ze weer staan. Dit herhaalt zich een aantal keren en dan staat de menigte langere tijd stil (in gebed), waarna het weer van voren af aan begint. Wij kijken dit een half uurtje aan, maar beginnen dan toch last te krijgen van de temperatuurdaling van minstens 10 graden. Daar zijn we niet op gekleed, dus we pakken een taxi en laten ons terug naar het hotel brengen.

Zaterdag 5 november

We hebben gisteren al aardig wat van Esfahan gezien, maar ook vandaag zullen we ons niet hoeven te vervelen. We willen vanmiddag de Masjed-e Shah en de Masjed-e Sheikh Lotfollah aan het grote plein bezoeken, dus hebben we vanochtend even de tijd om onze laatste bustickets te kopen en een bezoekje te brengen aan Jolfa, de Armeense wijk.

We lopen weer via het Shahid Rajai park in zuidelijke richting. Het kantoortje waar we de tickets kunnen kopen ligt tegenover het Abbasi hotel, dat beroemd is vanwege z’n theehuis. Nu we daar toch zijn, gaan we natuurlijk even naar binnen en bestellen een bak thee. Het theehuis ziet er aardig uit, maar na een bak thee hebben we het wel gezien.

We steken de straat over en kopen onze tickets. Het is weer een enorm proces dat we moeten doorlopen voordat we de tickets hebben, maar dat hoort er hier bij. Wij kunnen morgen in ieder geval met de bus naar Teheran.

Het is nog een klein stukje lopen naar de Si-o-Seh brug, die we over moeten steken voor ons bezoek aan de Armeense wijk. Aan het begin van de 17e eeuw koos Shah Abbas, Esfahan als de hoofdstad van Iran. Op verzoek van Shah Abbas werd een groep Armeniers uit het stadje Jolfa naar een klein dorpje ten zuidoosten van Esfahan gebracht. Deze Armeniers waren nl. uitstekende metselaars, architecten en kooplieden en die had Shah Abbas hard nodig bij de opbouw van zijn hoofdstad. De Armeniers kregen van Shah Abbas godsdienst vrijheid, al was het dan wel op een afstandje van het islamitisch centrum in de stad. Er woonden op enig moment in ‘New Jolfa’ meer dan 42000 Armeense christenen.

Tegenwoordig zijn er nog steeds een aantal Armeense kerken die dienst doen aan een christelijke gemeenschap van zo’n 5000 mensen. Wij gaan op zoek naar de Joseph van Arimathea kerk, beter bekend als de Vank kathedraal en het valt niet mee om deze kerk te vinden. We lopen een paar keer verkeerd in de wijk Jolfa, kopen bijna kaartjes bij een andere kerk, maar met wat hulp van de mensen op de straat vinden we de Vank kathedraal. De buitenkant van de kerk is niet zo spectaculair als de meeste moskeen, maar van binnen is de kerk rijkelijk gedecoreerd en toont het een vreemde mix van stijlen; christelijke en islamitische tekeningen gaan hand-in-hand. Het heeft destijds 15 jaar gekost om de frescoes te maken en ze zijn onlangs gerestaureerd, dus zien er nu fantastisch uit.

Na dit kerkbezoek is het tijd voor een drankje. Op een klein pleintje in Jolfa gaan we op een bankje zitten en drinken we een colaatje. Omdat het nog wat vroeg is om naar het plein terug te gaan, nemen we een taxi en gaan we naar de shaking minaret. We hebben geen idee wat we daarbij voor moeten stellen, maar nu we in de buurt zijn grijpen we onze kans. De taxichauffeur vraagt een behoorlijk bedrag voor het ritje naar de Monar Jonban. We doen een tegenbod, maar dat vindt hij te weinig. We proberen een andere taxi, maar daar gebeurt hetzelfde. We concluderen dat die schuddende minaret echt ver weg zal zijn en met tegenzin betalen we drie en een halve euro voor de rit.

Na een eindeloos lijkende taxirit worden we bij een paar lullige torentjes eruit gelaten. We betalen de entree en zijn een paar minuten later alweer uitgekeken. Moet dit het zijn? Diana gaat naar een soort beheerder en hoort van hem dat het om 13:30 uur het gaat gebeuren. We weten nog steeds niet wat, maar we gaan op een bankje zitten in afwachting van het schudden. Om 13:30 uur komt er dan een man aangelopen met een sleutel in z’n hand. Hij kruipt door een deurtje in een een van de minaretten en klimt omhoog. Boven aangekomen laat hij een belletje rinkelen en vervolgens begint hij heen-en-weer te schudden, waardoor de minaret ook in beweging komt. Vol verbazing kijken wij en nog een twintigtal toeschouwers naar het tafereel. Wie heeft dit bedacht; dit verzin je toch niet?

Na deze one-man-show druipt het publiek af en zoeken wij de taxichauffer die Diana al geselecteerd had. Het is oude man, misschien wel 80, die ze wel zo’n ritje gunt. We stappen in zijn oude Paykan en zeggen dat we naar het plein willen. Hij probeert nog een extra attractie erbij in te frommelen, maar daar trappen we niet in. We verbazen ons over zijn rijstijl. De meeste taxichauffeurs rijden hier alsof hun leven ervan afhangt, maar hij gaat niet veel harder dan 30 a 40 km/u. We zien dat de maximun snelheid hier 30 km/u is, dus gaan ervan uit dat hij zich hier aan houdt, maar naarmate we verder komen blijft hij maar in die slakkengang rijden, waarbij hij af en toe nog wel een andere chauffeur de huid vol scheldt. Het is een bijzonder ritje dat ons twee keer zoveel tijd kost als in een ‘normale’ taxi. Als hij dan eindelijk bij het plein aankomt probeert hij ons ook nog af te zetten. Diana kijkt hem boos aan en dan bindt hij in. Ach, die ouwe probeert wat extra over te houden aan het ritje met de toeristen.

Dan is het nu tijd om de attracties rondom het Naqsh-e Jahan Imam plein. Eerst naar de Kakh-e Ali Qapu. Dit zes verdiepingen tellende paleis van Sha Abbas I is gebouwd aan het eind van de 16e eeuw en diende vooral ook als monumentale toegang tot de koninklijke paleizen die in het park erachter lagen (Ali Qapu betekent de Poort van Ali). Via mooi gedecoreerde trappetjes en kleine kamertjes komen we bij het hoogtepunt van het paleis: het verhoogde terras met 18 slanke, houten kolommen. Vanaf dit terras hebben we een mooi uitzicht over het plein en vooral op de Mashed-e Shah. Er zijn grondige herstelwerkzaamheden aan het plafond gaande, dus we kunnen niet helemaal vrij bewegen. Via een smalle wenteltrap kom je dan in de Muziekhal. De muren zijn hier fantastisch bewerkt, met als doel de acoustiek te verbeteren.

Aan de overkant van Ali Qapu ligt de Masjed-e Sheikh Lotfollah. Het is er nogal druk rondom de entree, dus we wachten op een afstandje totdat het wat rustiger wordt. Het blauw van het mozaiekwerk lijkt hier wat dieper van kleur dan bij de andere moskeeën en er zijn meer verschillen. Er is nl. ook geen minaret en geen binnenplaats bij deze moskee en men denkt dat deze moskee nooit bedoeld is voor publiek gebruik. De moskee is gebouwd tussen 1602 en 1619 en is door Shah Abbas I opgedragen aan zijn schoonvader. We kopen de tickets en lopen via een donkere gang naar het binnenste van het heiligdom. Daar aangekomen valt onze mond open van de schoonheid van het mozaiek, het buitengewoon mooie plafond en de mooie manier waarop het licht hier binnen komt door de ramen die vlak onder de koepel zijn geplaatst. Je raakt hier niet uitgekeken; het ene mozaiek is nog mooiere dan de andere en de kleuren zijn buitengewoon. Dit is verruit de mooiste moskee die we in Iran gezien hebben. Omdat ook onze tijd beperkt is, gaan we met enige tegenzin toch maar naar de laatste bestemming van vandaag, de Masjed-e Shah.

Als je de toegangspoort van de Masjed-e Shah door bent is weer lastig om de mond dicht te houden. De enorme omvang van deze koninklijke moskee. Elk onderdeel van de moskee is een plaatje, maar het grote geheel is onovertroffen. De bouw van deze moskee is gestart in 1611, maar pas in 1629, het laatste jaar dat Shah Abbas i aan de macht was, is de koepel voltooid. Het is eigenlijk niet te beschrijven en dat ga ik ook niet proberen. Dit moet je komen zien. Misschien is het mozaiek minder subtiel dan het mozaiek van de Masjed-e Lotfollah, maar de enorme hoeveelheid is overweldigend. We blijven wat heen-en-weer lopen tot we nog met z’n tweeen zijn op het binnenterrein, dan is het ook voor ons tijd om dit moois achter ons te laten. Na het zien van alle grandeur de afgelopen twee dagen kunnen we het alleen maar eens zijn met het 16e eeuws gedicht dat heet ‘Esfahan nesf-e jahan’, wat wordt vertaald met ‘Esfahan is de halve wereld’.

‘s-Avonds gaan we weer eten bij Cafe Narvan, waar we de eerste dag in Esfahan ook al hebben gezeten. Ze hebben er maar drie gerechten op de kaart staan, maar het eten is zo lekker dat we dit niet konden laten schieten. Er zit een grote groep Iranische jongeren in het restaurantje. Het blijkt een verjaardagsfeestje van een van de mannen te zijn. Terwijl wij een heerlijke bak maaltijdsoep wegslobberen, verdelen zij een mooie verjaardagstaart. Zoals je kan verwachten van Iraniers, is er natuurlijk ook een punt voor ons afgesneden. Hebben we gelijk ons toetje gehad! We nemen een bak koffie en gaan dan terug naar het hotel om de tassen te pakken voor het eerste deel van de terugreis.

Zondag 6 november

Vandaag maken we onze laatste busrit. Om 09:15 uur gaan we met Royal Safar terug naar de hoofdstad. We zijn op tijd vertrokken bij het hotel omdat we gewaarschuwd waren dat het druk zou zijn op dit tijdstip, maar daar hebben we weinig van gemerkt. We zijn dus veel te vroeg op het busstation. We gaan bij perron 31 op een bankje zitten, in afwachting van onze bus.

Om 09:00 uur komt er een bus van Royal Safar aan, maar dat blijkt niet onze bus te zijn. Is maar goed ook want als de buschauffeur z’n bus verlaat, gaat hij eerst de banden wassen. Lijkt ons niet het allerbelangrijkste wat er te doen is voor een lange rit. Iets later komt dan ook onze bus aanrijden. We gooien onze rugzakken onderin en gaan op stoel 4 en 5 zitten. Iets na half tien zijn we op weg.

Tja, wat moet je vertellen over zo’n trieste rit; terug naar Teheran en dan terug naar huis. Na een uurtje bussen laat de zon ons dan ook nog in de steek. We passeren Kashan, waar we die prachtige, traditionele koopmanshuizen hebben bezocht en een uurtje later passeren we Qom, de tweede religieuze stad van Iran waar we in noodvaart door het heiligdom zijn geloodst. Uit verveling plunderen we het lunchdoosje, maar de koekjes zijn oud of niet te eten. Gelukkig stoppen we rond 12:30 uur bij een wegrestaurant en doen we daar wat inkopen. De rit verloopt verder soepeltjes en rond 14:45 uur zijn we weer terug in Teheran, een regenachtig Teheran. Dan duurt het nog drie kwartier om bij het busstation te komen want het verkeer is een Teheramp! Dan nog een klein stukje met de taxi en we zijn weer terug in hotel Mashad, waar het allemaal begon.

Nadat we ons hebben geinstalleerd op onze hotelkamer, hebben we toch nog een kort avondprogramma bedacht. We gaan met de metro naar de Tabiat brug omdat deze brug juist ‘s-avonds op z’n mooist is. Deze loopbrug, die ontworpen is door een vrouwelijke architect, laat je hoog boven de 8-baans snelweg wandelen. Het verkeer onder ons staat vooral stil in de avondspits, terwijl wij ons in een futuristische omgeving bevinden. Niet alleen deze brug is de moeite waard, er zijn nog meer bijzonder bouwwerken op deze plek samengebracht. Aan het eind van de loopbrug zijn een aantal restaurantjes, maar allemaal van het type plastic bestek en dito servies, dus wij lopen terug naar het metrostation en nuttigen ons diner bij een restaurant in de buurt van het hotel.

Maandag 7 november

Diana weet vanochtend de hotelkamer nog een paar uurtjes langer te behouden. We hoeven pas om 16:30 uur uit te checken. Dat betekent dat we nog een hele dag in Teheran te besteden hebben! Omdat op onze eerste dagen in Teheran de bazaar gesloten was vanwege Asjoera, gaan we vandaag voor de herkansing. We duiken de metro in en hebben gelijk in de gaten dat een normale werkdag een hele andere drukte geeft dan een feestdag als Asjoera. De wegen zijn stampensvol met verkeer en de metro idem dito met mensen. We moeten op z’n Japans de metro ingedrukt worden. Hier gebeurt dat niet door mannetjes met witte handschoentjes, maar door degene die na jou nog net op tijd naar binnen kan.

Bij de bazaar nemen we de hoofdingang en gaan we op zoek naar de tafereeltjes zoals we die gewend zijn in andere steden. De bazaar van Teheran is een van de grootste van het land, maar we komen er al snel achter dat het zeker niet een van de mooiste is. Van de vele kilometers aan paden, kan maar een paar honderd meter tippen aan bijv. Tabriz. We lopen langs de vele kooplieden en proberen de mooiste stukjes bazaar te vinden. Ondertussen kijken we of er nog wat souvenir-waardige handel tussen ligt.

Na een uurtje hebben we het wel gezien en lopen we terug naar het metrostation. Omdat we wat afgedwaald zijn wordt dat een hele wandeling, maar hierdoor kunnen we op Amir Kabir straat wel genieten van het enorme gekkenhuis dat het verkeer hier is. We stappen uiteindelijk bij station Imam Khomeini op de metro en omdat onze schatkist wat leeg is geraakt, gaan naar het Mekka van de wisselkantoortjes: Ferdosi plein.

Nadat we weer een paar miljoen rial aan onze Iraanse geldbuidel hebben toegevoegd, drinken we een bakkie koffie bij de buurman van het wisselkantoortje. Vanachter ons tafeltje hebben we goed zicht op de mensen die langs de koffieshop lopen. Het blijft verbazeningwekkend om te zien hoe groot de verschillen zijn bij de vrouwen. De ene is zwaar opgemaakt, felrode lippenstift, hoofddoekje achter op het hoofd en de haren geblondeerd terwijl een ander het gezicht puur naturel heeft en alle haren, heel kuis onder het zwarte hoofddoekje heeft weggestopt. Zelfs bij de jonge meiden zijn beide categorieën evengoed vertegenwoordigd. Na de koffiebreak gaan we terug naar het hotel omdat we nog drie en een half miljoen in een envelop moeten stoppen voor onze reisagent.

Op de kamer raadplegen we de Lonely Planet en Tripadvisor i.v.m. het middagprogramma. We twijfelen tussen het Nationaal Museum van Iran en het Nationaal Juwelen Museum. Uit de Lonely Planet kunnen we geen winnaar halen, maar o.b.v. de reacties van andere toeristen op Tripadvisor kiezen we voor het Nationaal Juwelen Museum. Camera’s weer mee en op naar het metrostation. We nemen de rode lijn naar Imam Khomeini plein en daar vandaan lopen we naar het museum. Onderweg komen we langs een falafel tent en omdat het toch lunchtijd is, grijpen we onze kans en nemen voor de laatste keer een stokbroodje falafel. We weten niet of dit in Nederland te krijgen is, maar het smaakt als een gat in de markt. Nadat we het stokbrood van 30 cm naar binnen hebben gewerkt, lopen we weer door naar het museum.

Het Juwelen Museum is gevestigd in een bank en omdat er drie banken naast elkaar staan en wij niet goed gelezen hadden welke bank we in moesten, lopen we twee keer een verkeerde bank in voordat we bij de museumbank zijn. De beveiliging is bijna net zo scherp als op een luchthaven.

Bij het binnenkomen van de bank ga je door een detectorpoortje, maar daar laten ze je nog doorlopen met een piepje, dan moet je bij een balie alle tassen, jassen en camera’s afgeven. Vervolgens loop je weer door een detectorpoortje en wordt je gefouileerd. Dan loop je een naastgelegen gebouw in waar wederom een detectiepoort op je wacht, gevolg door iemand die je fouileert. Dan moet je drie trappen af en kom je bij de kluis van de bank, waar de halve meter dikke kluisdeur wagenwijd openstaat en kun je de museumkluis in. De collectie juwelen is nl. in bezit van de National Bank of the Islamic Republic of Iran.
Het grootste deel van de collectie stamt uit het Safavide tijdperk toen toen de sjahs Europa, India en het Ottomaanse rijk afstruinden voor buit waarmee ze hun hoofdstad Esfahan konden decoreren. Het Savafide rijk raakte echter in verval, waarna de juwelen in 1722 in India terecht kwamen. In 1736 stuurde Shah Afshar een leger om ze terug te halen, maar nadat hij in 1747 om het leven was gebracht, plunderde Ahmed Beg de schatkamer en raakte de juwelen verspreid over de wereld. De Kuh-e Nur, de grootste geslepen diamant van de wereld, kwam in handen van de koloniale Britten en is sindsdien opgeborgen in de Tower of London. We vergapen ons aan alle bling-bling en vooral de wereldbol, waar 51.366 edelstenen in zijn verwerkt, is fantastisch. De zeeën zijn gemaakt van smaragden en het land van robijnen, behalve Iran, Engeland en Frankrijk, die zijn gemaakt van diamanten.

Nu Diana weet wat ze volgend jaar voor haar verjaardag wil hebben, gaan wij terug naar het hotel. Het is inmiddels 15:30 uur en we moeten onze rugzakken gaan pakken. Het programma zit er nog niet helemaal op, want op weg naar de luchthaven willen we langs het mausoleum van Imam Khomeini. Bij het hotel proppen we alles in de rugzakken, checken we uit en laten we een taxi komen. We hebben bijna drie kwartier nodig om bij de Holy Shrine of Imam Khomeini te komen, maar dan krijg je ook wat. Wat het monument mist in detail, maakt het goed in omvang; wat een joekel van een gebouw! Het gebouw staat tussen Teheran, waar de islamitische revolutie begon en Qom, waar Khomeini zijn theologische opleiding heeft genoten. Het heiligdom wordt geflankeerd door 4 torens van 91 meter hoogte, dat symbool staat voor de leeftijd waarop hij overleed.

De tombe staat in een grote, roestvrijstalen kooi, de zarih, waar door pelgrims hun respect tonen en de nodige bankbiljetten. Mannen en vrouwen moeten hier weer door een eigen ingang naar binnen, dus Diana gaat weer links, Rob rechts en binnen komen we elkaar weer tegen. De ruimte is abnormaal groot; zo’n grote ruimte hebben we in Iran niet eerder gezien. Als pelgrim ken je direct je plek als je hier binnen komt. Diana heeft haar camera in moeten leveren bij de ingang, maar Rob heeft z’n mobiel nog in zijn zak en maakt daarmee dus snel een paar foto’s. Normaal gesproken mag je geen foto’s maken bij de tombe in een mausoleum, maar daar hebben ze hier niets over gezegd.

We blijven een paar minuten in het heiligdom en gaan dan weer op zoek naar onze taxi. We gaan op weg naar het Ibis hotel waar we onze laatste paar uur in Iran een kamer hebben gereserveerd. Als we weer op de snelweg zitten is de hemel pikdonker geworden; net zo donker als de oogopslag van Khomeini. Niet veel later zien we aan alle kanten onweersflitsen om ons heen. Het lijkt zelfs alsof ze vooral rondom onze auto worden afgevuurd. Khomeini zal toch niet boos zijn dat we een paar foto’s hebben gemaakt. Als we de afslag naar het vliegveld nemen begint het ook nog eens enorm te hozen. Hij neemt het wel erg hoog op. De taxi heeft veel last van aquaplanning en de ruitenwissers kunnen de hoeveelheid regen bijna niet verwerken. Gelukkig zien we dan de afslag naar het hotel en even later rennen we van de taxi naar het hotel, terwijl we worden bestookt met grote regendruppels. Oke, oke, nou weten we het wel. We checken in en gaan naar onze kamer. Dit hebben we overleefd en hopelijk is hij niet meer boos als we de lucht in moeten.

Dinsdag 8 november

We hebben gisteravond onze laatste Iraanse maaltijd genuttigd in het Ibis hotel en het smaakte, net als bijna de hele vakantie, verrukkelijk! Om 0:00 uur nemen we de shuttle naar Iman Khomeini Airport voor vlucht LH601 naar Nederland. Er staat een korte rij voor het inchecken en het valt op dat de medepassagiers zo veel bagage bij zich hebben. Daar steken wij maar zielig bij af met 2x 10 kg. De douaneformaliteiten stellen ook niet veel voor dus we zitten al snel aan drankje de tijd te doden.

Om 02:10 uur gaan we boarden en om 03:00 uur gaat ons vliegtuig de lucht in. De piloot vertelt ons dat hij 4 uur en 55 minuten nodig heeft om in Frankfurt te komen, We krijgen een broodje en proberen dan nog wat te slapen. Rond 06:30 uur krigen we dan ons ontbijtje voorgeschoteld en iets voor half acht staan we op Duitse bodem.

Dan is het haasten, want we hebben maar een uurtje tijd tussen de twee vluchten. Ondanks een drugcontrole van onze rugzak, komen we ruimschoots op tijd bij de gate. Met een kwartiertje vertraging gaan we aan boord van de vlucht naar Amsterdam. Helaas vertelt de piloot niet veel later dat we nog wel zo’n 40 minuutjes wachten, omdat Amsterdam problemen heeft met het vliegverkeer. Daar zitten we dan! We kijken door het raampje naar buiten, maar worden daar niet vrolijker van. Uiteindelijk weet de piloot de 40 minuten beperkt te houden tot 20 minuten en gaan we eindelijk naar Amsterdam.

Nu de vakantie er op zit nemen we jullie even helemaal mee terug naar de eerste zin van dit blog over onze vakantie in Iran. Daar staat dat wij een tweetal vragen heel veel gehoord hebben als we vertelden dat we naar Iran op vakantie zouden gaan: ‘Wat gaan jullie daar nou doen’ of ‘is het daar niet gevaarlijk’. Voor de trouwe volgers van het blog zal inmiddels duidelijk zijn dat er verschrikkelijk veel te doen is in Iran. Er zijn fantastische natuurgebieden te ontdekken, maar de culturele ontdekkingsreis is misschien nog wel boeiender. Daarbij moet je bedenken dat wij nog maar een klein deel van Iran hebben bezocht. We zouden minstens nog twee vakantie in Iran moeten doorbrengen om het hele land te kunnen bestrijken. Om de tweee vraag te beantwoorden, hebben we geprobeerd te bedenken in welk land de mensen net zo gastvrij, vriendelijk en gul zijn als in Iran maar wij hebben geen land kunnen bedenken. De Iranier geeft een soort van extra dimensie aan je vakantie. Je voelt je er gelijk op je gemak en je weet snel dat je altijd op ze terug kunt vallen; ze willen je altijd en overal mee helpen. Wij hebben regelmatig visitekaartjes van mensen gekregen, die dan zeiden dat we altijd konden bellen als er problemen zouden zijn. We hebben na deze vakantie maar van een ding spijt: dat we zo lang gewacht hebben met de reis naar Iran.

Iran 3

Dinsdag 25 oktober

Toen we de gordijnen vanochtend open deden, zagen we dat het tijd was om te vertrekken. Er stonden grote plassen op de weg en het regende nog steeds. Omdat we rechtstreekse bus naar Qom wilden nemen, moesten we weer vroeg uit de veren want deze bus zou al om 08:00 uur vertrekken. Even snel een ontbijtje naar binnen werken, uitchecken en een taxi aanhouden. Bij het busstation kopen we een kaartje en gaan we vervolgens maar even in de wachtruimte zitten. Aan de mensen om ons heen te zien, gaan we niet alleen naar Qom.

De bus vertrekt zoals gebruikelijk een half uur te laat en het is bovendien een normale bus, want op elke rij staan vier smalle stoelen. Het blijkt uiteindelijk ook geen rechtstreekse bus te zijn, maar eentje die via Teheran naar Qom rijdt. Dat is best een stukje om en als de bus dan ook nog de drukte van Teheran in moet, zal dat zeker een uur extra reistijd kosten. Het blijft lang tijd troosteloos onderweg, maar vlak voor Teheran wordt het eindelijk droog.

In Teheran gaat ongeveer de helft van de passagiers van boord en na een korte plaspauze gaan we dan door naar Qom. Qom is na Mashad de tweede heilige stad van Iran en dus ook een van de conservatiefste steden van Iran. Het is de stad van de mullahs, de islamitische geestelijken die de Koran, de Hadith en de Fiqh intensief hebben bestudeerd. De stad herbergt dan ook vele Islamitische leerscholen, waar sjiitische studenten van over de hele wereld op afkomen. Het is nog zo’n twee uur rijden van Teheran naar Qom en daar aangekomen nuttigen we eerst een degelijke Iraanse lunch. Daarna zetten we onze rugzakken op een veilg plekje in het restaurant en storten we ons in de overwegend zwart geklede mensenmassa.

Belangrijkste bezienswaardigheid in Qom is de Hazrat-e Masumeh. Dit heiligdom is ter nagedachtenis van Fatemeh, de zus van Imam Riza, opgericht en daarmee een belangrijke pelgrimsplek voor sjiïeten. Je komt er niet altijd in als toerist, maar we trekken de stoute schoenen aan en lopen naar Gate 1. Helaas worden we gelijk uit de rij gehaald en aan de kant geparkeerd. Even later komt er echter een soort chaperonne aan die ons meeneemt het heiligdom in. Diana moet natuurlijk wel eerst een chador aan, maar deze is zo lelijk dat de camera’s weigeren dit vast te leggen. We mogen binnen niet vrijuit bewegen, maar kunnen wel foto’s maken. Alleen de tombe zelf krijgen we niet te zien. Onze begeleider wijst zelfs aan waar we het beste de foto’s kunnen maken. Helaas gaat het allemaal in een erg hoog tempo en binnen 10 minuten staan we weer buiten.

Buiten het heiligdom is nog veel meer te zien, dus we maken even een rondje. We lopen eerst naar de enorme Imam Hassan moskee. Hier raakt Rob in gesprek met een Iraanse jongen die het e.e.a. vertelt over de moskee. Het is niet zo dat dit soort jongens zich opdringen als gids, maar ze willen graag hun Engels oefenen (en misschien ook wel een westerling bekeren). Wij vonden de moskee er al zo strak uitzien, maar dat is niet zo gek want deze is drie jaar geleden nog helemaal opgeknapt. Er is binnen niet veel te doen, dus nadat we alle hoekjes hebben bekeken, gaan we we weer naar buiten toe en lopen terug naar het Astane plein dat zich tussen de moskee en het heilidom bevindt.

Op het Astane plein kun je uren gaan zitten om mensen te kijken. Er lopen veel mullahs rond en vrijwel alle vrouwen hebben een zwarte chador aan. Ook zijn er in dit hart van de sjiitische islam pelgrims uit Irak, Afghanistan, Pakistan, Centraal-Azie en de Golfregio te ontdekken. In potentie een explosief gezelschap. We lopen een paar keer heen en weer en kijken onze ogen uit. Je kunt bij de vele souvenirshops rondom het plein allerlei prullaria kopen en het goud glittert je tegemoet in de etalages van de juweliers. Wij kunnen de verleiding weerstaan, maar kijken onze ogen uit.

Als we een klein trappetje oplopen aan de zijkant van het Astane plein staan we ineens op een pleintje waar allemaal grafstenen in de bestrating zijn verwerkt. Rondom het plein hangen allemaal kleine kistjes waarin een foto van een overledene hangt. Midden op het plein staan een mini-moskee waarin gelovigen bij een gouden kist lezen en bidden. Op het plein wordt er door andere gelovigen op intense wijze gebeden bij een tweetal groene kiste die er staan opgesteld. Hier zou een mullah ons goed van pas komen, want wij hebben geen idee wat al deze rituelen inhouden en dat is nu eigenlijk wel een gemis.

Tegen drieën halen we onze rugzakken op bij het restaurant en lopen ermee naar de straat. Daar vragen we een chauffeur om ons af te zetten bij de bus naar kashan. Net als wij daar uitstappen komt de bus aangereden. We hevelen onze bagage over en gaan voorin de bus zitten. Wij zijn klaar voor het laatste busritje van vandaag. Het is iets minder dan anderhalf uur naar Kashan en daar aangekomen gooien we onze spullen weer in een taxi en zetten we koers naar ons hotel voor de komende drie nachten. Als de eigenaresse ons naar de kamer brengt, kijken we onze ogen uit; wat een fantastisch plekje. Het is een tot hotel omgebouwd historisch huis inclusief de zo kenmerkende badgir. Wat vervelend dat we hier drie nachten moeten blijven.

Woensdag 26 oktober

We ontbijten bij de binnentuin van ons hotel en hebben nu even geen haast om op pad te gaan. Vandaag gaan we Kashan verkennen en dat doen we op ons gemakkie. Kashan is een woestijnstad in centraal Iran en ligt aan de rand van de Dasht-e Kavit woestijn op de oude zijderoute. Kashan staat synoniem voor antiek vanwege de oude voorwerpen die bij opgravingen zijn gevonden. Sommige vondsten waren 6000 jaar oud. Het oude centrum van deze stad heeft z’n typische woestijnarchitectuur grotendeels behouden. Je kunt hier heerlijk dolen door de nauwe steegjes waarbij je opeens voor een prachtig koopmanshuis kunt staan.

We gaan eerst naar de buurt waar de historische panden staan. Achter de hoge lemen muren liggen vele traditionele koopmanshuizen verscholen die zijn gebouwd voor de rijke kooplui uit het Qajar tijdperk. Wij gaan eerst het gerestaureerde badhuis binnen. Al deze panden zijn nu als museum ingericht en dat betekent dus ook entree betalen. We gaan eerst het dak op om van daar over de daken van deze wijk heen te kijken. Het ziet er prachtig uit met de badgirs. Deze luchttorens waren een belangrijk onderdeel van de airco uit die tijd. Ze zorgden ervoor dat koele lucht door de huizen werd gecirculeerd

Na de hamman-e Sultan Mir Ahmad gaan we naar het Boroojerdi huis. De ruimtes rondom de binnentuin zijn prachtig gedecoreerd, maar het hoogtepunt is de twee verdiepingen tellende ontvangstruimte. Schitterende motieven boven de ingang en de deuren en ramen zijn omlijst met steenhouwwerk. De ramen zijn meestal voorzien van glas-in-lood en de fresco’s zijn geschilderd door Kamal al-Molk, de belangrijkste Iraanse kunstenaar uit die tijd. We kijken onze ogen uit, maar staan opeens oog-in-oog met een groep toeristen. Zoveel hebben we er in de eerste twee weken niet eens gezien. Het is duidelijk dat we in het meer toeristische deel van Iran zijn beland.

Het is tijd voor een drankje, dus we gaan naar het traditionele theehuis Abbasi. Daar nemen we plaats op de prachtige Perziche tapijten en laten een bak thee aanrukken. We gaan lekker onderuit zitten en wachten tot onze theepot gebracht wordt. De thee gaat hier altijd vergezeld van een stokje met saffraankandij. Normaal gesproken hebben wij geen suiker in de thee, maar dit is te mooi om te laten liggen. Bij de thee worden een soort mega-pepernoten geserveerd die heerlijk smaken. Als de pot thee leeg is gaan we op weg naar het treinstation om de kaartjes voor de trein naar Yazd op vrijdag zeker te stellen

Op weg naar het treinstation komen we langs de oude stadsmuur en de daarbij gelegen ijsruimte. In dit conische gebouw met extreem dikke muren wisten ze destijds de temperatuur zo laag te houden dat ze zelfs ijs in de zomer konden bewaren. Bij het treinstation moeten we even wachten op onze tickets want het systeem ligt plat (!), maar uiteindelijk gaan we met twee treinkaartjes voor de 08:20 uur trein op vrijdag weer terug naar downtown Kashan. Als we een paar honderd meter ver zijn, stopt er opeens een minibus naast ons. De chauffeur vraagt waar we heen moeten en gebaart ons in te stappen. We rijden met hem mee en hij kletst honderd uit. Bij het volgende plein zegt hij dat hij links af moet en ons dus niet verder kan brengen. Hij wil absoluut niets hebben voor deze rit. Hij wilde waarschijnlijk gewoon een praatje maken met toeristen

We lopen het laatste stukje via allerlei achteraf-steegjes hopend dat we weer iets bijzonders tegenkomen. Op deze plekken zie je geen andere toeristen; die volgen allemaal de hoofdroute. We ontmoeten allerlei vriendelijke mensen die het al fantastisch vinden als we twee woorden tegen ze praten. We komen langs verschillende waterreservoirs die niet meer in gebruik zijn, maar wel herinneren aan hoe het vroeger was. Veel van de huizen in Kashan hebben op de deur twee deurkloppers. Eentje is rond en dik, de ander lang en dun. Vrouwen gebruiken de eerste, mannen de andere. Omdat beide deurkloppers een verschillend geluid maken, wist men wie er naar de deur moest. Mannen doen de deur open voor mannen en vrouwen doen dat alleen bij vrouwen.

Wanneer we op een lemen muur een bordje met ‘Manoucherie House’ zien, besluiten we dat te volgen. Dit is nl. ook zo’n traditioneel koopmanshuis en het lijkt ons wel een goede plek voor de lunch. We kiezen voor een Iraanse stoofpot en die smaakt voortreffelijk. Het Manoucherie huis is weer net zo’n mooi huis als de andere die we gezien hebben, maar je merkt ook dat hier vaker toeristen verblijven. De rekening wordt aangedikt met tax en service charge, net als bij de grote hotels.

Als we weer terug zijn bij het hotel nemen we even tijd voor een bakkie thee en lezen we wat. Rond 15:30 uur besluiten we dan toch nog even naar de Aghabozorg moskee te gaan om er een paar foto’s te maken. Vanochtend zijn we er wel langs gekomen, maar hadden daar toen veel last van de nog laag staande zon. Het is een grote moskee met niet al te veel franje. De aanwezigheid van een koranschool is misschien wel het meest bijzondere aan deze moskee. Op dit tijdstip is het complex verlaten. We lopen een rondje, maken een paar foto’s en gaan dan weer terug naar het hotel. We willen ook nog even naar de bazaar, maar daar is op dit tijdstip nog niet zoveel te doen. We gaan dus maar even in de binnentuin bij het hotel zitten en genieten er van de rust

Om 17:30 uur komen we dan toch weer in de benen en gaan op weg naar de bazaar. De bazaar van Kashan is een doolhof van steegjes, groot genoeg om steeds weer te verrassen, maar te klein om te verdwalen. Het grootste deel van de bazaar dateert uit de 19e eeuw, maar er wordt al ruim 800 jaar handel gedreven. In de bazaar zijn een paar moskeeën, een madraseh, een hammam en een paar timches. De mooiste timche is de Khan Amin al-Dowleh timche, die onlangs nog gerestaureerd is. Vooral het prachtig gedecoreerde plafond is de moeite van de speurtocht waard geweest. We lopen weer terug langs de vele winkeltjes en maken hier en daar een praatje. Hoewel hier veel meer toeristen zijn, blijft het bijzonder voor de Iraniers om je aan te spreken.

Na het bezoek aan de bazaar lopen we nog even door naar de Aghabozorg moskee. Volgens de boeken zou deze moskee ook s’-avonds de moeite waard zijn vanwege de mooie verlichting. Opnieuw is het hier erg rustig en na een paar foto’s te hebben gemaakt gaan we snel weer terug naar het hotel om een paspoort te halen.

We willen nl. toch een Iraanse simkaart kopen omdat we hier geen mogelijkheid hebben om te bellen vanuit het hotel en het bellen met zo’n simkaart is spotgoedkoop. Nadat er een kopie is gemaakt van het paspoort en een paar vingerafdrukken zijn genomen (!) krijgen we de simkaart mee. Het gaat een uurtje duren voordat deze geactiveerd is, dus we gaan nu eerst bij het hotel een speciaal bereid Iraans diner nuttigen. Het eten is met zorg bereid en stijlvol geserveerd. Bovendien smaakt het voortreffelijk, afgezien van de rijstepudding met rozensmaak. Na het voortreffelijk diner proberen we de nieuwe simkaart uit en die werkt prima en goedkoop. Dat hadden we eigenlijk eerder moeten doen.

Donderdag 27 oktober

De taxichauffeur die ons eergisteren bij het hotel had afgezet, had ons z’n telefoonnummer gegeven en we moesten hem vooral bellen als we naar Abyaneh zouden gaan. Vandaag stond dat bezoek aan Abyaneh op de agenda, dus na het ontbijt hebben we hem maar gebeld voor deze rit. Als de taxi aan komt rijden denken we eerst dat er iets ernstigs met hem is gebeurd, want hij lijkt wel 20 jaar ouder geworden. Het bleek echter een andere, veel oudere chauffeur te zijn. De ander had al een klus vandaag. Deze chauffeur neemt z’n baan in ieder geval erg serieus, want hij gaat eerst naar een garage om z’n banden op spanning te laten brengen.

Het is 85 kilometer naar Abyaneh en de omgeving is het eerste half uur niet erg aantrekkelijk. Pas als de bergen in zicht komen is het wat makkelijker om de ogen open te houden. De ouwe scheurt er aardig overheen en na een uur staan we bij de tolpoort van Abyaneh. Aan dit soort dingen merk je dat ze hier al aardig bedreven raken in geld uit de zakken kloppen van toeristen. De bergachtige omgeving is ruig en grote delen zijn donkerrood gekleurd. In het centrum van Abyaneh stappen we uit de taxi en gaan we op ontdekkingsreis.

Abyaneh ligt net als Masuleh tegen een berg aangeplakt, maar hier zijn er wel straatjes om in te wandelen en hoeven we niet via de daken. We klimmen via deze smalle straatjes tussen de donkerrode huisjes door naar het hogergelegen deel van het dorp en komen tijdens onze wandeling regelmatig lokale bewoners tegen. M.n. de vrouwen zijn hier heel anders gekleed dan we tot nu toe gezien hebben. Ze dragen hier geen zwarte chador, maar een wat groot uitgevallen hoofddoek in wit met bloementjesmotief. Het is hier erg lastig fotograferen. Vanwege de smalle straatjes heb je veel last van donkere schaduwen. Als je tussen de huizen loopt krijg je geen goed overzicht van het hele dorp, dus we besluiten af te dalen en naar de overkant van de vallei te gaan.

We komen langs grote tuinen die zijn omheind met hoge lemen muren en het bergwater stroomt langs de paden naar beneden. We klimmen aan de andere kant weer omhoog en worden beloond met een prachtig uiticht op Abyaneh. Nu zie je pas goed hoe het donkerrode dorp tegen de achterliggende berg ligt. We blijven hier even staan en genieten van het uitzicht. Te veel tijd willen we daar ook weer niet voor nemen, want er is nog wel meer te doen vandaag.We lopen via hetzelfde pad weer terug naar de hoofdstraat, kopen bij een bakker nog een vers gebakken brood en gaan dan op zoek naar onze taxi. Onderweg komen we een aantal groepjes toeristen tegen en als we weer bij onze taxi zijn, zien we grote bussen het stadje binnenrijden. We zijn blij dat we de grootste drukte voor zijn gebleven

De ouwe geeft weer gas en we vliegen richting Kashan. Onderweg besluiten we dat we nog even langs de Holy Shrine of Hazrat Hohammad Helal in Aran & Bidgol willen gaan. Dit plaatsje ligt op 15 km van Kashan, dus het is maar een kleine omweg. We sturen de gele bolide een aantal kilometers voor Kashan rechtsaf en als we Aran & Bidgol binnenrijden zie we al snel het enorme grote en protserige heiligdom. Het complex bestaat uit uit een mausoleum, een moskee, tombes, en binnenplaatsen. Het meest opvallende is de radijs-vormige koepel, die al van verre te zien is, en de tien minaretten. De twee minaretten bij de zuidingang steken nog boven het radijsje uit.

We gaan het terrein op en dat betekent voor Diana dat ze weer zo’n foute chador aan moet. Wie iets van het land wil zien, moet er pijn voor lijden (geldt vooral voor vrouwen). Er is een dienst aan de gang in de moskee, maar net als Rob naar binnen gaat besluiten ze er een eind aan te maken (aan de dienst). Dan maar naar het sanctum. Er staat een grote sepulcher bij de ingang waar mannen hun ritueeltje opvoeren. In het sepulcher liggen verzen uit de heilige koran, maar ook gedichten ter meerdere glorie van Mohammad Helal. Als we hier uitgesnuffeld zijn gaan we weer naar onze taxi.

Als we het heiligdom weer uitlopen komt Mashid, de taxichauffeur van de eerste dag in Kashan, er opeens aanlopen. Hij is hier ook met z’n toeristen. Het adviseert om vooral ook de ondergrondse stad te gaan bezoeken. Dat is hier maar twee kilometer vandaan. We passen ons reisschema aan en spreken met tussenkomst van Mashid een nieuwe prijs af met onze taxichauffeur. Daar gaan we weer.

De ondergrondse stad Oeei bij de plaats Nooshabad is de grootste ondergrondse stad van de wereld. Het gangenstelsel is maar liefst 4 km lang en voorzien van alle gemakken, zoals gat-in-de-grond-WC’s, slaapruimtes, kookruimtes en zelfs luchtverversing. Deze alternatieve stad heeft drie verdiepingen en de diepte varieert van 4 meter tot 21 meter. De ondergrondse stad werd door de bewoners van deze streek vooral gebruikt om zich te verstoppen voor een vijand. Wanneer de vijand de bewoners ondergronds toch achterna ging, waren de gangen dusdanig bochtig geconstrueerd dat ze de vijand makkelijk in een val konden laten lopen. Daarnaast waren er overal gaten in de gangpaden waar grote ronde stenen op lagen; als je op zo’n steen ging staan, viel je in het gat.

Nadat we de grootste molshoop van de wereld weer verlaten hebben, gaan we terug naar Kashan. Het is nog een kwartiertje rijden en dan kunnen we verder met de benenwagen. Het afrekenen met die ouwe verloopt niet helemaal soepel want hij wil meer hebben dan we met Mashid hadden afgesproken. Omdat hij geen woord Engels spreekt leken we er niet uit tekomen, totdat Rob ineens de naam Mashid in de strijd gooide. Hij leek te begrijpen dat met Mashid een andere prijs was afgesproken en accepteerde het geld. Het is overigens pas de eerste keer dat we gedoe hebben over geld

We lopen eerst even naar het hotel om onze spullen in de kamer te gooien en gaan daarna op zoek naar een lunchplek. Dat valt nog helemaal niet mee in de Iraanse steden, want het lijkt wel of ze tussen 13:00 uur en 16:00 uur alle luiken dicht gooien. Een soort Iraanse siësta! We vinden uiteindelijk nog een cafetaria dat open is en bestellen een pizza. Daar moeten we het dan maar even mee doe. We gaan terug naar het hotel en gaan op een bankje rond de binnentuin zitten. Pakken er een tijdschrift bij en komen even tot rust. Omdat we gisteren zo lekker gegeten hebben bij ons hotel hebben we afgesproken om daar vanvond weer te gaan eten.

Voor het diner lopen we nog een keertje de bazaar in en bij de moskee is er een soort van herdenkingsdienst aan de gang. Op het binnenterrein zitten allemaal families bij elkaar die elk hun eigen herdenkingsmonumentje bij zich hebben. De ene familie heeft een soort handoek met daarop tekst, de andere familie heeft een grote foto van een familielid bij zich. Iedere familie herdenkt blijkbaar een overleden familielid. We voelen ons eerst een beetje opgelaten, maar zo gauw een familielid ons ziet krijgen we een koekje aangeboden. Het valt ons nu ook op dat elke familie een doos koekjes bij zich heeft.

Nadat we de nodige koekjes naar binnen hebben gewerkt gaan we naar de moskee omdat we aan de galmende luidspreker horen dat er een dienst gaat beginnen. Mannen komen uit alle hoeken aangerend, schoppen hun schoenen voor de deur uit, pakken een soort sjoelschijf en zoeken een plekje in de moskee. Gezamenlijk gaan ze in gebed. De sjoelsteen leggen ze voor zich neer en elke keer als ze op de knieen gaan en vooroverbuigen, raken ze met hun hoofd de sjoelsteen aan. Het verbaast ons dat gedurende de hele dienst mannen blijven binnenlopen, tot vlak voor het einde van de dienst. Ook kinderen lopen in en uit en rennen tussen de rijen met mannen door. Het is allemaal wat minder strak georganiseerd dan bij een kerkdienst in Nederland.

Vrijdag 28 oktober

We konden vanochtend niet uitslapen, want de trein zou al om 08:20 uur vertrekken en we moesten rond 08:00 uur op het station zijn. Snel het ontbijtje naar binnen gewerkt, taxi laten komen en op naar het station. Daar aangekomen denken we even dat we op een Nederlands station staan, want we horen dat de trein vertraging heeft. Hij wordt pas om 09:30 uur verwacht. Hadden we ons dus niet zo hoeven haasten. We gaan voorlopig maar in de wachtruimte zitten. Tegen 09:30 uur horen we dan dat het 10:00 uur gaat worden en uiteindelijk komt de trein om 10:20 uur aanrollen en vertrekken we om 10:40 uur. Altijd fijn met de trein.

We gaan op onze stoelen zitten en krijgen een pakje chocomel, een flesje water en een paar koeken uitgedeeld. We hoopten op een mooie rit, maar dat valt tegen. De omgeving is oersaai en bestaat vooral uit wijdse zandvlaktes; geen kip te zien. We lezen dus maar een tijdschrift en eten wat van het ‘lunchpakket’. In de stoel achter ons zit een krijsbaby die z’n best doet onze reis nog verder te vergallen. Allah moet ons wel hebben vandaag. Rond 14:00 uur rijden we dan het station van Yazd binnen en dat is dan weer een meevallertje, want we hadden op een uurtje meer reistijd gerekend

Van de trein springen we in een taxi en laten we ons naar het hotel brengen. Dit hotel is in de vorm van een karavanserai gebouwd. Het is een groot vierkant gebouw waarbij alle kamers rond een open binnenplaats liggen. Wij hebben de suite op de 1e verdieping. We gooien onze bagage op de kamer, geven wat wasgoed af bij de receptie en zetten dan onze eerste stapjes in Yazd

We lopen naar het Amir Shakhmaq plein en bekijken het bijgelegen Amir Shakhmaq complex. We zijn hier niet de enige toeristen. Net als in Kashan kom je hier met grote regelmaat (groepen) toeristen tegen. Bovendien is er zelfs een terrasje op het plein. Hebben we ook nog niet meegemaakt

We besluiten om nog even naar de Jameh moskee te lopen. Het gebouw heeft een van de hoogste toegangspoorten van Iran, geflankeerd door een tweetal minaretten van 48 meter hoog. Wat ook opvalt zijn de restaurantjes en koffiebars in de omgeving van de moskee. We slaan onze slag en reserveren een tafeltje bij een restaurant met dakterras! We bewonderen de mooie poort en gaan dan via een smal straatje de oude binnenstad in. Als we twee bochten verder zijn zien we nog veel meer dakterrasjes. Zijn we nog wel in Iran? We laten dit niet aan ons voorbij gaan en klimmen via een smal trappetje een dakterras op. Daar bestellen we een smoothie en genieten van het uitzicht over de daken van Yazd.

Zaterdag 29 oktober

We hebben de hele dag om Yazd en omgeving te verkennen, dus dat zou makkelijk moeten kunnen. We gaan rond 08:30 uur de straat op en lopen eerst richting de Mashed-e Jameh. We hadden deze moskee gisteren ook al gezien, maar waren nog niet naar binnen geweest. Bovendien ligt de moskee aan de rand van de oude stad, dus het is een goed beginpunt van een verkenningstocht. Het licht is in de ochtenduren beter dan gistermiddag en we hebben geluk dat er op dit moment geen toeristenbussen worden uitgeladen. We hebben de moskee dus eigenlijk voor onszelf. Het is de eerste keer dat we een kaartje moeten kopen om een moskee in te mogen, maar die 2 euro kunnen we nog wel lijden. We lopen op onze blote voeten over de Perziche tapijten in de gebedshal en bewonderen het prachtige mozaïek. Daarna lopen we naar de zij uitgang van de moskee en lopen de oude binnenstad in.

Yazd is net als Kashan een woestijnstad en dat is te zien aan de architectuur en voorzieningen. Overal hoge, dikke muren om de zon buiten te houden en de badgirs zijn hier talrijker en een slag groter dan in Kashan. We proberen een wandelroute uit de Lonely Planet te volgen, maar al snel zijn we ‘verdwaald’. Het maakt ook niet zoveel uit, want overal zijn prachtige doorkijkjes en smalle straatjes, waterreservoirs met badgirs er omheen om de lucht te koelen en prachtige lemen huizen. We lopen wat van links naar rechts, van noord naar zuid en omgekeerd, tot we ergens een theehuisje met een dakterras ontdekken. Nu is het tijd voor een bakkie koffie.

Vanaf het dakterras hebben we een mooi uitzicht over de daken van Yazd. Bovendien kunnen we in de schaduw zitten en dat is best lekker als de temperatuur al vroeg rond de dertig graden is. Je zou hier wel de hele ochtend kunnen blijven zitten, maar na 1 bakkie koffie gaan we toch maar weer op pad. We gaan op zoek naar het Orient hotel omdat je daar dagtochten in de omgeving van Yazd kunt boeken. We vinden dit hotel tegenover het restaurant waar we gisteravond gegeten hebben en spreken met de dame achter de receptie over de mogelijkheden. We kiezen een tocht uit en ze zegt ons dat we morgen om 08:00 uur bij hotel Orient moeten zijn. Via het andere deel van de oude binnenstad kronkelen we richting het Amir Shakhmaq plein en nemen daar wat te drinken en bepalen de strategie voor het middagprogramma.

Na de versnapering gaan we op weg naar de Bagh-e Dolat Abad. Het is weer een stevige wandeling die een uurtje in beslag neemt. We proberen zoveel mogelijk in de schaduw te blijven lopen, want zo midden op de dag is het bijna onverstandig om inspanning te leveren. De locals doen dat ook niet; tussen 12:00 uur en 16:00 uur zitten de meeste winkeltjes dicht en zie je maar weinig mensen op straat. We komen schoolmeisjes tegen, die in roze schooluniform een excursie hebben naar Bogheb-ye Sayyed Roknaddin. Dit is het mausoleum van de lokale notabele Sayyed Roknaddin Mohammed Qazi. De deur van dit mausoleum blijft voor toeristen meestal gesloten, maar de meisjes uit Yazd moeten natuurlijk wel weten wie hij was.

Als we eindelijk de ingang van het Bagh-e Dolat Abad complex gevonden hebben, kopen we snel een kaartje en zoeken verkoeling onder de grote cipressen. Het paviljoen dat hier in een Unesco-tuin staat, was ooit de residentie van de Perzische regent Karim Khan Zand en stamt uit 1750. Het interieur ziet er prachtig uit en de kleuren van het glas-in-lood is fantastisch, maar de grote trekpleister is de 33 meter hoge badgir; de hoogste windtoren ter wereld. We moeten er wel even bij vertellen dat het origineel in 1960 is ingestort en dat deze daarna herbouwd is. We gaan in de schaduw van wat bomen zitten en gebruiken daar. De lunch die vandaag bestaat uit twee bolletjes ijs. Heerlijk met dit weer!

Na de lunchbreak lopen we richting de weg waar we een taxi nemen naar onze volgende bestemming: de Ateshkadeh of in beter Perzisch: ‘de vuurtempel’. De taxichauffeur waarschuwde ons al dat het pas om 16:00 uur open zou gaan en toen we er aankwamen bleek hij gelijk te hebben. Dat gaf ons mooi de tijd om in een nabij gelegen snackbar ons vochttekort wat aan te vullen. Daar besluiten we het programma wat om te gooien. We gaan eerst naar de Dakhmeh-ye Zartoshtiyun en daarna terug naar de vuurtempel. We plukken weer een taxi van de straat, spreken een goed prijs af en gaan op weg.

De ticketverkoop bij de Dakhmeh-ye Zartoshtiyun start ook pas om 16:00 uur, maar hier kunnen we wel naar binnen glippen. De twee Zoroastriaanse ‘Stiltetorens’ zijn op een kale heuveltop gelegen en worden al niet meer gebruikt sinds 1960. Binnen deze grote ronde stenen muren werden de overleden Zoroastriaanse mannen, vrouwen en kinderen op de daarvoor aangewezen plek gelegd en de natuur deed de rest. Een centrale kuil met daarin zand, houtskool en fosfor fungeerde als een putje. Rondom de stiltetorens staan nog wat in verval geraakte gebouwtjes waar de nabestaanden de overleden persoon konden wassen en waar ook een ruimte was om te rouwen. We klimmen naar de verst gelegen stiltetoren en maken een rondje binnen de muur. Het afvoerputje is nog duidelijk herkenbaar. Vanaf deze stiltetoren heb je een mooi uitzicht op de andere stiltetoren en de erachter liggen de stad. Als rond 16:00 uur de eerste bussen aan komen rijden is dat voor ons het teken om het bijzondere terrein te verlaten.

Onze taxichauffeur staat nog te wachten en hij rijdt ons nu alsnog naar de vuurtempel. De poort is inmiddels open en de eerste buslading toeristen is binnen. We kopen snel een kaartje zodat we de tempel nog net kunnen fotograferen voordat de gids zijn groep toeristen loslaat. De vuurtempel is een eenvoudig rechthoekig gebouw waar Zoroastrianen van over de wereld op afkomen. Zoals veel Zoroastriaanse tempels, is ook dit gebouw versierd met het gevleugelde beeld van een Fravashi. Het hoofd staat voor wijsheid, de rechterhand voor het aanbidden van god, de ring in de linkerhand symboliseert eenheid en de drie lagen veren symboliseren de puurheid van gedachte, woord en daad. Men zegt dat de vlam die je in het gebouw achter een raam kunt zien branden, al vanaf het jaar 470 brandt.

Het Zoroastrianisme, ook wel bekend als Mazdaisme naar de naam van hun oppergod Ahura Mazda (!), gelooft in de puurheid van de elementen. Dat is ook de reden dat ze hun overledenen niet begraven (vervuiling van de aarde) of cremeren (vervuiling van de lucht). De vlam in het gebouw brandt achter een glasplaat omdat deze anders verontreinigd zou worden de de adem van de bezoekers. Er zijn nog zo’n 150.000 Zorosastrianen in de wereld, waarvan er 20.000 in Iran wonen.

Na een kort bezoekje aan deze heilige plaats gaan we met de benenwagen terug naar de oude stad. We kopen daar de bustickets voor de rit naar Shiraz, klimmen dan op een dakterras met uitzicht op de Mashed-e Jameh en bestellen een drankje. De zon is inmiddels onder gegaan en de hemel kleurt donkerblauw. De verlichting op de moskee gaat aan en dat geeft een prachtig plaatje met harde kleuren. We blijven tot 18:30 uur op het dakterras zitten en genieten van de steeds donker wordende achtergrond.

Dan gaan we naar een naastgelegen restaurant en bestellen een typisch Iraanse stoofschotel met aubergines, ui, knoflook en walnoten. Het smaakt heerlijk! Als we uiteindelijk iets na 19:30 uur weer bij ons hotel zijn, constateren we dat we de dag toch aardig hebben weten te vullen.

Zondag 30 oktober

Vandaag staat een tourtje in de omgeving van Yazd op het programma. We moeten ons om 08:00 uur melden bij het Orient hotel, dus dat is weer opschieten. Als we bij hotel Orient aankomen, blijkt onze medereiziger te hebben geannuleerd. Dat is balen want dan betalen we de prijs van de tour helemaal alleen. Diana gaat hierover in discussie met de man bij de receptie. Ze zouden nl. bellen of mailen als die ander zou annuleren en dat hebben ze niet gedaan. Uiteindelijk krijgen wij de tour voor de prijs die we zouden betalen als we met z’n drieen zouden zijn, dus dat viel weer mee.

We lopen met onze chauffeur mee en kruipen in zijn Peugeot 206 sedan. We rijden Yazd uit en gaan op weg naar Kharanaq dat op zo’n 75 km afstand ligt. Het zonnetje schijnt volop dus het zal een hete dag worden. We rijden over een lange rechte weg waar geen eind aan lijkt te komen. Aan beide zijden van de weg is er niets anders dan grote, lege, droge vlakten. Volgens onze chauffeur is dat het hier hele jaar het geval; het is dus eigenlijk een woestijn, maar dan niet met van die fraaie zandduinen. Naarmate we dichter bij Kharanaq komen wordt de omgeving mooier. In de verte zien we vaag de contouren van bergen en hoe verder we komen, hoe indrukwekkender ze worden. Om 09:15 uur rijden we dan de afrit naar Kharanaq op

Het lemen Safavid dorp waarvan men denkt dat het ongeveer 1000 jaar oud is, is zo goed als verlaten en grote delen van de huizen staan op instorten. De moskee, de minaret en de karavanserai zijn gerestaureerd. We lopen door het verlaten dorp en onze chauffeur annex gids geeft her en der een toelichting. Er zijn mooie doorkijkjes te vinden en de uitzichten op de omliggende bergen en vallei zijn prachtig. We dwalen wat door de smalle straatjes en als we op het hoogste punt vlak bij de minaret staan, zien we dat we vandaag niet de enigen zijn. Groepen toeristen storten zich op het dorpje en kleuren elk vrij uitzicht. Gelukkig waren wij hier mooi op tijd, maar dit lijkt dan het juiste moment om te gaan

Onze volgende bestemming is Chak Chak, een afgelegen bedevaartsoord voor de Zoroastrianen. Deze Ateshkadeh wordt zelfs gezien als hun belangrijkste bedevaartsoord. Er wordt gezegd dat na de Arabische invasie, de dochter van de laatste Sassanidische sjah, prinses Nikbanuh hierheen gevlucht is. Omdat er geen water was, gooide ze haar staf tegen de rotswand waarna het water begon te druppelen (chak chak betekent drup drup). Een bedevaartsoord was geboren. Elk jaar in juni komen duizenden pelgrims hierheen voor een festival. We klimmen de steile trappen omhoog en in deze hitte is dat een hele opgave. Het zijn geen bijzondere gebouwen die hier staan, afgezien van de Pir-e Sabz vuurtempel met de koperen deuren. Helaas is er net een besloten dienst aan de gang, dus we kunnen slechts even om het hoekje kijken. De lokatie van dit bedevaartsoord, gelegen tegen een stijle bergwand is wel prachtig

Onze laatste bestemming vandaag is Meybod. Hier bezoeken we als eerste het Narin fort dat midden in de stad ligt. Dit kasteel dateert van de Sassanidische tijd en zou wel eens het oudste lemen gebouw in Iran kunnen zijn. Dit kasteel beschermde hier ooit de zijderoute en de ernaast gelegen stad. We lopen helemaal alleen door het kasteel en merken dat het vooral in het kasteel achter de dikke muren nog uit te houden is. Het moet inmiddels boven de dertig graden zijn. Vanaf het hoogste plateau hebben we een mooi uitzicht over de stad en zien we in de verte het ijshuis liggen dat we later nog gaan bezoeken. Nadat we nog wat donkere gangetjes doorgelopen zijn, gaan we terug naar de auto

De volgende stop is het ijshuis en de tegenovergelegen karavanserai. We gaan eerst bij dit laatste complex naar binnen, maar dat is een beetje een tegenvaller. Het is er allemaal veel te mooi en te netjes. Bovendien zijn er souvenirwinkeltjes ondergebracht. Dit bouwsel houden we snel voor gezien. Het ijshuis is wel bijzonder. Voor het ijshuis staan twee grote, 20 cm diepe vierkante bakken (20m x 2m) waar ze ‘s-winters water in lieten lopen. De nachten zijn hier zo koud dat het water dan bevroor. Het ijs hakten ze dan uit die bakken en verplaatsten ze naar het enorme conische ijshuis. Daar bleef het ijs dan opgeslagen zodat ze het in de zomer konden gebruiken. De conische vorm van het ijshuis voorkwam dat de lucht ging circuleren wat het smeltproces zou versnellen. Knap bedacht allemaal

Na het ijshuis rijden we naar onze laatste stop: een duiventil. Geen standaard duiventil waar een tiental duiven in kunnen, maar een duivenflat waar plek was voor 3000 duiven. De duiven hadden meerdere functies. Ten eerste produceerden ze zo’n 3000 kilo duivenpoep per jaar, wat gebruikt werd om de akkers te bemesten, dan deden ze dienst als duivenbout bij een avondmaal en geloofden de mensen dat kinderen die wat achter liepen met praten, door het eten van duiveneieren snel zouden gaan praten. Hoe dan ook, het (gerestaureerde) onderkomen van de duiven ziet er fantastisch uit. Nadat we een rondje hebben gemaakt door het duivenhotel, stappen we weer in de auto en gaan we richting Yazd

In de auto zien we dat de buitentemperatuur inmiddels is opgelopen tot 35 graden en dat is een temperatuur waar het best moeilijk mee hebben. Onze chauffeur heeft dat goed in de gaten, want net buiten Meybod zet hij zijn auto stil bij een benzinepomp en koopt drie ijsjes. Dat gaat er wel in! Het is 50 km naar Yazd en we zijn blij als hij ons bij het Amir Shakhmaq plein eruit laat. We rekenen af, wensen hem het allerbeste en gaan ergens in de schaduw een broodje eten. Even bijkomen van de inspanning! Na deze lunchstop gaan we naar het hotel en doen wat de meeste anderen doen: siësta houden

Rond 16:00 uur komen we weer tot leven en gaan we weer de straat op voor een laatste rondje Yazd. We lopen kris-kras door de oude bazaar naar de Mashed-e Jameh en slurpen op een naastgelegen dakterras een groot glas sinaasappelsap naar binnen. Ondanks dat het inmiddels bijna 16:30 uur is, zijn er nog maar weinig mensen op straat en al helemaal niet op ons dakterras. We blijven zitten tot de zon achter de moskee is verdwenen en gaan dan naar ons favoriete restaurant. Nadat we de inwendige mens een goede dienst hebben bewezen lopen we dan voor een laatste keer terug naar het Amir Shakhmaq plein. We hebben geluk, want dit keer staat er wel water in de grote vijver en doen de fontijntjes het ook, net als de onderwaterspots, die ons een lumido-achtige lichtshow geven. Wat een mooi afscheid!

Maandag 31 oktober

Als de taxi ons rond 08:30 uur op het grote station van Yazd eruit gooit, kijkt de oude Khomeini ons weer streng aan, terwijl we toch ruimschoots op tijd zijn. We gaan op zoek naar onze bus en wachten tot de chauffeur zin heeft om te gaan. We weten inmiddels dat de vertrektijden niet zo serieus genomen worden. Als er nog een leeg plekje is in de bus dan wachten ze liever een paar minuten langer zodat ze ook die stoel kunnen verkopen. Voordat een bus dan de stad uit is ben je ook weer een half uur verder; papierwinkel afhandelen op het station, langs de weg nog wat passagiers oppikken, controle bij het oprijden van de snelweg en als je pech hebt, moet de chauffeur ook nog even tanken. Dat is allemaal de charme van het reizen met openbaar vervoer.

Het wordt een lange rit, maar een medepassagier vertelt dat dezelfde bus om 15:00 uur weer richting Yazd gaat, dus daar houden we ons maar aan vast. Diana en een Iraanse vrouw zijn de enige twee hoofddoekjes aan boord. De rest van de stoelen is bezet met mannenvlees. De rit begint nog met wat mooie uitzichten, maar na 10:00 uur zien we niet veel meer dan zand, heel veel zand. Deze chauffeur tankt rond 11:00 uur en dat geeft ons de gelegenheid een squat-wc te bezoeken en wat drinken in te kopen. Na deze stop doen we wat hazenslaapjes, eten we wat zonnepitten met de ‘boys from Yazd’ en maken we de laatste nougat blokjes op (dit jaar waren ze wel weer van de partij). Het is 14:45 uur als de bus het station van Shiraz oprijdt. We duiken weer in een taxi en laten ons bij het vijf-sterren Zandyeh hotel afzetten. Kost een paar euri, maar dan heb je ook wat.

Nadat we even zijn bijgekomen in de verkoelende lucht van de airco (!), zetten we onze eerste pasjes in Shiraz. We gaan op zoek naar een wisselkantoortje, want van onze rial-schatkist is de bodem in zicht. Als je het een beetje breed laat hangen, zijn die miljoenen er ook zo doorheen. Helaas zijn de wisselkantoortjes nog gesloten, dus we nemen maar even een sapje bij een klein cafeetje. Hierna lopen we langs het fort van Karim Khan Zand naar de bazaar. We slingeren door de bazaar naar de Loft Ali Khan Zand straat omdat daar de moskee is waar we morgenvroeg als eerste heen willen. Als we in onze LP staan te kijken of we links- of rechtsaf moeten gaan, komt er een allervriendelijkste man naar Rob toegelopen. Hij vraagt waar we heen willen en staat erop dat hij ons naar de moskee zal begeleiden. Helaas loopt hij een beetje moeilijk en praat hij een beetje Gilles-de-la-Touret-achtig, dus het schiet niet op én er komt geen zinnig woord uit. Het lukt hem uiteindelijk wel om ons tot voor de moskee te brengen.

Nu we weten waar we morgenvroeg moeten zijn, gaan we op ons gemakkie weer terug richting het hotel. Onderweg stoppen we af en toe bij wat winkeltjes en we kopen bij een bakkertje wat vers gebakken koekjes. We lopen door naar het wisselkantoortje en wisselen nog een paar honderd euro voor de laatste week. De koers is in de afgelopen weken niet dramatisch veel slechter geworden, dus we hoeven onze rekenmethode niet aan te passen. We hebben hier en daar wat navraag gedaan naar de excursiemogelijkheden voor Persepolis, want dat is dé hotspot in deze omgeving. We twijfelen nog of we met een taxi zullen gaan of toch een tourtje met gids zullen boeken, maar dat hoeven we nu nog niet te beslissen. We gaan eerst weer even naar ons *****hotel om daar op ons gemakkie een leuk restaurant uit te zoeken.

Diana weet via Tripadvisor een leuk restaurantje te vinden waar Floortje ook nog is geweest toen ze in Iran was. We trekken onze chique kleren aan en gaan op pad. Het is een piepklein restaurantje waar we nog net een 2-persoons tafeltje kunnen bemachtigen. Er zit een Belgische groep, een Duits stel en een Duits gezin en ook nog een Iraanse familie. Daarmee is het restaurantje ook volledig uitverkocht. We besnuffelen de kaart, waar alleen maar Iraanse gerechten op staan en kiezen er twee uit. Er komt een hoop lawaai uit de keuken, maar veel bereidingstijd kost onze maaltijd niet want al snel staan er mooie gerechten op tafel. Het blijken trouwens Iraanse gerechten te zijn die we al eerder gehad hebben, alleen net iets anders bereid.

Het is weer smullen vanavond; we eten onze vingers erbij op. Bij het afrekenen hebben we een klein tegenvallertje, want de eigenaar accepteert een net gewisseld briefje van 500.000 rial niet omdat het er zo verrot uitziet. Wij weten niet beter dan dat bijna alle geld er hier zo uitziet. We maken er geen probleem van, dat briefje slijten we morgen wel bij een moskee.

Iran 2

Dinsdag 18 oktober

Een nachtje in een grot slapen kan heel verkwikkend werken merken wij vanochtend. We waren wel blij dat het een verwarmde grot was, want de temperatuur daalt hier ‘s-nachts enorm. Als we bij de receptie komen staat Chagrom al op ons te wachten. Hij gooit de tassen achterin de auto en als Diana de administratie heeft afgehandeld, gaan we op weg. We rijden eerst terug naar Tabriz en als we deze megastad gepaseerd zijn, rijden we verder in noordwestelijke richting naar Jolfa.

De omgeving is weer schitterend vanochtend. De weg wordt opnieuw geflankeerd door prachtig kleurende bergen; van rood tot grijs, van groen tot geel. We kijken onze ogen uit en proberen vergelijkbare landschappen te herinneren: Ladakh, Salta, Litang, maar eigenlijk moet je zulke verschillende plekken niet vergelijken. Dit is west Iran en dat is uniek. We laten Chagrom ergens langs de snelweg stoppen, om onder het genot van een bakkie thee de omgeving nog beter in ons op te kunnen nemen.

Na het bakkie thee uit de achterbak rijden we weer verder door deze toverbal-omgeving en moeten ons inhouden om niet na elke bocht weer foto’s te maken. Dan is het even tijd voor een noodzakelijke stop. Chagrom rijdt naar een tankstation om de tank vol te gooien. Dat lijkt ons wel een goed plan, want in het afgelegen gebied waar wij vandaag komen wil je niet zonder benzine komen te staan. We gluren even op de pomp om te zien wat een litertje benzine hier doet. Voor de zekerheid reken we het drie keer om, maar het is toch echt een kwartje voor een liter benzine. Als we Chagrom ernaar vragen, lijkt hij het best veel te vinden.

We rijden weer verder en het landschap blijft ons boeien. Als we Jolfa gepaseerd zijn gaat de snelweg over in een tweebaansweg en rijden we pal naast de Aras rivier. Deze rivier vormt de grens tussen Iran en de Azerbeidzjaanse enclave Nakhchivan. Er staan grote oranje borden langs de weg om te waarschuwen dat filmen en fotograferen hier verboden is. De kloof waar we nu doorheen rijden is zeker zo mooi als de omgeving waar we hiervoor doorheen reden, dus we speelden het onwetende touristje en klikten er lustig op los. Wij waren overigens niet de enigen, want Chagrom kon het ook niet laten. Na een half uurtje slingeren bereiken we dan ons doel voor vandaag: het St. Stephanos kerk.

De kerk, die een plekje op de werelderfgoedlijst heeft, ligt op korte afstand lopen van de weg. Het is er erg rustig en hoewel een bordje aangeeft dat een entreeticket 150.000 rial kost, is er niemand om dit bedrag van ons te incasseren. We struinen rond de kerk en proberen de beste positie te vinden voor een plaatje. De kerk met klokkentoren zijn mooi gedetailleerd en vormen het hoogtepunt van het complex. We komen langs de kamers van de monniken, maar ze lijken allemaal een verlofdag te hebben genomen. Bij het kleine museumpje waar wat spulletjes uit de bijna 700 jarige historie van het klooster staan uitgestald, vragen we hoe we op de hogergelegen plek achter het klooster kunnen komen. Dat lijkt ons nl. de ideale positie voor een overzichtfoto. Hij wijst ons de weg en na wat klauterwerk zien we de kerk tegen de achtergrond van kleurige bergwanden. We genieten nog even van dit uitzicht en gaan dan weer op weg naar de auto

We vervolgen onze weg langs de Aras rivier richting Podasht en hoewel het klooster een plaatje is, geven we de prijs voor ‘hoogtepunt van de dag’ aan de omgeving waar we vandaag doorheen gereden zijn. Ook dit deel langs de rivier heeft na elke bocht weer wat moois te bieden. Het is overigens duidelijk zichtbaar dat het een grensgebied is. Op Azerbeidzjaanse grond staan om de paar kilometer uitkijktorens waar militairen geposteerd zijn en af en toe zien we zelfs een kleine commandopost aan de rivier. Door Iran wordt daar minstens zo veel bewaking tegenover gezet. We rijden door tot de stuwdam in de Aras rivier en buigen dan weer wat verder van de rivier af. Het landschap verandert abrupt van onherbergzaam gebergte in vlak grasland. Chagrom geeft daar maar weer eens flink gas en hoewel hij regelmatig op de rem moet voor een Turkse vrachtwagen die op weg naar huis is, komen we rond 15:00 uur bij het Tourism Hotel in Maku.

Nadat we onze spullen op kamer hebben gegooid gaan we op zoek naar de overblijfselen van de oude citadel, het bijbehorend fort en de Abu Fazi moskee. Zoiets is altijd weer makkelijker bedacht dan gedaan en ook dit keer is dat het geval. De bezienswaardigheden liggen nl. tegen een hoger gelegen rotswand achter de stad. Het pad gaat over rotsen en via heel veel ongelijke stenen trap treden naar boven en het zweet staat al snel op het voorhoofd. Ergens halverwege komt er een Iraanse theekransje naar beneden en de dames willen natuurlijk even weten waar we vandaan komen. Als we even met ze staan te kletsen (vooral Diana, want vrouw met man is toch een beetje not-done) willen ze opeens allemaal met ons op de foto. De ene na de andere foto wordt gemaakt en stuk voor stuk komen ze naast ons staan. We blijven een leuke circus attractie

Na een half uur zijn we eindelijk boven en zien we pas dat alles hierboven onder een mega overhangende rots staat. Best handig zo’n natuurlijke overkapping. We staan bij een gebouwtje dat de Abu Fazi moskee moet zijn. Het is duidelijk geen moskee als andere moskeeën en het belangrijkste ritueel is het branden van een kaarsje op de enorme rotswand naast de moskee. Diana krijgt ook een kaarsje aangeboden. Ze steekt het kaarsje vakkundig aan en geeft het een mooie plek tegen de muur. Een klein kind checkt of ze het allemaal wel goed doet. We krijgen bij de moskee nog een bekertje thee en gaan dan iets verderop kijken bij de restanten van de citadel en het fort. Er wordt hard gewerkt aan het fort en dat is niet voor niks, want er is niet veel over van wat ooit het fort was. Ook van de citadel is het meeste verdwenen of verwoest. Misschien moeten we over een paar jaar nog eens gaan kijken als de restauratie achter de rug is.

Woensdag 19 oktober

Maku ligt op een fantastische lokatie in een kloof tussen steile bergen, maar die bergen zorgen ook voor veranderlijk weer. Vanochtend goot het toen we de gordijnen open trokken. We gaan ontbijten, tandjes poetsen, gooien de rugzakken voor de laatste keer achterin de auto en gaan op weg naar Tabriz, met een tussenstop bij de Armeense kerk, Khara Khelisa.

Als we Maku uitrijden lijkt het dat we de donkerste bewolking achter ons laten en 20 kilometer verder is er nauwelijks nog regen waarneembaar. Zou het dan toch goed komen vandaag? Nou, mooi niet dus, want op zo’n 10 kilometer voor Khara Khelisa verandert de lichte regen in natte sneeuw. We zagen dat 19 oktober een herfstachtige dag in Nederland zou worden, nou hier lijkt het wel winter. Het landschap om ons heen heeft wel wat spookachtigs. Flarden laaghangende bewolking kruipen over het geel-groene landschap en als we het hoogste punt van de rit bereiken is het zicht zelfs minder dan 50 meter geworden. Uit het niets zien we dan ineens het Armeense kerkje liggen.

Khara Khelisa is een van de meest geisoleerde en indrukwekkende plekken in Iran. Deze ‘zwarte kerk’ is gewijd aan de heilige Thaddeus, een van de twaalf apostelen en een van de aartsvaders van het Armeense christendom. Mister Thaddeus leefde in de eerste eeuw na christus en volgens de overlevering is toen ook deze kerk gesticht. Het huidige bouwsel dateert uit de tiende eeuw en is opgetrokken uit zandsteen. De buitenkant is prachtig, de binnenkant sober. Khara Khelisa is de best onderhouden middeleeuwse kerk in Iran en ook vandaag staat een deel in de steigers voor onderhoud. Het grootste deel van de kerk is na een aardbeving herbouwd aan het begin van de 14de eeuw en in 1810 is de beige-witte uitbouw toegevoegd. Dit deel is wel het rijkst versierd met beeldhouwwerk van heiligen, engelen, koningen en kruizen

Na het natte bezoek bezoek aan Khara Khelisa gaan we dan op weg naar de grootste stad in het westen van Iran en tevens hoofdstad van de provincie West Azerbeidzjan: Tabriz. Hoewel het grootste deel van de rit over een snelweg gaat, moet je hier niet gek staan te kijken als er ineens een kudde schapen of een handvol ezels langs de weg staat. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, raast iedereen aan de beesies voorbij. Omgekeerd lijken de dieren zich ook niet veel aan te trekken van het voorbij razende verkeer. Als we Tabriz in zicht krijgen begint het opnieuw licht te regenen. We rijden de miljoenenstad in en zijn benieuwd hoe Chagrom hier de weg naar het hotel gaat vinden. Het verkeer is hier helemaal doorgedraaid. De gammele Sabia’s en Paykan’s vliegen je hier van alle kanten voorbij. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat we zo weinig ongelukken zien. Chagrom redt zich overigens prima; na drie keer vragen rijdt hij ons naar het hotel waar we we onze spullen opnieuw in een 4 persoons appartement mogen neergooien.

Het is ongeveer 15:00 uur als we ons onderdompelen in het drukke straatleven van Tabriz. Het is vanaf ons hotel ongeveer 20 minuten lopen naar de bazaar en omdat daar een goede Tourist Information is, wordt dat ons doel. We moeten een aantal keren de weg oversteken en we proberen dat met dezelfde bluf te doen als de Iraniers. Het verschil is dat de Iranier niet op of om kijkt wanneer een auto nadert, terwijl wij bij elke naderende auto een nat plekje in de broek hebben.

Zonder kleerscheuren komen we bij de bazaar en gaan we op zoek naar Nasser Khan, een man die zelfs in de Lonely Planet genoemd wordt. Dankzij een enorm bord is het niet moeilijk om hem te vinden. We komen er al snel achter dat Nasser zelf ook nogal gek is met Nasser. Hij raakt niet uitgepraat over zijn kwaliteiten, maar we merken ook dat hij goed geinformeerd is en niet perse tourtjes probeert te verkopen. Nasser brengt ons aan het twijfelen over ons programma. Volgens hem zijn bepaalde bezienswaardigheden minder interessant dan ze lijken. We veranderen er nu nog niets aan. Vanavond op de bank maar eens goed nadenken over het vervolg van onze reis.

Donderdag 20 oktober

Vanaf vandaag zijn we officieel weer op onszelf aangewezen. Nadat we gisteravond afscheid hebben genomen van Chagrom moeten we zelf zorgen dat we van A naar B komen. Hij klopte ‘s-avonds nog aan de deur en vertelde dat hij de volgende ochtend naar Teheren zou reizen. Zijn vrouw hing aan de lijn en die wilde Diana spreken. Ze stelde voor om samen met hen te gaan lunchen of dineren als wij terug zouden zijn in Teheran. Helaas gaat dat in ons programma niet lukken, maar het is een mooi gebaar. We bedanken Chagrom voor al z’n goede zorgen en geven hem een ‘gouden’ handdruk.

Het standaard programma voor Tabriz is vrij overzichtelijk: de blauwe moskee, de bazaar, de citadel en de Golestan tuin. Tussendoor moeten we dan nog even geld wisselen. Eerst maar naar de blauwe moskee, of Masjed-e Kabud zoals ze hier zeggen. Het is zo’n 20 minuutjes lopen vanaf ons hotel en als we ons entree ticket gekocht hebben blijkt dat we nog helemaal alleen bij de moskee zijn. Is dat even fijn fotograferen. De moskee heeft z’n naam te danken aan de gloed van de verschillende soorten blauwe tegeltjes waarmee de moskee was bekleed

De moskee is gebouwd in 1465 en was een van de meest glorieuze bouwwerken van zijn tijd. Nadat de bouw was voltooid hebben kunstenaars er nog 25 jaar over gedaan om het hele oppervlak tebekleden met tegeltjes. Als dit werk werd teniet gedaan door een aardbeving in 1773 waarbij de moskee grotendeels instortte. Alleen de achterkant is blijven staan. Inmiddels is het gebouw weer herbouwd, maar alleen aan de achterkant is een vleug van de originele blauwe buitenkant te zien. We gaan de moskee ook nog even binnen en zien ook daar dat de restauratie nog een lange weg te gaan heeft. De binnenkant heeft al wel veel meer blauw op de muur geplakt zitten, maar het zou ons niet verbazen als de hele klus nu ook nog eens 25 jaar gaat duren, want er zijn helemaal geen werkzaamheden waar te nemen in de moskee. Net als wij naar buiten willen gaan komen er andere toeristen de moskee binnen en als we buiten staan zien we ook een grote groep Duitse toeristen die staat te trappelen om de moskee in te gaan. Waren wij even mooi op tijd! We laten de moskee aan onze oosterburen en gaan op weg naar de bazaar.

Voordat we bij de bazaar zijn, komen we langs de wisselkantoortjes. We zijn wel nieuwsgierig wat er hier betaald wordt voor de euro, dus we gaan ergens naar binnen. Na een beetje onderhandelen blijken we hier een veel betere koers te krijgen dan bij Nasser van de Tourist Information. Omdat we hem een kans willen geven deze koers te evenaren, lopen we zonder te wisselen naar zijn kantoortje.
Hij groet ons vandaag weer net zo populair als gisteren; gooit er af en toe een paar Nederlandse woordjes tussendoor en vraagt wat we komen doen. We zeggen dat we geld komen wisselen, maar niet voor de koers die hij gisteren bood. Hij kan niet geloven dat wij een betere koers kunnen krijgen en zegt dat we daar nog een flinke commissie moeten betalen. Wij zeggen dat dit niet het geval is, want daar hebben we naar gevraagd. Hij kan de koers van het wisselkantoortje niet evenaren, dus we verlaten het kantoortje terwijl hij ons een ’tot ziens’ naroept. We hebben hem maar niet verteld dat we zijn reis-adviezen ook in de wind slaan en dat we aan ons eigen programma vast houden. Hij wist waarschijnlijk niet meer dat we het daar gisteren over hebben gehad

We lopen terug naar het wisselkantoortje waar we weer vriendelijk worden onthaald. De rekenmachine wordt erbij gepakt en ons wordt nogmaals voorgerekend dat we 39.600.000 rial voor onze duizend euro krijgen. De koers is iets minder dan in Teheran, maar het is een dik pak papier in de broekzak! Hierna dolen we een tijd over de bazaar. Van de drukke kledingafdeling waar je je tussen de mensen door moet persen, naar de tapijten waar het veel rustiger is, maar waar de handelaren veel actiever aan het verkopen zijn. We lopen van de geuren van de specerijenafdeling naar de geuren van de parfumafdeling, waarna we in de juwelenstraatjes uitkomen.

Het originele deel van de bazaar bestaat uit lange gangen met prachtig gemetselde koepeldaken. De tapijthandelaren vind je vaak in de zgn. timches. Dit zijn grotere hallen maar ook met zo’n mooi gemetseld koepeldak. In de bazaar is ook een moskee, waar net een soort bijscholing werd gegeven toen wij er naar binnen keken. Ook zijn er restaurants, cafe’s en kun je er een heerlijke waterpijp roken. Wanneer de inwendige mens aangeeft dat er gegeten moet worden, verlaten we de bazaar en gaan we op zoek naar een eetgelegenheid.

Het broodje falafel was opnieuw heerlijk maar als de smaakpolitie hier langs zou komen, zouden er dubbele sloten op de deur gaan. We hebben tijdens het eten maar niet te veel naar het keukengedeelte van deze toptent gekeken. We besluiten na de lunch even terug naar het hotel te lopen om het pak geld op een veiligere plek te leggen, maar doen dat via een kleine omweg zodat we de Arg-e Tabriz kunnen meepikken. Dit grote stenen gevaarte is een overblijfsel van de 14e eeuwse citadel. Over dit bouwwerk doet het verhaal de ronde dat misdadigers voor straf van de top van deze muur werden gegooid. Een vrouw die ook op deze manier werd gestraft, zou het hebben overleefd omdat haar chador als een parachute werkte. Zal wel!

Op de hotelkamer proppen we de miljoenen in een tasje en gooien dat achter slot en grendel. Tot nu toe hebben we helemaal niet het gevoel dat ze het op ons geld of spullen gemunt hebben, maar we nemen het zekere voor het onzekere. Dan zijn er nog twee bezoekjes af te leggen: de Golestan tuin en de Anglicaanse kerk. Eerst naar de kerk, maar waar volgens de kaartjes de kerk moest zijn konden wij ‘m niet vinden. De kerk is herkenbaar aan een toren met vier steeds kleiner worden cilinders, maar waar we ook kijken geen toren en dus geen kerk. De kerk is geen must-see, dus we lopen door naar de Golestan tuin. Het is een fraai aangelegd stadspark, waar van alles te doen is. Aan de ene kant is een soort boekenmarktje en aan de andere kant proberen alle Stiefbeen’s van Tabriz hun troep te verkopen. We lopen naar de andere kant van de weg en kopen daar bij een bakkertje een paar verse muffins. Dan zoeken we een bankje bij de grote vijver en laten daar een uurtje het leven aan ons voorbij gaan.

Vrijdag 21 oktober

We wilden de bus van 10:00 uur nemen, dus heel veel haast hadden we niet. Eerst even lekker ontbijten, dan onze spullen weer in de rugzak proppen en uitchecken. We laten ons met een taxi bij het busstation afzetten en daar worden we gelijk in de nek gesprongen door ticketverkopers. ‘Teheran, Teheran, Zanjan, Qazvin’ klinkt het. ‘We willen naar Zanjan’ zeggen we. Het maakt niet zoveel uit in welke taal je dit zegt want als ze ‘Zanjan’ opvangen weten ze genoeg. Er wordt een ticket uitgeschreven en we lopen naar de bus. Het blijkt een luxe bus te zijn met grote stoelen waar je bijna plat in kunt liggen. De stoelen zijn zo breed dat er maar drie op een rij staan.

Tien uur wordt uiteindelijk kwart over tien, maar dan wordt er gas gegeven. Langs de snelweg pikken we dan nog een paar passagiers op, zodat de bus helemaal propvol zit en dan gaat het richting Zanjan. De vrouw die aan de andere kant van het gangpad naast Diana zit deelt gelijk snoepjes en mandarijnen aan ons uit. Het blijft ongelooflijk hoe vaak dat gebeurt. We kunnen bijna nergens met Iraniers in contact komen of er wordt iets uitgedeeld. De reis gaat voorspoedig, hoewel de chauffeur wat moeite heeft met de climatcontrol in z’n Scania. Eerst loopt de temperatuur op tot 26 graden en vervolgens laat hij het afkoelen tot 13 graden, volgens de display voorin de bus.

Rond 13:30 uur rijden we dan door de tolpoort bij Zanjan en dat is tevens onze eindstop. We worden aan de kant van de snelweg achtergelaten; toedeloe! Gelukkig gebeurt dat hier vaker, want de taxi’s staan al te wachten. We kruipen in een oude bak en laten ons bij het hotel afzetten. Onze vuurdoop met het busvervoer zit erop. Nadat we zijn ingecheckt gaan we eerst een happie eten. Het is vrijdag, dus ‘zondag’ voor de Iraniers en het is relatief rustig op straat. Gelukkig zijn de cafetarias wel open. We kiezen opnieuw voor de vegetarische falafel.

Na deze luxe lunch gaan we op pad in Zanjan. Op weg naar het Enghelab plein komen we langs de Rasul Ullah moskee. We besluiten er een kijkje te nemen. Mannen en vrouwen hebben een eigen ingang en een eigen gedeelte in de moskee, dus Diana gaat via de voordeur terwijl Rob de achterdeur neemt. De mannen-afdeling is eenvoudigjes, maar de vrouwenafdeling kan Diana wel bekoren. Ze moet een leen-chador om doen, maar dan ben hoor je er ook echt bij. Er wordt gebeden, maar er worden door de vrouwen ook foto’s gemaakt met mobieltjes. Kinderen rennen door de grote ruimte die grotendeels met een spiegel mozaiek is bekleed.

Na het bezoek aan de moskee lopen we via het Enghelab plein langs de Jameh moskee naar de bazaar, maar die is gesloten op vrijdag. We vervolgen via de Imam Khomeini straat naar de vrouwenmoskee, maar die blijkt niet meer in gebruik te zijn. Dan gaan we op zoek naar de Dokhtar karavanserai, maar die is op vrijdag ook al gesloten. Niet ver van de karavanserai is het treinstation en daar informeren we naar de mogelijkheid om met de trein naar Qazvin te reizen. Er blijken meerdere treinen per dag Qazvin aan te doen dus dat is geen probleem.

In de buurt van het station spreekt Diana een taxichauffeur aan omdat ze toch wil weten wat een dagritje naar Takht-e Soleiman kost. We hadden deze bestemming eigenlijk al uit ons programma geschrapt, maar het lijkt erop dat we voldoende tijd hebben voor een bezoekje aan deze ruines. Het wordt een onderhandeling met handen en voeten, ondersteund met een Engelstalige persoon aan de andere kant van de telefoonlijn, maar uiteindelijk komen we tot overeenstemming en gaan we morgenvroeg toch naar Takht-e Soleiman.

De zon begint inmiddels te dalen dus we gaan op weg naar ons hotel. We hebben boven de daken van van Zanjan een enorme koperen koepel gezien en die willen we nog wel even van dichtbij zien. Het blijkt opnieuw een moskee te zijn op een minuut of tien lopen vanaf het treinstation. We kunnen de naam van het kitscherige koperen gevaarte niet achterhalen, maar laten we het de MZN noemen (moskee zonder naam). Ook hier is het verdacht stil voor een vrijdag. Blijkbaar worden op vrijdag niet alle moskeeën evengoed bezocht. We lopen een rondje rond de MZN en gaan dan snel op weg naar onze laatste bestemming voor vandaag.

Ten noorden van het Enghelab plein is het Rakhatshor-Khaneh. Dit is een ondergrondse ruimte die in het pré-Miele tijdperk werd gebruikt om de was te doen. Het water werd via kanaaltjes aangevoerd en de vrouwen stonden hier dan te schrobben en te slaan met hun wasgoed. Om ons al toerist te laten zien hoe dat geweest moet zijn, hebben er een soort Madame Tussaud van gemaakt; de kelder staat nl. vol met wassen beelden van vrouwen in verschillende was-bewegingen. Te fout voor woorden, maar het is goed bedoeld. We lopen door de goed gerestaureerde ruimte en bezoeken aansluiten nog even het naastgelegen museumpje. We blijken de laatste gasten te zijn, want wanneer we de deur uit zijn, gaat het slot er gelijk op.

Op weg naar het hotel komen we lang een bakker zoals je ze vaak ziet in de straten van een stad. Hier worden de platte, lanwerpige broden gebakken die we in ons hotel in Teheran bij het ontbijt kregen. Daar waren ze niet te kangen, maar als je ze rechtsreeks uit de steenoven eet zijn ze heeeeerlijk. We staan even te kijken hoe de broden gebakken worden. Een brood is vaak nog maar net uit de oven of er komt weer een klant langs die er eentje koopt. Ze kosten een kwartje en dat is geen geld voor zo’n ovenvers brood. Wij besluiten er ook eentje uit de oven te kopen en eten deze op weg naar ons hotel op.

Zaterdag 22 oktober

Gisteren hadden we een deal gesloten met de hoogste baas van de Taxi-mafia in Zanjan. Voor een lullige 1,9 miljoen zou er om 08:30 uur een taxi bij ons hotel stoppen, waarna wij dan zonder iets te zeggen instappen. De chauffeur rijdt ons dan in 2 uur naar Takht-e Suleyman. Niemand hoeft hier iets vanaf te weten. Wij zorgen dus dat we op tijd hebben ontbeten en ruim voor 08:00 uur zitten we al klaar in de lobby. Een telefoontje naar de taxi-maffia-baas zorgt ervoor dat de taxi 10 minuten eerder bij het hotel is. Als de kleine, witte Saipa voorrijdt zijn wij enigszins teleurgesteld; voor 1,9 miljoen verwacht je een auto met iets meer luxe. Deze heeft alleen een ventilator. Wij stappen in en de rit naar de Troon van Solomon begint.

Het wordt eentonig, maar dat is in dit geval positief. Ook dit keer is het weer een rit door een prachtige omgeving. Het lijkt wel een beetje op onze rit van Kandovan richting Jolfa, alleen zaten we er nu meer tussenin. Het gebergte is droog en doet soms buitenaards aan. Het kleurenpallet van de omgeving is wonderschoon maar tegelijkertijd heeft het iets onhergergzaams. Leven lijkt hier bijna onmogelijk, maar toch rijden we heel af en toe door een dorpje waar het leven lijkt te hebben stil gestaan. De rit duurt ongeveer twee uur en onderweg vragen we onze chauffeur af en toe om te stoppen zodat we iets langer kunnen genieten. Iets na half elf zien we dan de ruines van Takht-e Suleyman aan de kant van de weg.

In de 3e eeuw na christus was het Zoroastrianisme het voorgeschreven geloof in Perzie. Takht-e Suleyman heette destijds Azergoshnasb en was het spiritueel centrum. De plek was daarvoor uitermate geschikt, want een belangrijk element van dit geloof was de verering van aarde, wind, water en vooral vuur en dat was hier allemaal aanwezig. Aarde en wind is niet zo bijzonder, maar het water was afkomstig uit een kratermeer dat (nu nog steeds) 90 liter per seconde opborrelt en het vulkanisch gas zorgde ervoor dat er een vuurtje kon worden gestookt.

Deze site werd destijds voornamelijk gebruikt voor koninklijke en geestelijke rituelen. De naam doet vermoeden dat de site iets met koning Solomon uit het oude testament te maken heeft, maar dat is niet het geval. Het is een verzinsel van de Perzische bewakers van de site. In de 7e eeuw was de Arabische invasie ophanden en ze wisten dat de Islamieten veel eerbied hadden voor bijbelse figuren. Ze bedachten een verhaal van een eenmalige verblijf van koning Solomon en wisten daarmee een zekere vernietiging te voorkomen.

We lopen ongeveer een uurtje tussen de ruines door. Vooral het kratermeer is bijzonder in deze droge omgeving. Van de gebouwen is over het algemeen niet veel meer over dan ruines. Ook op deze site hebben ze de komende jaren veel werk te doen, om alleen al te voorkomen dat de boel instort.

We gaan weer terug naar de parkeerplaats waar onze chauffeur met een koppie thee klaar staat, gooien er nog een koekie tegenaan en dan gaan we weer naar Zanjan. We rijden dezelfde weg terug dus we krijgen de gelegenheid alles nog eens in een ander licht te zien. Dat moet je heel letterlijk nemen, want nu de zon hoger staat en uit een iets nadere hoek komt, ziet het er soms toch heel anders uit. We rammelen weer twee uur terug in ons witte gebakkie en laten ons bij het plein afzetten waar we gisteren geluncht hebben. Dat gaan we nu ook maar weer doen.

‘s-Middags willen we nog naar Soltaniyeh, dus we proppen het broodje snel naar binnen en gaan op zoek naar een taxi. Het is nog ruim een half uur rijden en je wilt toch niet voor een dichte deur komen te staan. Na wat onderhandelen over de prijs, waarbij we elkaar niet verstaan, gaan we met de taxichauffeur mee die we het eerst hebben aangesproken. We nestelen ons op de achterbank en beginnen aan het ritje van 35 km. Elke keer als we bij een politiepost in de buurt komen moeten we even net doen alsof we onze autogordel om hebben. We kunnen de autogordel niet écht omdoen omdat deze niet compleet is. We worden gelukkig niet aangehouden en om 15:15 uur staan we bij het gebouw met de grootste stenen koepel ter wereld.

Soltaniyeh, of ‘Stad van de Sultans’, is door de Ilkhanaat Mongolen gebouwd met als doel te fungeren als hun Perzische hoofdstad. Dit heeft echter maar 82 jaar geduurd, want in 1384 is de stad grotendeels verwoest door de Turks-Mongoolse krijgsheer Timoer Lenk. Slechts drie gebouwen hebben dit overleefd, waaronder het mausoleum van sultan Oljeitu. Dit mausoleum is verreweg het mooiste van de drie gebouwen. Het is 48 meter hoog en de koepel met blauwe tegeltjes heeft een diameter van 25 meter. De binnenkant van het mausoleum is helemaal volgebouwd met steigers i.v.m. renovatiewerkzaamheden, maar ondanks deze metalen constructie is goed te zien hoe immens groot dit gebouw is. We gaan de smalle trapjes op naar de bovenste verdieping waar je een mooi uitzicht hebt over het hele complex. In alle gangen en alle nisjes vallen de fantastische details op. Elke keer als we zo’n gebouw zien vragen we ons af hoe het er destijds uit moet hebben gezien.

Als we alle hoeken van het mausoleum hebben gezien gaan we weer terug naar onze chauffeur en laten we ons terug naar Zanjan brengen. We drinken daar nog een beker vers sinaasappelsap en lopen dan door naar het hotel. Restaurants zijn er in deze stad nauwelijks te vinden en we hebben geen zin om weer in een snackbar te gaan zitten, dus eten we ‘s-avonds in het hotel. Daarna gaan we nog even de straat op voor een echte bak espresso bij ‘City Cafe’. Als we terug naar het hotel lopen komt er toch een smetje op deze vakantie. We komen langs een winkelcentrum van 6 verdiepingen en we gaan nog naar binnen ook! Alle grote merken zijn vertegenwoordigd en Diana ziet (natuurlijk) een leuk horloge van ‘Tocs!’. Komt dat goed uit; ze had nog een verjaardagskado tegoed.

Zondag 23 oktober

Zanjan kunnen we afvinken en we gaan door naar Qazvin. We gaan bepakt en bezakt de straat op, houden een taxi aan en laten ons er bij het busstation weer uitgooien. We worden weer met open armen ontvangen door mannetjes met een bonnenboekje die hun bus vol moeten krijgen. We lopen met de eerste de beste mee, gooien de rugzakken onderin de bus en gaan in de bus zitten. We zitten nog maar net of de motor wordt al gestart. Dat gaat lekker. Achteraf iets te snel gejuicht, want nog geen honderd meter van het busstation wordt de bus weer stil gezet en gaan ze opnieuw op jacht naar passagiers. Een handvol passagiers rijker en een half uurtje later gaan we dan echt op weg naar Qazvin.

De steward van dienst deelt aan iedereen een pakje drinken en een muffin uit, dus met de service aan boord lijkt het goed te zitten. De rit naar Qazvin duurt maar zo’n twee uur, ondanks dat er onderweg nog een tweetal keer wat extra passagiers worden opgepikt. Net buiten Zanjan zien we vanaf de snelweg voor de laatste keer de koepel van het mausoleum van Soltaniyeh blinken. Ook van deze afstand valt de grootte van het monument op. Als we de tolpoorten bij Qazvin gepasseerd zijn, is het weer hetzelfde liedje. Bus gaat naar de kant van de snelweg, wij worden eruit gegooid en kunnen op zoek naar een taxi om in Qazvin te komen. Die zijn daar natuurlijk op ingespeeld, dus niet veel later zijn we al bij ons hotel.

Het is iets voor twaalven, dus we hebben nog alle tijd om de hoogtepunten van Qazvin te bezoeken. Ons hotel ligt zo’n 15 minuten wandelen van het Azadi plein dat je als centrum van de stad kan zien. Dat wordt dus onze eerste bestemming, maar we regelen eerst iets voor de inwendige mens. Bij dit cafetaria worden we weer eens op de foto gezet door een Iraanse dame. We beginnen inmiddels redelijk te begrijpen hoe een pop-ster zich moet voelen. We worden nagekeken, meiden giechelen als we langs lopen, we moeten met de Iraniers op een selfie en nu kunnen we ons broodje niet eens meer rustig opeten; het is een opgave! Met de buikjes gevuld lopen we dan verder en komen langs de Nabi moskee. Hoewel we er natuurlijk al verschillende gezien hebben ziet deze er toch weer anders uit. Helaas is de dienst net afgelopen, maar op het enorme binnenplein is nog wel het e.e.a. te doen. We gaan er even op een bankje in de zon zitten en genieten van alles om ons heen.

Omdat onze tijd hier toch wel beperkt is, staan we na een tiental minuten toch maar op en vervolgen onze tocht. De volgende stop is de bazaar. Deze bazaar is onvergelijkbaar met de bazaars in andere steden. Hier geen chaos en drukte, maar prachtig gerestaureerde gangen met mooie koepeldaken en chique winkeltjes. Zo’n bazaar zou in een westerse stad niet misstaan. We lopen kris-kras door de verschillende gangen en komen dan op een gezellige binnentuin uit. Er is een soort cafeetje waar je onder een parasolletje wat kan drinken en die kans laten we niet voorbij gaan.

Ook deze stop duurt niet te lang en we gaan dan op weg naar een van de drie stadspoorten die Qazvin rijk is. Deze stop combineren we met een bezoek aan de Tourist Information want we moeten nog even uitzoeken hoe we overmorgen in Kashan komen. Het is zeker een kwartiertje lopen naar de Rah Kushk Gate en we merken dat het hier alweer wat warmer is dan in Zanjan. De stadspoort ligt er wat verlaten bij zo aan de kant van een drukke rotonde en vlak bij een wolkenkrabber in aanbouw. Blijkbaar heeft deze attractie geen monumentale plek verdiend. We stappen vervolgens even bij de Tourist Information naar binnen, maar de gezellige dames kunnen ons niet aan de gewenste informatie helpen. We moeten het maar even op het busstation gaan vragen. Waar heb je dan een Tourist Information voor, vragen wij ons af.

Omdat het busstation weer helemaal aan de andere kant van de stad ligt, laten we ons er door een taxi heen brengen. Als we uit de taxi stappen komen er gelijk weer van die mannetjes naar ons toe die buskaartjes proberen te verkopen. ‘Nu nog niet’ zeggen wij ‘mañana, mañana’. Op het enorme busstation weten we één man te vinden die een beetje Engels spreekt. We krijgen te horen dat er geen rechtsreekse bus naar Kashan gaat en dat we kunnen kiezen tussen een overstap in Teheran of Qom. Daar moeten we dan maar even over nadenken. Bovendien is er hier ook een treinstation, dus misschien is dat een optie.

Het busstation ligt vlak bij de tweede toegangspoort van Qazvin, dus we besluiten daar maar ook maar even heen te lopen; we zijn hier nu toch. De Tehran Gate ligt er veel fraaier bij en heeft zelfs een soort van parkje er omheen gekregen. Van deze poort is het niet zo ver naar de Jameh moskee, dus dat wordt ons volgende doel. Omdat we een shortcut nemen lopen we toevallig langs een klein marktje. Er zit ook een mannetje die druiven probeert te verkopen. Pitloze druiven, want daar staat Qazvin ook om bekend. Even verderop is de Jameh moskee, maar deze staat grotendeels in de steigers en dus zo goed als verlaten. We lopen even over het terrein, maar gaan al snel weer verder.

Als we de straat over steken, op weg naar de laatste bezienswaardigheid van vandaag, zien we in de verte de derde toegangspoort van Qazvin: de Ali Qapu. Dit is tevens de grootste, maar omdat deze tegenwoordig dienst doet als politieburo is fotograferen geen optie. We lopen dus maar verder, op weg naar de Amineh Khatun tombe. Dit monumentje staat wat verloren tussen de lelijke moderne straatjes. Het blijft wel een leuk gebouwdje met z’n blauwe conische dakje. Helaas kunnen we er niet heel dicht bij komen omdat het monumentje vandaag gesloten is, maar vanachter het het hek kunnen we het gebouw ook heel goed zien.

We lopen terug naar de hoofdstraat en duiken nog een keertje de nieuwerwetse bazaar in. Inmiddels is de verlichting aan gegaan en ziet het er nog sprookjesachtiger uit. We komen langs een moderne, sfeervolle koffieshop en gaan daar naar binnen voor een versnapering. Onder het genot van een drankje kijken we naar de nieuwe generatie Iraniers en zien dat zij heel veel dezelfde dingen doen die dezelfde generatie in Nederland ook doet. Twee meiden en een jongen eten gezamelijk een gebakje en maken ondertussen selfies en twee andere meiden zijn zo druk met elkaar in gesprek dat de ene niet eens in de gaten heeft dat haar hoofddoek bijna is afgegleden. Als je haar zo ziet zitten in haar moderne kleding, zijn er helemaal geen verschillen. Als de jongen van de koffieshop haar vraagt de hoofddoek weer goed te doen besef je je weer dat het hier toch net even anders is.

Van de nieuwerwetse bazaar lopen we dan richting de ouderwetse bazaar waarbij we onderweg ineens weer op het binnenterrein van de Nabi moskee staan. Als we naar de overzijde lopen wordt Rob aangesproken door een jochie dat pakjes kauwgom probeert te verkopen. Rob is in een goede bui, dus pakt z’n portemonnee, maar ziet dat het keinste geld een briefje van 50.000 rial is. Hij laat het de jongen zien en vraagt hoeveel pakjes kauwgom hij ervoor krijgt. De jongen drukt 5 pakjes in z’n handen, neemt het briefje aan en weet niet hoe snel hij weg moet komen. Wat een lol voor €1,25!

Daarna lopen we via de old school bazaar terug naar de hoofdstraat. Bij gebrek aan een écht restaurant gaan we naar binnen bij iets dat daar het meest op lijkt (omdat er een tafel en stoelen staan) en bestellen van alles wat. Nadat we deze mixed Iran naar binnen hebben gewerkt gaan we terug naar het hotel. De wekker gaat op 06:30 uur want morgen gaan we vroeg op pad.

Maandag 24 oktober

De jongens van het hotel deden hun uiterste best om ons op zo’n vroeg tijdstip te laten ontbijten. Normaal gesproken kun je hier vanaf 08:00 uur ontbijten en dat was vandaag veel te laat voor ons. We proppen alles naar binnen en als we om 07:30 uur in de lobby staan komt Sohrab, onze chauffeur voor vandaag al aanrijden.

We gaan gelijk op weg, want er staat weer veel op het programma vandaag. We rijden Qazvin uit en gaan dan gelijk al de bergen in. Als we de berg over zijn en de Alamut vallei inrijden zien we daar een prachtige wolkendeken in de vallei liggen. Dat is wel een plaatje waard, dus we laten Sohrab gelijk z’n eerste stop maken. Dit doet ons terugdenken aan Alishan in Taiwan waar we ‘s-nachts om 03:00 uur het bed uit moesten om een ‘sea of clouds’ te kunnen zien. Hier krijg je het er gratis bij.

Eén ding beseften we ons niet boven op de berg; een mooi wolkendek boven de vallei geeft nare bewolking in de vallei. Het duurt niet lang of we krijgen die harde werkelijkheid te zien. Als we afdalen op weg naar Lamiasar Castle, rijden we al snel in de wolken en is het zicht minder dan 50 meter. Het is gelukkig nog even rijden naar dit eerste kasteel van de Assassijnen (waarover later meer in de feuilleton), maar voorlopig moeten we het met een grijze lucht doen. We laten ons natuurlijk niet van de wijs brengen, dus ondanks de bewolking genieten we van de prachtige vallei. Het landschap is hier anders dan we eerder hebben gezien. De heuvels zijn geel/groen van het gras dat er groeit en er is ook veel meer kale rots te zien.

Om 09:30 uur draait Sohrab z’n auto op een stoffig parkeerplaatsje en wijst hij naar een smal paadje aan de overkant van de weg. We krijgen te horen dat we dat paadje moeten volgen en dat we dan vanzelf bij Lamiasar Castle uit zouden komen. We nemen wat proviand mee en gaan op weg. Het blijkt niet alleen een zanderig paadje te zijn, er moeten ook heel wat provisoriche trappen beklommen worden. We stoppen regelmatig om van de uitzichten te genieten (en om op adem te komen). Het kost ons ongeveer een half uurtje om het kasteel te bereiken en eerlijk gezegd is deze ruine de klim niet waard, maar de omgeving des te meer. Nadat we een paar minuten rondom het bouwsel hebben gelopen gaan we weer naar beneden. We zien inmiddels wat blauwe vlekken tussen de bewolking, dat dat geeft hoop voor de rest van de dag.

Na dit korte bezoek aan de westkant van de Alamut vallei gaan we de rest van de dag de oostkant verkennen. Rond 11:00 uur heeft de bewolking zich gewonnen gegeven en maken wij ons op voor een heerlijke dag. Ik durf het bijna niet te schrijven, maar ook hier weer genieten geblazen. Met open mond en een druppeltje kwijl uit de mondhoek verbazen we ons opnieuw over de schoonheid van het landschap. Na vele kilometers slingerwegen en een groot aantal haarspeldbochten, bereiken we uiteindelijk het Evan meer(tje). Dit meer is ontstaan uit een natuurlijke bron, maar Sohrab adviseert om het niet te drinken. We houden hier even pauze voordat we verder gaan naar de volgende attractie.

We rijden eerst weer wat kilometers omhoog en in de diepte zien we weer eens wat begroeing. We vragen Sohrab even te stoppen zodat we dat beter kunnen bekijken. Hij zegt dat dit het begin is van de Andej canyon die we gaan bezoeken. Het ziet er prachtig uit van bovenaf; overal om ons heen die ruige bergen en dan in de diepte een langerekte sliert groen. We rijden nog een stukje verder langs de canyon en slaan dan plots scherp af naar rechts. De weg gaat stijl naar beneden en we komen steeds dichter bij de bodem van de canyon. Als we beneden zijn aangekomen lijkt het alsof we in een andere wereld staan. Overal om ons heen hoge bomen, sommige al in herfstkleur. Een riviertje klatert rustgevend naar beneden.

We houden even een thee-pauze bij een kleine natuurlijke bron. Dit water kun je wel drinken volgens Sohrab. We durven de proef niet op de som te nemen en houden het bij het glas thee dat hij inschenkt. We zoeken een plekje op een rots en genieten van alles dat we om ons heen zien. Voordat we verder rijden lopen we nog 50 meter een zandpad in. Daar zijn nog twee kleine ‘grotwoningen’ te bewonderen. De plafonds van deze grotten zijn zwart geblakerd, dus er zal ooit wel eens iemand geleefd hebben of op z’n minst een keer hebben ge-bbq-d. Als Sohrab de theeglazen weer heeft gewassen gaan we verder naar onze laatste bestemming van vandaag.

We slingeren met het riviertje mee naar de hoofdweg en vandaag klimmen we naar het beroemdste kasteel in de vallei: Alamut Castle. Hoog boven de boomgaarden met kersenbomen van het dorpje Gazor Khan torent een grote kale rots uit waarop de ruine van dit kasteel zich bevindt. We rijden zover mogelijk door en spreken met Sohrab af dat we hem later weer zien bij een naastgelegen restaurantje. Dan beginnen wij opnieuw aan de stevige klim. Gelukkig ligt het grootste deel van de klim in de schaduw, maar de trappetjes met veel te hoge treden zijn een hele uitdaging.

De kastelen die wij vandaag bezoeken waren in de 12e eeuw de uitvalbasis van de Ismaili sekte. Er wordt gezegd dat de strijders van deze sekte onder invloed van een stevige portie hasj werd wijs gemaakt dat ze in het paradijs zouden belanden wanneer ze de politiek en geestelijk leiders van die tijd ontvoerden of vermoordden. Dit gaf hen de popi naam ‘Hashish-iyun’ dat weer de basis vormt voor het Engelse woord ‘assassin’ en dus tot de hedendaagse naamgeving van de kastelen: ‘Castles of the Assassins’. De volgelingen van Hasan-e Sabbah, leider van de Ismaili sekte, gebruikten het netwerk van kastelen om zich te verschuilen, volgens één verhaal. Volgens een ander verhaal Is Sabbah een vrijdenkende, pro-wetenschap leider van de islam traditie en zijn de hashish verhalen bedacht om hem in een kwaad daglicht te zetten en daarmee de Ismaili beweging te ondermijnen. Minder spannend, maar waarschijnlijk dichter bij de waarheid.

We hebben bijna een half uur nodig om via de vele onbenullige traptreden boven te komen. Daar zien we dat deze ruïne meer te bieden heeft dan die van Lamiasar castle. Bij de verschillende ruimtes staan bordjes waarop is beschreven wat de functie ervan was. Dit kasteel moet ook veel groter geweest zijn dan het andere. Een team van wetenschappers is druk bezig het hele complex in kaart te brengen en wij proberen ze daarbij zo min mogelijk voor de voeten te lopen. De omgeving is vanaf deze plek wonderschoon. Misschien dat ze hier in de toekomst een leuk hotelletje van kunnen maken. Nadat we het complex van voor tot achter besnuffeld hebben beginnen we aan de afdaling en beneden aangekomen nemen we plaats in bij het restaurant waar Sohrab op ons wacht.

Na de lunch beginnen we aan de terugweg. We rijden een iets andere route dan die waarlangs we hier gekomen zijn. We kijken bij elke bocht nog eens over onze schouder of we niets gemist hebben. Als de zon langzaam begint te zakken aan de horizon rijden wij over de laatste bergpas terug naar Qazvin, waar we rond 17:30 uur bij ons hotel worden afgezet. ‘s-Avonds gaan we bij het enige ‘normale’ restaurant van de stad eten en trakteren we onszelf na die tijd bij Negarossaltaneh in de nieuwe bazaar op een échte bak koffie; die hadden we wel verdiend!

Iran 1

Dinsdag 11 oktober 2016

‘Wat gaan jullie daar nou doen’ of ‘is het daar niet gevaarlijk’ zijn de meest gehoorde opmerkingen als we vertelden dat we naar Iran op vakantie gaan. Tja, onbekend maakt onbemind. Het is de boedoeling om beide vragen via deze blog op een positieve manier te beantwoorden, dus als je het echt wilt weten, blijf dan aan de lijn

Door problemen met de OV-kaart van Diana zou het treinritje naar Schiphol bijna spannend worden. Gelukkig was de conducteur in een goede bui, dus ze kwam er zonder boete vanaf. Van Schiphol gaan we naar Frankfurt, waar we aan boord zullen gaan van ons luchtschip naar Teheran. Op Frankfurt slenteren we wat door terminal 1 en maken we de tijd vol met een drankje en een hand vol chips. Aan boord horen we dat de vliegtijd 4 uur en 25 minuten is en dat we onderweg Oostenrijk, Hongarije, Roemenie en Turkije paseren. Zo’n vluchttijd is een ‘verre’ vakantie onwaardig (in die tijd kom je niet eens in Egypte), maar wij vinden het best. Het Lufthansa entertainment system heeft de nieuwe Star Trek Beyond in de aanbieding, dus Rob heb je niet gehoord tijdens de vlucht.

Iets voor twaalven, lokale tijd, landen we op Imam Khomeini Airport en daar gaan we als eerste op zoek naar het kantoortje waar we ons visum kunnen krijgen. Er staat op dat moment slechts een handvol toeristen dus we hadden goede hoop dat de stickertjes snel in onze paspoorten zou zitten. Vijf kwartier later moet Diana de betreffende ambtenaar op onze paspoorten wijzen, want anders waren we daar nooit met een visum weg gekomen

Achter de douane staat onze chauffeur Chagrom netjes op ons te wachten en nadat we snel nog even 100 euro hebben gewisseld voor 4 miljoen rial, gaan we op weg naar ons hotel. Rond 02:30 uur arriveren we daar. Nadat we onze paspoorten hebben afgegeven brengt de nachtportier ons naar de kamer waar we snel in bed duiken

Woensdag 12 oktober

Na een korte nachtrust gingen we voor het ontbijt naar het dakterras. Wie had dat gedacht; in Iran onder een parasolletje genieten van je ontbijt. Jammer genoeg was het brood van het type karton, maar nu weten we in ieder geval wat we kunnen verwachten deze vakantie.

Vandaag willen we zoveel mogelijk meemaken van Asjoera. Voor dit feest, ter nagedachtenis aan het overlijden van de 7e imam Hossein hebben we speciaal onze reis vervroegd. Op advies van een jongen bij de receptie van het hotel, zijn we met de metro naar station Tehran Sadeghieb gereisd, want daar zou het goed los gaan.
Bij het metrostation aangekomen, vroegen we ons af of we daar wel op de juiste plek waren, want er was daar niets te beleven. We werden echter aangesproken door een knaap die ons wel even naar het feestgedruis zou brengen. Volgens hem kon je overigens naar elk willekeurig plein in Teheran gaan voor de festiviteiten. Na een tiental minuten wandelen zagen we de eerste mensenmassa al bewegen; hier moesten we zijn.

We mengen ons onder de toeschouwers die in rijen langs de weg staan toe te kijken hoe het spektakel voorbij trekt. De meeste mensen zijn vandaag in het zwart gekleed en wij hebben onze vakantie-outfit hier zo goed mogelijk op aangepast, maar desondanks zijn wij net zo inetressant voor de toeschouwers als de echte hoofdrolspelers. De optocht lijkt nog het meest op een processie, waarbij steeds hetzelfde ritueel voorbij komt. Je kunt het ook wel een beetje vergelijken met het bloemencorso waarbij er steeds een andere wagen voorbij komt.

Voorop lopen een aantal jongens met grote vlaggen, gevolgd door zgn. alamots. Deze enorme ‘schoudervulling’ is soms wel 6 tot 7 meter breed en een stevige kerel heeft er een hele klus aan om het gevaarte op z’n hoofd en schouders in evenwicht te houden. Het gevaarte is versiert met metalen beeldjes en kleurrijke veren. De drager wordt regelmatig afgelost en je ziet dat ze behoorlijk moeten afzien. Soms heedft een gezelschap nog een tweede alamot meelopen, maar ze worden altijd gevolgd door in zwart geklede mannen die zichzelf met metalen kettingen op de rug slaan. Sinds de geestelijk leider een fatwa heeft afgekondigd tegen deze zelfkastijding, spat het bloed er niet meer vanaf, maar je krijgt een idee van hoe dat geweest moet zijn. Elk gezelschap wordt afgesloten door een auto met enorme speakers op het dak waaruit muziek schalt (soms live gezongen).

Bij het tweede plein is er buiten zelfs een gebedsdienst aan de gang. De imam van dienst had een geluidsinstallatie met enorme speakers bij zich, zodat we er niets van hoefden te missen. In grote rijen prosteneren zowel mannen als vrouwen op de rijbaan. Hoewel de dienst op straat plaats vond, werden de schoenen netjes aan de kant van de weg gezet. Hierna gaat iedereen gewoon weer verder met de andere feest activiteiten, maar de gebedsdiensten moeten altijd doorgaan.

Wanneer we vanuit de menigte staan te fotograferen en filmen komt er een man naar ons toe die ons bij de arm pakt en ons naar het begin van de stoet brengt. Hij overlegt met een aantal oudere mannen en het lijkt erop dat hij toestemming vraagt voor ons om van zo dichtbij onze plaatjes te mogen schieten. We voelen ons wat opgelaten, maar staan nu wel eerste rij. Zo zijn er vandaag meerdere mensen die het ons zo prettig mogelijk proberen te maken; ze lopen met ons mee om de weg te wijzen, we krijgen bekertjes met drinken aangeboden, crackers toegestopt en cakejes aangeboden. Het enige wat wij terug hoeven te doen is een paar woordjes Engels met ze praten en vooral laten weten wat we van de Iraanse mensen vinden. Na onze eerste dag hebben wij daarover niets te klagen.

We zien een paar keer meiden met witte pleisters op hun neus lopen en dat herinnert ons eraan dat Teheran ‘nose-job-city’ van de wereld is. Nergens worden zoveel neuscorrecties uitgevoerd als hier. Wanneer we ‘s-avonds terug zijn bij het hotel komen er zelfs twee meiden met verse neus-wonden binnen. Ze willen ons hotel als zorg-hotel gebruiken, maar helaas is er geen kamer vrij.

‘s-Middags gaan we met de metro even langs de Azadi Tower. Dit monument is in 1971 gebouwd ter herinnering aan de 2500 verjaardag van het eerste Persische rijk. Dit monument in de vorm van een omgekeerd Y is een mix van moderne architectuur uit de zestiger jaren en traditionele Iraanse invloeden. Helaas is het monument zelf gesloten dus we kunnen niet met de trap omhoog om op het 50 meter hoge monument te staan. Bovendien lijkt het om het monument heen wel een bouwput; er wordt hard gewerkt om het enigszins vervallen monument weer in ere te herstellen.

Hoewel we er ‘s-ochtends al bijna tegenaan gelopen zijn, komen we er ‘s-middag achter dat de oude Amerikaanse ambassade bijna naast ons hotel staat. Door de Iraanse overheid is het complex omgedoopt tot ‘US Den of Espionage’, vrij vertaald ‘ Amerikaans Spionagenest’. Op de muren rondom het complex staan hatelijke teksten, maar het bekendst is waarschijnlijk de graffiti van het vrijheidbeeld met doodshoofd. We lopen rondom het complex dat tegenwoordig een andere functie heeft, maar waar een keer per jaar de oude spionage apparatuur nog bezichtigd kan worden

Donderdag 13 oktober

Vandaag gingen we eerst op weg naar de bazaar. Volgens de reisgidsen begint hét hier allemaal al om 07:00 uur, dus om 08:00 uur zaten wij al weer in de metro. Het is maar een paar stationnetjes naar de bazaar, dus we zouden er mooi op tijd zijn. Toen we onder de grond vandaan kwamen vonden we het wel erg rustig op weg naar de drukste bazaar van het land. Toen we de kleine straatjes van de bazaar in keken, zagen we dat alle luiken nog gesloten waren. Dan eerst maar even naar de imam Khomeini moskee die zich min of meer in de bazaar bevindt. De moskee staat helaas in de steigers en ook hier die serene rust. Vreemd!

We hebben gelukkig nog veel meer op ons lijstje staan, dus we lopen naar het iets verderop gelegen Golestan Palace. We moeten hier zelfs even wachten, omdat dit complex nog niet eens open is. Na een paar minuten worden we binnen gelaten en gaan we langs de verschillende gebouwen van dit 18e eeuwse geboud dat door het Zand regime is neergezet. Het is allemaal erg bling-bling met veel mozaïek van tegeltjes en spiegels. Beetje te vergelijken met paleis Het Loo, maar dan anders. Na een uurtje merken we dat het druk begint te worden; groepen toeristen overspoelen het complex. Het is maar goed dat we hier zo vroeg naar binnen zijn gegaan.

Na het bezoek aan het Golestan Palace besluiten we nog even een rondje bazaar te doen; ze zullen de boel nu toch wel open gegooid hebben? Al snel weten we dat deze vraag met ‘nee’ beantwoord moet worden. Nog steeds zijn de meeste stalletjes gesloten. We besluiten toch een rondje door de straatjes van de bazaar te lopen en onderweg komen we langs een kraam waar ze brood en thee uitdelen aan de aanwezige mensen. Wij lopen er langs, maar ver komen we niet, want als we gespot worden krijgen we gelijk zo’n broodje met kaas en tomaat aangeboden en het bekertje thee komt er achteraan. We vragen aan onze weldoener waarom er niet te doen is op de bazaar en hij verteld dat dit de nasleep van Asjoera is. Hij wijst een gang in en daar zien we dat een grote groep mannen, gekleed in zwart rondom een ‘zanger’ staan, die met een snik in z’n stem liederen zingt.
We gaan in de richting van dit optreden om er wat van vast te leggen. Al snel blijkt het een echt mannen-ding te zijn, want Diana wordt door een vrouw met een plumeau uit de buurt van de mannen gehouden. Rob overkomt het tegenoverstelde. Hij wordt aan de hand meegenomen naar voren en staat dan bijna oog-in-oog met de zanger! Het is een heel emotioneel optreden waarbij de mannen die om de zanger heen staan tijdens het refrein (?) hun handen eerst ter hemel heffen en vervolgens met beide platte handen op hun hart slaan, terwijl ze uit volle borst meegalmen.

Rob trekt zich voorzichtig terug uit de zwarte-mannen club en nadat we nog een bakkie thee en wat koekjes hebben gekregen van een omstander, gaan we op zoek naar de uitgang van de bazaar. Omdat we de hele middag nog voor ons hebben besluiten we naar Darband, aan de voet van het Alborz gebergte, te gaan om van daar een wandeling in de bergen te maken. We reizen eerst met de metro naar het einde van de rode lijn en nemen dan een taxi voor de laatste paar kilometers naar Darband.
Daar aangekomen zie je het droge, bruine gebergte vlak voor je liggen. We gaan op pad en komen er snel achter dat de wandeling eigenlijk een klauterpartij is. Het gaat over rotsen, slecht gecontrueerde traptreden en glibberige modderpaadjes. Onderweg is het een feest van restaurantjes en cafeetjes die tegen de hellingen aangeplakt lijken te liggen. We laten ze allemaal aan ons voorbij gaan; dat is iets voor de terugweg. Na ongeveer een uur te hebben geklauterd, zijn we een bordje met ‘2045 meter’ gepaseerd en staan we op het punt om naar beneden te gaan, maar nadat Diana bij een vriendelijke dame heeft gevraagd of er nog ergens een mooi uitzichtpunt is, gaan we toch nog een paar minuten verder. Op een uitstekende rots rusten we uit terwijl we genieten van het uitzicht. Je kunt Teheran in de verte onder een deken van smog zien liggen.

Als we zijn hersteld van de klim gaan we terug naar beneden en ergens halverwege gaan we bij een restaurantje wat eten. De bbq is er inmiddels op temperatuur dus we laten een kip-kebab aanrukken. Het is een mooi plekje, vlak naast een bergbeekje en met zicht op een watervalletje. Het restaurantje is aangekleed met mooie Perziche tapijten waar Diana even plaats neemt. Na de lunch lopen we het laaste stukje naar beneden en in Darband klimmen we met z’n tweeën op de voorstoel van een veel te kleine taxi. Op de achterbank zitten twee Iraanse vrouwen en twee kinderen. De chauffeur brengt ons via alle mogelijk sluiproutes naar het metrostation, waar we met de rode lijn op weg gaan naar het Ferdowsi plein; the place to be als je geld wilt wisselen.

We zijn het metrostation nog niet uit of we hebben de eerste zwart-handelaar al in de nek zitten. Wij besluiten om daar geen zaken te doen en lopen naar een iets officieler wisselkantoortje. We wisselen 500 euro om voor 20 miljoen rial en hebben dan nog genoeg tijd om het beroemde juwelenmuseum te bezoek dat op loopafstand van het plein ligt

Na een half uurtje wandelen komen we tot de ontdekking dat het juwelenmuseum op donderdag gesloten is. Dat is een tegenvaller, maar het Islamic Museum ligt iets verderop en dat moet je eigenlijk ook gezien hebben als je naar Iran gaat. We moeten ons haasten want het museum sluit al om 17:00 uur. We zijn op tijd en gaan snel het gebouw naar binnen. Het museum bestaat uit twee verdiepingen waar van alles is tentoongesteld: potten en pannen, gebedsnissen, stukken muur van religieuze gebouwen, deuren van een moskee, gebedskleden en natuurlijk heel veel korans. Als we de twee verdiepingen volledig hebben afgestruind gaan we terug naar ons hotel. Dat was onze eerste kennismaking met Teheran, maar aan het eind van de vakantie komen we terug.

Vrijdag 14 oktober

Om 08:00 uur zou onze chauffeur Chagrom ons bij het hotel ophalen, dus opnieuw vroeg aan het ontbijt. Het leek vanochtend wel de ontbijtzaal bij een geriatrische inrichting; alleen de rollators ontbreken. We duwen snel een stuk karton naar binnen en iets voor achten lopen we de lobby in waar Chagrom al klaar staat. We betalen onze rekening bij de receptie en stappen in de Kia Optimel. Chagrom waarschuwt ons dat de weg van Kalaj naar Chalus wel eens afgesloten kan zijn, maar hij het gaat het wel proberen. Van zo’n bericht worden we niet vrolijk op de vroege ochtend. Deze weg is een van de mooiste wegen van Iran en die wilden we perse in in onze reis hebben. We wachten maar af. Na een half uurtje zijn we bij Kalaj en Chagrom vraagt een dienstdoende agent of we verder kunnen en gelukkig krijgen we groen licht. We slingeren al snel het droge Alborz gebergte in. Het gebergte is rood-bruin van kleur en af en toe zien we in de diepte een riviertjes stromen.

We stoppen onderweg om foto’s te maken en als we bij een stuwdam staan doet Chagrom een rondje thee in met een koekje. We genieten van het uitzicht over het stuwmeer. Chagrom spreekt geen woord Engels en we communiceren via een schriftje waarin hij allerlei standaard zinnetjes heeft opgeschreven. Is weer eens wat anders dan een gids die je de hele weg de oren van de kop kletst. Als we de versnapering naar binnen hebben gewerkt, gaan we weer op pad. Het verkeer in Iran lijkt zich wat minder van de regels aan te trekken dan in Nederland. Auto’s kunnen je aan beide kanten voorbij komen en bumperkleven wordt als een sport gezien. Boven op de verschillende bergen is het steeds behoorlijk druk. Er zijn restaurants en kraampjes waar ze van alles verkopen en de lokale bevolking zoekt aan de kant een plekje voor hun picnic kleedje. Gezellig hoor

We hebben zo’n 4 uur nodig om in Chalus te komen en daar zien we voor het eerst de Kaspische zee. Eigenlijk is het een meer, maar de aangrenzende landen vechten al tijden om de eigendomsrechten en sommige landen levert het meer op als het een zee wordt genoemd. Ze zoeken het maar uit. Wij kunnen hier weer van een heel ander stukje Iran genieten. Het meer is zo groot dat je de overkant niet ziet en het water ziet er zo lekker uit dat je een duik zou willen nemen. Dat er verder helemaal niemand aan het zwemmen is, betekent waarschijnlijk dat je dat beter niet kunt doen.De laatste twee uur van de rit komen we door een achttal kustdorpjes, die elk voorzien zijn van een hele rits venijnige verkeersdrempels. Dit geeft een extra dimensie aan het toch al spectaculaire verkeer. Om 14:30 uur zijn we dan eindelijk bij ons hotel in Lahijan. We kunnen helaas nog niet op de kamer, dus we besluiten zonder in te checken op pad te gaan.

Lahijan is bekend om z’n thee, dus dat wordt ons eerste doel. Omdat we nog niets gegeten hebben duiken we eerst een cafetaria in en bestellen een stokbroodje falafel. Na deze heerlijke lunch gaan we op weg naar de theevelden. We horen dat je de theevelden het beste vanuit een kabelbaan kunt bekijken en dat lijkt ons wel wat. Het is een stevige wandeling naar de kabelbaan en het laatste steile stuk besluiten we maar een krakkemikkige taxi in te huren. We worden afgezet bij een soort kermis terrein met botsauto’s, een gigantische schommel en een reuzenrad. We kopen een kaartje voor de kabelbaan en gaan er eens voor zitten. Al snel zien we onder ons de theevelden waar nog druk geplukt wordt. We genieten van het uitzicht en maken wat foto’s. Het ritje duurt misschien tien minuten en aan de andere kant is het al net zo’n gezellige boel. We lopen er wat rond en gaan dan weer in ons bakkie zitten voor de terugweg.

De weg terug nemen we de benenwagen en als we in Lahijan een ijssalon zien vinden we dat we wel een ijsje verdiend hebben na zo’n wandeling. Bij de ijssalon staat een stel Iraniers net hun ijsjes te bestellen en natuurlijk vinden ze het wel interessant om even met ons te babbelen en ze bestellen gelijk een ijsje voor ons. Als we vertellen dat we uit Nederland komen, blijken zij daar deze zomer nog te zijn geweest. Als onderdeel van een blitz-bezoek aan Europa zijn ze begonnen in Amsterdam. Toen ze vertelden dat de mensen zo vriendelijk waren dachten we even dat ze het over een andere stad hadden. Amsterdan was, samen met Barcelona, het hoogtepunt van hun Europa-tour.

Als we zijn uitgekletst lopen we door naar het Vahdat plein. Bij dit centrale plein zijn een paar moskeeën, een hamman en de bazaar. Als we een twintigtal minuten later bij het plein zijn, blijkt het allemaal wat minder ‘fraai’, maar des te meer authetiek te zijn. Geen opgepoetste moskeeën met glimmende koepels, maar oude bakstenen gebouwen met een enkel muurtje dat betegeld is. De daken zijn begroeid met mos en voor de moskee staan wat oude mannen met elkaar te praten. De sfeer die hier hangt komt wel overeen met wat wij ons voorgesteld hadden van een echte Iraanse stad.

Zaterdag 15 oktober

Volgens de weer-sites zouden we vandaag regen gaan krijgen en helaas hadden ze het bij het rechte eind. Deze regio staat er om bekend veel regen te mogen ontvangen en het is zelfs een belangrijke reden waarom de inwoners van Teheran graag hierheen komen. Als je kunt kiezen tussen een warme, smoggie stad of een plekje aan de Kaspische zee met af en toe een bui, dan wordt toch graag voor die bui gekozen. We nuttigen ons ontbijtje, poetsen onze tandjes en laden de tassen weer in de Optimel. Vandaag gaan we eerst naar het fort Qaleh Rudkhan. Chagrom is er nog nooit geweest, dus onderweg gaat verschillende keren het raam open om de weg te vragen. We doen er uiteindelijk ruim 2 uur over om er te komen en als we uit de auto stappen miezert het een beetje. Volgens de boeken is het zo’n 50 minuten lopen naar het fort, dus we laten de theehuisjes even voor wat het is en gaan op weg.

Al snel blijkt dat het geen wandeling is, maar een lange klim op een glibberige trap. De slimmerds hebben in de betonnen treden allemaal kiezels gelegd en dat staat dan wel leuk, het maakt de trap met dit weer wel spekglad. Aan het bos om ons heen te zien regent het hier het grootste deel van het jaar. Overal groeien varens en mos op de bomen en op elke hoek zie je wel een watervalletje. Aan water is hier geen gebrek. Als we na ongeveer 30 minuten een haakse bocht maken, zien we ineens de eerste contouren van het fort. Niet veel verder is de toegangspoort duidelijk zichtbaar en zien we dat er een muur op de bergkam is gebouwd. Een tiental minuten later zijn we boven en lopen we via de poort het terrein op

Met het zweet op de rug en de mond open kijken we bewonderend naar (het restant van) het fort. Hoe hebben ze dit enorme bouwwerk hier neer kunnen zetten? Oorspronkelijk bestond het fort uit 65 stenen uitkijktorens die verbonden waren door 1500 meter muur. Wij hadden al moeite om onze camera mee de berg op te nemen. We beklimmen een deel van de muur naar de dichtstbijzijnde toren. Van daar hebben we een uitzicht over het belangrijkste deel van het complex. We klauteren daarna voorzichtig naar beneden om dan nog even een kijkje te nemen bij de noordkant van het fort. Het complex is nog in goede staat en dat komt waarschijnlijk vooral door de afgelegen ligging. Je gaat hier niet even naar boven met je spuitbus om een beetje graffity achter te laten (nog afgezien van de straf die hier op zal staan)

Nadat we nog even hebben geposeerd op een selfie van twee jonge knapen beginnen we aan de afdaling. Het is inmiddels droog geworden, maar de kiezels geven in de afdaling nog meer problemen dan op de heenweg. We glibberen van tree naar tree en hoewel een afdaling meestal iets sneller gaat dan de klim, hebben we ook nu weer 40 minuten nodig om de afstand te overbruggen. We gaan gelijk naar de auto, want vanmiddag gaan we Masuleh nog bezoeken en dat is ook nog eens anderhalf uur rijden

Als we dichter bij Masuleh komen begint het weer een beetje te miezeren, maar dat is hier meer regel dan uitzondering. De aardekleurige huizen liggen het grootste deel van het jaar verstopt in mistflarden. Masuleh is al meer dan 1000 jaar oud en ligt zo stijl tegen een bergwand aan gebouwd dat het dak van het ene huis het voetpad voor der ander is. We laten ons helemaal bovenaan dit dorpje afzetten zodat we het van boven naar beneden kunnen doorkruisen.
Al snel komen we erachter dat je inderdaad niet anders kunt dan over de daken van de huizen te wandelen. We lopen tussen schoorsteentje en antennes door, van het ene naar het andere dak. Hier en daar zijn kleine stenen trappetjes waarmee je dan een verdieping lager kunt komen. Masuleh heeft alles wat een ‘echte’ stad ook heeft: winkeltjes, restaurants, theehuizen, een kleine bazaar en zelfs een moskee met begraafplaats. Het is duidelijk dat hier vaker toeristen komen, want ook de souvenirkraampjes ontbreken niet. We hebben in Iran nog niet eerder zoveel toeristen bij elkaar gezien als hier in Masuleh. Als het na anderhalf uur wat harder begint te regenen, dalen we helemaal af naar beneden en laten we onze chauffeur voor rijden. In een half uurtje rijdt hij ons naar ons hotel

Het hotel is een beetje in-the-middle-of-nowhere, dus we zijn voor het vermaak en eten aangewezen op dit hotel. Omdat er geen wifi op de kamer is, checken we de mail in de lobby. De receptionst vertelt ons dat het restaurant om 20:00 uur open gaat, dus we blijven maar even voetbal kijken in de lobby. We communiceren met de receptionist via een vertaalapp en hij laat ons weten dat de club in de rode shirts zijn favoriete club is. De naam van die club is Persepolis. We hebben het blijkbaar helemaal gemaakt bij de receptionist (of het is dat we de enige gasten zijn), want als we willen opstappen voor het diner, geeft hij ons twee posters mee met de hoogtepunten uit de regio: Qaleh Rudkhan en Masuleh. Wie wil zo’n poster nou niet hebben? We peinzen ons alleen suf hoe we deze poster mee naar Nederland moeten krijgen.

Zondag 16 oktober

Vandaag gaan we op weg naar de meest noordoostelijke plaats van Iran: Astara. Daar gaan we natuurlijk niet in een rechte lijn naartoe, want er is nog wel het e.e.a. te zien onderweg. De eerste stop wordt Gisoum aan de Kaspische Zee (of Meer). Chagrom vestigt vandaag een nieuw record, want hij moet na 15 minuten al voor de eerste keer de weg vragen en dat terwijl het moeilijke deel nog moet komen. Dat kan nog een grappig ritje worden. Als hij een beetje Engels zou praten, zou hij het gewoon aan ons kunnen vragen, want zo moeilijk was het tot nu toe nog niet.

We komen eerst door Fuman en daar mag hij van ons gelijk de eerste stop maken. Fuman is nl. bekend om z’n koeken met walnootvulling en die willen wij natuurlijk ook proberen. Het is duidelijk dat wij niet de eerste zijn die op zoek gaan naar deze koeken, want inmiddels struikel je over de bakkerijtjes die deze lekkernij verkopen. We checken even of ze vers zijn, nemen gelijk nog een paar andere koeken mee en stappen dan weer in onze limousine

Gisoum ligt nagenoeg aan de Kaspische Zee, dus rijden we eerst naar Gisoum Beach. Deze naam heb ik niet zelf bedacht, dit stond echt op het bordje. We parkeren de auto aan het strand en nuttigen onze Fuman-koeken met een bakkie oploskoffie. De koeken smaken heerlijk, hoewel we vraagtekens zetten bij de t.h.t datum. Het weer is vandaag een stuk beter dan gisteren, maar het is nog steeds overwegend bewolkt. Vooral boven de bergen in het binnenland hangen donkere exemplaren. Gisoum Beach wordt blijkbaar vooral gebruikt door families die hier komen picknicken. Zwemmen is er vandaag in ieder geval niet bij, maar zouden ook niet eens weten hoe je dat gescheiden moet doen

Na een uurtje stappen we weer in de auto en gaan we op weg naar Talesh, maar eerst komen we nog door Gisoum Town (dit laatste is wel zelf bedacht). We hebben geluk want het is marktdag en laten de auto dus maar weer aan kant tot stilstand komen. Het is een typische van-alles-en-nog-wat markt waar je een oplaadsnoer voor je telefoon kunt kopen, maar ook appels of een vis. De marktkooplui zijn zo van hun apropos door de verschijning van twee touristen dat ze bijna vergeten hun waar te verkopen. Bij elke kraam komt er wel iemand vragen waar we vandaan komen of willen ze op de foto gezet worden. Wij zijn hier een zeer exotische verschijning. We slenteren een keertje heen en weer over de markt en gaan dan weer met Chagrom mee naar z’n auto. Op naar Talesh.

We tellen het aantal keren dat Chagrom de weg vraagt niet eens meer, maar laten het gelaten gebeuren. Het is natuurlijk veel beter dat hij vraagt waar we heen moeten, dan dat hij een uur de verkeerde kant op rijdt en we op die manier veel tijd verliezen. Het is ruim een uur rijden naar Talesh en als we de stad binnen rijden hebben we al snel in de gaten dat het een grote, drukke stad is. We besluiten hier niet van boord te gaan, maar gelijk richting Soubatan te gaan. Soubatan is een klein bergdorpje dat niet op de borden staat aangegeven, dus eerst maar een paar keer vragen waar we heen moeten.
We rijden Talesh uit en gaan over slingerende wegen tussen rijstvelden door op weg naar onze volgende bestemming. De weg is hier veel slechter en af en toe lijkt het wegdek helemaal weggespoeld te zijn. Na een kwartiertje komen we bij een soort check-point waar Chagrom een militair aanspreekt. Hij krijgt te horen dat hij met de limousine waar hij in rijdt geen kans maakt om Soubatan te bereiken. Daar heb je een 4WD voor nodig. Dat is dus even een tegenvaller, maar niet getreurd we hebben Astara nog tegoed. Chagrom stuurt zijn bolide terug naar Talesh en van daar volgen we de borden naar Astara.

In Astara slapen we in een soort Huis-ter-Duin-achtig hotel. Kolossaal en incl. een oprijlaan voor de gasten. Het staat niet aan zee, maar het meer waar het aan gelegen is, maakt dat goed. We worden netjes voor de deur uitgezet en checken in. Het hotel heeft alles wat je nodig hebt: een bar, een restaurant, kinderspeelplaats, sauna, watersportfaciliteiten, etc. Wij hebben daar geen tijd voor, want we moeten Astara nog ontdekken. Omdat het hotel een paar kilometer buiten Astara staat laten we onze prive-chauffeur weer opdraven.

Astara ligt op minder dan 5 kilometer van de Azerbeidzjaanse grens en dat is goed te merken want er staan rijen vrachtwagens langs de weg die met hun goederen die kant op willen. Daar zijn wij verder niet in geïnteresseerd, wij willen downtown Astara zien. Chagrom zet ons af bij de markthal en gewapend met onze camara’s gaan we op weg. Omdat we nog niet geluncht hebben, gaan we eerst bij een karretje zitten waar ze broodje falafel verkopen. Naast een lokale familie genieten we van deze vegetarische vette hap.

Met de buikjes gevuld vervolgen we onze tocht. We gaan eerst op zoek naar de moskee, want daar gebeurd meestal van alles. Op weg naar de moskee komt er opeens een auto met twee mannen naast ons rijden, het raam gaat naar beneden en een van de twee schiet met z’n mobiel een foto van ons, waarna ze snel doorrijden. De Iraanse paparazzi heeft ons toch weten te vinden. Bij de moskee is het een dooie boel. Op het terrein voor de moskee is alleen de klusjesman bezig een boom te vellen en in de gebedshal liggen twee oude mannen te slapen. Hier zijn we duidelijk op het verkeerde tijdstip. We lopen terug en maken wat foto’s. We lopen de markthal in en zien dat er hier vooral wordt gehandeld in nep merkartikelen. We verlaten de markthal aan de achterkant en lopen naar het strand. Omdat het nog steeds geen strandweer is zijn ook hier geen boerkini’s te zien. We lopen terug naar de auto en laten Chagrom ons terug naar het hotel brengen

Maandag 17 oktober

De dag begint somber. De buien die gistermiddag boven de bergen lagen hebben vannacht een lading water boven het hotel los gelaten. Het regent nog steeds een beetje als de chauffeur de oprijlaan op rijdt. Vandaag gaan we naar Kandovan waar we in een grothotel bij de grootste troglodiet (grotdorp) van Iran zullen slapen.

Onze eerste stop vandaag is echter Ardabil waar we een bezoekje willen brengen aan het mausoleum van Sjeik Safi-od-Din Ishaq.We zijn Astara nog niet uit of er moet gelijk geklommen worden. De bergen liggen nog grotendeels in de wolken en hij autorijden wordt extra lastig gemaakt door de vele vrachtwagens die tergend langzaam omhoog kruipen. We slingeren langs de vrachtwagens naar boven en als we eenmaal over de top zijn, begint het weer gelijk op te klaren

Rond 09:30 uur zijn we in Ardabil waar we op zoek gaan naar het Mausoleum van oom Safi. Dit mausoleum complex, dat op de werelderfgoedlijst staat, is het grootste Savafidische monument van West-Iran. Sjeik Safi ligt in de Allah Allah toren, zo genoemd omdat in de blauwe tegeltjes aan de buitenkant van de toren de naam van god oneindig vaak wordt herhaald. De mooie houten sarcofaag zien we als we de lantaarnzaal doorlopen. Deze zaal is op zich al een bezoek waard vanwege de intense gouden en blauwe decoratie. In een klein zaaltje aan de zijkant staat wat koninklijk porselein uitgestald in nisjes, maar dat is maar een fractie van wat het ooit geweest is. De Russen hebben het tijdens de invasie van 1828 geroofd en het staat nu in de Hermitage in St. Petersburg.

Na dit flits-bezoek aan Ardabil rijden we verder naar Kandovan, maar net als Chagrom gas geeft om de stad uit te rijden wordt hij te grazen genomen door een politie laser en moet hij aan de kant gaan staan. Dat is pech; een bekeuring voor te hard rijden. Het verbaast ons eigenlijk dat hij nu pas gepakt wordt, want hij raakt het gaspedaal regelmatig wat stevig aan. De schrik zit er nu blijkbaar toch wel in, want regelmatig wordt de cruise-control aangezet. Ook hier geldt het oude gezegde: ‘Als het Perzische kalf verdronken is, stoot het zich zeker niet nog een keer aan hetzelfde tegeltje’.

Het weer is inmiddels helemaal omgeslagen van chagrijnig nat, naar brandend heet. We rijden tussen kleurrijke bergen die ons doen denken aan de Cerro Siete Colores in Salta, Argentinie en aan onze rechterkant zien we in de verte zelfs de besneeuwde top van de Sabalan berg. Langs de weg is een strook grasland waar schapen grazen en aangrenzend staan soms wat lemen huisjes bij elkaar. Het is een prachtig gebied waar we doorheen rijden.

De weg snijdt af en toe door kleine plaatsjes en net als we beginnen te knikkebollen van de brandende zon, zet Chagrom zijn auto in een van deze plaatsjes aan de kant. Het is tijd voor een heerlijk bakkie oploskoffie.Tijdens deze koffiestop genieten we van het stoffige leven in zo’n dorpje zonder naam. Er staat een kalf in een verdwaalde aanhanger en je vraagt je af wat het beesie daar doet doet in de zon en van wie hij is. Voor onze auto staat een blauwe pick-up tegen de kant van de weg geparkeerd en dat lijkt geen handige plek met het kamikaze-verkeer in Iran. De lagere school gaat net uit en meisjes gehuld met een witte hoofddoek lopen giechelend om ons heen. De brutaalste durft nog net ‘hello’ te roepen. Er gebeurt van alles, maar eigenlijk gebeurt er niets. Je vraagt je af waarom de mensen hier wonen.

Het is nog 75 kilometer naar Tabriz en Kandovan ligt daar nog eens 40 kilometer vandaan, dus het is tijd om weer op weg te gaan. We hebben nl. nog wel wat tijd nodig om Kandovan te ontdekken. De rest van de rit gaat vlekkeloos, al kun je vraagtekens zetten bij de manier waarop we de snelweg verlaten. De afrit was nog in aanbouw en we moesten om het werkverkeer heen rijden. Om 14:30 uur checken we in bij het Laleh Rocky Hotel (niet vernoemd naar de bokser met de scheve mond). We krijgen een 4-6 persoons appartement toegewezen met keukenblok, gezellige hoekbank en jacuzzi! Maar daar gaat het hier natuurlijk niet om: op naar de troglodiet.

Ze zien er wel vreemd uit die eivormige rotswoningen, maar je kent ze waarschijnlijk wel van een foto van Cappadocie in Turkije. Kandovan is eigenlijk net zoiets. Sommige rotswoningen zijn meer dan 800 jaar oud en ze worden nog steeds bewoond. Helaas is de plaatselijke gemeente wat makkelijk geweest met het verstrekken van vergunningen voor uit- en aanbouw van de rotswoningen, want de bakstenen gedrochten die er soms tegenaan gebouwd zijn, doen afbreuk aan het plaatje. We slenteren tussen de huisjes door en zien inderdaad dat ze hier en daar nog bewoond zijn. Soms steekt er een metalen schoorsteenpijp uit een rotswoning en bij een ander hebben ze geprobeerd een kunstof kozijn te plaatsen. Andere rotswoningen lijken nog heel authentiek.

Op verschillende plekken worden walnoten gedroogd in de zon en als we op weg zijn naar de noordkant van het dorp zien we ineens drie mannen die bezig zijn een schaap van z’n jas te ontdoen. We klauteren helemaal naar boven en komen boven de hoogst gelegen rotswoning uit. Vanaf die plek heb je een prachtig uitzicht over het hele dorp. We gaan naar een rotsbalkonnetje waar al vele toeristenschoenen zijn geweest en maken daar nog een paar foto’s. De zon begint inmiddels te dalen, dus het is tijd om terug te gaan naar het hotel. Onderweg groeten we een drietal kinderen die ‘moslima’tje’ aan het spelen zijn. Ze tooien zich in veel te grote hoofddoeken en rennen ermee over het dak van de uitbouw. Aan de weg kopen we een zakje walnoten; heerlijk voor bij de borrel………

Taiwan 5

09 december 2015

We reizen vandaag al vroeg met de lokale trein naar Changhua om van daar met de bus naar Lukang te gaan. Lukang is een oude havenstand en volgens de LP moet je daar geweest zijn, want veel van de oorspronkelijke cultuur en architectuur is daar bewaard gebleven.

We zijn inmiddels zo thuis in het openbaar vervoer van Taiwan dat het allemaal gesmeerd verloopt. Even een kaartje halen bij het loket op het station in Taichung en in Changhua steken we de weg over om bij het busstation te komen en kopen ook daar een kaartje. De hele rit van Taichung naar Lukang duurt, incl. overstap misschien 40 minuten.

We gebruiken onze reisboeken om de hoogtepunten van Lukang bij elkaar te sprokkelen. We lopen eerst door de ‘old market street’. In dit smalle straat staan van die kleine Chinese huisjes. Je kunt je makkelijk voorstellen dat het er vroeger niet zo heel anders uit heeft gezien. Alleen de handelswaar is veranderd, want tegenwoordig worden er zonnebrillen, stressballen en heel veel zooi verkocht. Het is overigens erg rustig in de straat. Het lijkt erop dat de openingstijden zijn aangepast op de aankomstijden van de toerbussen met Chinezen, want die hebben we nog niet gezien.

In de oude marktstraat staan behalve de gewone huisjes ook een paar beroemde huisjes. Zo is er het huisje met de ‘half sided well’. Dit huisje was van welgestelde mensen die de put van hun waterbron halverwege de tuinmuur hadden gebouwd zodat ook de arme sloebers wat vers water konden pakken. Ik denk dat ze liever een halve wijnkelder hadden gezien, maar je kunt niet alles hebben. De Nanjing tempel lijkt verborgen te zijn in een klein huisje en aan het eind van de straat is er dan nog de Xinzu tempel, maar daar was het zo rustig dat we die maar hebben overgeslagen.

We slingeren terug naar de hoofdstraat van Lukang en lopen naar de Tianhou tempel. De oorspronkelijke tempel dateert van 1591 en is een van de oudste tempels van Taiwan, maar het complex is in 1936 compleet gerestaureerd. De tempel lijkt in vele opzichten op veel andere tempels, maar het grappige van deze tempel is dat op de balken van de hoofdpoort buitenlanders zijn geschilderd en er staan ook figuren op klompen tussen die de Nederlanders moeten voorstellen.

De Tianhou tempel is eigenlijk het einde van het oude Lukang, maar nu we hier toch zijn willen we de Longshan tempel niet missen. Deze kleine tempel is een van de beroemdste van Taiwan vanwege de artistieke pracht en praal. Vooral het houtsnijwerk is van bijzonder kwaliteit. Deze tempel is tijdens de zware aardbeving van 1999 volledig ingestort en het heeft 10 jaar geduurd voordat de tempel er weer stond. Elk onderdeel is weer geplaats waar het voor de aarbeving ook zat.

Tegen het middaguur houden wij het voor gezien in Lukang en gaan terug naar Taichung. We hebben nog helemaal geen gelegenheid gehad om wat van Taichung te zien (en dat zal in een middagje ook niet lukken), maar er zijn een paar dingen die we langs willen.

Terwijl we van hot naar her reizen proberen we steeds informatie te krijgen over Hehuanshan. We willen daar morgen naar toe, maar tot nu toe weten we alleen dat er om 09:10 uur een bus gaat vanuit Fengyuan, een plaats iets ten noorden van Taichung. Een slaapplek hebben we nog niet.

In Taichung gaan we eerst op weg naar de Baoiue tempel; niet zozeer voor de tempel maar voor het 27m hoge beeld van ‘mileto’, de fatsige Boeddha. Deze dikkerd staat naast een envoudige tempel die volledig ingebouwd is in een heel moderne uitvoering van een tempel. De tempel zou je zo voorbij kunnen lopen, maar de glimmende gouden Boeddha zie je al van verre zitten.

We pakken de bus terug naar het station en gaan nogmaals naar het visitors centre. Daar hebben ze ons gisteren goed geholpen, dus misschien lukt dat nu weer. Er is nu nog een andere vrouw aanwezig die nog meer kennis van zaken heeft; dat komt goed uit. Ze vertelt dat je voor een boeking bij de enige lodge in Hehuanshan eerst een account aan moet maken. Ze is er op de website van de lodge al snel achter dat er geen kamer meer te krijgen is. Althans, een 2-persoons kamer; we kunnen nog wel op een slaapzaal. Is een beetje een tegenvaller, maar soms moet je wat water bij de wijn doen. Bij het doorvoeren van de boeking komt ze er dan ook nog achter dat er alleen 2 slaapzaalplekken zijn voor 10 december en niet voor 11 december, dan is er nog maar 1 bedje! Ze pakt gelijk de telefoon en belt met de lodge. De medewerker van de lodge verzekerd haar dat het wel goed komt; dat 2e bed komt er ook wel. We gaan het zien!

Na deze lichte tegenvaller gaan we nog even op zoek naar wat ‘beroemde’ straatjes. Electronic Street is de eerste. Hier zou het propvol moeten zijn met electronica- en computerzaken, maar dat valt een beetje tegen. Waarschijnlijk hebben ze hier ook last van Mini-in-the-box en Ali-express. Een paar straten verderop is Herbal Medicine Street. Het zijn eigenlijk een aantal straten waar traditionele medicijnwinkels gevestigd zijn. Hoewel deze wijk deels zijn overgenomen door Vietnamese en Indonesische gemeenschappen, doen de subtiele aromas van de kruiden en de sfeer in de straten nog het meest denken aan hoe het vroeger geweest moet zijn.

Inmiddels vallen er wat druppels, dus we besluiten terug naar het hotel te gaan. Het is inmiddels 17:00 uur en we willen eigenlijk nog even langs bij Stock 20. In een aantal oude trein warenhuizen hebben lokale artiesten kunst tentoongesteld. Het kunst centrum ligt net als ons hotel aan de achterkant van het station. We hoopten dat het zou lijken op hetgeen we in Kaohsiung hadden gezien, maar daar kan het in de verste verte niet aan tippen; in vergelijking daarmee is dit prutswerk van de eerste orde. Maar goed, kunst is iets heel persoonlijks!
Wanneer we ‘s-avonds op jacht gaan naar eten, regent het pijpestelen. Het is dus tijd om te vertrekken.

10 december 2015

We hadden het reisschema omgegooid omdat het de afgelopen dagen slecht weer zou zijn bij Hehuanshan en in een gebied boven de 3000m wil je geen beestenweer meemaken. De afgelopen twee dagen hadden we daarom in Taichung en omgeving doorgebracht, maar vanochtend gingen we dan op weg naar Hehuanshan. Het had vanacht behoorlijk geregend in Taichung en ook toen we op weg naar het treinstation gingen was het nog niet best. We moesten eerst met de trein naar Fengyuang omdat daar de bus naar Hehuanshan zou vertrekken. Vanuit Fengyuan is het dan een busrit van ruim 4 uur om bij de Song Xue Lodge te komen. Onze langste rit van deze vakantie.

Ook onderweg blijft het slecht weer. De busrit gaat over weg nummer 14 en normaal gesproken is die rit alleen al een reden om deze kant op te gaan. Door het slechte weer hadden wij het grootste deel van de weg nog geen 50m zicht, dus we maakten ons wel enige zorgen over ons verblijf in Hehuanshan. Naarmate we hoger komen, wordt de weg smaller en de haarspeldbochten lastiger. Bij vrijwel elke bocht moet de chauffeur z’n claxon gebruiken om evt. tegenliggers te waarschuwen. Zien doet hij ze niet. De afgronden zullen steil en diep zijn, maar dat kunnen we (gelukkig) niet zien.

Om 13:30 uur worden we dan gedropt bij de lodge. We zijn hier op 3150m en de thermometer aan de zijkant van de lodge geeft 2,6 graden aan. Bovendien staat er een straffe wind, waardoor de gevoelstemperatuur nog wel lager zal zijn. We balen nog het meest dat het zicht hier geen steek beter is dan onderweg. We checken in krijgen te horen dat onze slaapzaal in de ski-lodge is, een aantal trappen naar beneden. De bedden hebben een soort electrische onderdeken, dus dan weet je hoe het vannacht zal aanvoelen in dit hok. We kiezen een matras uit, leggen wat spullen neer en gaan dan naar de koffiehut die iets verderop is.

We kijken wat rond of er een fotootje gemaakt kan worden maar het is echt beroerd. In 3158 Cafe bestellen we een koffie en een chocomel en komen er dan achter dat de prijzen hier ongeveer gelijk zijn aan die tijdens de wintersport in Les Menuires; het is niet anders. Diana raakt aan de praat met een vrouw uit Pintung die hier met een aantal vriendinnen is. Ze komt hier meerdere keren per jaar omdat het zo verschrikkelijk mooi is. Het zal wel, maar wij hebben nog niets gezien. De vrouw vraagt hoe we Taiwan hebben ervaren en we vertellen wat we allemaal gedaan hebben. Na zo’n gesprekje kan een gezamenljke foto niet uitblijven, dus: smile! Wanneer we de koffiehut verlaten komt de vrouw ons achterna en geeft Diana een tweetal mokken met de opdruk 3158 Cafe. Dat is wel heel aardig! Nu nog zien dat we die mokken heel houden.

Als we terug lopen naar de ski-lodge, zien we ineens dat de grijze lucht breekt. Er komt zonlicht door een kleine opening in het wolkendek en de wereld ziet er ineens veel vriendelijker uit. Nu zien we pas hoe mooi het hier eigenlijk is. Het stel uit Singapore waarmee wij op de slaapzaal liggen komen net de Ski-lodge uitlopen en zij springt een gat in de lucht bij het zien van de zon. Zij zijn hier al drie dagen en hebben alleen maar chagrijnig weer gehad.

Wij doen even een extra ondershirtje aan tegen de kou en gaan snel weer naar buiten. We hebben nu een ondershirt, t-shirt, ski-pully en regenjas aan en het is eigenlijk nog niet genoeg. Helaas hebben we niet meer winterkleding bij ons, want dan zouden we dat zeker aantrekken.

Buiten is het weer behoorlijk aan het verbeteren. De gaten in het wolkendek worden groter en de uitzichten mooier. We besluiten voor het eten nog even richting Mt. Shihmenshan te wandelen. De lucht begint inmiddels oranje te kleuren door de ondergaande zon en in de verte zien we een wolkendek over een dal liggen. Het wordt steeds mooier. We blijven even aan de voet van Mt. Shihmenshan zitten genieten, maar als het donkerder begint te worden lopen we terug naar de lodge om daar op te warmen en van ons luxe diner te genieten.

11 december 2015

We waren de nacht op de slaapzaal heel behoorlijk doorgekomen. De dekbedjes waren warm genoeg om je tegen de bergkou te beschermen en de watjes konden de electrische onderdeken op 7 zetten.

Toen we buiten kwamen was de lucht om ons heen strak blauw. Het omgooien van het reisschema lijkt z’n vruchten af te werpen. Het heeft duidelijk gevroren vannacht en met dit koude weer missen we onze handschoenen verschrikkelijk. Het ontbijt in de lodge is zo’n beetje het zelfde als het diner; heel veel potten met warm, Taiwanees eten en friet. Gelukkig hebben ze ook een een bak met sneetjes brood neergezet die we in het broodrooster kunnen duwen.

Na het ontbijt gaan we gelijk op pad. We besluiten eerst Mount Shihmenshan te beklimmen. Deze top ligt op 3237m, maar omdat onze lodge al op 3150m ligt is het niet meer dan een klimmetje om te wennen aan inspanning op hoogte. We moeten de 90 hoogtemeters overbruggen op een klim 750m en dat klimmen valt natuurlijk weer eens niet mee op deze hoogte. Na elke 25 stappen sta je als een oud peerd te hijgen. Bovendien staat er een striemende wind over de berg, die het ademenen nog moelijker maakt. Halverwege de tocht zien we een fotograaf bezig met een bruidsreportage. We hebben medelijden met het bruidje. Ze loopt in een trouwjurk met blote buik! Op deze hoogte, in deze kou. Hopelijk overleeft ze de trouwdag.

De uitzichten zijn fantastisch, met verschillende hoge bergtoppen in zicht en een prachtig wolkendek in een verderop liggende vallei. De hele omgeving lijkt wel wat op een hooggelegen wintersport gebied, maar dan zonder sneeuw. Wanneer we boven zijn gaan we even op een steen zitten om bij te komen. We krijgen van een Taiwanese man die net met een groep naar boven is gekomen een sinaasappel aangeboden en hij wil ons graag even op de foto zetten; vooruit maar dan.

What goes up, must come down’, maar gelukkig gaat naar beneden een stuk makkelijker dan naar boven. De bruidsreportage is blijkbaar nog niet klaar, want we zien het bruidje op een groene helling nog steeds standjes aannemen. Om 10:30 uur zijn wij weer bij de lodge en proberen we wat op te warmen in de zon met een bak thee.

Na deze verdiende pauze, besluiten we maar even een berg(je) met de naam Hehuanshan Point te beklimmen. De top ligt op slechts 3217m, maar de klim is korter en steiler! We beginnen enthousiast aan deze korte klim, maar al snel wordt de weg naar boven behoorlijk versperd door rotsen. We klimmen over de rotsen en moeten op een plek kort onder de top zelfs gebruik maken van een touw om omhoog te komen. De uitzichten naar de noordkant zijn hetzelfde als bij de eerste klim, maar de zuidkant ziet er toch weer heel anders uit. Gelukkig is er aan de westkant van de berg een trap gefabriceerd, zodat we ook weer heel beneden komen.

We lopen terug naar de 3158 Cafe en nemen een mok warme chocolade; dat hebben we wel verdiend. Als we weer een beetje op temperatuur zijn gekomen gaan we naar de lodge. We zien op een weersite dat het weer vanmiddag toch weer wat slechter gaat worden. We besluiten de beklimming van de Hehuanschan East Peak niet tot het eind van de middag uit te stellen en gaan gelijk omhoog.

Deze klim moet ons op een hoogte van 3421m brengen, dus het is een serieuzere klim dan die andere twee. Omdat het banjeren van bergbezoekers tot veel erosie van de berghellingen leidt, worden er in Taiwan steeds meer trapconstructies op de berghellingen aangelegd. Zo ook bij deze beklimming. Op een paar kleine onderbrekingen na, is het een hele lange trap.

We zien al snel de twee bergjes van vanochtend in de verte liggen en het duurt niet lang of we zien ze vooral onder ons liggen. Hoe hoger we komen, hoe mooier en weidser de uitzichten worden. We voelen dat de hoogte z’n tol vraagt, maar we hebben het er voor over. We hebben duidelijk veel meer tijd nodig om de top te bereiken dan vanochtend met een lichte hoofdpijn als resultaat. We doen het wat rustiger aan, maar zien ook dat de bewolking toeneemt. De wolken worden gelukkig nog regelmatig aan de kant geblazen door de steeds sterker wordende wind.

We ploeteren voort en dan krijgen we de top in zicht. Het laatste stukje gaat over een rotsachtig pad, maar dan zijn we er eindelijk …………………..of toch niet. De echte top blijkt dan op een klein bultje 30m verderop te zijn. Nog een laatste inspanning en dan staan we toch echt op de top van Hehuanshan East Peak. We maken een paar foto’s om dit feit vast te leggen en gaan dan snel weer naar beneden om te voorkomen dat we straks overvallen worden door echt slecht weer.
Net als bij de vorige beklimmingen is ook hier geen lift of roltrap te bekennen, maar de trap werkt naar beneden wel in ons voordeel. In een recordtijd staan we weer bij onze ski-lodge.

Wanneer we ‘s-avonds naar de eetzaal lopen is de temperatuur al weer onder het vriespunt gedaald. Het eten niet erg gevarieerd, want precies dezelfde potten met eten staan ons weer toe te lachen. We proberen er wat lekkers van te maken, maardenken vooral aan waar we morgen in Taipei zullen gaan eten.

12 december 2015

De inspanningen op hoogte van gisteren hadden wel gevolgen gehad voor de nachtrust. Een lichte hoofdpijn zorgde ervoor dat we elk uur wel wakker waren. Het slaaphol was vannacht ook nog eens vol, dus lekker breed uit liggen was er niet bij. Langer dan 06:30 uur hielden we het niet uit op de vloer en gingen we onze was-schijnbeweging maken. Wat zullen wij vanavond blij zijn met een douche! We pakten gelijk al onze spullen, in want een wandeling van onze ski-villa naar de hoger gelegen Song Xue lodge waar ons ontbijt klaar staat, wil je niet te vaak maken.

Toen we buiten kwamen zagen we tot onze verbazing….. niets! Het weer was volledig omgeslagen en de hoge bergen die ons gisteren zo toelachten, waren verborgen achter een dikke wolk. Ons bezoekje aan Hehuanshan hadden we wel heel knap getimed!

Na weer een ‘heerlijk’ ontbijtje gingen we tegen negenen bij de bushalte staan wachten. De bus komt normaal gesproken rond 09:15 uur, maar die ene bus per dag wil je niet missen; je zult toch nog een nacht op zo’n matrasje moeten slapen. Het wachten op de bus werd een ware survival. De temperatuur was een paar graden onder nul en de wind striemend, zodat de gevoelstemperatuur ergens rond de -10 zijn geweest. Op die omstandigheden waren wij helemaal niet voorbereid en om toch op de bus te kunnen blijven wachten kropen we in de telefooncellen die iets verderop staan.

Blijkbaar zagen we er als twee zielige hoopjes mens uit, want een vrouw kwam op op toe lopen en vroeg of we met haar mee naar beneden wilden rijden, dan hoefden we niet langer hier staan te verkleumen. Daar hadden we geen bedenktijd voor nodig. We klappertanden ‘zenkjoeverriemuts‘ en liepen met haar mee naar het volkswagen busje. Voor Diana was er nog een stoel beschikbaar in de bus, maar Rob moest achterin op de laadvloer. Gelukkig was de bench er wel uit!

De vrouw bleek een Taiwanese gids te zijn die een groep vrouwen uit Singapore in haar volkswagen bus Taiwan laat zien; haar moeder is de chauffeur. Wij zijn al lang blij dat we onderdak hebben zodat we een beetje op temepratuur kunnen komen. Na een krap half uurtje ziet Rob vanuit zijn toppositie ineens dat bus 6506 drie auto’s achter het volkswagen busje zit. Hij communiceert via een van de vrouwen uit Singapore met Diana, die op haar beurt de gids inlicht. Wanneer we iets verderop moeten stoppen voor tegenliggers, voeren we een snelle wisseltruc uit en gaan verder met bus 6506.
Het is dezelde rit als twee dagen, maar dit keer kunnen we wel genieten van de fantastische omgeving. Tegen de tijd dat we bij het plaatsje Cuifeng zijn begint het wolkendek nl. langzaam op te lossen. De rest van de rit zitten we met de neus tegen het raam en vanaf Puli, wanneer alleen wij twee nog in het busje zitten, lijkt het voor de mensen langs de weg waarschijnlijk of er twee naar hun ‘werk’ worden gebracht.

Om 13:15 uur zijn we weer terug op het busstation van Fengyuang. We bedanken onze prive chauffeur voor de bijzondere rondleiding en gaan op weg naar het treinstation. Volgende stop en tevens eindbestemming in Taiwan: Taipei.

Aan het loket horen we dat de sneltrein naar Taipei om 13:45 uur vertrekt. Dat lijkt een mooie aansluiting, maar wij willen eigenlijk nog even wat eten. We trekken een kort sprintje naar de Subway om de hoek, bestellen twee vegetarische Parmezaan-oregano broodjes, halen een flesje drinken bij de 7-Eleven en sprinten terug naar het treinstation. Op perron 2 gaan we op een bankje zitten en schuiven het broodje naar binnen. Net nadat wij de papiertjes hebben weg gegooid, rijdt de trein het station binnen. We zoeken onze stoelen en gaan er maar weer eens goed voor zitten.

Onderweg is het niet zo bijzonder als in ons busje van vanochtend. Veel grauwe, lelijke steden afgewisseld met niet al te bijzonder groen. Om 15:50 uur rijden we Taipei Centraal binnen en gooien we de rugzak weer op de nek, op zoek naar ons hotel. Het voelt allemaal heel bekend in Taipei; alsof je hier al heel vaak bent geweest. We lopen blindelings naar ons hotel, maar daar gaat het toch mis. We slaan een weg te vroeg linksaf en moeten dus toch weer een beroep doen op de smartphone van een inwoner van deze stad. Met een kleine vertraging van 5 minuten landen we dan in onze prachtige kamer van het Green World Station Hotel; wat een verademing, een eigen badkamer!

13 december 2015

Onze kamer krijgt het D&R-keurmerk; ruim, goede bedden, een heerlijke douche en goede wifi. Ondanks alle comfort stonden we al wel weer om 07:30 uur naast het bed. Je wilt je tijd hier natuurlijk niet verdoen. Na het goede ontbijt gaan we rond 08:30 uur richting het icoon van Taipei: de Taipei 101. Deze wolkenkrabber van 508m had in 2004 nog de records in handen voor het hoogste gebouw ter wereld, de hoogste verdieping ter wereld en het hoogste dak ter wereld. Inmiddels is de Taipei 101 deze records kwijt geraakt aan Dubai, maar het record voor de snelste personenlift met 1010m/min hebben ze nog steeds in handen. Ook heeft het gebouw de grootste en zwaarste wind demper. De stalen bal is 5,5m in doorsnee en weegt 660 ton. Deze zware bal, die moet voorkomen dat het gebouw gaat zwiepen, heeft ruim 3,5 miljoen euro gekost. Het gebouw staat op 380 betonpalen van 1,5 meter doorsnee die 80 meter de grond in zijn geheid. We kunnen nog wel even doorgaan met dit soort feitjes, maar dan haken te veel lezers af, dus gaan we verder met ons eigen verhaal.

We willen naar het observatiedek op de 89e verdieping, maar in tegenstelling tot een bezoekje aan het Empire State Building of de Burj Khalifa, hoef je hier niet vooraf te reserveren. We nemen dus de metro naar het bijbehorende station en gaan naar de 5e verdieping om kaartjes te kopen. We proberen eerst een foto van het gebouw te maken, maar dat lukt natuurlijk niet van dichtbij. We lopen wat naar links en we lopen wat naar rechts, maar het blijft lastig. Hierna gaan we naar binnen om kaartjes te kopen voor een ritje met de snelste lift naar het observatiedek en het verbaast ons dat er helemaal geen rij staat. Het is dan wel de duurtste attractie/entree van Taiwan (nog een record), maar toch verwacht je niet dat direct aan de beurt bent voor een kaartje. Waarschijnlijk zijn wij vroeg want de dranghekken op de vijfde verdiepingen beloven niet veel goeds. We gaan in de kleine rij voor de lift staan en wachten tot ook wij omhoog geschoten worden. Samen met een 20-tal Aziatische toeristen staren we naar de snelheidsmeter naast de liftdeuren. De meter geeft inderdaad 1010m/min (60km/u) aan en we moeten de oren onderweg af en toe klaren. In de welbekende poep-en-een-scheet gaan de deuren op de 89e verdieping weer open.

Het uitzicht over Taipei is fantastisch en we proberen zo veel mogelijk lokaties waar we geweest zijn te herkennen. Na een rondje langs de ramen gaan we verdieping lager om de wind demper (stabilisator) van het gebouw te bekijken. Ook van deze stalen bolen hebben ze een bezienswaardigheid weten te maken waar iedereen mee op de foto wil. Daarmee zit ons bezoekje aan de Taipei 101 er wel op en gaan we in de rij staan om met de lift naar beneden te gaan.

We hadden bedacht om de rest van het dagprogramma in te vullen met Jiufen en de Pingxi Branch Rail Line en om daar te komen moesten we eerst met de metro naar een bushalte bij metrostation Zongxiao Fuxing, van waar de bus naar Jiufen vertrekt.

Als we het metrostation uit komen worden we opgewacht door handlangers van de taxi-maffia die je proberen te overtuigen dat je vooral niet met de bus moet gaan, want die doet er minstens 2 uur over en dat je beter een taxi kunt nemen. We hebben vandaag alle tijd, dus voor dat argument zijn wij niet gevoelig. We zoeken de bushalte van bus 1062 en gaan in de rij staan. De rij achter ons groeit gestaag, dus het lijkt erop dat zondag een goede dag is voor Jiufen e.o.

Het busritje duurt uiteindelijk bijna anderhalf uur, maar daarvan staan we minstens 20 minuten in de file vlak voor Jiufen. Ook de dagjesmensen hebben blijkbaar deze zondag aangegrepen voor een bezoekje aan Jiufen. Het weer in de noordelijker gelegen gebied is heel anders dan vanochtend bij de 101. Stond die wolkenkrabber nog tegen een strak blauwe achtergrond, hier kunnen we de wolken weer bijna aanraken. We vlak bij Jishan straat uit de bus. Jishan street blijkt het episch centrum van Jiufen te zijn. Schouder aan schouder schuifelen we door dit smalle straatje met etensstalletjes en souvenierwinkeltjes. We halen het einde van de straat niet want het duurt niet lang of we krijgen lichte verschijnselen van agorafobie. We draaien om en schuifelen het straatje weer uit. We wandelen dan nog wat door het, tegen een berghelling gelegen, dorpje en via wat trappetjes en een paar smalle straatjes komen we dan weer in de buurt van een bushalte uit. Daar nemen we de eerste bus naar Ruifang.

Ruifeng is het startpunt van de Pingxi Branch Rail Line, een spoorlijn door een gebied waar vroeger een welvarende steenkool industrie was. De spoorlijn is in 1921 aangelegd door de Japanse Taiyang Mining Company en op het hoogtepunt van de mijnbouw waren er 18 mijnen in gebruik. Tegenwoordig zijn de kleine plaatsjes langs de spoorlijn, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan, vooral afhankelijk van de toeristen die langskomen. We kopen een kaartje voor het voorlaatste dorpje, en tevens naamgever van de spoorlijn: Pingxi.

De eerste paar kilometer gaan nog over het ‘normale’ spoor, maar dan buigt de Pingxi Line af. We komen langs Houton, Sandiaoling, de halte voor de Shifen waterval en vervolgens bij Shifen. Bij dit plaatsje loopt het spoor vlak langs de twee- en drie verdiepingen hoge huisjes aan beide zijden van de rails. Dit is de enige plaats in Taiwan waar dat nog het geval is. De trein stroomt hier leeg en hoewel wij eigenlijk nog een stukje verder moeten besluiten we er hier ook maar uit te gaan. We zijn nieuwsgierig waarom bijna iedereen hier uitstapt.

We lopen via het spoor terug door het dorpje en steken eerst de rivier over via een oude hangbrug. Dat levert mooie plaatjes op, maar daarvoor zal iedereen hier toch niet heen komen. We lopen terug naar het spoor en zien dan grote balonnen de lucht in gaan. Als we dichterbij komen blijkt dat je hier grote papieren lantaarns kunt kopen, waarna je deze kunt beschrijven met wensen of iets anders dat je leuk vindt. Vervolgens wordt er een brander onder de ballon aangestoken en en als er voldoende warme lucht in de ballon zit laat je hem los en zweeft de ballon richting de achterliggende bergen. Dit alles wordt natuurlijk vastgelegd met de smartphone. Dit spektakel is gejat van het jaarlijkse Lantern Festival dat elk jaar in het voorjaar wordt gehouden. Hier doen ze het elk weekend.

Na een uurtje hebben we het wel gezien in Shifen en gaan we in de rij op het perron staan, in afwachting van de trein terug naar Ruifang. In een volgepakte trein rijden we in een half uurtje terug en kopen we de kaartjes voor de trein naar Taipei CS. In een nog vollere lokale trein rijden we dan in een uur van Ruifang naar Taipei, waar we om 18:30 uur aankomen. Weer een dag goed besteed!

14 december 2015

Onze laatste dag in Taiwan staat er nog een verplicht nummertje op het programma: het National Palace Museum. Dit museum wordt gezien als een van de top 5 museums van de wereld, dus die kunnenwe niet overslaan. Met een collectie van meer dan 690.000 stukken van de neolithische tijd tot aan het eind van de Qing dynastie, hoefden we ons niet te vervelen.

We proberen ‘s-ochtends nog een late check-out te regelen in het hotel, maar daar doet dit hotel niet aan; je moet dan gewoon een hele dag boeken. We proberen nog ergens anders een daghotel te regelen, maar ook dat spoor loopt dood. Uiteindelijk pakken we dan onze rugzakken maar in en zetten die in de lobby van het hotel met een etiketje eraan (ze hebben nl. geen luggage-room).

We pakken de metro naar station Shilin en stappen daar over op de bus die ons naar het museum brengt. Rond 11:00 uur zijn we bij het museum en het is er een gekkenhuis. Tientallen bussen staan er geparkeerd en de passagiers lopen in grote groepen voor en in het museum. Wij lopen de trappen op naar de ingang van het museum en kopen een kaartje. Leggen daarna onze rugzak in een kluisje en gaan de collectie te lijf.

De collectie varieert van bronzen boeddha’s tot jade sieraden en van granieten grafstenen tot aardewerken varkens. Niet alles heeft onze interesse, maar er is zoveel te zien dat de tijd vliegt. Het is een beetje jammer dat de Chinezen in de meerderheid zijn en dat ze zo gruwelijk veel lawaai maken, ondanks dat er supposten rond lopen die steeds een bordje voor hun neus houden waarop staat dat ze geen lawaai mogen maken. Het verpest een beetje de sfeer, maar we zijn er inmiddels aan gewend geraakt. Ze zijn blijkbaar niet in staat om op fluistertoon tegen elkaar te vertellen hoe mooi ze iets vinden, dat kan alleen maar als een stelletje viswijven.

Na twee uurtjes langs de vitrines te hebben gestruind is het mooi geweest en gaan we weer naar buiten. We halen onze rugzak uit de kluis en lopen nog wat op het museumterrein rond. Langzaam aan lopen we weer naar straat waar we ons opstellen in de rij die op de bus staat wachten. Bus 255 is helemaal versierd met kerstslingers en de buschauffeur is gekleed in kerstman kostuum. Ho ho ho ho!<

Terug bij het metrostation halen we eerst een bak koffie en scoren een soort krentenbroodje bij de bakker. Het is inmiddels 13:00 uur geweest, dus daar hadden we wel zin in. Onder genot van dit bakkie bedenken we wat we ‘s-middags nog zouden kunnen doen, want het ‘verplichte’ programma zit erop. We besluiten er een relaxed middagje van te maken en gaan met de metro eerst naar Daan Park in de hoop dat we daar wat door het park kunnen wandelen, of op een bankje kunnen zitten en mensen kijken.

Het park valt helaas wat tegen. Het is leeg en veel kleiner dan we gedacht hadden. In de verte zien we de Taipei 101 die af en toe met de bovenste verdiepingen in de wolken hangt. We besluiten die kant maar eens op te lopen. We vergissen ons een beetje in de afstand. Waarschijnlijk dat door de hoogte van de Taipei 101 het dichterbij lijkt dan het is. Gelukkig hebben we alle tijd vanmiddag en het geeft ons de gelegenheid om de Taipei 101 vanuit wat andere hoeken te bekijken.

Vanaf de Taipei 101 lopen we dan door naar het metrostation Taipei City Hall omdat daar de blauwe metrolijn langs komt die naar de Longshan tempel gaat en daar we willen nog een keertje heen. Deze tempel is in onze ogen de meest sfeervolle van het land.

We stappen uit bij het gelijknamige metrostation en lopen naar de tegenover gelegen tempel. Er zijn weer veel mensen die een offer komen brengen of een wierook stokje komen aansteken en uit het hoofdgebouw klinkt het ritmisch gezang van monniken, begeleid door monotoon getrommel. De rook van de vele wierook stokjes en kaarsen die hier gebrand worden verspreid zich over het terrein dat zorgt voor een magische sfeer. Diana loopt nog wat over het tempelterrein, Rob gaat op een trapje zitten en laat alles nog een keertje op zich inwerken.

Iets na vijfen verlaten we de tempel en gaan we op weg naar het centraal station ons laatste ritje met de metro. We checken nog even de mail in het hotel en eten een hapje bij restaurant Dante. Daarna kleden we ons om en gaan met de airport-shuttlebus naar de luchthaven.
Na een half uurtje door donker Taipei worden we luchthaven Taoyuan bij vertrekhal 1 afgezet. De rest is routine: rijtje aflopen bij het inchecken, rijtje aflopen bij de douane, Taiwanees geld opmaken bij een eet- of drinktent en dan maar wachten bij gate B6 tot het boarden voor de vlucht EK367 begint.

15 december 2015

Met een vertraging van zo’n 20 minuten vertrokken we dus op dinsdag in alle vroegte naar Dubai en laten we Taiwan met haar prachtige natuur en lieve bevolking achter ons. Het vliegtuig blijkt niet vol te zijn, dus de buurman van Diana, die wel wat weg had van Hikaru Sulu, sprong snel naar een andere bank zodat wij drie stoelen tot onze beschikking hadden. De captain roept om dat de vlucht 9 uur en 25 minuten zal duren; dat is wel even zuchten. Na de warme hap lukt het ons wonderwel om wat uurtjes te slapen en rond 03:00 uur Dubai-tijd worden we weer wakker van het licht in de cabine.

Niet veel later wordt het opntbijt opgediend en rond 05:45 uur landen we op Dubai Airport. Het boarden voor onze vlucht naar Amsterdam start om 07:30 uur dus we hebben nog wel even tijd om wat te drinken. We verplaatsen ons eerst met het shuttle treintje van de B-terminal naar de A-terminal en gaan dan bij een Mc Cafe zitten voor een bak koffie en dat smaakt best na een vlucht van negeneneenhalf uur! Om 07:15 zijn we bij de gate voor onze vlucht naar Amsterdam en we zien dat de A380 al klaar staat.
Het boarden start mooi op tijd, maar helaas moeten we een uur in het vliegtuig wachten op passagiers die van een ander vlucht met een minder mooie aansluiting.
De vlucht naar Amsterdam duurt uiteindelijk nog eens 7 uur, die we dorkopmen met wat films, tv-series en muziek op het entertainmentsystem. Iets voor enen zet de piloot het toestel aan de grond in Amsterdam. We halen onze bagage van band 22 en gaan dan naar perron 2 voor de trein naar Apeldoorn.

Taiwan 4

03 december 2015

Vandaag is zo’n soort tussendag. We reizen naar Chiayi, maar eigenlijk alleen met het doel om van daaruit naar de Alishan National Scenic Area door te reizen en dat laatste dan het liefst met de Alishan Forest Railway, maar daarvoor moeten we eerst nog kaartjes zien te krijgen.

Omdat we dus ook niet de hele dag in Chiayi hoeven te zijn, gaan we er vanochtend toch nog een keer met de fietsjes op uit. Vanuit een soort van beroepsdeformatie moet er nog even een bezoekje worden gebracht aan de Medicine Lord Temple, dus daar gaan we weer. We mengen ons in het drukke verkeer en gaan via de Jinhua weg naar de tempel. Het is een klein tempeltje dat tussen de huizen in is geklemd. Zelfs zo ‘s-ochtends vroeg hangt er al een rookwolk van de brandende wierookstokjes. Het tempeltje is ter nagedachtenis aan een dokter van de Tang dynastie. Zijn beeld staat in het hoofdgebouw.

Na het bezoek aan dit tempeltje gaan we terug naar het hotel, maar rijden dan wel even langs de markt; de Water Fairy Temple Market wel te verstaan. Het is zo’n mooie ouderwetse, rommelige markt waar je een berg vlees, vis en groente vindt en waar af en toe ook een kledingstalletje tussen staat.
Ergens aan de oostkant van de markt, tussen de stalletjes, bevindt zich dan ook nog de Water Fairy tempel. We lopen een half uurtje over de markt en genieten van de tafereeltjes die we zien. Het lijkt er af en toe stevig aan toe te gaan. Een marktverkoopster gooit een platsic zak met groenten richting de klant, deze schreeuwt iets terug, waarna de verkoopster de groeten weer uit de zak haalt en op de weegschaal smijt. De groenten gaan daarna weer in de plastic zak, worden weer voor de klant neer geplempt, die onder luid protest de groenten betaald. Misschien hebben ze alleen vriendelijkheden uitgewisseld, maar dat hebben ze dan goed verborgen gehouden.

We fietsen het laatste stukje terug naar het hotel en nemen daar eerst nog een bakkie koffie voordat we onze spullen van de kamer halen. Rond 10:30 uur checken we uit en laten we ons met een taxi naar het treinstation brengen. De snelle trein naar Chiayi gaat om 11:36 uur, dus we hebben nog even tijd om op het station van Tainan rond te neuzen. Een station is een ideale plek om mensen te bekijken.

De trein is wederom mooi op tijd en na een ritje van ruim 40 minuten stappen we in Chiayi uit. We lopen eerst naar de balie van Tourist Information omdat we die kaartjes voor de treinreis naar Fenqihu willen scoren. De vrouw achter de balie blijkt maar heel beperkt Engels te spreken, maar ze wijst ons wel naar balie buiten het stationsgebouw, waar de treinkaartjes gekocht kunnen worden. Wanneer we voor de balie staan hangt er een bordje met ‘no seats available’. Dat is balen! We roepen toch een van de medewerkers en dan blijkt dat er nog steeds kaartjes voor de trein van morgen te krijgen zijn. Dat bordje hing er misschien nog voor de trein van vanochtend.

Ook hier nemen we een taxi naar het hotel. Helaas mogen we nog niet op de kamer. Dat hebben we nog niet eerder meegemaakt in Taiwan. We gooien onze bagage dus in de ‘luggage room’ en wandelen Chiayi in. Chiayi is een grote stad, dus we hebben wel een twintigtal minuten nodig om in het centrum te komen. Heel veel winkels zijn al helemaal in de kerstsfeer en dat blijft een rare gewaarwording met temperaturen boven de 25 graden. We hebben helemaal niets op het programma staan in Chiayi, maar de kerstboom herinnert ons wel aan de seizoenarbeid die moet worden gedaan.

We lopen diverse winkels in, maar kunnen geen geschikte produkten vinden. De verkoopster van een evangelische boekhandel wees Diana uiteindelijk de weg (hoe toepasselijk!). Dan moeten we ook nog even naar het postkantoor voor de bijbehorende administratieve rompslomp. Daar waren we al een keer langs gelopen dus dat is zo gevonden. Nummertje trekken bij de automaat en en dan maar afwachten of de medewerker Engels spreekt. Dat is niet het geval, dus moet er even een collega bij komen. Ach, je went eraan.

Nadat we deze jaarlijks terugkerende zaken geregeld hebben, lopen we terug naar het hotel. Het is inmiddels 15:00 uur dus we kunnen naar onze kamer.
Aan het eind van de middag lopen we nog een keer de stad in. Dit is echt een heel andere stad dan anderen. Grote warenhuizen waar ze vooral merkspullen verkopen, tig kledingwinkeltjes, ontelbare restaurantjes, etc. We neuzen wat rond bij al die kleine winkeltjes en aan het begin van de avond gaan we op zoek naar een restaurantje. We gaan naar binnen bij een trendy eetgelegenheid waar de bediening met een kerstmuts op loopt en kerstliederen klinken. Zo krijgen wij ook een beetje het idee dat het december is.

04 december 2015

Vandaag gaan we met het VSM-treintje van Taiwan naar Fenqihu om van daaruit de Alishan Forest Reacreational Area te bezoeken. Het treintje hier luistert naar de naam Alishan Forest Railway en vertrekt om 09:00 uur van het treinstation van Chiayi. Er gaat er maar eentje per dag, dus hebben we de wekker maar een keer gezet.

Ruim op tijd gaan we bij het perron zitten dat speciaal voor deze trein is bedoeld. Ook dit keer weer alleen maar Chinezen en Taiwanezen bij ons in de trein; geen blanke te bekennen. Wanneer het treintje er toeterend aan komt rijden springen alle andere toeristen op om een foto te maken van de trein. Natuurlijk moet er geposeerd worden voor de trein, twee vingertjes in de lucht, hetzelfde ritueel maken we al ruim drie weken mee. Ook deze trein heeft geen moeite met op tijd vertrekken, dus we gaan er maar eens voor zitten.

Tijdens deze tocht stijgt de trein naar 1400m en wordt er op een zestal stationnetjes gestopt. De trein slingert zich de berg op en de uitzichten zijn fraai. Van bamboebos tot theeplantages en van diepe ravijnen tot stijle bergwanden, we zie het allemaal onderweg. Tegen 11:30 uur zijn we in Fengihu en gaan we op zoek naar ons hotelletje. Je kunt duidelijk merker dat we de hoogte in zijn gegaan, want het is hier een stuk frisser dan in Chiayi. Met wat hulp van de lokale middenstand vinden we ons hotelletje en worden we door Mickey bijgepraat over Fenquhi. Mickey spreekt heel goed Engels, dus dat maakt het allemaal een stuk makkelijker. We laten weten dat we wel geïnteresseerd zijn in de sunrise-toer morgenvroeg en ze laat weten dat we dan om 20:00 uur bij de receptie moeten komen, omdat dan duidelijk is hoeveel er mee gaan.

We krijgen een Chineestalige kaart van de omgeving in de hand gedrukt, waarop ze een paar krabbels zet bij trails die we vanmiddag zouden kunnen doen. Dan gaan we eerst op zoek naar een plek om wat te drinken.
Na de vochtinjectie besluiten we eerst maar de Fenqihu-trail te lopen. Het mag de naam trail eigenlijk niet hebben, want het traject is maar 700m lang. Het is wel erg mooi in deze omgeving waar de rode cypressen in de meerderheid zijn. Deze bomen zijn eigenlijk de reden waarom het treintje waar we vandaag mee zijn gekomen is gebouwd. Tijdens de Japanse bezetting, begin twintigste eeuw, werden deze cypressen in grote getale gekapt, maar moesten ze nog naar beneden vervoerd worden. Dit treintraject bleek de beste oplossing. Tussen de cypressen staan ook nog eens menshoge boomvarens en natuurlijk ook heel veel grote bamboe. We leggen het trajectje af in minder dan een half uur (we hebben het dus rustig aan gedaan) en gaan dan terug naar Fenqihu om daar het echte dorp te bezoeken.

Langs het treinstation heeft zich een soort hoofdstraat gevormd waar veel restaurantjes zijn, maar vooral ook souveniershops. Het meer oorspronkelijke dorp ligt tegen de zuidhelling van de berg. We gaan in dit oude gedeelte van Fenqihu op zoek naar een restaurantje. Daar zijn er wel een aantal van, maar bij het merendeel spreekt het eten ons niet echt aan. Uiteindelijk vinden we iets ‘eetbaars’ bij een ouder echtpaar dat bij hun huis wat tafeltjes heeft neergezet en op een vuurhaard eten bereid.

Na de lunch vallen we dan de Cypres Trail aan. Ook geen joekel van een trail, maar een groot deel van de 2km gaat wel tegen diezelfde zuidhelling op, dus een echte kuitenbijter. De naam van de trail heeft het waarschijnlijk al verraden, maar er staan hier vrijwel alleen maar rode cypressen om ons heen. Hoewel je steeds heel dicht bij de Fenqihu bent, heb je het gevoel dat je ergens diep in een bos loopt.

Met veel moeite hebben we een uurtje nodig voor deze trail en wanneer we Fenqihu weer in zicht hebben ruiken we bakkerij-lucht. Niet veel verder zijn ze bij een huisje de lokale donuts aan het bakken. Dit ruikt te lekker, die moeten we hebben. We kopen een paar net gebakken donuts en gaan in het tuintje op een stoel zitten.

Nadat we terug zijn in Fenqihu lopen we naar de bushalte om alvast te kijken op welke tijden de bus gaat. We waren van plan om overmorgen de bus via Alishan naar Sun Moon Lake te pakken, maar zijn tot de ontdekking gekomen dat we dan niet meer bij ons hotel kunnen komen. Gelukkig had Mickey een betere optie: met de bus terug naar Chiayi, dan met de trein naar Ershui en vervolgens met de smalspoor trein naar Sun Moon Lake. Lijkt een hele toer, maar kan in dezelfde tijd als onze eerste optie.
We gaan even terug naar onze kamer en kleden ons op de lokale omstandigheden. We trekken de sokken aan, verruilen de Teva’s voor de bergschoenen en trekken bovendien een skipully aan.

Wanneer we om 17:45 uur de hoofdstraat inlopen op zoek naar een plek om te eten, blijkt bijna alles al dicht te zijn. We lopen de hoofdstraat een keertje op-en-neer, maar kunnen niet anders dan bij de 7-Eleven naar binnen voor een soepie met crackers en een ijsje toe. Het kan niet elke dag 4 sterren zijn.

05 december 2015

Hadden we gisteren nog gedacht dat we via een ingewikkelde route naar Sun Moon Lake te reizen, komt Mickey ‘s-avonds met het voorstel om toch maar met de bus te gaan. Ze had met haar baas overlegd en het bleek wel op die manier te kunnen (zeiden wij toch!). Bovendien is het volgens haar dan veel handiger om gelijk na Alishan die bus te pakken en niet meer terug te komen naar Fenqihu. We zouden dan vandaag in Fenqihu nog wat kunnen doen (?) en dan morgen de sunrise toer en gelijk door naar Sun Moon Lake. We proberen ons wat voor te stellen bij ‘nog een dag in Fenqihu‘, maar er komt niks. We besluiten dan maar om vandaag de sunrise toer te doen en dan gelijk door naar Sun Moon Lake. Jammer van dat nachtje dat we al geboekt hebben in Fenqihu. Fenqihu was leuk, maar twee volle dagen is wat veel.

Het gevolg was dat onze wekker vanochtend op 03:30 uur stond! Je moet wat over hebben voor een zonsopgang bij Alishan. We worden met een zestal Chinese jongens in een minibus naar de Alishan National Forest Recreation Area gebracht, waar we bij het treinstation worden afgezet. Je gaat nl. met een smalspoor trein naar Zhushan, de bestek plek voor die zonsopkomst. Heel alleen zul je je daar niet voelen, want we worden vergezeld van minstens 500 andere gekken die vroeg uit bed zijn gekomen. We sluiten op het station achteraan de lange rij die staat te wachten tot de loketjes opengaan. Wat een kuddedieren zijn we toch.

Nadat we een kaartje hebben bemachtigd gaan we naar de bovenetage waar het perron van de trein is. Daar hetzelfde verhaal; in een lange rij staan staan al die mafkezen (incl. wij) te wachten tot ze de trein in mogen. Als de trein onderweg is naar het perron gaan de hekjes open en de lange rij mensen komt in beweging. Een tweetal mannen telt het aantal mensen dat het perron opgaat en wanneer het max aantal passagiers voor de trein bereikt is gaan de hekjes weer dicht en mag de rest op de volgende trein wachten.

De rit in de volgepakte wagon duurt ongeveer een half uur en als de deuren open gaan bij Zhushan, stormt de menigte de trap op om toch vooral de beste plek te hebben. Wij proberen wat minder paniekerig naar boven te komen, maar ongemerkt ga je mee met de menigte. Daar staan we dan, met enkele honderden niet uitgeslapen mensen aan een hek van ongeveer honderd meter breed te wachten tot de zon achter de bergen vandaan komt.

Normaal gesproken zou je de zonsopkomst hier moeten zien in combinatie met de zgn. ‘Sea of Clouds’, dan ligt er een wolkendek over de vallei en steken alleen de hoge bergpieken daarboven uit. Die S.O.C. lijkt vandaag wat drempelvrees te hebben, want de wolken zijn alleen boven de verste bergen te zien. Nog steeds een mooi plaatje, maar net niet. Om 06:45 uur komt dan de eerste zonnestraal boven de bergen uit en als een massaal orgasme klinkt het uit honderden monden ‘oooooooohhhhhh‘ terwijl gelijktijdig de sluiters van de cameras ritmisch klikken.

Omdat de zon al een tijdje onderweg was achter de bergen, heb je gelijk lasogen van het fotograferen. We blijven nog even om alles wat er om ons heen gebeurt in ons op te nemen, maar rond zevenen lopen we dan weer terug naar de trein. Een half uurtje later lopen we het station van Alishan alweer uit en kopen een hete bak koffie om onze handen aan te warmen, want met een graadje of 12 was dit ook ons koudste vakantiemoment.

Na de koffie besluiten we een korte trail te lopen naar de Shouzhen tempel. We willen nog wel wat meer zien van Alishan, maar om 09:00 uur begint de verkoop van de buskaarten voor de bus naar Sun Moon Lake. We willen perse de bus van 13:00 uur hebben, want anders wordt het mogelijk een probleem om bij ons hotel bij Sun Moon Lake te komen.

Na een wandeling van een half uur zien we het tempelgebouw in de verte. Het lijkt weer zo’n standaard Boeddhistische tempel, maar dan horen we ineens allerlei muziek bij de tempel vandaan komen. We lopen door naar de tempel en er blijkt een ceremonie o.i.d. aan de gang te zijn. Er staan draagkarren voor de tempel, er is een grote menigte die zenuwachtig heen en weer loopt en die typische Boeddhistische muziek klinkt.

We lopen door de tempel en er wordt een soort dans uitgevoerd. Als we even later voor de tempel staan springt er opeens een jongen met ontbloot bovenlijf uit de tempel naar buiten. Hij heeft een hoofdwond en het bloed loopt langs zijn gezicht. Hij heeft ook een soort deegroller met spijkers in de hand en als hij dichterbij komt zien we dat zijn rug daarmee bewerkt is; een soort (zelf)kastijding dus? Deze jongen lijkt de hoofdpersoon, want nu hij buiten is komt alles in beweging.

Bij de pagode komen een tweetal grote poppen in beweging en de draagkarren die al een tijdje voor de tempel op de schouders van de dragers rustten gaan voorop in de stoet. Na een paar honderd meter raakt de hoofdrolspeler in een soort gevecht verwikkeld met een andere jongen en niet veel later worden de beide jongens door andere mannen bewusteloos weggedragen, alsof ze in een trance zijn. Zo is een tempel bezoeken best leuk!

We zien dat het inmiddels 08:15 is, dus we moeten terug richting het station om onze buskaartjes veilig te stellen. Wanneer we bij het kantoortje van de busmaatschappij aankomen, staat er een klein rijtje mensen te wachten en wij schatten in dat we vanmiddag wel meekomen. Om 09:05 uur zijn wij in het bezit van twee buskaartjes voor de bus naar Sun Moon Lake.

Dan pakken we de kaart van Alishan er weer bij en kiezen voor een plek met de welluidende titel: ‘Viewing the Cloud Sea from Ciyun Temple’. Dit zou de revanche kunnen zijn voor het vrijwel ontbreken van een S.O.C. bij de zonsopkomst. We gaan weer op pad, maar hebben dit keer veel meer last van leeg gekieperde toerbussen. De Chinezen hebben de nare gewoonte om breed uit in grote groepen te wandelen en dat in een tempo waarbij een normaal mens om zou vallen. We moeten ons dus elke keer door zo’n groep wringen. We hebben iets meer dan een half uur nodig om bij de eerder genoemde plek te komen, laten de Ciyun tempel links liggen en stomen gelijk door naar de uitkijkplek. Het wolkenkleed is ook hier nauwelijks aanwezig, maar het is wel een mooi plek. Toch blijven we even hangen op dit uitkijkpunt om een zo mooi mogelijk beeld te krijgen van deze omgeving.

Daarna vervolgen we onze weg via de Giant Trees Boardwalk-1. Ook in dit gebied is de rode cypres alom aanwezig en de meest bijzondere hebben een nummer of zelfs een naam gekregen. De bomen zijn hier tot 45m hoog en meer dan 2000 jaar oud. Het is een prachtige route langs majestueuze bomen waarvan de hoogsten vaak een dode top hebben omdat ze door blikseminslag zijn geraakt. We lopen het hele rondje en gaan dan weer op weg naar het station van Alishan omdat we wel trek hebben gekregen.

Wanneer we halverwege de terugweg zijn zien we opeens aan onze rechter kant dat de vallei helemaal wit is geworden. Er trekt een heel pak wolken naar binnen. We draaien ons om en gaan zo snel als de mede-toerist het toelaat terug naar de uitkijkplek met de lange titel. Wanneer we dit keer vanaf het platform het dal in kijken zien we een prachtig wit wolkendek tegen de bergen aan glijden en steeds dichterbij komen. Dat is wat we vanochtend hadden willen zien; zo hoort een S.O.C. er minstens uit te zien. We maken al onze eerder gemaakt foto’s opnieuw en vinden het zelfs de moeite waard om een hier een selfie te maken. We blijven dit keer langer dan de vorig keer staan en merken ook dat je niet te veel wolken moet hebben. Na verloop van tijd is de wolkenmassa in het dal zo groot dat er eigenlijk niets meer te zien is.

We gaan dan voor de derde keer terug naar het station van Alishan en met enige vertraging krijgen we dan onze verdiende lunch.
Na onze lunch blijven we in de buurt van de 7-Eleven in de zon zitten tot de bus daar arriveert. Het blijkt zo’n 18-zitter te zijn, dus het is maar goed dat we op tijd de kaartjes zijn gaan kopen. We zoeken een plekkie en proppen de rugzakken in het gangpad. De rit naar Sun Moon Lake duurt 3,5 uur dus we gaan er maar eens goed voor zitten. Het eerste uur rijden we eigenlijk door een omgeving die net zo mooi is als Alishan, dus we kijken onze ogen uit. Het tempo is verschrikkelijk laag, maar dat is dit keer niet de schuld van de chauffeur; de maximun snelheid is op deze weg meestal maar 30km/u.

Na 3 uur en 10 minuten arriveren we dan in Shuishe, aan de oever van het Sun Moon Lake. We kopen een kaartje voor de laatste (!) veerboot die om 16:30 uur zal vertrekken. De lucht is inmiddels behoorlijk grijs geworden, dus het is allemaal wat minder mooi dan we voorgesteld hadden. De boot legt aan bij pier 4 en wanneer we aan boord zijn gooit de kapitein gelijk de trossen los en gaan we richting Ita Shao aan de andere kant van het meer. Het boottochtje duurt nog geen kwartier en Ita Thao is zo klein dat we ons hotel binnen 5 minuten gevonden hebben. Hopelijk ziet de lucht er morgen iets beter uit.

06 december 2015

De lucht zag er vanochtend helaas niet veel beter uit dan gisteravond. Er hing nog steeds een grijze sluier over de bergen rondom Sun Moon Lake. Het leek ons het beste om vanochtend dan maar de Maolan Mountain Trail te lopen. Een korte trail van 3km die eindigt bij een weerstation op 1020m dat in 1940 door de Japanners is gebouwd. De trail begint net buiten Shuishe, dus we nemen eerst de shuttlebus van Ita Thao naar Shuishe. Dit busritje langs het halve meer duurt zo’n 20 minuten en je krijgt een heel goed beeld van de omgeving van het meer, al is dat vanochtend wel wat grijs. De bus stopt tegenover het Visitors Centre en we grijpen de gelegenheid om wat informatie in te winnen over onze volgende etappe van de reis: Hehuanshan. Helaas zit er aan de balie een meiske dat niet goed Engels spreekt en bovendien geen flauw idee heeft waar Hehuanshan ligt. Daar hebben we niets aan, dus we lopen maar door naar het begin van de trail.

Het blijkt geen zandpad door de natuur te zijn, maar voor het grootste een geasfalteerde weg waarover af en toe auto’s voorbij komen rijden. Beetje vreemd, maar we lopen toch maar door. Het is overigens wel een behoorlijk steile weg, dus heel makkelijk is het niet. Na een kilometer komen we langs theevelden. De Japanners hebben de produktie van Assam zwarte thee hier nl. behoorlijk opgeschroefd tijdens de bezettingsjaren. We zullen er hier vandaag nog meer van zien.

Na ongeveer 1,5km moeten we even van de weg af af om via een trappetje naar een hoger gelegen weg te komen. Langs die weg staan rijen van de Ceylon Olijf (bij sommigen misschien beter bekend als de Elaeocarpus Serratus) die in de herfst rode bladeren laat vallen, waar deze weg de naam ‘red leaf path’ aan heeft te danken. Een populaire plek voor trouwfoto’s. Het ziet er inderdaad best mooi uit, maar we vonden het niet nodig om dan de ringen om te doen. Die blijven weer in het doosje.

De weg gaat langs nog een paar theeplantages en wordt steeds stijler naarmate het weerstation dichterbij komt. We merken aan de steeds nadrukkelijker aanwezige miezerregen dat we ook de wolken naderen. De laatste theeplantage wordt zelfs ten dele aan het zicht onttrokken door de wolken.

Bij het weerstation is het een dolle boel. Blijkbaar is dit een populaire bestemming voor Taiwanese families om te picknicken, want een aantal families heeft het door hun meegesleepte eten en drinken uitgestald op een uitkijk platform. Is ook helemaal geen probleem, want er valt nu toch niets te zien.

We beginnen gelijk weer aan de terugweg en naarmate we dalen, merken we dat de miezerregen minder wordt. Wanneer we weer beneden aangekomen zijn is er helemaal geen sprake van neerslag en is het slechts een grijze dag.

Vanwege die weersomstandigheden lijkt ons een bezoekje aan het Chung Tai Chan klooster in het nabij gelegen Puli de beste optie. Daar kun je in ieder geval ook naar binnen toe. We eten nog een broodje bij Starbucks en nemen dan de bus naar Puli. Vanaf het busstation in Puli gaan we met de taxi naar het klooster. en zien tijdens onze rit naar het klooster dat de grijze lucht wat begint te breken. De zon doet zelfs weer een beetje mee. Het zal wel de hand van Boeddha zijn.

Chung Tai Chan is overigens niet zomaar een klooster. In Foguanshan hebben we mega klooster-complex gezien, maar dit is minstens zo groot. Na 7 jaar bouwen heeft dit klooster op 1 september 2001 haar deuren voor het eerst geopend. Het ontwerp is, net als bij de Taipei 101 en de 85 Sky Tower van C.Y. Lee, en de kosten waren 110 miljoen dollar. Je komt het hoofdgebouw binnen door deuren die minstens 10m hoog zijn en als je dan in die ‘Hall Off The Four Heavenly Kings’ staat, heb je het gevoel dat je in de vertrekhal van een vliegveld staat. De vier hemelse beelden die in deze zaal staan zijn maar liefst 12 meter hoog. Zo kun je hier door blijven gaan; alles is groot, groter grootst. Het klooster is overigens een populaire attractie, want de grote parkeerplaats voor het gebouw staat vol met toerbussen.

Nadat wij ons rondje door het klooster wel gemaakt hebben, constateren we dat we wel een klein vervoersprobleem hebben. Er is hier geen bushalte van de lokale Connexxion, maar ook geen taxi die ons terug kan brengen naar Puli. We vragen aan een buschauffer van een toerbus of hij weet waar we de bushalte kunnen vinden, maar hij weet het niet. Dan lopen we maar weer terug naar de grote parkeerplaats en opeens houdt Diana een auto aan en vraagt aan de chauffeur of hij naar Puli gaat en of we dan mee kunnen rijden. Blijkbaar was haar Chinees voldoende, want de deuren gaan open en wij kunnen instappen. Dankjewel Boeddha.

In Puli proberen we nog een keer informatie te krijgen over Hehuanshan, maar het lijkt een dood spoor. Uiteindelijk denken we te begrijpen dat we met de bus vanuit Puli tot Cuifeng kunnen komen en dat we van daar met alternatief vervoer verder moeten. We zijn dus al een stukje dichterbij Hehuanshan en hebben nog een dag om meer info te krijgen.

We gaan met de bus van 16:05 uur van Puli terug naar Shuishe, arriveren daar rond 16:30 uur en hebben dan nog een uurtje voordat de laatste bus naar Ita Thao gaat. We nemen een bakkie koffie met een vrolijk kerstgebakje en Diana doet, met de informatie die we zojuist hebben gekregen, nog een poging bij het Visitors Centre. De dame die nu achter de balie zat had meer verstand van zaken en kon het vage verhaal dat we in Puli te horen hebben gekregen bevestigen. Ze kon ons zelfs een schema geven met bustijden. Dat geeft de burger moed, want je wilt niet verdwalen in de achterlanden van Taiwan.

07 december 2015

Voor ons laatste dagje bij Sun Moon Lake hoopten we opnieuw op goed weer, maar toen we om 09:45 bij de bushalte stonden begon het te regenen. Dat zat niet mee, maar wat doe je er aan. We namen de shuttlebus naar de Wenwu tempel aan de noordoost kant van het meer. Daar zou je met de regen in ieder geval even droog kunnen lopen. Toen we een tiental minuten later uit stapten, bleek het echter alweer bijna droog te zijn. De imposante Wenwu tempel ligt op een heuvel met uitzicht over Sun Moon Lake. We zijn gelukkig net voor de toerbussen bij deze tempel, dus kunnen de verschillende hallen in alle rust bewonderen. Terwijl we wat rondlopen op het tempel terrein komt de zon alweer voorzichtig tussen de wolken vandaan. Blijkbaar hebben we Boeddha wederom gunstig gestemd.

Na een half uurtje lopen we naar de andere kant van de weg om van het uitzicht op Sun Moon Lake te genieten, maar dat valt niet mee. Door de vele bewolking is het erg heiig en is het nauwelijks mogelijk om Shuishe of Ita Thao te zien liggen. We willen alweer terug lopen naar de bushalte als we een trap met de naam ‘Steps Of Year’ zien. De trap loopt vanaf de weg helemaal naar het meer en in elke trede is een dag van het jaar gebeiteld. Bovenaan is 31-12, bij het water is 01-01. Het lijkt ons wel leuk om even wat verjaardag-treden van de familie af te lopen. John is een makkie en Rene is niet veel verder, maar voor Diana moet je toch al aardig wat treden lopen en voor Eib alweer 16 treden verder. Hennie zit ongeveer halverwege wat dacht je van Rob. Bij Cor zijn we al buiten adem, maar Marga maakt het ons met de derde trede van onderen helemaal lastig. Dan te bedenken dat we de 362 treden ook weer omhoog moeten.

We gaan naar Shuishe om daar fietsen te huren en dan langs de westelijke kant van het Sun Moon Lake te fietsen. In Shuishe nemen we eerst een bakkie bij 85’C en rijden daarna op onze fietsjes met mandje naar het begin van de Sun Moon Lake Bikeway. Dat hier een speciaal fietspad is aangelegd, is een goede keuze geweest. Met de fiets op de weg rondom Sun Moon Lake is levensgevaarlijk. We slaan de Longfeng tempel over en rijden eerst naar de Shuishe dam. Daar heb je normaal gesproken een mooi uitzicht over het meer, maar met de nog steeds aanwezig heiigeid (is dat een woord?) worden het niet de plaatjes die je verwacht.

Dan gaan we naar het Xiangshan Overlook Platform. Een soort vlonder op stalen buizen dat iets over het meer hangt. Prachtige plek voor foto’s, maar nu nog niet. Dan door naar de Toushe Dam en Moon Bay. Op meerdere plekken zetten we de fiets aan de kant en genieten van het uitzicht. Je moet hier behoorlijk uitkijken voor de andere fietsers, want ze zijn niet allemaal even behendig met een fiets, maar gelukkig worden we door niemand het meer in gereden.

Op de terugweg stoppen we even bij het Xiangshan Visistors Centre. Niet omdat we informatie nodig hebben, maar omdat het een mooi gebouw is met een bijzondere architectuur én opnieuw uitzicht over het meer. We gebruiken deze plek gelijk even om op adem te komen van de laatste klimmetjes. We hebben de bovenbenen aardig in de fik staan, want de fietsjes waar we op rijden zijn niet gemaakt voor dat soort colletjes.

Iets na enen zijn we weer terug in Shuishe en eten daar een broodje voordat we verder gaan. Onze volgende stop is het begin van de Shuiwatou trail. Van daar willen we naar de Sun Moon Lake Ropeway lopen en daarna via de Ita Thao Lakeside Trail door naar ons hotel.

De trail langs het Sun Moon Lake lijkt precies op de fietspaden. Op betonnen palen is een pad van houten planken aangelegd waarop je zeer comfortabel de kilometers kan maken. Het pad loopt eerst van de weg naar het lager gelegen meer. Ook hier is de natuur nog heel ongerept en woekeren de grote varens en bamboe er lekker op los. Vanaf het pad heb je steeds een prachtig uitzicht over het meer, hoewel de lucht maar niet strak blauw wil worden.

Rond 14:45 uur arriveren we dan bij de Sun Moon Lake Ropeway. Deze kabelbaan is de nieuwste attractie langs het meer en gelijk de populairste. Het is een ritje van zo’n 1800m over de top van de Bujishan en uit je bakje heb je de beste uitzichten over het meer. De kabelbaan blijkt van het gerenomeerde Zwitserse bedrijf Doppelmayr te zijn, dus we durfen een kaartje te kopen. Er staat een behoorlijke rij voor de poortjes te wachten, maar iets na drieen stappen we in ons bakje voor het ritje van zo’n tien minuten. De uitzichten uit het bakje zijn inderdaad prachtig, zelfs met de wat mindere weersomstandigheden. Je kunt aan de andere kant naar een Cultural Village waar dansjes van de oorspronkelijke stammen worden opgevoerd en je kunt zien hoe ze destijds een eitje bakten, maar die attractie laten we aan ons voorbij gaan. Om 16:00 uur zijn we dan weer terug aan het meer en vervolgen we onze weg naar Ita Thao.

Na het zien van de weersvoorspelling voor de komende dagen in Hehuanshan, hebben we besloten morgen niet die kant op te gaan, maar eerst naar Taichung. Hopelijk knapt het weer dan wat op zodat we eind van de week nog de bergen in kunnen.

‘s-Avonds eten we bij ons favoriete restaurant ‘Styr Frie’. Daar hebben ze tenminste het Chinese eten wat wij ook lusten. Het is de afgelopen weken niet meegevallen om een menukaart te vinden waar wij wat eetbaars op zagen staan. Het is elke avond weer een uitdaging.

08 december 2015

Vanochtend konden we toch nog even genieten van Sun Moon Lake met goed weer. De lucht was veel blauwer dan de voorgaande dagen, maar ja, we moeten verder. We nemen de ferry van 08:40 uur zodat we de snelle bus naar Taichung kunnen halen. Het geeft ons in Shuishe nog even de gelegenheid om wat plaatjes te schieten van Sun Moon Lake onder een wat blauwere lucht.

De bus naar Taichung vertrekt om 09:50 uur en in een poep en een scheet zijn we in de derde stad van Taiwan. Deze bus gaat nl. niet elk gehucht in om te kijken of er iemand mee wil, maar gaat bij Puli de snelweg op en komt er in Taichung weer af.

Vanuit de bus zien we al dat Taichung een grote stad is. De skyline met hoogbouw is indrukwekkend en de stad is zeer uitgestrekt. Taichung was de stad van ‘made in Taiwan’ en is de stad waar de meeste expats wonen, maar voor de Taiwanezen is Taichung vooral de stad van de beste weersomstandigheden.

We staan dus al om 11:00 uur in de lobby van ons hotel en ook dit keer mogen we niet de kamer op. We gooien de tassen dus weer in de opslag en gaan op weg naar het visitors centre om informatie te krijgen over de Gaomei Wetlands. Deze wadden van Taiwan lijkt ons wel een aardig uitstapje voor vanmiddag. Het meiske bij het visitors centre is een verademing, niet alleen spreekt ze goed Engels, ze heeft alle informatie die wij nodig hebben over bussen en treinen paraat. Na dit verhelderende gesprekje eten we eerst even een broodje. Onze trein naar Quinshui gaat om 13:02 uur, dus we hebben nog even.


Het treinstation van Taichung is bagger; wat een oude meuk. Blijkbaar had de gemeenteraad dat ook in de gaten want er is een fantastisch uitziend treinstation in aanbouw, net naast het oude. De treinrit naar Quinshui duurt ruim 40 minuten en halverwege de rit worden we aangesproken door twee Chinese meisjes die ook rondreizen in Taiwan. Ze vragen of we ook naar Gaomei gaan en raken dan aan de praat. Kan nog handig zijn: vriendinnetjes die Chinees spreken.

De meiden hebben behoorlijke haast, want ze willen even een fotootje maken van de wetlands en dan terug naar Taichung, om vervolgens naar Taipei door te reizen. Wanneer wij hun vertellen dat de zonsondergang hier juist een hoogtepunt is, beginnen ze te twijfelen. In Quinshui lopen we gezamenlijk naar de bus en nog voordat de bus arriveert hebben ze al besloten om toch ook maar de zonsondergang af te wachten en nog een nachtje in Taichung te blijven.

Het busritje naar de wetlands neemt nog eens een half uur in beslag en als we uitstappen merken we al dat de wind hier behoorlijk stevig waait; daar staan we dan in onze t-shirtjes. Er is een vlonder-achtig wandelpad van 300 a 400 meter over de wetland aangelegd zodat je de natuur van dichtbij kan bewonderen zonder natte voeten te krijgen. Uiteindelijk krijgen we die natte voeten toch, want aan het eind van het voetpad kun je via een trappetje alsnog de wetland op en dat willen we toch gedaan hebben. Naarmate we verder het voetpad oplopen, neemt de wind toe. We moeten uitkijken dat we er niet vanaf waaien.

Dit wetland is een beschermd natuurgebied; de slijkkruipers, krabbetjes, ganzen en andere beesies hoeven dus niet te vrezen dat ze in een Chinese rijsttafel eindigen. We hebben dit jaar een aantal keer het wad van dichtbij gezien en eerlijk gezegd kan dit kleine wetland daar niet aan tippen (schreef hij chauvinistisch), maar het is zeker een bijzonder gebied.

Rond 15:30 lopen we even terug naar het begin van de loopplank. We zijn inmiddels helemaal uitgewaaid en hebben wel trek gekregen. Veel is er niet te krijgen; we moeten het doen met een gebraden worstje en wat lauwe patat. Rond 16:00 uur gaan we dan terug naar het einde van het houten wandelpad om daar de zonsondergang af te wachten. We gaan op de rand van de loopplank zitten en zien de zon steeds verder weg zakken tussen de windmolens. Naarmate de zon roder wordt, neemt het aantal sunset-spotters toe. Wij waren op tijd, dus zitten eerste rang. Ondanks verkleumde vingers en verwaaid kapsel, blijven we zitten tot 17:00 uur als het latste beetje zon achter de horizon verdwijnt.

We lopen terug naar de bushalte, maar moeten daar constateren dat de bus terug naar Quinshui net vertrokken is en de volgende gaat pas over ruim een uur, waarmee we de trein van 18:23 uur naar Taichung ook gaan missen. Dan zien we dat een drietal toeristen aan het onderhandelen is met een taxichauffeur. Wij bieden aan de taxi te delen, waardoor de ritprijs nog een beetje gunstig uitvalt. Het blijken overigens 3 mensen uit Hong Kong te zijn. Vader, moeder en zoon die op hun laatste dag in Taiwan dit uitje nog even wilden meepikken.

Op het treinstation zien we de Chinese meisjes ook weer terug. Zij waren wel op tijd voor de bus. Met z’n vieren reizen we terug naar Taichung waar we afscheid nemen en hun nog een goede reis wensen.

Taiwan 3

27 november 2015

We hadden de afgelopen dagen ons best gedaan om de omgeving van Kenting tot ons te nemen en het was tijd om verder te reizen. Vandaag gaan we naar Liuqiu Island (of Turtle Island) en daarvoor willen we de bus van 09:50 uur pakken. We ontbijten voor de laatste keer bij Cozy en gaan dan nog even bij 7-Eleven langs voor een bakkie koffie.

De bus is behoorlijk op tijd en via Fangliao reizen we in anderhalf uur naar Donggang waar de veerboot naar het koraaleiland vertrekt. Het is vanaf het busstation in Donggang nog een kwartiertje lopen naar de pier, maar eerst drinken we wat bij de naastgelegen Mac.
Wanneer we bij de pier aankomen kopen we de boottickets en we blijken goed op tijd te zijn voor de veerboot van 12:35 uur. We mogen gelijk aan boord en we zijn niet de enigen die met deze boot de oversteek van 20 minuten maken. Als de boot zich rond 12:40 uur losmaakt van de pier is de boot afgeladen vol.

De zee is vlak, dus geen Koreaanse taferelen dit keer en voor we het weten zijn we al in de haven van Baisha. We gaan van boord, maar hebben geen idee waar onze B&B is en hoe daar te komen. Er rijden nl. geen taxi’s op dit eiland. Gelukkig is er een kleine info-shop en de mevrouw achter de balie is zo vriendelijk om even de eigenaar van Su Beautiful te bellen. Hij laat weten er gelijk aan te komen, dus dat probleem is ook weer opgelost. Slechts enkele minuten later komt hij er al aan rijden en zijn we op weg naar ons onderkomen. Dit blijkt uiteindelijk maar twee minuten rijden te zijn vanaf de haven, dus de mevrouw van de info-shop had ons ook even kunnen vertellen waar we heen moesten lopen.

De B&B heeft een soort all-inclusive formule; alle eten en drinken is gratis, tot aan de blikjes Heineken in de mini-bar toe. De vrouw des huizes probeert ons gelijk al een scooter aan te smeren, terwijl wij nog denken een fiets te gaan huren. Zij moet hier smakelijk om lachen. Later zien we waarom. Het hele eiland is bezaaid met scooters en dat terwijl het eiland maar 5km lang is! Zoveel scooters hebben wij nog nooit bij elkaar gezien. Iedereen doet hier alles op de scooter; het liefst zouden ze er ook mee naar de wc gaan.

Met gebruik van een vertaal-app lukt het ons om contact te leggen met een duikschool op het eiland. De eigenaar stelt voor om over een uurtje even langs te komen bij onze B&B om onze plannen te bespreken. Wij hebben onze spullen inmiddels op de kamer gegooid, en besluiten om alvast wat van eiland te verkennen. We lopen terug naar de haven en stellen vast dat het heel rustig is; zo verschrikkelijk anders dan in Kenting. Er zijn in ieder geval veel meer scooters dan mensen op het eiland. We wandelen via de hoofdstraat terug naar onze B&B en gaan op de schommelbank in de tuin zitten, in afwachting van de eigenaar van de duikschool.

We zijn gezellig met de eigenaar van de B&B aan het ‘praten’ via de vertaal-app als Cris van de duikschool arriveert. Hij vraagt wat onze bedoeling is, of we een cursus willen volgen. We laten hem weten dat we erg ervaren duikers zijn (….) en dat we gewoon met de schildpadden willen spelen. Het maakt ons niet uit of het zaterdag of zondag is. Cris vertelt dat hij momenteel erg veel studenten heeft, maar morgen moet wel kunnen. Hij komt ons rond 09:30 uur ophalen en wij scheuren dan op de scooter achter hem aan.

We gaan nogmaals terug naar Baisha, maar wandelen dit keer door naar de belangrijkste bezienswaardigheid op het eiland: de Vase Rock. Zelfs daar is het rustig; niet meer dan een handvol toeristen te zien bij dit stuk koraal dat op de meeste plaatjes omgeven is door toeristen. Het zal wel laagseizoen zijn. Na deze sneak preview van het eiland is het tijd om eens goed gebruik te maken van onze all-inclusive faciliteiten. We trekken een blikkie bier en een een flesje frisdrank open en gaan op het balkon een boekie lezen.

‘s-Avond eten we gezellig in een restaurant aan de haven, bij de sfeervolle verlichting van wat spaarlampen. We zijn de enige gasten in het ‘restaurant’ en de rust wordt alleen verstoord door opa die de kinderen naar een tekenfilm laat kijken. Jammer dat ze die tv niet in een woonkamer hebben staan. Zowel opa als de kinderen raken nl. nogal geemotioneerd van de film en sturen iets te veel lawaai de zaak in. Even later zien we dat de familie ook gaat eten. De kokkin is ineens huismoeder en dekt de tafel. Eerst een paar kranten als tafelkleed en dan kliekjes uit de keuken. Het eten dat wij voorgeschoteld hebben gekregen smaakte overigens opperbest en incl. drank waren we nog geen 8 euro kwijt.

28 november 2015

Vandaag ook weer een boeiende combinatie bij het ontbijt: maissoepje met reepjes ei, gebakken kipfilet, gebakken ei, wat toast en een bananensmoothie. Na dit voedzame ontbijt was het wachten op Cris die ons rond 09:30 uur zou langs halen om te gaan duiken. Wij hadden inmiddels een scooter geregeld bij onze B&B eigenaar zodat we achter hem aan konden rijden.

Wanneer we bij de duikschool aankomen zien we dat er een aantal Taiwanezen aan het blokken is voor hun duikopleiding en een aantal anderen krijgt een korte instructie omdat ze vanochtend een proefduik maken. Met die laatste groep gaan wij op pad. We passen de duikuitrusting en leggen die in een klein vrachtwagentje.
Wij gaan dit keer niet mee met de vrachtwagen, maar in onze wetsuit op de scooter er achteraan. Het is een vijftal minuten rijden naar de haven van Dafu en het baaitje waar we onze duik starten ligt er naast.

Cris geeft aan dat hij in het begin wat bijstand moet verlenen aan de proefduikers, dus dan moeten we zelf maar even rond kijken.
Het zicht is hier veel beter dan bij Kenting, zelfs op de zandbodem waar we het water ingaan. We volgen de capriolen van de proefduikers, maar we lachen niet want we hebben het zelf ook ooit moeten leren.
Ook het onderwaterleven ziet er hier veel beter uit dan bij onze vorige duik; kleurrijke zachte koralen, mooie harde koralen en een redelijke hoeveelheid kleine vis.

Na een kwartier zien we dat de proefduikers weer richting de kant zwemmen. Wij volgen ze, zodat we straks met Cris de rest van de duik af kunnen maken. Als Cris de proefduikers weer boven water heeft afgeleverd, komt hij onze richting uit en gaan we op zoek naar waar we hier voor komen: schildpadden.

Liuqui Island staat bekend om het grote aantal groene zeeschildpadden die rond dit eiland een veilige plek hebben omdat ze beschermd zijn. Het duurt niet lang voordat we onze eerste schildpad in het vizier krijgen. Het beest had een goed heenkomen gevonden onder een rots, maar dan heeft hij de pech dat wij langs komen. We nemen de tijd om het beest goed te bekijken en maken natuurlijk wat foto’s. Na een paar minuten vindt de schildpad dat het tijd is geworden om een hap lucht te gaan nemen en komt hij onder de rots vandaan en stijgt op naar het wateroppervlak. Onze duik kon niet meer kapot.

We zwemmen wat verder en Cris wijst ons hier en daar nog wat klein spul aan tot hij opeens weer een schildpad ziet. We benaderen het beest voorzichtig en ook dit is een prachtexemplaar. Er blijkt er zelfs nog eentje naast te liggen. Drie schildpadden in een duik hebben wij nog niet eerder meegemaakt. Hierna zwemmen ook wij terug richting de kant. We klauteren uit het water en gooien onze uitrusting in de vrachtwagen. We kletsen nog even na over de drie prachtige schildpadden en gaan dan in onze natte wetsuits op de scooter terug naar de duikschool. Wij hadden een beetje gerekend op lunchgelegenheid bij de duikschool, maar helaas is er niets te krijgen. Als Cris vraagt hoe laat we de volgende duik willen maken, stellen we voor om snel weer het water in te gaan. Cris laat nog weten dat bij de volgende duik de proefduikers niet mee zullen gaan.

Iets na 12:30 uur stappen we weer op onze scooter en rijden naar de baai voor onze volgende duik. Het verloopt dit keer allemaal wat soepeler en al snel gaan we onder water. Terwijl we nog over de zandbodem schuiven, hebben we onze eerste vangst al binnen; een zeepaardje wiegt heen en weer op de golfbeweging van het water. Dat is ook al een beestje dat wij niet vaak gezien hebben. We hangen daarna even stil bij prachtige, wuivende anemonen met daarin natuurlijk clownsvisjes die brutaal je camera aanvallen. Wanneer we verder zwemmen zien we opnieuw een schildpad liggen onder een overstekend stuk koraal. Het beestje ligt te slapen, dus we gaan hier snel weer weg. We spotten nog een kleine murene, een schorpioenvis wat garnalen en felgele trompetvis en dan ineens zien we opnieuw een schildpad liggen. Bovenop oranje gekleurd koraal is het een prachtig plaatje. Cris wil een foto maken van ons en de schildpad en we manouvreren zo voorzichtig mogelijk tot schuin achter de schildpad. Leuke familiefoto voor op de schoorsteenmantel.

Na bijna 50 minuten houden we het voor gezien en gaan we weer naar de kant. We gooien de spullen weer in de vrachtwagen en scheuren er op onze scooter achteraan. Bij de duikschool warmen we ons onder de douche en trekken wat droge kleren aan. We bedanken Cris en rijden weer terug naar onze B&B. Deze duiken waren hun geld meer dan waard.

We laten de scooter even staan en lopen de hoofdstraat in om wat te eten. We kunnen zien dat het weekend is. De straten zijn vol met dagjestoeristen op scooters, soms in grote groepen zodat we af en toe op een lange sliert scooters moeten wachten. Ook zien we mensen bezig met het verbranden van (nep) geld. Je moet wat om de goden het goed naar de zin te maken.

Na de late lunch besluiten we op onze eigen scooter aan deze polonaise mee te gaan doen. We gaan opnieuw naar Vase Rock waar het dit keer wel vol staat met mensen. Er zijn vooral veel snorkelaars die rondom de rots proberen een schildpad te vinden. Als we naar het water kijken zien we een paar keer een schildpad aan de oppervlakte naar lucht happen.

Hierna rijden we met onze scooter over de westelijke rondweg naar het zuiden. Onderweg zijn verschillende bezienswaardigheden, maar daar nemen we morgen de tijd voor. Op het zuidelijk deel van het eiland is er een sunset-paviljon waar het enorm druk is wanneer wij daar langs rijden. De zonsondergang is vandaag helaas niet zo bijzonder. We vervolgen onze weg via de oostelijke rondweg en zien vanaf de scooter dat er morgen nog heel wat stopjes gemaakt moeten worden. Gelukkig is het maar een klein eilandje.

29 november 2015

Vandaag is het dan tijd om Little Liuqiu Island boven water te verkennen. Het totale rondje met alle bezienswaardigheden is nog geen 15km, dus we hoeven ons niet te haasten. We beginnen opnieuw met een stevig ontbijt, waar de kipfilet van gisteren plaats heeft gemaakt voor een varkensribje.

We starten bij de Vase Rock. Deze paddestoel-achtige koraalrots hebben we inmiddels al een paar keer gezien, maar dit keer staat de rots er wel heel mooi bij in het morgenlicht. We begrijpen wel dat dit het meest gefotografeerde bezienswaardigheid van Liuqui is. Ook rond dit tijdstip wordt de Vase Rock al omgeven door snorkelaars die een schildpad hopen tegen te komen.

De naast gelegen Lingshan tempel vereren we ook met een bezoekje. Hoewel er niet veel te doen is bij de tempel en bijbehorende pagode, zijn de versieringen wel weer erg mooi. Tempels in Taiwan zien er allemaal erg nieuw uit, dus ze ontberen een beetje het karakter dat je bij tempels in andere landen wel ziet en voelt, de detaillering van de versieringen is echter ongekend en maakt veel goed. Het zijn soms hele verhalen die uitgebeeld worden op het dak van een tempel.

Na de Vase Rock en de Lingshan tempel gaan we in zuid-westelijke richting naar de Beauty Cave. Geen idee waarom het de Beauty Cave heet. Het heeft ons in ieder geval geen opzienbarende schoonheid opgeleverd. De Beauty Cave bestaat uit een serie van koraalgrotten waar een pad doorheen slingert. Boven de grotten zijn uitkijk platforms aangelegd waar je een mooi uitzicht over zee hebt. Het is erg druk op het pad in de grotten. Niet zo vreemd want vandaag is het zondag en dat is de gelegenheid voor de Taiwanese dagjestoeristen om Little Liuqui te verkennen. Dit soort grotten lijkt heel erg op de grotten die wij in het Kenting Forest Recreation Area al hadden gezien, dus we gaan er in een redelijk tempo doorheen.

We springen weer op de scooter en na wat toeristenbussen te hebben ontweken gaan we richting de Wild Boar Trench. Dit labyrinth van koraalrotsen wordt overwoekerd door hangende boomwortels. Men zegt dat hier ooit wilde varkens hebben gezeten, maar of dat ook echt zo is geweest is niet duidelijk. Het is in ieder geval wel de lokatie waar de lokale bevolking aan het eind van de 2e wereldoorlog heeft geschuild tijdens een bommenregen van de Amerikanen. Deze koraalrotsen zien er heel anders uit dan eerdere koraalrotsen die we gezien hebben. Het is hier veel groener, met grote bomen waarvan de luchtwortels aan de koraalmuren geplakt lijken. Koraalmuren die begroeid zijn met varen en hele velden met planten met enorme bladeren. We slingeren wat door de koraalgangen en als we weer bij de uitgang zijn gekomen, maken we ons op voor het mooiste strand van het eiland Geban Bay.

We manouvreren weer tussen de Taiwanese dagjesmensen door en rijden in zo’n 5 minuten naar het strand. De drukte is hier minder dan we verwacht hadden, maar het strand ook. Als dit het beste strand van het eiland is, kun je beter zeggen dat er geen strand-faciliteiten zijn. Het plekje is fantastisch, maar hier ga je niet op je handoekje liggen. We lopen er wat langs de waterlijn en kijken naar de snorkelaars die zo’n 10 meter uit de kust proberen een schildpad te vinden. Toch wel een belangrijke inkomstenbron, die schildpadden, maar gelukkig op een goede manier.

Volgende stop is de Black Devil Cave of (volgens andere bordjes) de Black Dwarf Cave. Op deze plek zijn de Nederlanders in de VOC-tijd nog actief geweest, maar niet op een hele fraaie manier. Nadat de inheemse bevolking een paar Nederlandse zeelieden hadden vermoord, hebben ze als vergelding de halve bevolking uitgemoord. De ware VOC-mentaliteit…… Een plaquette herinnert hier nu nog aan. Het is erg druk bij deze grot en omdat het allemaal ergs smal is vormt zich al snel een lange rij. Wij besluiten deze grot maar te laten voor wat het is.
We vervolgen onze tocht en in de buur van Sunset Pavilion zetten we scooter nog een keer aan de kant om van de fantastische kustlijn te genieten. Het lijkt hier wel wat op de oostkust van Taiwan.

Na Sunset Pavilion gaan we door naar Houshi Fringing Reef. De kust heeft hier door erosie een hele bijzonder structuur gekregen. Het ‘strand’ bestaat koraal met allemaal lage puntige rotsen; zeker geen plek voor je handdoekje! Aan de waterrand lijkt deze laag koraal dan in de vorm van ‘lange vingers’ in zee te verdwijnen.

Na deze bijzondere kuststrook rijden we naar de vuurtoren van het eiland. Met de vrolijke drukte bij de vuurtoren van Eluanbi nog vers in het geheugen, waren we erg benieuwd hoe het hier zou zijn. Nou, hier was dus helemaal niets. Een klein, dik vuurtorentje met een drietal Taiwanezen die er een foto van maakten. Hier hoefden we niet lang te blijven.

Dan is het tijd voor de lunch en dat doen we in het vissersdorpje Dafu. Niet ver van dit dorpje hebben we gisteren onze duiken gemaakt. We lopen eerst nog even door de vissershaven van Dafu, maar het is vandaag opnieuw behoorlijk warm, dus we zoeken snel wat verkoeling en versnapering bij de 7-Eleven.

Na deze sobere lunch bezoeken we de nabij gelegen Biyun Tempel. Dit is opnieuw zo’n tempel waar je er hier velen van ziet. Redelijk jong gebouw maar wel rijkelijk gedecoreerd. Hierna bezoeken we nog een tweetal plaatsen aan de oostkant van het eiland: Sunrise Pavilion en Lobster Cave. Behalve de specifieke kenmerken van deze plekken die uit naamgeving zijn op te maken, gaat het ook hier vooral om de kustlijn en die lijkt wel wat op de kustlijn bij Houshi Fringing Reef.
Na deze laatste stop zit onze Tour de Luiqui erop en stallen we de scooter weer bij onze B&B. Wat we eigenlijk al in de vorige dagen hadden vastgesteld is vandaag bevestigt; Little Luiqui Island is een fantastisch eilandje dat door z’n schoonheid veel groter lijkt dan de paar vierkante kilometers die het in werkelijkheid is.

Na zo’n enerverende dag is het tijd voor een terrasje, maar helaas hebben ze dat niet op Little Luiqui. We kopen daarom eerst een zak van de lokale snack ‘Twists’, een soort verlengde wokkel die je in allerlei smaken kunt krijgen en die ter plekke, als een soort huisvlijt, gedraaid worden. De twists van Little Luiqui schijnen zelfs de beste van het land te zijn! Dan gaan we zitten op de houten bankjes bij cafe ‘What’s’ en bestellen een paar koude biertjes. Na zo’n warme dag over het eiland gaat er niets boven een zak twists met een koud biertje!

30 november 2015

We moesten Little Liuqui vandaag verlaten, als we tenminste de rest van Taiwan nog willen zien. Het was heerlijk op dit kleine koraaleiland; lekker weer door de zeewind, prachtige onderwaterwereld en een heel fijn hotel, of eigenlijk B&B. Aan alles komt een eind dus na opnieuw een uitgebreid ontbijt, gaan we op weg naar de haven. Het is maar 5 minuutjes lopen, dus dat is te doen met volle bepakking. We kopen twee kaartjes en gaan op een bankje zitten tot we aan boord kunnen.

De boot voor de terugreis ziet er wat meer solide uit dan de boot waar we mee naar het eiland waren gekomen, maar misschien is het beeld vertekend door de enorme hoeveelheid passagiers dat mee moest op de heenreis.
We gaan er goed voor zitten, maar voordat de stoel goed warm is geworden zijn we alweer in Donggang. We verlaten het haventerrein, gaan op de grote weg rechtsaf en na een paar honderd meter zijn we weer bij de Mac waar we een paar dagen geleden aankwamen. Omdat we de boot van 09:00 uur hadden weten te halen, hoefden we ons niet te haasten. Een lekkere bak koffie was ons deel.

Als we de Mac uitlopen, staat bus 9117 bij het verkeerslicht te wachten. We weten nog van de busrit uit Kenting dat dit de bus naar Kaohsiung is, dus we beginnen maar vast te zwaaien om te voorkomen dat de chauffeur ons over het hoofd ziet. Hij zet de bus netjes voor onze neus stil en wij kopen een kaartje naar Kaohsiung. Het is slechts 18km naar Kaohsiung en na een half uurtje zijn we nog maar 4km van Central Kaohsiung verwijderd. Dat we er dan nog drie kwartier over doen om bij het busstation te komen valt dan wel tegen. We krijgen voor hetzelfde kaartje wel heel veel van Kaohsiung te zien.

We lopen naar de busmaatschappij die ons naar Foguanshan moet brengen, maar krijgen daar te horen dat de volgende bus pas om 12:55 uur gaat. Geen ramp, want dat geeft ons de tijd om alvast ons hotel voor morgen op te zoeken en ergens te lunchen. Voor beide opgaven slagen we met vlag en wimpel.

Om 12:45 uur zijn we weer terug bij het busstation en precies 10 minuten later staat de mini-bus die ons naar het kloostercomplex van Foguanshan moet brengen klaar om te vertrekken. Het is helaas een bus die veel extra lusjes maakt en minstens 87 keer stil staat om passagiers op te pikken. Voor de 40km naar het tempelcomplex met klooster en meditatiecentrum hebben we maar liefst 5 kwartier nodig.

Fo Guang Shan is een Chinees boeddhistische organisatie en een orde van de Mahayana traditie. De orde is opgericht door Meester Hsing Yun die bekend staat vanwege zijn eigen ‘merk’ van humanistisch boeddhisme. De orde heeft internationale bekendheid bereikt en start en leidt wereldwijd tempels en groepen. De hoofdzetel van Fo Guang Shan bevindt zich dus in Kaohsiung en is het grootste boeddhistische klooster in de Taiwan en wordt gezien als het centrum van boeddhisme in Taiwan.

We gaan eerst op zoek naar iemand die ons hier aan een slaapplaats kan helpen. We lopen naar een kamertje waar een aantal mensen aan het werk zijn en gelukkig is er iemand die Engels spreekt. Wat ze ons vertelt willen we liever niet horen; er is geen enkele slaapplaats meer beschikbaar in het klooster. Er is de hele week een boeddhistische conferentie aan de gang en alle slaapplaatsen zijn vergeven aan de bezoekers van deze conferentie. Daar staan we dan met al onze spullen. Terug gaan naar Kaohsiung is geen optie want dan is de dag zo’n beetje voorbij. We besluiten onze grote rugzakken dus maar ergens neer te gooien en dan de rest van de dag ‘gewoon’ te gebruiken om het klooster te bezichtigen. We wilden graag in het klooster slapen omdat dit de enige mogelijkheid is om het ochtend-ritueel mee te maken dat al om 05:30 uur begint.

We laten de teleurstelling achter ons en gaan richting het gezang dat we horen. Het blijkt bij de Great Compassion Shrine vandaan te komen. Meer dan honderd nonnen en monniken zijn luidkeels in gebed. We proberen zo onzichtbaar mogelijk wat mee te krijgen van deze indrukwekkende ceremonie.

Veel gelovigen steken hier een wierookstokje aan en de donaties gaan grif in de daarvoorbestemde dozen. We spreken een vrouw uit Taipei die vertelt dat ze 5 nachten in dit complex doorbrengt vanwege de conferentie. Ze is duidelijk gelukkig en trots dat ze dit van dichtbij mag meemaken.

Na een half uurtje gaan we verder op ontdekkingsreis door dit mega-complex en wederom worden we gelokt door het geluid van gebed of gezang. Het blijkt bij de Main Shrine vandaan te komen. Ook hier een tempel vol met nonnen en monniken die en masse hun gebedje doen. In de tempel staan 3 enorme boeddha’s omgeven door zo’n 15.000 mini-boeddha’s die allemaal in een nisje in de muur staan. Bovendien staat er in deze tempel een houten boeddha beeld waarvan het hoofd is gescheiden van de romp. Volgens de teksten op de muur is dit boeddhabeeld hier al duizend jaar geleden aangespoeld.

We lopen verder over het tempelcomplex en kunnen de omvang van dit complex bijna niet bevatten. De tempels zijn in grote getale aanwezig en hebben een enorme omvang, het aantal boeddha’s op het terrein is ontelbaar net als de nonnen en monniken en dan hebben we het Buddha Memorial Centre nog niet gezien. En we zouden de weg er naar toe bijna niet kunnen vinden. Gelukkig werden we geholpen door een non-in-opleiding die er samen met ons naartoe gaat.

Het Buddha Memorial Centre ligt 500m ten noorden van het tempelcomplex en je kunt er met een busje heen gebracht worden. De zon begint inmiddels al wat te zakken, dus we hebben wel enige haast om er te komen. We snellen door de grote ‘aankomsthal’ van dit monumentale centrum, waar zelfs een Starbucks gevestigd is en lopen over de brede weg naar het 50m hoge beeld van een zittende boeddha (zelfs 100m hoog incl. de basis waar het beeld op gebouwd is). Het heeft toch ook voordelen om hier zo laat te zijn. Overdag worden hier continue busladingen met toeristen gedumpt en nu valt het best mee. Slechts enkele tientallen andere toeristen zien we om ons heen.

Na een half uur rond deze mega-boeddha te hebben gelopen, gaan we weer terug naar het tempelcomplex. We hopen dat de tempels waar vanmiddag nog van alles te doen was, inmiddels leeg zijn zodat we ze van dichterbij kunnen bekijken. Dit geluk hebben we bij de Great Compassion Shrine en we gaan de tempel in om alles beter te bekijken.

We wandelen daarna nog wat over het complex, maar rond 17:00 uur besluiten we maar terug te gaan naar Kaohsiung. Ook daar moeten we nog een slaapplek zien te regelen, want we waren uit gegaan van een overnachting in het klooster. De bus brengt ons naar het station van de Taiwanese HSL en van daar nemen we de metro naar het hotel waar we morgen zouden slapen. Na wat miscommunicatie en overleg met de baas kunnen we onze overnachting van morgen een dagje naar voren schuiven. Wij kunnen in ieder geval in een bed slapen vanavond.

01 december 2015

Omdat we niet in het klooster van Foguanshan hadden geslapen, was er meer tijd om Kaohsiung te verkennen. Een groot deel van Kaohsiung is niet veel bijzonders, maar wij hadden een paar plekken op het oog waar we de dag wel mee door zouden komen. Kaohsiung is Taiwan’s 2e stad en een van de grootste containerhavens in de wereld. De stad heeft de afgelopen jaren een grote metamorfose ondergaan, van een vervuild industrieel centrum met 2 miljoen mensen naar een groene stad met parkjes, cafeetjes aan de waterkant, kunt gallerijen en museums. Die laatste dingen zijn wij voor gekomen.

Ons eerste doel werd het Pier 2 Art Centre. In een aantal vervallen loodsen nabij de haven hebben zich kunstgallerijtjes en winkels gevestigd. De buitenkant is hier en daar door kunstenaars goed onderhanden genomen met graffiti en leuke beelden staan langs de paden. Ook zijn er een aantal cafeetjes waar je alles langs je heen kunt laten gaan.

Nadat we kris-kras door dit gebied heen gelopen zijn, gaan we op weg naar de ferry die ons naar Cijan eiland moet brengen. Dit langgerekte eilandje ligt tussen Kaohsiung en de zee. Het is het oudste deel van de stad Kaohsiung en daar moeten we wel even wat tijd door kunnen brengen.

We moetsen dus eerst even de ferry-pier vinden en met een temperatuur die al weer heel dicht bij de dertig graden zat, viel dat niet mee. We probeerden zoveel mogelijk aan de schaduwkant van de weg te lopen.
De ferry-pier bleek maar een twintigtal minuten van de het Pier 2 Art Centre af te liggen dus dat viel mee. De ferry’s gingen af en aan, dus lang hoefden we niet te wachten. Je goot nt$25 p.p. (€0,70) in een bak en je mag overvaren. Angst voor zeeziekte hoef je niet te hebben, want voordat je het kotszakje te pakken hebt, sta je al aan de overkant; de overtocht duurt nog geen 5 minuten.

Op een steenworp van de ferry-pier staat de Tianhou tempel. Deze tempel is gebouwd in 1673 en daarmee de oudste uit Kaohsiung. Dit is even heel wat anders dan de meeste tempels die we tot nu toe gezien hebben. Verweerde verf en een laag roet van honderden jaren kaarsen branden. Foto’s van partijleiders van voorheen, die misschien wel een bezoek hebben gebracht aan deze tempel. Bizarre, angstaanjagende poppen in de gebedsruimte. Er zijn vast heel veel verhalen te vertalen over wat zich hier allemaal heeft afgespeeld, maar………………….die zijn allemaal in het Chinees en begrijpen wij toch niets van.

We vervolgen onze weg over het eiland en komen bij een enorme grote, maar vooral lelijke, kerk. Dat hadden we in Taiwan nog niet eerder gezien. De grijze kerktoren torent boven alle gebouwen op het eiland uit en daar zullen ze hier toch niet gelukkig van worden. Na de kerk lopen we over de vismarkt. Het ziet er allemaal fantastisch uit. De vis ligt netjes gesorteerd in bakken met ijsklontjes die glinsteren in het licht. Prachtig, maar het is voor ons nog te vroeg om al een visje te pakken.

De vuurtoren laten we links liggen (of eigenlijk rechts). De laatste vuurtoren was al geen groot succes en voor deze moet je ook nog een behoorlijke pukkel op klimmen en dat wordt door de dokter afgeraden bij deze weersomstandigheden.

Na een uurtje gaan we weer op weg naar de ferry-pier en na nog even een bakkie koffie te hebben genomen bij de 7-Eleven, gooien we het muntje weer in de bak en steken het water weer over.
We lopen via de Fisherman’s Warf naar de Love Pier. De Fisherman’s Warf valt tegen; het is niet meer dan een grote souvenierwinkel waar de airco veel te hoog staat. Na de Fisherman’s Warf stuiten we weer op allerlei straatkunst; van misvormde katten tot metershoge kunstobjecten van verroest metaal.

De Love Pier blijkt ‘under construction’, dus daar moeten we bij een volgend bezoekje aan Kaohsiung maar eens heen. De Love Pier is het laatste stukje van de Love rivier die door de stad stroomt. Nog niet zo lang geleden was het een open riool, maar inmiddels is het omgetoverd tot een sieraad voor de stad met mooie promenades en bankjes aan het water. Bij de Love Pier zou je dan gezellig bij een cafeetje of een restaurantje aan het water moeten kunnen zitten, maar nu dus even niet.

Vanaf de Love rivier zien we de contouren van de 85 Sky Tower al zien, dus we besluiten er niet met de metro heen te gaan, maar te voet. De 85 Sky Tower is een van de meest iconische gebouwen van Kaohsiung. Het gebouw is 347,5m hoog en z’n typische 2-benige structuur is gebaseerd op het Chinese teken ‘gāo’ wat ‘hoog’ betekent. Het was het hoogste gebouw van 1997 tot 2003 toen de Taipei 101 gereed was. Beide gebouwen zijn overigens door dezelfde architect ontworpen.

Hierna springen we weer in de metro en gaan we naar de noordkant van de stad waar we de Lotus Pond willen zien. De Lotus vijver is een van de populairste attracties van Kaohsiung, maar omdatdeze vijver slechts 1,5 km lang en 500m breed is, een ideaal uitstapje voor toeristen met beperkte tijd. De vijver wordt omringd door een handvol prachtige monumenten, tempels en pagoda’s en bij deze monumentjes staan beelden van draken, tijgers of roofvogels waar een gemiddelde eigenaar van een Chinees restaurant een moord voor zou doen. De meters hoge, fel gekleurde beelden zijn te kitsch voor woorden, maar al-met-al vermaken we ons hier opperbest.

We lopen driekwart van het rondje rond de vijver en komen langs het Dragon-Tiger paviljoen, het Spring-Autumn paviljoen het Beiji Xuantian Shang Di paviljoen en de Tianfu tempel, waarna we terug lopen naar het metrostation. Wij hebben onze portie Kaohsiung wel gehad en gaan terug naar het hotel om onze bagage op te halen. We zijn om 16:30 uur weer bij het hotel dus kunnen dus met gemak de snelle trein van 17:00 uur naar Tainan halen.

02 december 2015

Toen we gisteren met de taxi van het treinstation naar ons hotel reden, schrokken we een beetje van de drukte die we onderweg zagen. We dachten dat Tainan een klein en vooral rustig, zelfs ingeslapen stadje zou zijn. Niets is minder waar: overal felle reclames, gekkenhuis in het verkeer en heel veel hoge kantoorgebouwen. Toen we vanochtend met de fietsjes van het hotel een rondje door de stad gingen maken, waren we de eerste honderden meters vooral bezig aan het drukke verkeer te wennen.

Gelukkig ging het toertje dat we uit de LP hadden gepikt over het algemeen via rustiger wegen, maar om bij de Confucius tempel te komen moesten we nog wel even een grote rotonde over met onze fietsjes. ‘Go with the flow’ is het beste advies en dat deden wij dan ook. Ongeschonden haalden we de Confucius tempel, waar we onze fietsjes parkeerden en op slot zetten.

Historisch Tainan is een stad van oude monumenten, heerlijk eten en vooral tempels. Er worden in Tainan meer goden aanbeden en meer festivals gehouden dan in een andere stad in Taiwan. Veel hiervan is het gevolg van de voormalige status als hoofdstad van het land. Tainan is meer dan 200 jaar de hoofdstad geweest.

De Confusius tempel is een mooi gebouw, maar er is helemaal niets te doen. De tempel lijkt er alleen nog te zijn voor toeristen want delen van de gebouwen op het terrein zijn in gebruik als museum. Confucius tempels staan bekend om het feit dat ze de rust, sierlijkheid en waardige schoonheid van de traditionele Chinese cultuur uitstralen en dat is hier goed gelukt, maar het is niet helemaal ons kopje thee, dus we houden het snel voor gezien. Doe ons maar een tempel waar de lokale bevolking z’n ‘ding’ nog doet.

De volgende stop in de route is de Great South Gate. De enige oude stadspoort waar ook nog een stuk van de verdedigingsmuur intact is. Je moet het gezien hebben, maar langer dan 5 minuten kun je je er niet vermaken. De volgende stop is de Wufei tempel die is opgericht ter ere van de 5 bijvrouwen van koning Ning Jin. Voordat Ning Jin zelfmoord pleegde omdat, na de overgave van Koxinga’s kleinzoon, alle hoop voor de Ming dynastie was vervlogen, hingen de dames zichzelf op aan een dakbalk in het paleis. Mooi verhaal, maar de tempel en het omringende parkje zijn al net zo doods als de bijvrouwen en koning Ning Jin.

We vragen ons af of het nog wat gaat worden met het tochtje uit de LP, maar we hijsen onszelf weer op de fietsjes en rijden via de Wufei weg naar de Kaishan weg om zo Koxinga’s Shrine te komen. Op de Wufei weg zien we dan ineens een tempeltje verscholen aan de linkerkant. Het is niet zo druk, maar de beelden in de tempel zijn wel heel bijzonder. De vrouw die toezicht houdt op de tempel wenkt ons en wijst naar de achterkant van de tempel. Wij lopen naar achteren en daar staat een tiental grote poppen die waarschijnlijk bij optochten of andere rituelen gebruikt worden. Ook de rest van dit tempeltje is de moeite waard met mooie beelden en prachtige versieringen.

Wanneer we op de Kaishan weg rijden zien we ineens nog een klein tempeltje. We stoppen weer en zien al snel dat dit het type tempel is waar we echt warm voor lopen. Er gebeurt van alles; mensen zijn (nep)geld aan het verbranden als offer, steken wierookstokjes aan, doen ‘bwah bwey‘ (gooien met maanvormige houten blokjes) om de beste werkwijze voor iets te bepalen en zeggen een gebedje op. Heel sfeervol allemaal.

De volgende stop is dan Koxinga’s Shrine. Koxinga is een Ming regeringsgetrouwe die er na 9 maanden vechten voor heeft gezorgd dat de Nederlanders Taiwan verlieten. Helaas heeft hij niet lang van dit succes kunnen genieten, want een half jaar later was hij dood. Koxinga’s Shrine is ook vooral een museum, dus er gebeurt weinig op het terrein. De gebouwen zijn niet veel bijzonders en misschien is hoogtepunt wel de tuin om de gebouwen heen.

Van Koxinga’s Shrine gaat het naar de tegenover gelegen Lady Linshui’s tempel, dan de Dongyue tempel en iets verder de City God tempel. Allemaal bezienswaardigheden waarvoor we eigenlijk het slot niet op de fiets hadden hoeven doen, maar misschien worden we zo langzamerhad een beetje tempel-moe.

De fietstoer brengt ons vervolgens naar een achteraf steegje waar de tempel met de mooie naam Altar of Heaven staat. Hier is het weer lekker druk, dus we parkeren onze fiets bij de zij-ingang en gaan snel naar binnen. Er worden net consultjes afgenomen waarbij gelovigen slechte geesten of anderszins ongewenste zaken laten verdrijven. De priester neemt geen halve maatregelen, want behalve het prevelen van onverstaanbare gebeden slaat hij af en toe met een zweep voor de gelovige, wat zo’n harde knal geeft dat de hele tempel opschrikt. Het is grappig dat een tempel die zo druk bezocht wordt, 300 jaar geleden is neergezet als een tijdelijke tempel.

Voorlaatste stop van onze fietstocht is bij de Chihkan Towers. Deze plek markeert de plek waar ooit Fort Provintia stond. Het fort is in handen geweest van vele heersers nadat de Nederlanders het in 1653 hadden gebouwd. Er zijn nog delen van muren te bezichtigen die destijds door de Nederlanders vakkundig zijn gemetseld. In 1661 heeft Koxinga dit fort veroverd op de Nederlanders, nog voordat hij de Nederlanders defintief versloeg. Het eerste van de twee torens is in 1875 gebouwd.

Aan de Yongfy weg vinden we dan onze laatste stop op deze toer: de Datianhou tempel. Deze matsu tempel heeft ooit gediend als paleis voor koning Ning Jin (die dooie van hierboven), de laatste koning van de Ming dynastie. Dit is een levendige tempel waar vooral goede zaken worden gedaan door de verkopers van tempel-prullaria, zoals nepgeld, wierookstokjes, chips, koekies en andere zaken die geofferd kunnen worden. We hebben inmiddels wel aardig in de gaten welke stappen worden doorlopen voordat er iets wordt geofferd, maar vinden het ongepast om dit als een vakantiestuntje uit te voeren.

Na dit culturele rondje door Tainan is het tijd voor een stevige lunch. Het is inmiddels 13:30 uur en we willen ‘s-middags nog even naar Anping, de plek waar de zee en stad ooit bij elkaar kwamen.
Anping is ook de plek waar de Nederlanders van de VOC het eerste fort bouwden in 1624, Fort Zeelandia, en het is ook de plek waar Koxinga de Nederlanders 38 jaar later versloeg. Het enige wat nu nog overeind staat van het oude fort zijn een tweetal buitenmuren. Er is een klein museum ingericht waar we even een kijkje nemen en we zien dat er heel veel Nederlandse inbreng is in het museum.

Na ons korte bezoekje aan Anping gaan we terug naar ons hotel en genieten daar van het gratis ijs, dat je de hele dag door kan eten.

Taiwan 2

21 november 2015

Het is altijd fijn als je iets leuks te melden hebt aan het begin van een nieuw hoofdstuk. Dit keer is het een familiebericht: Rene is vandaag 50 geworden! Abraham gefeliciteerd! Je zou het (meestal) niet zeggen, maar dat lijkt in de genen te zitten……

Dan weer over naar de orde van de dag. We werden vanochtend wakker door het kletteren van de regen; nooit een prettig begin van een vakantiedag. We maakten ons nog niet zo heel veel zorgen, want gisteren begon de dag ook wat druilerig en dat is uiteindelijk best goed gekomen en bovendien zouden we een deel van de ochtend in de trein zitten en die zijn ook hier overdekt.
Eerst nog een lekker ontbijtje, dan de spullen bij elkaar vegen en vervolgens de eigenaar van de B&B lief aankijken omdat hij ons even naar het treinstation moet brengen.

Op het treinstation is het weer eens een gekkenhuis. Bussen met Chinezen worden leeg gekiept omdat ze terug naar Taipei moeten. Groepsleider met een vlaggetje voorop en gaan met de meute. De vrouwelijke stationschef doet ook een duit in het zakje en toetert door haar megafoon om de groep Chinezen op te laten schieten. Wij laten de Chinezen hun gang gaan, want onze trein gaat een kwartiertje later. Als ze allemaal verdwenen zijn naar perron 3 laten wij onze kaartjes stempelen en lopen naar perron 2. De trein heeft een paar minuten vertraging, maar om 09:50 uur tjoekte de trein richting Ruisui.

We hadden voor de komende drie dagen niets vastgelegd en hebben gisteravond maar besloten om als eerste in Ruisui te stoppen. Ruisui is maar anderhalf uur met de trein, dus voor we het weten stappen we alweer uit, stempelen zelf onze treinkaartjes en lopen het stationsgebouw uit. Het regent op dat moment nog steeds, dus we mogen zeker niet klagen over het weer dat we gisteren hadden in de Taroko kloof. Tijdens onze treinreis hadden we besloten om vanuit Ruisui gelijk door te gaan naar Shitiping, omdat we toch liever eerst de kuststrook willen verkennen.
We vragen in Ruisui waar de bus naar Shitiping vertrekt, maar die vertrekt hier dus niet! Er zijn twee opties: of we gaan een plaats terug met de trein of bus en gaan daar vandaan nar Shitiping, of we nemen een taxi naar Shitiping. Hoewel het pijn doet in de portemonnee, kiezen we voor het laatste.

De taxirit naar Shitiping gaat via een drietal bergen van het kustgebergte en volgt de Xiuguluan rivier waar tussen april en oktober veel wordt geraft. De omgeving is waanzinnig mooi, dus dat maakt (de prijs van) de rit wat dragelijker.

In Shitiping worden we gedropt bij het Scenic Park, een kilometer lange strook langs de kust die bezaaid ligt met grote rotsblokken en waar de bergen uit de zee lijken op te rijzen. We lopen richting het visitors center en hopen daar meer informatie te krijgen over dit gebied. Ondanks dat we af en toe door de regen lopen, genieten we van deze fantastische plek aan zee.

Het visitors center is meer Shiti dan ping. De knaap die er rond loopt kan ons nauwelijks informatie geven en voor betaalbare hotelletjes verwijst hij ons naar de hoofdweg; daar komen we notabene net vandaan! Wat we eigenlijk opmaken uit zijn verhaal is dat hier geen r**t te doen is. Wanneer we het hele stuk terug gelopen zijn, moeten we constateren dat de gozer bij het visitors center niets verkeerd heeft gezegd; er is hier gewoon niets te doen. Je loopt een uurtje langs de fantastische kustlijn, maakt wat foto’s en that’s it! We moeten dus verder en besluiten dan maar gelijk naar Taitung te gaan. Taitung is een grote plaats van waar we dan alle onze ander plannen maar gaan verwezenlijken.

We gaan bij een supermarktje aan de hoofdweg staan en horen van de eigenaresse dat we vooral onze hand moeten opsteken als er een bus langs komt. Wij steken dus met enige regelmaat onze hand op, maar blijkbaar zijn dat de toeristen-bussen, want geen van allen stopt. Rond 14:00 uur reageert er eindelijk een chauffeur op ons gezwaai. Als hij de deur open doet zegt hij met een mond vol zwarte tanden dat dit de bus naar Chenggong is. Niet helemaal wat we willen, maar een eind in de goede richting. Volgens de chauffeur kunnen we in Chenggong probleemloos een bus naar Taitung krijgen. We weten niet zeker of hij ‘probleemloos’ zei, want ons Chinees is nog steeds roestig en zijn gesmak op de betelenut maakt hem niet heel goed verstaanbaar.

De rit naar Chenggong lijkt bijna een toeristisch uitje. De uitzichten op zee zijn zeer gevarieerd, zelfs met het sombere weer. Na een kwartiertje komen we bij een plek waar tientallen bussen geparkeerd staan. We beseffen dat we bij de kreeftskeerkring zijn aangekomen. Op dit punt staat een grote marmeren ‘obelisk’ die in de lengte doormidden is gespleten. Precies in die opening sta je op de kreeftskeerkring en dat is iets waar alle Chinezen mee op de foto willen.
Rond 15:00 uur zijn we in Chenggong en als de vrouw van het busstation op haar brommer is gearriveerd, kopen we twee kaartjes naar Taitung. Ze wijst naar de andere kant van de weg waar de bus al staat te wachten. Wij stappen in en blijken de enige passagiers te zijn. Het is zo leuk om met openbaar vervoer te reizen, dan maak je zulke leuke dingen mee met de lokale bevolking………..

De laatste 45km naar Taitung zijn niet zo bijzonder en als we rond 16:15 uur in Taitung worden losgelaten, hoeven we alleen nog maar een hotel te vinden. Het eerste hotel waar we heen lopen blijkt er niet te zijn. Achteraf zien we dat we de kaart verkeerd gelezen hebben. Dan laten we ons met een taxi bij het Kindness hotel afzetten. Daar hebben ze alleen nog een kamer van nt$3900 en dat is ver boven ons budget. In de Rough Guide staat nog een hotelletje in het centrum van Taitung dat ‘renovated and modern rooms’ heeft. We nemen opnieuw een taxi en checken in bij het Dung Shin hotel. Wat de Rough Guide bedoelt met ‘renovated and modern’ weten we niet, maar wij hebben daar een heel ander beeld bij. Dit lijkt wel op een duister hotelletje in Winschoten!

We laten de spullen op de kamer en gaan de stad in om een hapje te eten. Het is inmiddels alweer een paar uurtjes droog en het lijkt erop dat de de stad best veel te bieden heeft aan restaurantjes en barretjes; veel meer variatie dan we tot nu toe gewend zijn. Er is bovendien een hele leuke avondmarkt waar we ook even een kijkje nemen. Vooral de kinderen achter de ‘speelautomaten’ is een mooi gezicht. Met veel preciezie proberen ze schattige beestjes om te knallen met onbenullig geweer waar grote kogels uit komen.

Om 22:00 uur zijn we terug op onze moderne kamer. Niet veel later kruipen we in ons bedje en dromen van het luxe hotel waar we (misschien) morgen liggen.

22 november 2015

Volgens mij zong Andre van Duin ooit: ‘alles ziet er mooier uit als de zon schijnt’ en dat is een waarheid als een koe, zien wij vandaag weer eens. Na de regenachtige dag van gisteren, is het weer vandaag helemaal opgeknapt.

We checken uit bij ons gerenoveerde hotel en lopen een paar straten verder om onze intrek te nemen bij het ZHotel. Voor hetzelfde geld hebben we hier een veel aangenamere kamer en we krijgen zelfs een upgrade omdat de 2-persoons kamer niet beschikbaar is voor de beide nachten die wij nog in Taitung verblijven. De eigenaar van het hotel helpt ons bij het uitzoeken van het openbaar vervoer waarmee we vandaag naar Guanshan willen en bovendien tipt hij ons nog om naar het iets verderop gelegen Chishang te gaan; aardige ‘vent’.

We gaan op weg naar het busstation, maar omdat de bus niet eerder dan 10:25 uur vertrekt, lopen wij nog wat door downtown Taitung en bekijken de kunstzinnige luchtballonnen die de schoolkinderen hebben gemaakt. En passant nemen we nog een bakkie koffie en lopen dan weer terug naar het busstation. De bus staat er inmiddels en het wachten is op de chauffeur.

We vertrekken strak op tijd en gaan via een schitterende omgeving op weg naar ons eerste doel: Chishang. Aan onze linkerzijde zien we het hooggebergte en aan onze rechterzijde het kustgebergte. Her en der zien we goudkleurige akkers met rijst. Als het goed is, gaan we daar vandaag nog veel meer van zien. We worden er in de hoofdstraat van Chishang uitgelaten en gaan dan eerst op zoek naar een zaak waar ze fietsen verhuren. Lang hoef je er hier niet voor te zoeken, want op elke hoek van de straat vind je wel zo’n bedrijfje.

We kiezen 2 oranje Giant fietsen en gaan op weg. Om de hoek stappen we alweer af voor een bakkie koffie, maar daarna gaan we richting de rijstvelden. Deze streek staat wel bekend als de rijstschuur van Taiwan en de beste rijst komt hier vandaan. Je hoeft dus niet echt te zoeken voor een rijstveld. We zijn nauwelijks de straten van Chishang uit of we staan er al middenin. Er is een mooie fietsroute uitgezet in de omgeving van Chishang, dus het is niet moeilijk de juiste weg te vinden. Aan deze route staan zelfs borden die aangeven wat het hellingspercentage op bepaalde stukken is, word je gewaarschuwd bij stijle afdalingen en laten ze zien hoeveel calorieen je inmiddels verbrand hebt.

Af en toe gaan we bewust van deze route af om even wat anders te zien dan Chinezen op e-bikes tussen de rijstvelden, maar met Chinezen is het wel veel leuker! We rijden zo’n twee uur door de omgeving van Chishang en keren dan terug naar de fietverhuurder. We nemen een bakkie noodle-soep voor lunch en gaan dan naar het treinstationnetje voor de trein naar Guanshan.
Het is maar een kwartiertje met de trein en ook in Guanshan gaan we eerst op zoek naar fietsen. De fietsen die we deze keer mee krijgen zien er wel veel stoerder uit, maar ze fietsen niet zo fijn als de oranje Giants. De route die we hier willen fietsen is niet zo lang als die in Chishang, dus we doen het er maar mee.

De omgeving van Guangshan behoort tot dezelfde rijstschuur van Taiwan, dus ook hier prachtige rijstvelden die ingesloten liggen tussen het kustgebergte en het gebergte in het binnenland. Hoewel de twee gebieden slechts worden gescheiden door een rivier zien we toch wel verschillen tussen de twee. Chishang was wat vlakker en opener, Guangshan is ruiger.

We vermaken ons hier best en na een rondje van anderhalf uur zijn we weer terug bij het station van Guangshan. We hebben nog drie kwartier voordat de trein naar Taitung gaat, dus we lopen nog even een stukje door de hoofdstraat en nemen een versnapering bij de 7-Eleven.
Om 16:48 uur rijdt de trein dan schokkerig weg van het station en 40 minuten later zijn we dan weer terug in Taitung. Het treinstation van Taitung ligt heel ongustig buiten de stad, dus nemen we hier de bus naar het centrum. Iets na zessen zijn we terug bij ons hotel.

23 november 2015

Bij deze ochtend past ‘Mr. Blue Sky’ van ELO want de sky is wel erg strak blue. Het dreigt dus een erg warme dag te worden, maar dat houdt ons niet tegen om er weer flink tegenaan te gaan. Om 09:00 uur lopen we al richting het busstation om een ticket te kopen voor de East Coastal Line. Deze bus moet ons vandaag op 2 plekken brengen: Sanxiantai en Chenggong.

Het is dit keer niet zo’n mega-bus waar 50 man in gaat, maar een mini-busje, Het lijkt wel of we een prive excursie hebben geboekt. We gaan er maar eens goed voor zitten want onze eerste stop is 2 uur bussen. We gaan dit keer via de kustweg en al snel krijgen we de groen-blauwe zee in het vizier die je uit lijkt te nodigen om toch vooral een duik te nemen. We laten ons niet verleiden en zitten de hele rit uit tot Sanxiantai.

Sanxiantai bestaat uit een drietal rotsachtige eilandjes die met het vasteland zijn verbonden door een brug met 8 bogen. We hebben geluk dat we hier op maandag zijn, want in het weekend staat de brug volgepakt met Taiwanese toeristen. Omdat we de bus van 13:15 uur naar Chenggong moeten halen, kunnen we niet op het kiezelstrand gaan liggen. Het zijn van die grote kiezels, dus erg lekker zal dat ook niet liggen.
We lopen de brug over en die bogen zijn nog best pittige klimmetjes. Gelukkig is onze conditie nog goed op peil. Het ziet er fantastisch uit met de strak blauwe lucht, de groen-blauwe zee en de donkere lavarotsen.

Aan het eind van het aangelegde wandelpad gaan we via een trappetje de rotsen op en lopen richting de golven die op de rotsen slaan. In de verte gaat een trappetje omhoog naar de punt van het verste eiland. Daar staat een vuurtorentje en die bereiken is natuurlijk de uitdaging voor vanochtend. Het zal in een redelijk tempo moeten gebeuren want de deadline is 13:15 uur terug bij de bushalte. Met deze warmte lijkt dat geen goede keuze voor iemand die snel boven de 250hbpm zit, dus Rob gaat alleen. Klauterend over de zwarte rotsen op weg naar het trappetje. Bij dat trappetje aangekomen blijkt het een TRAP in hoofdletters te zijn. Minstens 150 treden stijl tegen de rotsen op, maar als je hier dan toch bent……..

Eenmaal boven aangekomen wordt je gelukkig wel beloond met een grandioos uitzicht. Het zweet barst uit elke porie, maar op dit topje bij het vuurtorentje ben je al snel vergeten hoe pittig de klim was. Heel veel tijd om te filosoferen is er niet, want de bus is onderweg. In een een mooi ritme de trap af naar beneden en in stevige pas over de rotsen achter Diana aan die via een alternatief lusje naar de brug is gelopen. Om te voorkomen dat het hele verhaal niet geloofd wordt heeft Rob nog wel even een selfie gemaakt met vuurtoren (bij te bestellen via het bekende emailadres). We zijn om 13:10 uur bij de bushalte, waar de bus al staat te wachten. Op naar Chenggong!

Belangrijkste reden om naar Chenggong te gaan is de lokale vissersmarkt. Er is ook nog een Marine Museum en een Clownfish Aquarium, maar die zijn beide gesloten. De buschauffeur is ook enigszins verbaasd wanneer wij op de knop drukken en probeert ons via een Engels sprekend meisje te waarschuwen dat hier niets te doen is. We stellen hem gerust; ‘we know what we’re doing’. Het is maar een paar honderd meter naar de vissershaven en het is er een drukte van jewelste. Dat is een goed teken!

Als het goed is komen rond dit tijdstip de vissersboten terug om hun lading vis uit te laden. Die vis zal dan vanaf een uur of drie geveild gaan worden. Er liggen genoeg vissersboten aan de kade en op de grond zien we al veel vis liggen. We lopen iets verder de kade op en onze mond valt open van verbazing; meterslange zwaardvissen en hamerkop-haaien liggen in een berg ijs op de grond. Niet normaal; we zijn best wel eens in een vissershaven geweest, maar dit slaat alles. Wanneer we nog verder lopen, zien we steeds meer grote vis: tonijn, barracuda, maanvissen en nog veel meer soorten haaien, exemplaren van minstens 2 meter lang! We gaan naar de boten en zien dat er nog steeds vis wordt uitgeladen.
Een paar man takelt een enorme zwaardvis uit het ruim, waarna deze op de kade wordt gewogen en gestickerd. De beesten zijn zo zwaar dat er een karretje aan te pas moet komen om ze bij de weegschaal te krijgen.

Bij een andere boot wordt een joekel van een maanvis uit het ruim getakeld. Dit beest was zo kolossaal dat het in tweeen is gesneden om door het luik van het scheepsruim te passen. We weten niet waar we moeten kijken. Het is een fantastisch spektakel, maar natuurlijk knaagt er ook wel iets bij het zien van al die grote vis. We zouden ze liever tijdens het duiken zien dan hier op de kade. ‘Gelukkig’ gaat het hier om kleinschalige visvangst zonder sleepnetten of dynamiet. De vissersboten zijn van het type “Antiek XS” en dus niet van die enorme mega-boot-fabrieken waar de vissticks bij aankomst in de haven al in de verpakking zitten.

Iets na drieen wordt er dan ineens op een fluit geblazen. Het blijkt het begin van de veiling te zijn. We haasten ons richting de veilingmeester, net als de meeste mensen op de kade. Het is lastig om dicht bij het veilingspel te komen dat zich afspeelt tussen de gevangen vis, maar het lukt ons toch om er wat van mee te krijgen. De veilingmeester wijst een grote vis of een partij vis op de grond aan en dan begint het. Hij noemt in een snel ritme bedragen en de geinterresseerden reageren met een kort knikje met het hoofd. De geinterresserden kijken elkaar vooral niet aan, maar dat lijkt een soort arrogante houding die erbij hoort, waarmee ze willen zeggen ‘deze vis is toch voor mij’. Tijdens het veilen steken de kopers af en toe met een soort appelboor in het staartstuk van de vis en controleren de kwaliteit van de koopwaar. Wanneer de vis is verkocht, plakt de koper er een wit papiertje met z’n logo/naam op en komen zijn helpers om de vis op te halen. Voor de grote vis moet er zelfs een klein shoveltje bij komen!

Het is een boeiend tafereel dat wij een half uurtje volgen. We lopen tussen de mensen door en hopen een leuk plaatje te kunnen schieten, maar dat valt niet met al dat zenuwachtige volk. De bus naar Taitung vertrekt om 15:30 uur, dus om 15:15 uur houden we het voor gezien. De bus is gelukkig op tijd en om iets na vijfen zijn we weer terug in Taitung.

24 november 2015

Vandaag gaan we verkassen naar het zuidelijkste puntje van Taiwan. We nemen daarvoor eerst de trein naar Fangliao aan de westkant van het eiland en van daar gaan we met de bus naar Kenting in het zuiden.
Omdat de trein pas om 11:10 uur vertrekt, pakken we na het ontbijt nog even de fietsen bij het hotel om een klein rondje Taitung te doen. De fietsen zijn van het type ‘stadsfiets-met-mandje’, dus we kunnen het niet te lang maken.

We gaan eerst naar Liyushan Park om daar de Longfeng tempel te bekijken. Bij de tempel aangekomen zien we dat er dansles wordt gegeven. Helaas hebben we te weinig tijd, want anders hadden we graag een staaltje Biezeman-style laten zien. We lopen naar de hoger gelegen tempel en het is zelfs op dit tijdstip al weer verschrikkelijk warm; met gemak 30 graden. Behalve een blaffende hond is er niets te doen bij de tempel. We bewonderen de mooie decoraties en gaan dan naar de bijbehorende pagode. Ook hier serene rust.

We lopen terug naar de fietsen en besluiten naar het Seaside Park te fietsen, maar voordat we daarheen gaan lopen we nog even over een lokaal marktje aan de voet van de tempel. Het is een groente- en fruitmarkt met af hier en daar een stalletje non-food. De meeste groenten lijken vanochtend nog van het land geplukt te zijn.
We rijden eerst twee keer verkeerd voordat we het park vinden. Het zou niet zo moeilijk moeten zijn om de zee te vinden want die is best groot, maar zo ver van huis is het richtinggevoel nog niet helemaal in orde.

Het mag de naam ‘Park’ eigenlijk niet hebben, want behalve een vlonder om op te wandelen is er alleen maar strand en zee. We lopen het strand op richting de zee die grote golven met veel kabaal op het strand gooit. De zee is erg wild en we hopen maar dat het in het zuiden wat rustiger is want anders wordt het heel lastig duiken.

Na een korte strandwandeling gaan we weer terug naar het hotel en halen de rugzakken van de kamer. We laten een taxi komen om ons naar het treinstation te brengen en daar kopen we twee kaartjes voor de trein van 11:10 uur. Het is 10:45 uur, dus we nog net even tijd om een bakkie koffie halen voordat we gaan boarden (dat wordt hier echt omgeroepen).

De trein vertrekt met een tiental minuten vertraging eerst in zuidelijke richting. Voorbij Taimali steken we dan het eiland over naar de westkust. Dit traject van oost naar west bestaat voor minstens 75% uit tunnels, dus het uitzicht valt wat tegen. Aan de westkust gaan we dan een klein stukje noordwaarts naar onze eindbestemming Fangliao.
We staan om 12:40 uur op het perron en gaan op weg naar het busstation. Dit busstation ligt op een steenworp afstand van het treinstation en als we vragen wanneer de bus naar Kenting vertrekt wordt we in een drafje meegenomen naar een bus aan kant van de weg. Snel een klein kantoortje in om kaartjes te kopen en instappen. Vijf minuten later zijn we op weg naar Kenting; wat een mooie aansluiting.

De rit naar Kenting duurt ruim een uur en dat komt vooral omdat de chauffeur er maar weing zin in lijkt te hebben. Tegen 14:00 uur zijn we eindelijk in Kenting en gaan we op zoek naar onze B&B. We gooien de tassen op de kamer en gaan de straat op. Het eerste wat opvalt is dat er hier ook andere ‘blanke’ toeristen rondlopen. Dat hebben we nog maar heel zelden in deze aantallen gezien tijdens deze vakantie.

Kenting is echt een badplaats met bijbehorende cafe’s en restaurants; er is zelfs een nachtclub. We eten een pizza bij Mary’s Cucina, niet echt een Taiwanese naam, en informeren wat naar de huur van een scooter. Het aanbod is enorm, dus de prijs valt mee. Dan lopen we ook nog even het strand op en constateren dat de zee hier ook behoorlijk ruw is. We zijn benieuwd hoe dat morgen met duiken gaat. De zonsondergang is niet perfect, maar levert toch een aardig plaatje op. We zijn niet de enigen die hier een foto van willen maken; van families tot een self-made model staan te poseren bij het avondlicht.

Wanneer het donker is geworden gaan we terug naar de hoofdstraat. Met alle schreeuwerige verlichting had het net zo goed een badplaats in Thailand kunnen zijn. Rijen voedselkarretjes staan langs de weg af en toe onderbroken door braderie-kraampjes waar je een ballonnen kapot kunt gooien of je geluk beproeven bij een grijpkast. Het is best gezellig! De restaurants hebben hier ook wat meer ‘normaal’ Aziatisch eten en alcohol staat wat vaker op de menukaart. We genieten van een heerlijk maaltje in een druk restaurant en als we daarna nog een keer de hoofdstraat doorkruist hebben, gaan we terug naar onze B&B.

25 november 2015

We hebben gisteren met Taiwan Dive Center afgesproken om vandaag een tweetal duikjes te maken. Om 10:00 uur moeten we klaarstaan bij Amy’s Cucina en slechts enkele minuten na tienen arriveert een afgetrapte volkswagenbus. We pikken onderweg nog een tweetal duikers op en gaan dan richting Houbihu waar de duikschool is gevestigd.

Het is een drukte van jewelste bij de duikschool, maar een medewerkster neemt ons mee naar achteren om de duikuitrusting te passen. De spullen zijn van behoorlijk kwaliteit, alleen de maatvoering is ingesteld op kleine Taiwanezen. Als we uiteindelijk alles bij elkaar hebben, worden de spullen naar een vrachtwagentje gebracht en wachten we af wat er gaat gebeuren. Voordat we vertrekken rekenen we de duiken alvast af en dan krijgen we eenn signaal dat we gaan vertrekken. We blijken maar met z’n tweeen te zijn, dus samen met de divemaster gaan we op weg naar de duikstek.

Het vrachtwagentje is al net zo rot als het busje waar we mee gehaald zijn. De vering is al heel lang geleden overleden, dus we zitten regelmatig met ons hoofd tegen het dak. Ach, duiken is af en toe best spartaans! Na een kwartiertje zijn we bij onze duikstek: Wan Li Tong. Deze stek is aan de westkant gelegen, dus daar zouden we minder last moeten hebben van de ruige zee die we eerder hebben gezien. We trekken onze spullen aan en gaan via 50 treden naar beneden. In het water trekken we onze vinnen aan en een paar minuten later krijgen we het teken om te duiken.

Het ziet er niet best uit onder water, maar we zitten nog vlak bij de kant. Hopelijk wordt dat straks iets beter. We zwemmen met onze divemaster richting wat harde koralen en rotsen en hebben behoorlijk last van de golfslag. We worden heen-en-weer gewiegd en moeten uitkijken dat we nergens tegenaan komen. Het zicht blijft slecht; er is heel veel sediment in het water waardoor we niet verder dan 5 meter kunnen kijken. We cirkelen nog wat rond grotere rotspartijen en koraal en krijgen dan in de gaten dat we al weer richting het strand zwemmen. Na twintig minuten geeft de divemaster zelfs het teken om op te stijgen.

Boven water zegt hij tegen ons dat de omstandigheden te slecht zijn om verder te duiken. Het troebele water is volgens hem nog het gevolg van een staartje van een orkaan die onlangs over Japan is geraasd. Hij zegt dat hij z’n baas zal voorstellen om het volledige bedrag terug te laten betalen. Het heeft nl. ook geen zin om vanmiddag ergens anders te duiken.
Enigszins teleurgesteld zwemmen we het laatste stukje terug naar het strand, doen daar onze vinnen uit en lopen de 50 treden weer omhoog, terug naar de truck. We hobbelen het zelfde stukje weer terug naar de duikschool, spoelen daar onze duikspullen en kleden ons weer om. Meer dan de 21 minuten en 59 seconden zullen we hier dus niet duiken.

We noteren de duik toch in ons logboek (als souvenir) en drinken dan wat om onze vochthuishouding weer op orde te brengen. We krijgen het hele bedrag terugbetaald (!) en dan vraagt de chauffeur van de heenweg ons of ze ons terug naar het hotel kan brengen. Rond 13:00 uur zijn we dan weer terug in downtown Kenting.

Dit geeft ons wel de kans om ‘s-middags een paar uurtjes op het strand te gaan te gaan liggen, maar dat doen we natuurlijk niet; dat is zonde van de tijd. We nemen een bami-soep voor lunch en gaan dan op zoek naar een scooterverhuur waar ze old-school scooters met verbrandingsmotor verhuren. Het grootste deel van de scooters zijn nl. een soort opgevoerde e-bikes en dan kun je na een paar uur eerst de batterij verwisselen voordat je verder kunt. Uiteindelijk vinden we bij een oudere vrouw nog zo’n scooter, maar zoals verwacht moet wel het internationaal rijbewijs en het paspoort getoond worden. Gelukkig gaan wij goed voorbereid op vakantie en na wat Chinese formulieren van onze gegevens te hebben voorzien, krijgen we de scooter mee.

We gaan naar het meeste zuidelijke punt van Taiwan en onderweg doen we dan Eluanbi Park en Chuanfan Rock even aan. Het is even wennen in het hectische verkeer van Taiwan, maar als we Kenting uit zijn gaat het steeds beter (en sneller). We komen eerst bij de Rock. Stelt eigenlijk niets voor; een middelgrote rots op een tiental meters uit de kust. Leuk plaatje natuurlijk, maar daar heb je het wel mee gehad. Het blijkt wel een verplichte stop te zijn voor de tientallen bussen met Chinese toeristen, dus dat maakt het allemaal wel weer erg leuk. Na dit korte oponthoud trappen we de scooter weer aan en scheuren richting Eluanbi Park.

Hier staat de vuurtoren met het felste licht van Azie. We weten eigenlijk niet wat je met deze info moet, maar het kan maar gezegd zijn. We wandelen naar de vuurtoren en het blijkt een populaire bestemming te zijn voor schoolreisjes. Grote groepen pubers lopen achter hun onderwijzer aan die een headset met versterker draagt en op die manier de groep toespreekt. Ook maakt de leerkracht steeds foto’s van de groep; elke keer als we ‘cheese’ in het Chinees horen roepen, is er weer een foto gemaakt. Op een gegeven moment krijgt zo’n klas ook ons in de gaten en dan zijn wij de haas. Ze willen natuurlijk wel even een selfie maken met ons erop. Daar kunnen we niet onderuit, dus we poseren met een deel van de klas.

Wij houden het dan voorgezien en gaan weer terug naar ons vervoermiddel. De volgende stop is slechts enkele honderden meters verderop: het meest zuidelijk punt van Taiwan. Omdat we een week geleden al bij het meest noorddelijke punt van Taiwan stonden, moeten we er even heen, maar veel verschil met de plek een paar honderd meters terug zie je niet.

We besluiten nog een stukje noordwaarts te rijden aan de oostkant van Taiwan. Er staat een stevige wind vanaf zee en dat maakt het scooteren er niet makkelijker op, maar een scooter met twee Nederlanders blaas je niet zomaar omver. Onze volgende stop (en die van tientallen toerbussen) is bij Longpan. Dit is een fantastisch uitkijkpunt bij groene heuvels, boven de ruige groen-blauwe zee. Behalve de fantastische natuur is het ook wel weer genieten van de Chinezen die proberen de wind te trotseren. Vooral de dames met permanent komen er niet ongeschonden vanaf.

We willen nog een klein stukje verder noordwaarts naar Fongchueisha, dus laten we deze toplokatie weer achter ons en gaan gejaagd door de wind naar de laatste stop. Eigenlijk is het uitzicht vanaf deze plek ongeveer hetzelfde als bij Longpan, maar ontbreken de Chinezen. We blijven ook hier even genieten van het uitzicht en bestijgen dan ons gemotoriseerde ros weer, om terug te gaan naar Kenting.

Op de terugweg stoppen we een keer voor een sapje, maar dan is het weer volgas naar Kenting. Om 16:30 uur leveren we onze scooter weer, maar reserveren het beesie gelijk weer voor morgen. Het is de vraag of ze dat begrepen hebben, maar dat zien we morgen wel.

We wandelen vanaf de hoofdstraat naar het strand om daar nog een keer van de zonsondergang te genieten. Gisteren was de zon al heel snel weg achter de wolken en vandaag zag het er allemaal beter uit. We wachten op het strand wat komen gaat en Diana vindt uiteindelijk weer een hele nieuwe compositie met behulp van een lokale surfboy.

De zon is nog maar net onder, of dikke wolken pakken zich samen boven Kenting. We besluiten terug te gaan naar de hoofdstraat en zoeken een terrasje. We zitten nog maar net aan onze koele versnapering, of de sluizen gaan open. Een zware regenbui spoelt het vuil van straat en doet mensen naar binnen sprinten.

26 november 2015

Na het heerlijke ontbijt met soep en sla gaan we weer naar de overkant van de hoofdstraat om onze scooter op te halen. Er staat wederom een stevige wind, misschien nog wel erger dan gisteren. Als we de formaliteiten gehad hebben, geven we gas en gaan richting Kenting National Forest Recreation Area. In dit deel van het Kenting National Park zijn de toeristen welkom en zijn wat wandelroutes uitgezet. We parkeren onze scooter op de aangewezen plek, betalen het parkeergeld en lopen naar de ticket-office van het park. We kopen een kaartje en volgen de bordjes langs het pad. Er staan zelfs bordjes die waarschuwen voor giftige slangen, stekende bijen en duizendpoten (?).

Het park blijkt behoorlijk gecultiveerd te zijn. Bij elke bezienswaardigheid in het park staat een bord met de lokatie waar je bent en beschrijving van waar je naar staat te kijken. Bovendien hebben alle ‘attracties’ een nummer dat ook op het kaartje staat dat we bij de ticket-office hebben meegenomen. Zo lopen we van de Giant Autumn Maple naar de Stalagmite Cave (die gesloten is vanwege vallend gesteente) en dan door naar het Sea Viewing Platform. Het uitzicht op zee is grotendeels ontnomen door het struikgewas dat zich niet laat temmen door een snoeibeurt of twee, maar we ontdekken wel makaken in de toppen van de bomen. Ze zijn wat aan het eten en kijken af en toe met een schuin oog onze kant op. Een beetje arrogant gaan ze met hun rug naar ons toe zitten, zodat een leuke foto een hele opgave wordt. Na een minuut of 5 zijn ze onze aanwezigheid zat en verkassen ze naar een plek waar ze aan ons zicht zijn onttrokken.

We lopen door naar nr. 8, de Fairy Cave. De heuvel waar het park ligt is ontstaan doordat de zeebodem in de loop van miljoenen jaren omhoog is geduwd. In het geerodeerde koraal zijn veel grotten ontstaan, waarvan de Fairy Cave de meest imposante is. In deze grot loop je enkele honderden meter ondergronds en worden met lampen de meest bijzondere figuren uitgelicht. Je moet wel een beetje fantasie hebben om bijv. ‘Het Oor van Boeddha’ te herkennen, het had ook de ‘Balzak van Santa’ kunnen zijn. Als we de Fairy Cave weer uit zijn, is het nog maar een klein stukje naar de Viewing Tower vanwaar je over de boomtoppen heen de oceaan kunt zien.

De natuur langs de wandelpaden is prachtig en het mooist zijn misschien wel de Banyan bomen. Deze snelgroeiende Ficus-soort heeft enorme luchtwortels en bij nr. 11, Valley of the Hanging Banyans loop je door een gordijn van deze deze wortels. Een andere mogelijkheid is om ermee van rots naar rots te slingeren, maar dat kun je beter overlaten aan een echte Tarzan.
Na ruim twee uur zijn we weer bij de ingang van het park en gaan we op weg naar het Sheding Nature Park dat bijna om de hoek ligt.

Als we er aan komen rijden herkennen we de drukte ter plekke gelijk: dagexcursie voor de scholieren. We manouvreren door de drukte naar de parkeerplaats waar je ook voor de scooter geld in de gleuf moet werpen zodat de boom omhoog gaat. We gaan op zoek naar een plekje waar we wat kunnen drinken. Als we nog maar net zitten komt er een stel meiden aan die een selfie willen maken met Diana. We weten inmiddels dat zoiets erbij hoort.

We blijken onze bezoektijd aan dit park goed getimed te hebben, want de bussen met scholieren staan op het punt te vertrekken als wij het park inlopen. Het park blijkt een beetje een slap aftreksel te zijn van z’n grote broer, maar dat is ook niet zo gek als ze zo dicht bij elkaar liggen. Ons bezoek aan dit park gaat in een hoger tempo en binnen een uur staan we weer bij de scooter. Net op dat moment komt er tiental bussen met scholieren de parkeerplaats oprijden: wegwezen!!!

We sjezen de slingerweg naar beneden en de wind is stevig en voelt koud aan; alleen een t-shirt en korte broek is misschien geen goede keus geweest.
Onze volgende bestemming is Maobitou Park ten westen van Kenting. Nog zo’n uitkijkpunt hoog op de koraalrotsen vanwaar je fantastisch uitzicht hebt op Nanwan en Kenting. Hoewel we de scooter goed op z’n staart trappen hebben we toch wel een half uurtje nodig om het park te bereiken. We stallen onze brommert en lopen eerst naar een rij overdekte marktstalletjes. We hebben inmiddels wel trek gekregen, dus gaan op zoek naar voer. Bij een visstalletje vraagt Diana of ze een stukje gefrituurd spul mag proeven en het smaakt nog lekker ook; het lijkt wel wat op kibbeling, maar dan wel samen met zeewier in een papieren zakje. We nemen allebie een portie en gaan even zitten om van deze lunch te genieten.

Na dit culinaire hoogstandje lopen we naar de hooggelegen rots waarvan we denken dat het de belangrijkste plek is. Een wilde gok is het niet, want we volgen eigenlijk het mierenspoor van Chinezen die ook die kant oplopen. Als we eindelijk een goed plekje hebben bevochten op de apenrots, zien we opnieuw de fantastische kustlijn met in de verte Kenting. De wind is hier zo stevig dat je af en toe uit balans raakt. Het verbaast ons wel dat de Chinezen nauwelijks oog hebben voor het natuurschoon. Ze maken vooral foto’s van zichzelf en generen zich niet om daarbij allerlei vreemde poses aan te nemen.

We verplaatsen ons in de massa naar een volgend uitzichtpunt waar het hele ritueel zich weer herhaalt. Na ook hier een tiental minuten genoten te hebben van het natuurschoon en dat bovendien vast te hebben gelegd, gaan we weer richting scoorter. De Chinezen gaan met z’n allen weer naar de bus met hun eigen natuurschoon. We nemen op de terugweg nog een zakje kibbeling met zeewier en gaan dan op weg naar onze laatste stop van vandaag: Baisha Beach.

Baisha Beach ligt aan de westkant van het land en is een beetje het tropische strand van Taiwan. Dit strand is een belangrijk decor geweest bij de film ‘Life of Pi’ van de Taiwanese regisseur Ang Lee (film was onlangs nog op RTL). De ‘overige toeristen’ zijn ook naar deze lokatie verkast en aan het poseren van de dames te zien denken ze allemaal dat ze daar wel in een rolletje in hadden verdiend. Staand met de ene voet op de teen en een hand achter het hoofd dat dan ‘sexy’ achterover gaat. Met een beetje pech kijken ze er ook nog Chinees-zwoel bij. Probeer dan maar eens die kibbeling binnen te houden.

De weersomstandigheden zijn niet ideaal voor deze strandbestemming. Het is bewolkt en de wind is ook aan deze kant van het eiland erg hard. We lopen wat rond en met een brede glimlach nemen we de vele tafereeltjes in ons op. Wat zou het saai zijn zonder al die andere mensen!

Nadat we een drankje hebben genomen gaan we dan maar weer eens op weg naar Kenting. Op sommige stukken langs de kust valt het niet mee de scooter strak op de weg te houden, maar tegen vieren zien we de grote M alweer in beeld verschijnen. We gaan naar de lokale benzinepomp en gooien de tank vol. De 2,5 liter die we verbruikt hebben kost omgerekend 1,75 euro. Daar kun je nog eens een dag voor gassen. Daarna brengen we de scooter terug bij het zaakje aan de hoofdstraat en lopen door naar onze B&B om onze spullen naar de kamer te brengen. Daarna gaan we dan naar Smokey Joe’s om wat te drinken.