Alle berichten van admin

Panama-Costa Rica-Nicaragua 2

Maandag 02 december

Vandaag geen wekker, maar gewoon uitslapen en om 07:00 uur ontbijten. Direct daarna de rekening vereffenen bij Juan en dan op naar de ferry. In Moyogalpa nemen we nog een laatste smoothie bij ‘The Cornerhouse’ en om 09:00 uur vertrekken we dan met de ‘Isla de Ometepe 3’ naar San Jorge. De overtocht verliep voorspoedig, maar het was al verrot heet in de zon op dit vroege uur.

In het haventje van San Jorge nemen we een ‘taxi collectivo’ en laten we ons naar het busstation brengen. Daar staat onze ‘chickenbus’, zoals ze hier heten, al te wachten. Wij hebben nog een zitplaats, maar dat kan niet iedereen zeggen wanneer we om 11:15 vertrekken. De bus is volgepropt er is zelfs een chicken aan boord. Met z’n koppie uit een plastic zak weet de kip behoorlijk wat herrie te maken. De bus stopt onderweg bij elke halte of bij iedereen die z’n hand opsteekt en het is ongelooflijk hoeveel mensen er in zo’n oude Amerikaanse schoolbus passen.

Net na 13:00 uur rijden we Granada binnen en worden we losgelaten op het lokale busstation. Het lijkt alsof je een bakoven binnenstapt; niet normaal! We wandelen door de hoofdstraat op weg naar ons hotel, maar na 5 minuten besluiten we toch een taxi aan te houden; we leggen het af door de hitte.
Ons hotel is een omgebouwd koloniaal huis en erg gezellig, met zelfs een mini-zwembad. Ze zijn er net de kerstboom aan het optuigen. We gooien de spullen op de kamer en gaan bij Kathy’s swaffelhuis (of zoiets) lunchen.

De middag gebruiken we om Granada te verkennen, maar het valt niet mee met de enorme hitte hier. Bovendien voelen onze benen aan alsof we een Jan Vetman-training achter de rug hebben.
We zoeken, waar mogelijk, de schaduw op en gaan al snel weer ergens zitten voor een versnapering.

Tegen het eind van de middag zitten we op de trappen voor Iglesia de la Merced weer eens bij te komen, wanneer we plots een aanhoudende sirene horen. De mensen om ons heen springen op en kijken de Calle Real Xalteva in; blijkbaar is daar wat gebeurd. Wij lopen ook die kant op en zien inderdaad dat er een ambulance met sirene onze kant op komt, maar wel heel erg langzaam. Als we wat beter kijken zien we achter de ambulance een hele optocht met vlaggen, katholieke beelden en dansmariekes.

Het is blijkbaar een optocht ter ere van het katholieke festival ‘Inmaculada Concepsion’ of ‘La Purisma‘, dat deze week plaatsvindt. Met onze camera’s in de aanslag wachten we op wat er gebeuren gaat.
Het blijkt uiteindelijk een enorme optocht te zijn van allerlei kerkelijke groepen die allemaal hun eigen dansje doen en muziek ten gehore brengen; een enorme ongeorganiseerde bende, maar wel erg leuk!

Wanneer de optocht bijna voorbij is en wij terug lopen naar ons hotel, komen we langs de kathedraal en wie zien we daar: Sinterklaas. Dus lieve kindertjes in Nederland, wees nog niet gevreesd er kan jullie op dit moment niets gebeuren want hij loopt hier rond. De Goedheiligman zal waarschijnlijk morgen met het vliegtuig uit Managua naar Nederland vertrekken zodat hij nog net op tijd is om daar zijn verjaardag te vieren.

Dinsdag 03 december

Vandaag onze eerste hele dag in Granada. Er is in deze stad en omgeving zat te doen, maar we willen persé naar de vulkaan Massaya omdat dit de meest actieve vulkaan is van de regio. Bovendien kun je met de auto tot aan de krater komen, dus geen klauterpartij in de hitte hier.
In de Lonely Planet lezen we dat in elk land met enige gezondheidsregels het verboden zou zijn om zo dicht bij een rokende vulkaan te komen, maar hier is men daar wat soepel in.

Diana ritselt een taxi van het type ‘sloopbak’ en spreekt een mooi prijsje af voor de rit incl. een uur bij de vulkaan. We rijden eerst richting de plaats Massaya en komen langs de afslag Laguna de Apoyo. Hier willen we eigenlijk ook nog heen; misschien morgen.
Een paar kilometers na Massaya slaan we linksaf naar de vulkaan. Het is een soort national parc, dus we moeten entree betalen en krijgen als beloning een soort all-inclusive armband. De taxichauffeur schrijft zich in bij het visitors-centre en daarna vervolgen we onze weg omhoog richting de enorme rookpluim die we al van verre kunnen zien. Ook onze neus vertelt ons dat we in de buurt komen, want de zwavellucht is goed te ruiken. Wanneer onze taxi hortend en stotend de parkeerplaats oprijdt, blijken we het tweede stel toeristen te zijn, dus dat is lekker rustig. In de reglementen staat dat je de auto met de neus naar de uitgang moet parkeren, zodat je snel weg kunt zijn bij een uitbarsting. We vragen ons af of dat veel verschil maakt, maar alle beetjes kunnen helpen. Onze chauffeur is er blijkbaar zo van overtuigd dat er vandaag niets gebeurd, dat hij de regel aan z’n laars lapt.

We lopen naar de rand van de vulkaan en zien van dichtbij de enorme rookontwikkeling uit de krater; fascinerend! We lopen over een netjes aangelegde trail wat verder omhoog om het allemaal nog wat beter te kunnen zien. Van het hoge punt zien we bovendien de vulkaan Momotombo zien liggen. Deze vulkaan ligt bij Leon, onze volgende bestemming. Nadat ons uurtje erop zit klimmen we weer in de taxi en gaan terug naar Granada.

In Granada laten we ons afzetten bij de Iglesia de la Merced waar we gisteren ook al waren. Vanaf 11:00 uur kun je nl. de klokkentoren in om van het uitzicht over Granada te genieten. Het is de ene dollar entree meer dan waard.
Hierna is het weer tijd voor een drink-momentje. De temperatuur bereikt nu al weer een tropische waarde, dus we moeten terugschakelen. Tijdens onze break besluiten we om ‘s-middags naar Las Isletas te gaan. Dit zijn 365 eilandjes (het kunnen er een paar meer of minder zijn) die ontstaan zijn door een eruptie van de vulkaan Mombacha.

We huren weer fietsen en gaan op pad. Wanneer we bij het Lago de Nicaragua zijn aangekomen merken we al snel dat dit in het hoogseizoen een tourist-trap van jewelste is. Om de 100m probeert iemand een boottochtje naar de eilandjes aan ons te slijten. We trappen stoïcijns door totdat we aan het einde van de weg gekomen zijn. Ook hier weer een mannetje met een geplastificeerd vel papier met foto’s van het boottochtje langs de eilanden. We zeggen dat we alleen wat komen drinken en dat helpt want hij laat ons met rust.

Terwijl we aan het water zitten bedenken we dat het veel leuker is om in een kayak tussen de eilandjes door te varen dan in een motorboot. We gaan dus op zoek naar de verhuurder van die dingen. Diana onderhandelt weer stevig over de prijs en even later zitten hebben we een zwemvest aan en zitten we in een rode plastic kayak.

We gaan samen met een gids want we willen hier de (water-)weg niet kwijtraken.
We varen tussen de eilandjes door en krijgen biologieles van onze gids: vis zus, vogel zo, boompje hier, plantje daar, allemaal fantastisch. We varen een uurtje rond en dan is het weer tijd om aan land te gaan. Kayaks weer ingeleverd en gelukkig is alles redelijk droog gebleven (behalve de t-shirts onder het zwemvest). We trappen de fiets weer aan en gaan terug naar Granada.

Woensdag 04 december

Vandaag onze laatste dag in Granada en die begint zwaar bewolkt. We nemen de tijd voor het heerlijke ontbijt van Casa San Francisco en besluiten dat we vandaag de markten van Granada en Massaya gaan bezoeken en misschien is er dan nog tijd voor Laguna de Apoyo over.
De bewolking was van korte duur, want wanneer we naar de Mercado Municipal lopen breekt het wolkendek alweer open. Op de markt kan Diana zich weer helemaal uitleven met het fotograferen van de lokale bevolking. Ze zijn hier gelukkig nog niet verpest dat ze na elke foto de hand ophouden, anders was het een duur ochtendje geworden. Er rijdt rond de markt een karretje rondt met een Maria-beeld dat wordt begeleidt door een huisorkestje.

Wanneer een marktkoopman een donatie doet, wordt het Maria-beeld recht voor de marktstal opgesteld en speelt het dweilorkest een paar minuutjes een hoem-pa-pa-nummer. Grappig om te zien hoe alle stalletjes een beurt willen krijgen; het zal wel geluk brengen. We hebben helaas geen tijd om hier een diepgaand onderzoek naar te doen want we willen de bus naar Massaya nemen.

Om in Masaya te komen nemen we de zgn. UCA-bus. Dit zijn, in tegenstelling tot de chickenbus, kleinere, comfortabelere bussen die ook minder vaak stoppen. Het is een gelijk een goede oefening voor morgen, want ook dan zullen we met de UCA-bus naar Managua gaan.
De rit gaat in dezelfde richting als gisteren naar de vulkaan, dus we weten ongeveer waar de bus zou moeten stoppen. Tot onze verbazing maakt de bus geen stop bij het busstation van Massaya (wat we wel verwacht hadden), maar maakt het, op verzoek, alleen een stop aan de grote weg . Wanneer we aan mede-reizigers vragen wanneer we eruit moeten voor de markt in Massaya blijken we al te ver te zijn. We gaan er bij de volgende stop alsnog uit en nemen een taxi naar de markt. Dat ging nog net goed.

De markt in Massaya is gelijktijdig het busstation voor de chickenbussen. Je kunt je voorstellen dat dit een grote chaos is. Voor ons wel weer handig want we vragen even waar de bus naar Laguna de Apoyo vertrekt en we kunnen vervolgens gelijk het marktwezen van Massaya onderzoeken; lekker efficient. De markt is veel ‘armoediger’ dan in Granada. De koopwaar staat onder eenvoudige stalletjes uitgestald op de grote zandvlakte waar bussen af- en aanrijden. Stof en uitlaatgassen doen toch wat afbreuk aan het effect van al die verse produkten.
Onze chickenbus naar Lago Apoyo vertrekt om 10:40 uur en we stappen tijd in om eens een goede zittplaats voorin te hebben. Deze bus brengt ons helemaal naar de waterrand van het kratermeer, waar de meeste bussen niet verder gaan de kraterrand. De rit duurt bijna een uur, maar dat komt vooral omdat de chauffeur elke 50m een bushalte ziet. Wanneer we uitstappen vragen we de chauffeur wanneer er weer een bus terug gaat en dat blijkt pas om 16:40 uur te zijn. Daar moeten we dus nog wat op verzinnen, want zo lang willen we niet blijven.

Bij het water aangekomen valt het op hoe weinig faciliteiten er zijn. Slechts een paar restaurant-achtige gebouwtjes en verder niets. Geen strandstoelen, boten of andere watersport-produkten; dat moet hier nog ontdekt worden.

We gaan bij een restaurant met uitzicht over het kratermeer zitten en bestellen er wat te eten. De chickenwings met rijst en gebakken banaan smaken heerlijk en nadat we een boertje hebben gelaten besluiten we toch maar om terug naar Granada te gaan en omdat hier geen taxi’s komen is lopen de enige optie.

Het is maar zo’n 2km naar de kraterrand, maar het is wel een hele steile weg omhoog. Als snel zijn we erachter dat dit geen goede keuze was, maar we lopen door. Elke auto die langskomt proberen we aan te houden, maar pas na 40 minuten hebben we geluk en stopt er een taxi die ons het laatste stukje naar boven rijdt.

Aan de kraterrand kijken we nog even naar het meer en misschien is het vanaf hier nog wel mooier dan beneden. We zien zelfs Granada en Las Isletas liggen vanaf dit hoge punt.
Terug aan de grote weg houden we een bus aan en luttele minuten later staan we weer bij het Parque Central in Granada. We lopen naar het Garden Cafe en bestellen een smoothie om onze dorst te lessen, daarna door naar ons hotel waar we de rest van de middag aan het mini-zwembad gaan liggen; heerlijk!

Donderdag 05 december

Na het vurrukkulukke ontbijt in ons hotel lopen we even naar het postkantoor om een paar kaartjes op de bus te doen. Volgens de vrouw bij het postkantoor zouden ze er met 2 a 3 weken moeten zijn. Resultaten uit het verleden hebben wel duidelijk gemaakt dat ze ook wel eens niet aankomen, dus afwachten maar.

Nadat we bij het hotel met de creditcard gezwaaid hebben lopen we naar het UCA-busstation, maar zover zullen we niet komen want een tegemoet rijdende UCA-bus begint al te toeteren als we worden gespot. We springen in de bus, proppen onze rugzakken naast de stoel en zijn op weg naar Managua. Dit ritje duurt nog geen anderhalf uur en wanneer we op het busstation in Managua aankomen staat er een bus naar Leon op het punt van vertrekken. We proppen de rugzakken dit keer onder de achterbank en gaan de bus in. Dat was een mooie snelle buswissel.

Anderhalf uur later zijn we in Leon op het busstation, waar we buskaartjes kopen naar Chinandega. Hier hebben we even tijd voor een sanitaire stop, maar dan is het alweer inladen en gaan. Dit keer staan de grote rugzakken op onze benen en hebben we de kleine rugzakken onder de oksel. Iets minder comfortabel allemaal, maar het ritje duurt maar drie kwartier.
In Chinandega nemen we een taxi naar het hotel en de hele verplaatsing heeft nog geen 4 uur in beslag genomen; niet gek!

‘s-Middags verkennen we Chinandega. Het is een druk stadje dat maar op 30km van de grens met Honduras ligt. We lopen over de markt, bewonderen de mooie kerken en nemen een hapje en een drankje. We zijn echter niet voor Chinandega deze kant op gekomen. Morgen wordt in de oude inheemse hoofdstad Tezoatega (tegenwoordig La Vieja) het zilver gepoetst ter ere van Maria’s onbevlekte ontvangenis, en daar moeten we al vroeg opdraven.

Omdat we horen dat er ook vandaag al van alles te doen is in La Vieja, nemen we een taxi er naartoe. Wanneer we naar de kathedraal lopen zien we een enorme bedrijvigheid; er worden honderden plastic stoeltjes neergezet, een podium wordt opgebouwd en de verlichting wordt in orde gebracht. Er is vanavond een soort zang- en dansavond als onderdeel van de feestweek die gaande is. Helaas begint dit pas om 20:00 uur, dus wij gaan weer terug naar Chinandega omdat we nog moeten eten.
We kiezen een soort gaarkeuken-achtig etablissement uit en kiezen onze warme hap uit de bakken die uitgestald staan. De borden gaan vervolgens nog even in de magnetron en wonder-boven-wonder smaakt het maaltje heerlijk. Met dank aan grootmoeders in de keuken.

Vrijdag 06 december

Vandaag was het een mooie dag om naar de kerk te gaan, dus na het ontbijt in de taxi naar de Iglesia van El Viejo. Vandaag was een belangrijke dag voor de gelovigen, want er werd een dienst  ter ere van La Purisma gehouden.

Toen we bij de kerk aankwamen zagen we dat er een enorme rij mensen staan van de traptreden buiten de kerk, tot aan het altaar; allemaal in afwachting van hun hostie en/of de zegen van de priester.
We lopen wat in en om de kerk, maar hebben al snel in de gaten dat dit nog wel even gaat duren. Tot overmaat van ramp is de batterij van Diana’s camera leeg aan het raken.
We besluiten terug te gaan naar het hotel want 11:00 uur is de check-uit tijd van het hotel en dan zal het hier nog niet afgelopen zijn. We gaan met een stampvolle chickenbus terug naar Chinandega. Bij het hotel gaat er een andere batterij in de camera en gooien we onze bagage bij het hotel in bewaring. Nog even snel een cappuccino bij de buurman en dan weer terug naar El Viejo.

Inmiddels is de mis in de overvolle kerk gestart en het gezang van de gemeente wordt ondersteund door een orkest dat lijkt op dweilorkest Kleintje Pils dat altijd bij de schaatswedstrijden in Heerenveen te horen is; best gezellig!
Steeds wanneer er weer een lied wordt ingezet in de kerk worden buiten eigengemaakte vuurpijlen afgestoken. Dat gebeurt hier niet lullig uit een fles, maar uit de blote hand. Misschien een aanrader voor de komende nieuwjaarsviering. Je moet de pijl bij het kruitdeel beetnemen en op het juiste moment lostlaten…….

Het lukt ons op een gegeven moment zelfs om backstage te gaan en dat zonder persaccreditatie. Zo kunnen we een deel van de preek van heel dichtbij volgen. Daar zien we overigens van heel dichtbij de oplossing voor de hele zwarte pieten discussie in Nederland: een zwarte sinterklaas!
Als dan eindelijk de wat langdradig preek ten einde is, worden er buiten de kerk een paar rituelen in gang gezet.

Ten eerste wordt al het koper- en zilverwerk dat een jaar ongepoetst is gebleven naar buiten gebracht en worden er kleine poetslapjes uitgedeeld. Iedereen kan een stukje van dit heilige zilver poetsen. Op deze manier spaart de kerk mooi wat schoonmaakkosten uit. Het valt wel op dat vooral kleine kinderen met de lapjes aan de gang gaan en dat riekt dan weer naar kinderarbeid. De gebruikte poetsdoekjes worden de gelovigen als ware relikwieën behandeld en verdwijnen snel in de tas.

Het tweede ritueel lijkt op een soort massale doop-actie, waarbij de gelovigen wel hun eigen water mee moeten nemen. De priesters (of andersoortige geestelijken) lopen met een metalen kroontje in de hand langs de menigte, dopen het kroontje in de emmer water die de gelovige heeft meegenomen en tikt dan even met het natte kroontje op het hoofd. Gezien het grote aantal mensen met een emmertje (of fles) water, wordt er veel waarde gehecht aan deze doop.

De menigte rondom de kerk is inmiddels enorm geworden en voor is dit het moment om naar Leon te gaan. Eerst de tassen opgehaald bij ons hotel in Chinandega en dan met zo’n saunabus naar Leon.

In Leon checken we in bij ons hotel en de kamer daar is niet mis; behalve een slaapkamer en badkamer hebben we een keuken annex TV-kamer, een veranda met een hangmat en vanaf deze veranda is het slechts een paar meter naar het ruime zwembad. Hier kunnen we het wel even volhouden.
Om het schuldgevoel af te kopen, gaan we morgen weer een vulkaan beklimmen, dat dan weer wel.

Zaterdag 07 december

Vanochtend om 08:00 uur werden we opgehaald door Ronaldo, de gids van Tierra Tours die ons mee zou nemen naar de vulkaan Cerro Negro. We gingen eerst nog even langs het kantoortje van Tierra Tours om de trip te betalen en een vrouw uit Litouwen op te halen die deze tour ook had geboekt.

We gingen eerst nog langs de markt voor wat fruit en water en dan ruim een uur hobbelen over een stoffige weg, naar de zwarte vulkaan.
Bij de vulkaan aangekomen krijgen we onze uitrusting uitgedeeld, een rugzak met knie- en elleboogbeschermers, handschoenen, beschermende bril, een XXL-overall en natuurlijk het belangrijkste onderdeel van de uitrusting: een oversized plank laminaat. Op dat laatste ding zouden we weer naar beneden gaan!

Maar eerst anderhalf uur door los lava-gesteente omhoog ploeteren; gelukkig maakten de uitzichten alles goed. Hoe hoger we kwamen, hoe meer het landschap maan-achtige trekjes ging vertonen. Verschillende kleuren bruin-rood gesteente afgewisseld met stroken witte as en hier en daar een pluimpje rook als waarschuwing dat de vulkaan nog leefde.

Helemaal boven hebben we nog even de krater ingekeken en konden we voelen dat de ‘grond’ hier heet aanvoelt; hier ga je het niet lang uithouden op je blote voeten!
Na wat plaatjes te hebben geschoten gingen we op weg naar de zijde van de vulkaan waar wij per laminaat-plank zouden gaan afdalen. Eerst even de ‘piste’ verkennen en het traject visualiseren dan onze uitrusting aan.

Geen fraai gezicht, maar zonder deze uitrusting zou het fijne lava-grind je aardig kunnen opschuren.
Volgens Ronaldo is de hellingshoek zo’n 40 graden en volgens ons is dat vergelijkbaar met een donkerrode piste. Groot verschil met skiën is dat je deze helling in een rechte streep afdaalt, terwijl je bij skiën af en toe een bochtje zou maken. Remmen konden we door onze hakken in het lava-grind te plaatsen, maar dan weer niet te diep want dan wordt je gelanceerd.
We gaan naar de startplek van deze dodenrit en één voor één beginnen we aan de afdaling van 726m. De beschermende kleding is niet voor niets want af en toe sprint er wat fijn grind op tegen het gezicht in de oren.

De hakjes blijven het grootste deel van de afdaling in het grind, zodat we alledrie heel gecontroleerd beneden komen. Dat was gaaf om te doen en met de kennis van de piste die we nu hebben opgedaan, denken we dat we het een volgende keer zeker sneller  gaan.
We ontdoen ons van de uitrusting en kloppen de zwarte stof uit onze kleding en de steentjes uit ons haar. We eten een paar bananen en spoelen het laatste restje stof uit de mond met een flesje water.
Dan gaan we weer terug naar Leon, een fantastische ervaring rijker.

‘s-Middags houden we een soort siesta; beetje lezen en af en toe het zwembad in. In de avond begint vanaf 18:00 uur de festiviteiten voor La Griteria en dat willen we natuurlijk niet missen.

We zijn al vroeg bij de kathedraal en er is al een enorme drukte. Veel kraampjes waar eten wordt bereid en mensen die zenuwachtig in de rondte lopen. De kathedraal is veelkleurig verlicht en er staan een aantal metershoge poppen voor de trappen. Er lopen straatventers rond met het meest kleurrijke, cadmium-houdende, speelgoed dat je maar kan bedenken.

Om 18:00 uur wordt dan de klok geluid en worden er massaal vuurwerkpijlen afgestoken en dit keer geen knallers zoals in Chinandega, maar prachtig siervuurwerk. De poppen voor de treden van de kathedraal doen een soort dansje en de menigte is uitgelaten. Even verderop lopen mannen rond met een soort keukentafel boven het hoofd waarop vuurwerk is gebonden. Ze lopen als gekken heen weer waarbij het vuurwerk de menigte in wordt geschoten; beetje gevaarlijk, dus daar zijn we uit de buurt gebleven.

Na een uurtje gaat ‘de storm’ wat liggen en voor ons is dat een mooi moment om even wat te eten. We gaan naar bar/restaurant Bar Baro (leuk bedacht) en bestellen een hap. Ondertussen wordt op een tweetal tv-schermen de wedstrijd Ajax-NAC uitgezonden door ESPN2. Wat een dag!

Wanneer we na het eten naar ons hotel lopen, komen we nog een tafereel tegen dat bij deze feestavond hoort. Bij diverse huizen zijn zelfgemaakte altaartjes bij de voordeur gezet. De feestende mensen lopen langs deze huizen en schreeuwen “Quien causa tante alegria?” waarop wordt geantwoord “La concepsion de Maria”. Vrij vertaald: “Wie brengt er zoveel vreugde” met het antwoord “De conceptie van Maria”. Vervolgens krijgen de feestgangers wat snoep. Het lijkt dus wel wat op St. Maarten, maar dan wordt er iets meer werk van gemaakt. We blijven nog een paar keer staan om zo’n tafereel te aanschouwen en het is vooral grappig dat ook volwassenen met zo’n zak snoep rondlopen.
Vanaf onze veranda horen we de muziek spelen en wat verdwaalde vuurpijlen knallen; het was nog lang onrustig in Leon.

Zondag 08 december

Omdat we vanwege de festiviteiten nog niet de gelegenheid  hadden gehad om Leon te verkennen, gingen we vanochtend maar eens op pad. Net als de zondag op Ometepe was het ook hier behoorlijk uitgestorven op zondag. Bij een paar marktstalletjes werd nog geprobeerd wat te verkopen, maar de meeste van de inwoners van Leon leken in de kerk te zitten. Op onze tocht door Leon kwamen we minstens lang 5 kerken en die waren goed bezet (zoals je mag verwachten van vrome gemeenschap katholieken).

In vergelijking met Granada staat de stad wat minder strak in de lak, maar voelt het wel authentieker, minder toeristisch aan. De straten doen vrolijk aan door de vele geschilderde gevels en ook het grote aantal kerken geeft de stad sfeer.

Tegen elfen hadden we een groot deel van stad gezien en was het tijd voor goede (en dus dure) cappuccino en deze was z’n geld waard. Onder het genot van dit bakkie vroegen we ons af of het wel slim was om nog een dag in Leon te blijven, nog een dag bij het luxe hotel met veranda, schommelstoelen en zwembad of was het tijd om weer eens  ineen bus vol met zwetende mensen plaats te nemen. Dat was natuurlijk geen moeilijke keuze. We zouden vandaag nog verder gaan naar Esteli.
Na de cappuccino gingen we terug naar het hotel om onze spullen te pakken. Nog even op de schommelstoelen onder de veranda de mail checken en dan op weg naar het busstation.

De bus zou om 12:40 uur vertrekken, maar toen we om 12:20 uur op het busstation aankwamen was de bus al overvol en stond op het punt van vertrekken. We stapten uit de taxi en toen de chauffeur in de gaten kreeg dat we naar Esteli wilden, werden onze rugzakken al uit de taxi gerukt en boven op de bus gegooid; veel keus hadden we dus eigenlijk niet.

We wurmden ons de bus in en toen we nog maar net halverwege het gangpad, klem ingesloten stonden tussen andere reizigers begon de bus al te rijden. We hoefden niet bang te zijn dat we tijdens de rit zouden vallen, want we konden geen kant op. Maar ach, wat is nou tweeënhalf uur als het zo gezellig is. Er zat weer van alles in de bus, van krijsende baby’s, tot krasse knarren. We hadden zelfs het geluk dat er films afgespeeld werden in deze chickenbus; hoeveel luxe heeft een mens nodig?

Rond 15:00 uur arriveerden we zonder kleurscheuren in Esteli en dat mag met de rijstijl van de buschauffeur best een wonder heten. We laten ons door een taxi bij het b&b van Esther afzetten, maar er blijkt niemand thuis. We hadden ook niet afgesproken vandaag al te arriveren, maar we hoopten dat ze er zou zijn. We hebben nog een uurtje bij haar b&b rondgehangen, maar besloten toen maar naar down-town Esteli te gaan; op zoek naar een kamer en in de buurt van wifi, hopend op een mailtje van Esther. We komen bij hospedaje Luna terecht en gaan zitten bij het tegenover gelegen cafe Luz. Daar is wifi beschikbaar, dus de laptop op tafel, drankje en een hapje erbij en de mail in de gaten houden.

Uiteindelijk lukt het ons om 18:00 uur haar telefonisch te bereiken. Ze was vandaag naar Jalapa geweest in het noorden van Nicaragua en had net weer bereik met haar telefoon. Het was nog wel anderhalf uur rijden naar Esteli, dus we spreken af om rond 20:00 uur bij haar b&b te zijn.
We bestellen de warme hap bij Luz en gaan tegen 19:30 uur op zoek naar een taxi. Wanneer we uit de taxi stappen komt Drentse Esther ons al tegemoet. We gooien onze bagage op de gezellige slaapkamer en drinken met Esther een baco aan de tuintafel. We kletsen over reizen, Nederland en Nicaragua en wanneer onze glazen leeg zijn gaan we naar bed, want morgen nemen we een vroege bus naar Somoto.

Panama-Costa Rica-Nicaragua 1

 Zondag 24 november

Om 16:20 uur reed de ‘Silberpfeil’ de oprit op. Dat was mooi op tijd om de trein van 17:13 uur te kunnen halen.
Er was zelfs een stewardess in de bolide meegekomen, maar veel tijd om een maaltijd te serveren was er niet want 5 minuten later stonden we al op het Stationsplein.
De trein was zowaar op tijd en na een voorspoedige rit stonden we om 18:22 op Schiphol en keken we al uit naar de shuttle die ons naar het hotel moest brengen. Ook dit verliep volgens plan en om 19:00 waren we ingecheckt bij het Park Inn hotel.
Nog even wat eten en dan precies op tijd terug op de kamer om ‘3 Op Reis’ te kijken; tja, het is een soort verslaving.

Maandag 25 november

Na een kort nachtje stonden we om 06:30 uur al weer op straat op onze shuttle te wachten en om 06:45 uur liepen we alweer op Schiphol. Snel even inchecken (wat is het heerlijk rustig op dit tijdstip) en dan door de douane en nog even snel een ontbijtje.

Schiphol is al volledig in kerstsfeer; er staat een mega-kerstboom bij de ingang, het foldertje met tax-free spullen spreekt van christmas gifts en op de reclameborden wenst Schiphol ons een ‘magic christmas’. Het lijkt nog wat vroeg want Sint en gecensureerde Piet moeten nog het heerlijk avondje gaan beleven.

De security-check begint al anderhalf uur voor het boarden en dat niet voor niks; eerst een intiem gesprek met een beveiliginsbeambte, vervolgens half uitkleden voor de scan van je spullen en dan helemaal gratis een total-body-scan. Zo’n scan kost je normaal minstens 800 euro! Helaas was er geen mogelijkheid om de dokter te spreken, dus we weten nog niet hoe we er medisch voorstaan.

Het boarden verliep soepeltjes en om 09:25 uur gingen de wieltjes de lucht in. De stewies lieten er geen gras over groeien en om 10:00 uur zaten we al aan de warme maaltijd; jammie. Wat filmpjes, een paar boekjes en wat muziek later, kiest de piloot een fraaie route langs de skyline van New York om aan te vliegen op Newark Airport. Om 11:15 uur stuiteren de wieltjes op de landingsbaan ten westen van New York.

Hoewel onze bagage was door-gelabeld naar Panama moesten we onze tassen toch van de band halen. Dan door de douane, waar al je vingers werden gescand een foto gemaakt; veiligheid voor alles! Daarna konden we weer naar de gate.
Hier moesten ons dus een uurtje of 4 zien te vermaken! We hebben nog overwogen om ‘de stad’ in te gaan, maar daar nemen we in april wel iets meer tijd voor.
Gelukkig is er wel wifi op de luchthaven, want anders was het nog een hele opgave geweest om je hier te vermaken; Newark is niet de meest enerverende luchthaven!

Om 16:30 uur begint het boarden voor onze vlucht naar Panama. De vlucht vertrekt op tijd en afgezien van wat turbulentie was er weinig bijzonders aan. In Panama worden weer onze vingerafdrukken genomen en ook hier gaan we op de foto. Nadat we onze bagage van de band hebben gehaald gaan we op zoek naar een taxi. Een nette Santa Fé rijdt ons niet veel later naar ons hotel. Dat is wel wat anders dan het barrel dat ons vorig jaar naar Tana reed. Om 23:00 uur zijn we bij ons hotel en duiken we snel ons bed in, want ons lichaam is in de veronderstelling dat het al 05:00 uur is.

Dinsdag 26 november

Door de jetlag waren we al heel vroeg wakker, maar we hebben het weten te rekken tot 06:30 uur. Na een heerlijke douche en dito ontbijt gingen we op pad. Het weer was goed, maar er was regen voorspeld dus moesten we het er maar van nemen zolang het droog was. Ook op dit vroege tijdstip ligt de temperatuur al ver boven de twintig graden; tel daarbij de hoge luchtvochtigheid en dan weet je wel hoe onze shirts er na een uurtje lopen uitzagen.

We hebben eerst de skyline van Panama City bewonderd. Het is geen New York, maar er staan verrassend veel wolkenkrabbers in deze stad. Langs het water lopen we naar Casco Viejo, de oude koloniale wijk. ‘Oud’ is hier het juiste woord, want het grootste deel van deze wijk is een bouwval. De restauratieplannen zijn echter grootst en de huizen die in originele staat zijn terug gebracht laten goed zien hoe het er hier destijds uitzag.
Rond een uur of 10 duiken we in Casco Viejo een koffiebar in. We zijn al helemaal mud van het lopen in de klamme warmte. Tel daarbij onze jetlag en je begrijpt dat we een paar stevige bakken koffie nodig hadden.

Na een uurtje in de koffiebar gaan we op weg naar het busstation. We moeten nog even uitvinden hoe we morgen naar David komen en bovendien staat ‘s-middags het Panama kanaal op het programma. We lopen via de Avenida Central richting de Plaza de Mayo; daar moeten we ergens linksaf. Wanneer we echter een honderdtal meters naar links zijn gelopen worden we door een tweetal ‘dames’ gewaarschuwd dat we hier beter niet verder kunnen lopen. We nemen dit advies ter harte en draaien om. Even later komt er een man naar ons toe die in z’n beste engels zegt dat we vooral in een taxi moeten kruipen; ‘this is a dangerous area for foreigners’. We willen niet eigenwijs zijn en houden de eerste de beste taxi aan en laten ons naar het busstation rijden; we waren blijkbaar toch een beetje afgedwaald!
Als we het juiste loket hebben gevonden blijkt dat we nu nog geen kaarten kunnen kopen. De bus gaat morgen om 09:00 uur en als we er om 08:00 uur zijn, kunnen we nog wel kaarten kopen. Oké, als zij het zegt!

Dan gaan we op zoek naar de bus die ons naar de Miraflors sluizen kan brengen. Daar aangekomen blijkt het zo’n oude Amerikaanse schoolbus te zijn die ze een beetje gepimpt hebben. Helemaal vol gepropt en met veel kabaal gaan we op weg.

Bij de vierde halte konden we er alweer uit. We rekenen $0,40 per persoon af en lopen richting het kanaal. Vanaf een afstand zie je het 4 etages hoge ‘Visitors centre’ al. We kopen een kaartje en gaan snel met de lift naar boven want er ligt net een mega bulk-carrier in de sluizen.

Deze Miraflores-sluizen werken feitelijk hetzelfde als het sluisje in het Apeldoorns kanaal; ze zijn alleen wat groter. Deze middag komen de schepen vanuit de richting van de Caribische zee en gaan naar de Pacifische oceaan. Dat betekent dus dat de schepen moeten ‘zakken’ en dat is goed te zien vanaf het platform op de 4e etage.
Omdat de mega-schepen nog meer mega worden zijn ze druk bezig het Panama kanaal geschikt te maken voor de nieuwe generatie schepen. De huidige sluizen zijn 32,5m breed en 305m lang, de nieuwe worden 55m breed en 427m lang.

Na zo’n twee uur dit spekatakel aanschouwd te hebben gaan we weer terug naar Panama City. Wederom met een oude schoolbus en dit keer komen we zelfs in het begin van de avondspits terecht. Hier geldt dan het recht van de grootste en de hardste toeter.
Rond half vijf staan we dan toch weer op het busstation en niet veel later zitten we in een taxi die ons naar het hotel brengt. Daar gaan we even aan de bar zitten voor een versnapering, want die hebben we wel verdiend.

Eten doen we ‘s-avonds bij Restorante Manolo waar veel locals zitten en dat is altijd een goed teken. Hoewel de tent zelf wel een schoonmaakbeurt kan gebruiken is het eten er erg goed.
Om 20:00 uur begint de jetlag toch weer z’n tol te eisen (bij jullie is het 02:00 uur) en niet veel later liggen we in bed. Morgen vroeg op om op tijd te zijn voor de bus.

Woensdag 27 november

Nog voor de wekker ging om 06:30 uur waren we alweer wakker. Na wederom een smakelijk ontbijt in het hotel gingen we met de taxi naar het busstation. We stonden al om 07:45 uur bij het loket en konden dus nog met de bus van 08:00 uur mee.

We hadden duidelijk geen businessclass-stoelen gekregen, maar omdat er naast ons niemand zat, hadden we ruimte genoeg. De bus was sowieso wat afgetrapt; de ramen waren op sommige plekken afgeplakt met kranten omdat de gordijntjes kapot waren en er werd gelukkig weinig gebruik gemaakt van de wc, want die stonk al genoeg zonder plassers.

We kwamen weer langs de Miraflores sluizen, waarna het via een grote brug over het Panama kanaal noordwaarts ging. Onder ons zagen we de enorme schepen richting de Caribische zee varen.
De rit ging verder via de ‘Interamericana‘, een snelweg die van Canada naar Zuid-Amerika loopt, maar je moet je hier niet teveel bij voorstellen want het grootste deel was tweebaans.
De omgeving is groen en heuvelachtig maar niet zodanig dat een foto-stop noodzakelijk is.
Tot twee keer toe kregen we een politie-controle in de bus en dat was niet voor de show; een Panamees die geen identiteitsbewijs bij zich had werd uit de bus gezet. Er werd ook een drugshond de bagageruimte ingestuurd, maar gelukkig hadden we onze wiet al op.
Net na twaalven zijn we even gestopt voor een korte lunchbreak en om 16:00 uur stopten we bij het busstation in David. Onze eerste etappe van de Tour de Midden-Amerika zat erop.

Nu we toch op het busstation waren, wilden we alvast tickets kopen voor de rit van morgen, maar helaas wilde ze ons briefje van honderd dollar niet aannemen. Morgen om 07:30 uur moeten we maar terugkomen.

David is de tweede stad van Panama, maar het lijkt meer op een oversized cowboydorp; geen hoogbouw, stoffige straten en veel kabaal. Ons onderkomen in David is een hostel en dat betekent dat je gebruik kunt maken van een gezamenlijke keuken voor je maaltijden. Je spullen leg je in de gezamenlijke koelkast en de verhalen wissel je uit op de gezamenlijke patio; niet helemaal ons ding.

De douche is zoals we die hier nog vaak zullen tegenkomen: met elektriciteitscentrale op de douchekop om het water te verwarmen. Als je ooit een keer geëlektrocuteerd wilt worden moet je het onder zo’n douche proberen.

Donderdag 28 november

Vanochtend werden we gewekt door een enorme hoosbui; de regendruppels ratelden op het metalen dak van onze kamer. Dat was voor ons het teken om op te staan, nog steeds iets te vroeg, maar we komen steeds beter in het ritme.

Tussen twee buien door lopen we naar de lokale bakker waar we een paar warme broodjes en een bak thee nuttigen. Dan door naar het busstation om onze kaartje te kopen voor de volgende etappe. Er valt nog steeds een bui zo af en toe, maar het lijkt al wat lichter te worden.
Het viel ons in Panama City al op dat er zoveel loten-verkopers rondlopen, maar hier in David is het niet anders; zelfs op dit vroeg uur zijn ze al weer op het busstation te vinden en de loten vinden gretig aftrek.

Om 08:30 uur vertrekt de bus en de klok in de bus herinnert ons eraan dat we ons horloge weer een uurtje terug moeten zetten. Het verschil met Nederland wordt daarmee maar liefst 7 uur.
Na een uur bereiken we de grens met Costa Rica. We gaan de bus uit, halen onze rugzakken uit de bagageruimte en verzamelen in een ruimte waar de inhoud van de bagage wordt gecontroleerd. Dit gaat zeeeeeeer oppervlakkig en is dus vooral voor de show. We gooien de bagage weer terug in de bus en  gaan in de rij staan om ons paspoort te laten stempelen door de Panamese douane.

Vervolgens moeten we 200m doorlopen naar Costa Rica om daar in de rij te gaan staan om ons paspoort door de douane van Costa Rica te laten stempelen. Inmiddels is de bus ook richting Costa Rica komen rijden. We halen onze bagage weer uit de bus om vervolgens in een soort free-fight kooi te gaan staan waar de rugzakken weer gecontroleerd zullen worden. Helaas was het net koffiepauze voor de dames van de douane en konden we half uurtje wachten tot ze hun bakkie leut op hadden.
Na 1 uur 3 kwartier stappen we uiteindelijk weer in de bus om onze rit te vervolgen.

We zijn echter nog geen half uur onderweg, of we worden alweer aan de kant gezet door de politie. Paspoort weer uit de tas en pas nadat iedereen gecontroleerd is gaan we weer verder. Weer een half uur verder herhaalt dit tafereel zich. Als dit zo doorgaat gaan we vandaag San Jose niet meer halen.
Om 11:50 uur passeren we de afslag naar Sierpe waar we op de terugweg de bus naar Panama zullen nemen. Goed om te weten hoe lang de rit terug naar David ongeveer duurt.

Een half uurtje later stoppen we voor de lunch en als iedereen z’n buikje vol heeft gaan we weer verder. We kunnen aan de borden langs de weg zien dat we aan zee zitten: Playa Tortuga, Playa Ballena en nog veel meer zien we voorbij schieten. Het duurt echter wel tot 15:00 uur voordat we echt de zee zien. Ziet er goed uit, maar dat moet nog 3 weken wachten.
Om 16:30 uur rijden we San Jose binnen. Bij het busstation van Tracopa nemen we een taxi naar het busstation van Ticabus en kopen onze tickets voor de derde en laatste etappe van onze Tour de Midden-Amerika.

Vrijdag 29 november

Deze keer werden we niet gewekt door het gekletter van de regen, maar door een toeterende trein; hoe origineel. Is op zich ook niet zo gek als je hotel bijna op de rails staat.
Omdat we wederom in een hostel sliepen was er geen ontbijt inbegrepen, maar kon je het in het gezamenlijke keukentje wel maken. Daar hadden we ‘helaas’ geen tijd voor, want we moesten naar Ticabus voor de laatste etappe van onze driedaagse.

Bij Ticabus  is het net even iets beter georganiseerd dan bij de andere busorganisaties. De bagage wordt ingecheckt, er is een wachtruimte en zelfs een cafetaria om wat te eten en te drinken. Het toilet is echter van het standaard nivo in Midden Amerika: meer troep naast de pot dan erin. Tot onze schrik kwamen we bovendien tot de ontdekking dat we op stoel 53 en 54 zitten, helemaal achterin naast de toilet. Dat zou genieten worden, de broek kon los!

Klokslag 07:30 uur vertrokken we voor onze rit naar Rivas in Nicaragua. Het was zonnig en de omgeving bergachtig, veel aantrekkelijker dan de voorgaande dagen. In de bus werd de Spaanstalige versie van Toy Story 2 afgespeeld, gevolgd door Terminator; wat wilden we nog meer!

Om 12:30 uur arriveerden we weer bij een grensovergang, dit keer om naar Nicaragua te gaan. Eerst natuurlijk een stempeltje halen bij de douane van Costa Rica en vervolgens naar het Nicaraguaanse deel. Iemand van Ticabus kwam alle paspoorten en entry-fee ophalen dus daar hoefden we zelf niet in de rij te staan. Wel moest alle bagage weer uit de bus gehaald worden. Dit keer stond er een lange houten tafel waar alles op gelegd moest worden om vervolgens besnuffeld te kunnen worden door een vrouwke van de Nicaraguaanse douane.

Na anderhalf uur konden we de bus weer in begonnen we aan ons laatste half uur van de bus-driedaagse. Al snel zagen we de vulkanen van Isla de Ometepe aan de rechterkant opdoemen. We konden niet wachten!
In Rivas namen we een veel te dure taxi en gingen daarmee naar San Jorge waar we op de ferry naar Ometepe zouden stappen.

We waren nog mooi op tijd om de Che Guevara van 16:00 uur te kunnen halen. Er stond een behoorlijke wind dus de overtocht was niet helemaal zonder horten of stoten, maar toen de zon aan de Nicaraguaanse horizon wegzonk vaarden wij het haventje van Moyogalpa binnen. Met een tuctuc lieten wij ons bij het hotel afzetten. De kamer is groot en dit keer geen elektrocutiedouche.

Zaterdag 30 november

Dat is ook wel eens lekker om niet in alle vroegte naar een busstation te hoeven. Voor vandaag hadden we niet eens een programma!
Om 07:30 uur een lekker ontbijtje en daar bedachten we dat we vandaag maar eens met de scooter over het eiland gaan crossen. Helaas was de vaste scooter-leverancier van ons hotel uitverkocht, maar in het dorpje is zat te krijgen.

In tegenstelling tot de enorme steden waar we hiervoor waren, is Moyogalpa niet veel meer dan één drukke straat en een haventje. Het is er allemaal erg gemoedelijk en op zaterdag lijkt iedereen nóg een tandje relaxter dan normaal. De winkels gaan net open den de kapsalon is al met z’n eerste klanten bezig. Waar wassen-watergolven bij ons een beetje uit is, begint de jeugd er hier juist mee.

Wanneer we een leuk scootertje uitgezocht hebben, wil deze niet starten: accu leeg. Bij de volgende twee shops zijn de scooters dusdanig afgetrapt dat Diana daar niet achterop gaat zitten. Bij de vierde zaak is het raak; een leuk scootertje tegen een redelijke prijs. Wij naar binnen om de papieren in te vullen, vraagt de eigenaar ineens naar een rijbewijs. Blijkt dat je sinds een jaar ook voor de scooter een rijbewijs nodig hebt.
Dan besluiten we maar op de fiets te gaan, want hoe moeilijk kan het zijn.

We willen eerst naar Charco Verde, dit is een soort schiereilandje dat aan Ometepe vast zit. Er zouden mooie stranden moeten zijn dus dat is altijd lekker als je op vakantie bent. De fietsen zijn niet van de laatste techniek voorzien. Wanneer je naar een kleine versnelling schakelt moet je de schakelaar met de duim tegen houden want anders springt deze automatisch naar een grotere versnelling. De remmen doen het aardig op het vlakke terrein, maar downhill is het een heel ander verhaal. De rupsbanden zijn zo breed dat de wrijving zo enorm is, dat je zelfs bergafwaarts tot stilstand komt; is wel weer handig met de slechte remmen! Tel daarbij nog de temperatuur van 32 graden en het feit dat we wind tegen hadden en dan is de 12,5km naar Charco Verde in een uur niet eens slecht.

Bij Charco Verde gaan we eerst wat drinken, want aan onze t-shirts is te zien dat het nodige vocht ons lichaam heeft verlaten. Na ook nog wat gegeten te hebben, gaan we even aan het strand zitten. Helaas minder mooi dan we ons voorgesteld hadden (we dachten nog aan Ile Ste Marie bij Madagascar), maar toch altijd even lekker. Daarna gaan we de trail lopen over het schiereilandje. Het ‘pad is een beetje ‘aangelegd’, maar de natuur en het meertje zijn mooi. Ook Playa Baleon, aan de andere kant van het schiereiland is een heerlijke plek om een middagje te zonnen; helaas hebben we daar geen tijd voor.

Nadat we onze ronde hebben gedaan stappen we weer op onze stalen ros en gaan we op weg naar Playa Santa Domingo aan de andere kant van het eiland. Slechts zo’n 12km van Charco Verde. Het zou wel doortrappen worden want ze hadden ons gewaarschuwd voor de colletjes op de eerste 6km. Een half uurtje later wisten wat ze bedoelden. Na de zoveelste beklimming van de buitencategorie konden we onze barrels wel in de berm gooien. Op het laatst werd het zo steil dat we van onze fiets afstapten en zijn gaan lopen; dat ging een stuk sneller.
Na de eerste 6 loodzware kilometers werd het wel beter; er kwamen een paar afdalingen waarbij het zo hard ging dat zelfs onze banden niet bleven plakken.

Rond 14:00 uur waren we eindelijk in Playa Santa Domingo en gingen we op een terras aan het strand zitten. We moesten even bijkomen van deze rit van 25km want we moesten ook nog terug.
Vanaf het terras had je goed zicht op de kleiner vulkaan van dit eiland en het zou best fijn zijn als we hier op een bedje konden gaan liggen, maar dat zat er niet in. Na een smoothie en een omelet pakten we onze fietsen en begonnen aan de terugweg.

Na een paar kilometer wilde er iemand met z’n pick-up voor ons de weg op steken, maar Diana zag haar kans schoon en vroeg of hij ons even in Moyogalpa kon afzetten. Helaas ging hij de andere kant op, maar we mochten wel meerijden tot de kruising naar Moyogalpa; dat waren toch weer 3km die we niet hoefden te fietsen. De eerste paar kilometers waren weer dramatisch; we moesten nu zelfs meerdere keren afstappen om een heuvel op te kruipen. Over de laatste kilometers ga ik niets schrijven want dat wordt gejank over gevoelloze tenen en handen, een kont die niet meer in de buurt van het zadel wilde komen en nog veel meer ongemakken. Laten we het er maar bij houden dat we om 16:30 uur onze fietsen bij de verhuurder hebben achtergelaten zonder een traan te laten.

We duiken snel bij de Corner House naar binnen en bestellen een drankje; dat hadden we wel nodig om de uitdroging te compenseren.
Daarna snel terug naar het hotel en een warme douche; daar knap je weer van op. We laten het hotel de excursie van morgen regelen: een halve dag de vulkaan Concepsion op hiken, want waarom zou je een boekje bij het hotel lezen?
‘s-Avonds eten we bij een soort pizzeria. We beginnen het al gewoon te vinden, maar ook hier staat de kerstboom middenin de zaak. We zitten op houten stoelen dat is voor de helft van ons gezelschap (met het minste zitvlees) een pijnlijke ervaring. Van de ene bil op de andere wordt de pizza naar binnen gewerkt en dan weer terug naar het hotel want de tuctuc haalt ons morgenochtend om 06:00 uur op.

Zondag 01 december

De wekker ging al weer vroeg af want we hadden om 06:00 uur afgesproken met de gids die ons de vulkaan Concepcion zou laten zien. Hij was mooi op tijd en toen ook de tuctuc arriveerde gingen we op pad. Eerst een tiental minuten met de tuctuc naar het begin van de trail en toen een half uur door een redelijk vlak, bosachtig gebied naar de voet van de vulkaan.

Op dit eerste stuk werden we begroet door een aantal brulapen waarvan er hier een paar families leven. De beestjes schermen met het gebrul hun territorium af.

Wanneer we de voet van de vulkaan bereiken gaat het ‘pad’ gelijk een stuk steiler omhoog en vooral de basaltbrokjes maken het lopen erg lastig. Onderweg rusten we bij een mega-boom en onze gids vertelt dat wat wij nu zien van de boom alleen de kruin maar is. De rest is na een aardverschuiving onder de grond verdwenen. Wanneer we doorvragen blijkt dit tijdens de orkaan ‘Mitch’ te zijn gebeurd. Wij waren toen iets verderop in Mexico, Guatemala en Honduras en weten nog hoe groot de schade toen was.

De gids zoekt voor ons een mooie stok uit die we kunnen gebruiken als steun tijdens de hike; we voelen ons gelijk nog 10 jaar ouder. We klauteren 2½ uur over wortels, door loopgraven en over rotsblokken om bij de boomgrens op 1000m te komen. Daar kunnen we eindelijk van de beloofde vergezichten genieten en zien dat de top van de vulkaan die (zoals gewoonlijk) in de wolken is verstopt. Het waait hier enorm en het kost moeite om te blijven staan. Onze benen voelen zwaar en we zijn erg blij dat we niet de 12 uur durende klim naar de top hebben besproken want dat was na de 50km fietsen van gisteren een hele lijdensweg geworden. We zien al op tegen de terugweg.

We maken wat foto’s en genieten van het uitzicht. We zien Moyogalpa, Charco Verde, de landingsbaan van het toekomstige internationale vliegveld, het iets kleinere eiland Zapatero, maar ook de vulkaan Mombacha bij Granada waar we morgen naar toe gaan. Als klap op de vuurpijl maakt onze gids een schattige foto voor het familiealbum; wat een mooi Sinterklaaskado.
Omdat we zo aldoejeezus bezweet zijn van de heenweg trekken we snel een droog t-shirt aan en iets na negenen beginnen we dan alweer aan de afdaling en dat is misschien nog wel erger dan omhoog.

We houden ons vast aan wortels, takken of andere uitsteeksels die we zien en op de wat natte ondergrond gaan we het grootste deel in ‘ploeg’ naar beneden. Rond elf uur horen we onze vrienden de brulapen weer en zijn we blij dat we aan het laatste, vlakke deel zijn begonnen. Onze tuctuc komt ons zelfs op het bospad tegemoet en weten niet hoe snel we er in moeten kruipen. Om 11:15 uur slurpen we aan flesje cola; wat een dorst!
We praten nog wat na met onze gids en schrijven ons in voor het speciale diner dat het hotel vanavond gaat bereiden. Dan gaan we naar de kamer en springen even onder de douche om de modder van ons af te spoelen.

Om 12:30 uur gaan we naar downtown Moyogalpa om te lunchen. Het is verschrikkelijk warm en we doen alle moeite om uit de zon te blijven. Wanneer we in Moyogalpa de hoofdstraat inlopen zien we dat het uitgestorven is. De gelovige gemeenschap laat zich door het toerisme (nog) niet opjagen; zondag is zondag!
Gelukkig zijn er nog wel wat restaurantjes open en we gaan ergens halverwege de hoofdstraat zitten. Nadat we onze lunch en wat koude versnaperingen weggewerkt hebben lopen we nog naar de haven, maar al snel besluiten we terug te gaan naar onze kamer want met deze temperatuur is er maar een goede optie: siesta met de airco aan!

Na de siesta lopen we nog een keertje naar Moyogalpa om de lokale kerk te bewonderen en dan vooral de kitchie kerstboom die ervoor staat. Omdat de lichtjes nog niet aan zijn gaan we nog snel even voor het zingen de kerktoren in. Van hier heb je een mooi uitzicht op de Concepcion en het meer.

Wanneer even later de lichtjes van de kerstboom aangaan krijgen we een brok in de keel (of was het een vlieg?). We maken een sfeervolle foto en gaan weer terug naar ons hotelletje voor het gezamenlijk avondmaal. De eigenaar is z’n nieuwe kok aan het inwerken en wil dat op ons uitproberen. Het eten smaakt voortreffelijk en bij het ter perse gaan van dit hoofdstuk hebben we nog geen sprint hoeven trekken naar de wc en dat is altijd een goed teken.

Madagascar 4

Dinsdag 6 november

Het was wederom een heerlijk verblijf bij Couleur Cafe. Voor degenen die binnenkort naar Madagascar gaan; boek hier minimaal 2 nachten.
Nadat Diana de rekening had voldaan en stiekem nog iets uit de sieraden-corner had gekocht, gingen we weer op weg, terug naar Tana.
De rit was enigszins slaapverwekkend maar de manoeuvres die Niri moet uithalen om de volgeladen taxi-brousses te kunnen omzeilen houden je wel wakker.
We merken wel dat we op de heenweg erg moe moeten zijn geweest, want we zien best veel dingen die ons helemaal niet bekend voorkomen. Het is blijkbaar een goede dag om jonge rijstplantjes uit te poten, want overal is men druk aan het werk op de volgelopen rijstvelden.

Na 150 kilometer krijgen we Tana weer in beeld en het is een mooi gezicht om deze grote stad over een aantal heuvels te zien liggen. Niri stopt voor de laatste keer om een paar fotootjes te laten maken en mengt zich dan in het drukke verkeer van een grote stad. Je merkt dat hij zich hier minder op zijn gemak voelt dan op een modderpad. Na een kwartiertje toeteren en filerijden zijn we eindelijk bij ons hotel.

We gooien onze bagage op onze kamer in hotel Sakamanga en nemen afscheid van Niri en geven hem een lekkere fooi mee.
Het is inmiddels 12:30 uur en we besluiten even snel wat te eten bij het naast gelegen Saka Express. Het is een soort cafetaria en je kunt hier allerlei snacks krijgen die we in Nederland heel normaal vinden, maar in de rest van Madagascar niet te krijgen zijn.

Daarna gaan we op zoek naar een taxi en dat is niet zo moeilijk. De stad kleurt bijna geel van de vele Renaultjes 4. Na stevig onderhandelen krijgen we niets van de prijs af en laten we ons naar het Rova brengen. Dit paleis is ontworpen voor koningin Ranavolana I en het ligt op de hoogste van de heuvels waarop Tana gebouwd is. Het paleis is een paar jaar geleden afgebrand, maar aangezien er nog niet veel aan restauratie gedaan is, gaan we al snel weer downhill om de rest van Tana te ontdekken.

Tana is een grote rommelige stad en het lukt ons al snel om te verdwalen. Gelukkig zijn de inwoners van Tana erg hulpvaardig, dus uiteindelijk weten we de markt van Analakely te vinden. De markt is anders dan de andere markten in het land. Hier is veel meer non-food te vinden terwijl dat in de rest van het land vaak maar een klein gedeelte van het aanbod vormt.
Na het bezoekje aan de markt wandelen we rustig terug naar het hotel. Onderweg gaan we nog wat winkeltjes in en hebben al wat souvenirs uitgezocht. Omdat we de laatste dag hier nog even terugkomen, laten we de souvenirs nog in de winkel liggen.

Bij terugkomst in het hotel bespreken we alvast een tafeltje in het Saka restaurant en bellen met Mora-travel voor de vertrektijd van morgen. Omdat zij die nog niet hadden vestgesteld doen wij het voorstel om 10:00 uur te vertrekken; eindelijk een keertje uitslapen.

Woensdag 7 november

Nadat we vanochtend een keer lekker hadden uitgeslapen en ons tegoed hadden gedaan aan een heerlijk ontbijtbuffet zijn we, in afwachting van onze ‘nieuwe’ chauffeur, bij de receptie gaan zitten.
Je zou verwachten dat de chauffeur met een vertrektijd van 10:00 uur ruimschoots op tijd zou zijn, maar het lukte hem toch om pas om 10:15 uur aan te komen kakken. Maar goed, maak je niet druk of ‘mora mora’ zoals ze hier zeggen.

Met onze bagage op de rug liepen we naar de auto en daar keken we even vreemd op toen bleek dat dit een Mercedes E290 bleek te zijn. Dat zit wel even anders dan in een Landcruiser of een Patrol.
Het bleek nog niet zo eenvoudig om Tana uit te komen; wat een drukke stad is dit. Politieagenten proberen het verkeer te regelen, maar het lijkt dweilen met de kraan open.
Toen we dan eindelijk de drukte van Tana achter ons konden laten bleek onze chauffeur meer een gids-type te zijn. De eerste de beste lokatie (nog binnen de stadsgrenzen van Tana) waar iets van souvenirs werden gemaakt stond hij al op de rem. We moesten even duidelijk maken dat we daar geen behoefte aan hebben en de brul van de achterbank deed hem gauw weer gas geven. Op naar Andasibe Nationaal Park.

Ook onderweg liet onze gidsende chauffeur zich van zijn beste kant zien. Zo las hij alle borden met plaatsnamen op en vertelde er ook nog bij of het een lange plaatsnaam betrof (if {plaatsnaam} > 10). Ook wees hij ons op allerlei dingen die wij al drie weken voorbij hebben zien komen; hij zal toch weten dat we niet net zijn aangekomen?
Tegen de tijd dat we bijna bij Andasibe waren, mompelde hij nog iets over een krokodillen-farm, maar aan de ingeslikte woorden was te merken dat hij inmiddels in de gaten had wat voor soort toeristen wij zijn.

Bij ons hotel aangekomen blijkt er inmiddels al een gids voor ons geregeld te zijn, maar bij het afspreken van de prijzen ging het bijna mis. Hij vroeg veel te veel en dat moet je bij Diana niet doen. Uiteindelijk komt het allemaal goed en spreken we af  ‘s-avonds een zgn. night-walk te doen en gaan we morgenvroeg met hem in het nationale park route ‘Indri 1’ met hem doen.
‘s-Middags lopen we nog even naar het informatiecenrum bij het park. Even wat lezen over de Mouse Lemur die we vanavond hopen te zien en de Indri Indri die we morgen hopen te spotten.
Op de terugweg zien we zelf een kameleon op een tak zitten, dus we krijgen er al oog voor.

We hadden om 18:30 uur met de gids afgesproken voor onze night-walk. Dan is het inmiddels donker en kun je op pad om de nachtdieren te zien. We willen natuurlijk de Mouse Lemur zien, maar aangezien het lastig afspraken maken is met deze beestjes heb je geen garantie.
Het eerste wat onze jagende gids ziet is een sprinkhaan. Dat is zo’n beetje het meest voorkomende insect hier, dus we begonnen al gelijk te twijfelen aan de kwaliteiten van onze gids.

Even verderop vindt hij een piepklein kikkertje, ter groote van de nagel van je pink, op een blad en dat haalde een deel van onze twijfel weg. Dan ziet hij een mot, maar daar scoort hij ook geen punten mee. Weer iets verder schijnt hij opeens zijn zaklantaarn in de toppen van de bomen omdat hij daar een lemur zou hebben gezien. Eerst zien wij alleen maar takken bewegen en denken dat het door de wind komt, maar dan zien ook wij deze nacht-lemur in de kruin van de boom. Dat was een mooie vondst, maar nog geen mouse lemur.

Dan schijnt hij zijn zaklantaarn opeens in het struikgewas en sprint in die richting; hij had er één gevonden. Helaas had dit beestje er niet zoveel zin in want toen wij er waren zagen we de mouse lemur alleen nog verder het struikgewas in vluchten.

Met een beetje hulp van een andere gids lukt het dan toch om een mouse lemur goed in beeld te krijgen; wat een schattig beestje. Daarvoor is het best de moeite om in het donker in het struikgewas te turen. Het is overigens niet de laatste mouse lemur zijn die hij vindt, dus we hebben er alle vetrouwen in dat het morgen met de indri indri ook wel goed komt.

Donderdag 8 november

Daar ging de wekker weer om 05:30 uur en bijna gelijktijdig hoorden we het ‘gehuil’ van de indri indri’s. Deze grootste lemur-soort gingen wij vanochtend proberen te vinden in Andasibe Nationaal Park en daarbij zouden we moeten worden geholpen door onze gids ET (we noemen hem maar zo omdat hij een bovengebit heeft waar een buitenaards wezen jaloers op zou zijn).

Wanneer we tegen 06:30 uur bij de ingang van het park aankomen staat ET al op ons te wachten. Even wat formaliteiten regelen en dan snel op pad zodat we geen last hebben van de andere toeristen die hier vandaag ook zeker weer zullen komen.
Onze gids heeft de sokken er goed in en dat moet ook wel, want na de bezichtiging van dit park hebben we nog zo’n 8 uur te rijden naar Soeniera Ivongo waar we vannacht zullen slapen.
Hij rent voor ons uit in de boomtoppen turend naar lemuren. Het enige dat hij het eerste half uur weet te vinden is een paddestoel en daar gaat onze interesse niet naar uit. ET laat zich niet zo makkelijk uit veld slaan en begint allerlei rare geluiden uit te stoten waar zelfs wij verschrikt van opkijken.

Als hij na enige tijd concludeert dat familie 1 niet op de gebruikelijke plaats te vinden is, breidt hij het rondje wat uit en probeert het in het territorium van familie 2. Eerst weet hij alleen maar een mini-kikkertje te vinden, maar dan ineens zegt hij: “indri indri”. We stonden met onze neus zowat bovenop een stuk of van deze beesten zonder ze in de gaten te hebben en dat komt niet omdat ze zo goed gecamoufleerd zijn. Wij waren in ieder geval erg blij, want voor de indri indri waren we hier naar toe gekomen.

Voor ET was het nog lang niet genoeg en hij bleef maar speuren in de boomtoppen terwijl hij zijn oerkreten uitstootte. Het is natuurlijk altijd de vraag of het door de tactiek van de gids komt of dat hij gewoon geluk heeft, maar even later wijst hij ons een tweetal nacht-lemuren aan. Ze zitten bijna op ooghoogte en zijn dus een mooie ‘prooi’ voor ons.

We krijgen geen tijd om tot rust te komen want onze gids is alweer op weg. Hij gaat van de hoofdpaden af en we moeten aardig klauteren om hem te kunnen volgen. Opeens staat hij weer stil en wijst hoog in de boom een paar bruine lemuren aan. Omdat we al zo verwend zijn met de indri indri en de twee nacht-lemuren die we bijna konden aanraken, blijven we hier niet te ang stil staan en gaan verder. RT stelt voor nog even naar ‘lac vert’ te gaan en ook dat blijkt een goede keus want onderweg naar dit meertje stuiten we op een aantal bamboe-lemuren.

Ons gids heeft een grijns van oor tot oor (en dat is best een raar gezicht met zijn tanden), maar je ziet hem denken dat het met de fooi wel goed komt.
Gezien onze gemoedstoestand durft ET het ook nog aan ons een door zijn vrouw gehaakt frutseltje te laten kopen en ach, waarom ook niet.

Na anderhalf uur zijn wij terug van onze speed-safari en blijken tientallen andere toeristen het park net in te gaan. Je moet er vroeg uit, maar dan heb je het lemuren-rijk bijna voor je alleen.
Onze chauffeur was ook al lang blij ons zo snel weer te zien en na een korte sanitaire stop geeft hij gas en gaan we op weg naar Soeniera Ivongo.

We rijden verder naar de oost-kust en dat betekent dat we voornamelijk dalen. Een goede reden voor onze chauffeur om eens goed gas te geven. Wanneer we ergens door een klein dorpje komen, koopt Diana vanaf de achterbank een stokbrood, zodat we ons ontbijt nog een beetje kunnen aanvullen.

Langzaam begint dan ook het landschap weer te veranderen en maakt het Ranomafana-achtige bos plaats voor grote aantallen palmen, maar vooral ook veel lychees bomen waar enorme hoeveelheden vruchten aanhangen. Ook de travellers-palm, die in de rest van het land maar mondjesmaat voorkomt,  is hier alom aanwezig.
We lunchen in Tamatave, nadat we daar eerst de overvaart van morgen geregeld hebben. Het blijkt allemaal toch weer net anders te zijn dan wij ons hadden voorgesteld, want ons hotel van vanavond ligt 7 km buiten Soeniera Ivongo en wij moeten daar om 09:30 uur aan de hoofdweg gaan staan om de shuttle-bus van de ferry-maatschappij aan te houden die ons dan zal meenemen  naar de pier in Soeniera Ivongo. Lekker omslachtig.

Net voor Tamatave hadden we een eerste blik kunnen werpen op de zee, maar na de lunch zien we die prachtige blauwe vlakte steeds vaker. Waar we voor de lunch de lokale bevolking probeerde om kippen te verkopen aan voorbij rijdende auto’s, zien we na de lunch steeds vaker vis bij de voorruit hangen.
De 65 km na Tamatave is het wegdek een ramp. Grote knipgaten maken het onze pooierbak erg last om de snelheid er een beetje in te houden en de kilometers kruipen tergend langzaam voorbij.

Tegen 16:30 uur zien we dan het bord van hotel Mada-Gite waar we vanavond zullen verblijven. Onze chauffeur draait de hoofdweg af en via een smal zandpaadje komen we in een rieten-hutten-dorpje waar ergens in het midden een groter gebouw staat en dat blijkt ons hotel te zijn. Een hotel van dit nivo hadden we deze vakantie nog niet gehad en dan bedoelen we dat niet positief. De slaapkamer is in orde al doet de electriciteit het niet en is er geen badkamer aanwezig (!).
De gezamenlijke badkamer lijkt in de afgelopen weken geen duizend-dingen-doekje te hebben gezien en bovendien is er geen stromend water aanwezig. Dat laatste probleem wordt echter al snel verholpen waardoor we in ieder geval de wc weer kunnen doortrekken, maar de waterdruk is zo beperkt dat een douche er niet inzit.

De zee ligt op twee minuten wandelen, dus daar gaan we natuurlijk even kijken en we worden begeleid door het geschreeuw van een tiental kinderen die blijkbaar niet al te vaak toeristen in de hotel gewend zijn. In het dorp hangt ook de geur van kruidnagels en even later zien we ook waar die lucht vandaan komt; matten vol met de geurende kruidnagels liggen te drogen in de zon.
Aan de oostkust heb je natuurlijk geen zonsondergang boven zee, maar de rood kleurende lucht boven een aantal piroques die op het strand liggen geeft deze plek toch nog iets idyllisch.

‘s-Avonds eten we in een hotely tegenover ons hotel. We bestellen een neutrale, vegetarische rijstmaaltijd omdat we hier geen risico’s willen nemen. Als verassing worden een viertal grote, gemarineerde garnalen geserveerd. De goede voornemens gaan overboord en Rob peuzelt ze achter elkaar op.

Vrijdag 9 november

Het slapen in ons basic onderkomen was niet meegevallen. Het bed was erg goed, maar de warmte was niet uit de kamer te krijgen. Dat dan ‘s-nacht de stroom eraf gaat helpt ook niet.
Het ontbijt was in de basic-stijl van het hotel, maar smaakte best. We voldeden onze rekening en liepen naar de doorgaande weg waarover we gisteren gekomen waren omdat we daar opgepikt zouden worden door de bus van de ferry-maatschappij.

We stonden al om 09:05 aan de weg en dat was minimaal een half uur te vroeg, maar wij wilden geen risico nemen. Elke keer wanneer we wat in de verte aan zagen komen stonden we gereed om de hand op te steken, maar het duurde uiteindelijk tot 09:45 uur voordat we onze bus aan zagen komen. Hoewel wij allerlei beren op de weg zagen, gaat het allemaal helemaal volgens plan en komen we nog voor 10:00 uur aan bij de pier in Soeniera Ivongo.

Dan denk je dat je op de boot kunt stappen, maar daar gaat toch weer een hele papierwinkel aan vooraf. Eerst inschrijven op een lijst bij een soort balie van de ferry-maatschappij, dan naar de gendarmerie om nogmaals de paspoortgegevens te noteren en als laatste zit er nog een oom agent vlakbij de boot die dezelfde handeling nog een keer dunnetjes overdoet. Lang leve de werkverschaffing.

Door alle rompslomp gaan we niet eerder 11:00 uur van wal met een volgeladen sloep waar nauwelijks ruimte is om te bewegen. Dit betekent dus anderhalf uur als sardientje in het welbekende blikje en dan niet te vergeten dat deze sardientjes ook nog zo’n fraai reddingsvest aanmoeten. Bovendien is het erg warm aan boord, dus je kunt je voorstellen hoe onze t-shirts eruit zien.

De overtocht lijkt veel langer te duren dan anderhalf uur, maar om 12:30 uur leggen we aan in Ambodifotatra, de hoofdstad van Ile Sainte Marie. Vanuit het bootje zien we al een bordje met onze naam erop dus ook dat is goed geregeld. We gooien onze bagage in een rotte taxi-fiat en rijden de 11 km naar ons verblijf in Ravoraha met de gelijkluidende naam.

Wanneer we ons huisje zien worden we helemaal gelukkig. Het is een huisje dat tussen de palmen, pal aan een smal, wit strand ligt.  De zee is misschien 10 meter van onze veranda verwijderd.
Dit huisje is wel weer van alle comfort voorzien en we kunnen zelfs 4 logés kwijt. We beseffen ons wel dat we één grote fout hebben gemaakt; we blijven hier veel te kort.

‘s-Middags lopen we over het strand even naar de duikschool bij de naastgelegen Bora Princesse Lodge. en net nu wij denken dat we het zo getroffen hebben, moeten we vaststellen dat er altijd ‘baas boven baas’ is. De hutten bij dit complex zijn groter en luxer en liggen, zo mogelijk, nog mooier.
We praten even met de duikinstructeur en besluiten morgen gelijk maar te gaan duiken.

De rest van de middag zitten we vooral op de veranda en genieten van het uitzicht. Wanneer Diana en foto van ons huisje wil maken, blijkt dat ook hier de kinderen graag op de foto willen. Ze laten zich zo mooi mogelijk vastleggen en weten precies waar ze gefotografeerd willen worden. Het enige wat ze ervoor terug willen is hun foto zien op het schermpje achterop de kamera.

Rond 17:30 uur zien we dat ons huisje nog een extraatje heeft. De zonsondergang kunnen we vanuit onze luie stoelen steeds roder zien worden. Het is genieten en met de palmen en de zee op de voorgrond moeten dat mooie plaatjes worden.
We krijgen nog meer spijt dat we hier maar drie dagen zitten.

Zaterdag 10 november

We moesten om 08:30 uur bij de duikschool zijn, dus konden we eerst rustig ontbijten. Toen we na het ontbijt over het strand en onder de overhangende palmen naar de Princesse Bora Lodge liepen, bedachten we of er misschien nog een manier was om hier toch langer te blijven. Om allerlei vervelende, praktische redenen zoals visum, vlucht wijzigen, werk, …….. zetten we dit idee maar van ons af.

Bij de duikschool stonden onze duiksetjes al keurig aangesloten op ons te wachten. Dat was al een makkie. De uitrusting bij deze duikschool ziet er gloednieuw uit, dus daar kon het niet aan liggen.
Samen met een Engelsman uit Liverpool een een walvis Fransman uit Lille en een instructeur van de duikschool gingen we op pad.
De eerste duikstek heet Baracuda en was zo’n 3 km varen. Zonder noemenswaardige briefing lieten we ons achterover van het bootje het water in rollen. We gingen eigenlijk meteen naar 30 m diepte en toen we bijna bij één van de twee koraalblokken waren aangekomen schoot er een haai onder ons vandoor. Op deze diepte zie je de kleuren van het koraal niet meer dus moesten we vooral op zoek naar andere bezienswaardigheden en dat lukte; behalve veel koraalduivels zagen we een enorme rog, een hele grote kreeft en een reusachtige krokodilvis. Net toen we wilden opstijgen schoot er nog een grote school met de naamgevers van dit rif onder ons door.
Voor de tweede duik gingen we naar de duikstek Serapis waar een een 18e eeuws schip is gezonken. De restanten van het schip liggen op 21 m diepte en al snel ontwaren we de kanonnen en ankers. Alles is natuurlijk al behoorlijk overgroeid, maar de contouren zijn duidelijk. Terwijl we een rondje om de restanten maken, zien we opeens een schildpad er vandoor gaan.
Al met al een geen slechte vangst tijdens deze twee duiken en het duiken smaakt sowieso naar meer.

‘s-Middags lunchen we bij ons hotel en luieren wat in ligbedden op het strand. Aan het eind van de middag lopen we over het strand naar de het zuidelijkste punt van Ile Sainte Marie. Van hier zien we Ile aux Nattes liggen, een nog kleiner eiland waar we morgen met een piroque naar toe zullen gaan.
‘s-Avonds staat er vis en andere zeevruchten op het menu, maar wat kun je anders verwachten op een eiland. Het smaakt voortreffelijk.

Zondag 11 november

Het is vanochtend duidelijk minder weer dan de voorgaande dagen. Het waait hard en de zon laat zich maar mondjesmaat zien.
Na het ontbijt lopen we naar de zuidpunt van het eiland en nemen een piroque naar het kleine eilandje Ile aux Nattes dat bekend staat om zijn bounty-stranden. De overtocht in de uitgeholde boomstam duurt slechts enkele minuten, maar zo hebben we ook deze manier van transport kunnen ervaren.

Op 100 m van de plek waar we aanleggen zien we al een prachtig strandje met op de achtergrond azuurblauw (of is het nou smaragdblauw) water. Dat beloofd veel goeds. We besluiten echter om eerst maar eens het eilandje te gaan verkennen voordat we op het strand gaan liggen.
Via en zandpaadje dat de hotels van dit eiland met elkaar verbindt lopen wij richting de oostkant van het eiland. We komen langs het hotel Baboo Village dat als het beste hotel van het eiland bekend staat en lopen daar even het terrein op om te gluren. Het is een mooi hotel met leuke bungalows die een steigertje aan het water hebben, maar wat het meest opvalt is dat ze geen strand hebben; toch gek op een eiland dat bekend staat om z’n stranden.

We lopen verder en krijgen gezelschap van een wit straathondje dat ons niet meer alleen lijkt te willen laten. In zee zijn vrouwen in de weer met een visnet. Het is onduidelijk of het net wordt uitgezet of dat ze het als een soort sleepnet gebruiken.
Even verderop komen we langs een klein kerkje waar net de zondagsmis is afgelopen en iedereen haast zich naar huis, waarschijnlijk om de voetbalwedstrijd van 12:30 uur te kunnen zien. We komen door het enige dorpje op dit eiland en vervolgen onze weg daarna in zuid-oostelijke richting.

Een half uur later zijn we bij hotel Paradiso. De beach-hutjes van dit hotel staan verspreid over het terrein met uitzicht op een wat ruigere Indische oceaan. Het water heeft vele kleuren blauw en het is er heerlijk rustig. Hier zien we eindelijk een strand waarvoor je naar dit eiland zou moeten gaan.
Wij lopen de aanlegsteiger op die wel 50 m lang is en bestellen wat te drinken. We nestelen ons in een heerlijke strandstoel en genieten van het uitzicht. Benji, zoals we de hond gedoopt hebben, is nog steeds bij ens en ligt naast onze stoel te rusten.

Na dit fijne momentje lopen we langzaam weer terug naar de noordpunt van het eilandje. Het is inmiddels helemaal bewolkt en we willen met de piroque over zijn voordat het misschien zelfs gaat regenen.
Hoewel er best een paar mooie plekjes te vinden zijn hadden we ons er eigenlijk iets meer van voorgesteld. Nu we dit gezien hebben weten we zeker dat we het met ons hotel op Ile Sainte Marie erg getroffen hebben.

We gaan bij de buren van Bora lunchen; ietsje duurder, maar ook eens wat anders. Na de lunch lopen we terug naar ons eigen huisje en nemen met een boekje plaats in de 2-persoons hemelbed-strandstoel. Tegen een uurtje of drie begint het dan toch serieus te regenen. Het past wel een beetje bij onze gemoedstoestand als we ons bedenken dat we morgen eigenlijk aan de terugreis naar het kille, natte Nederland beginnen, met morgen een tussenstop in Tamatave en een dag later door naar Tana.

Wanneer we ‘s-middags nog wat drinken bij het hotel horen we bij toeval dat de boot van Cap Sainte Marie vandaag niet heeft gevaren vanwege het weer (?) én dat ze morgen waarschijnlijk ook niet varen. Daqn hebben wij natuurlijk een probleem, want dan redden we het nooit meer om via Tamatave naar Tana te komen. We moeten dan proberen een vlucht te krijgen naar Tana of zoiets. Gelukkig vliegt Air Madagascar wel vanaf dit eiland.

Maandag 12 november

Een nieuw wekker-record voor deze vakantie: 04:00 uur! Hoewel we niet zeker weten of er vandaag wel een boot gaat. De taxi staat netjes op tijd voor het hotel en om 04:45 staan we al bij het kantoortje van Cap Sainte Marie. In het haventje liggen echter geen boten en het kantoortje is ook nog op slot.
Rond 05:00 uur komt er dan iemand aanlopen die het kantoortje opent. We lopen er gelijk heen en vragen of er een boot gaat vandaag. We zijn opgelucht als we horen dat de boten vanuit Soanierana Ivongo naar Ile Sainte Marie onderweg zijn, maar er wordt gelijk aan toegevoegd dat het nog maar de vraag is of ze ook weer terug kunnen naar Soanierana Ivongo. Wij reageren verbaasd want de zee is ziet er erg kalm uit. Volgens de man van Cap Sainte Marie zijn de omstandigheden bij het vasteland een stuk slechter.

We besluiten bij Choco Pain af te wachten onder het genot van wat broodjes en een bak thee. Daar zien we dat we niet de enige toeristen zijn die in afwachting van de boot zijn. Het is allemaal wel toepasselijk in de sinterklaas-tijd.
Het brood komt vers uit de oven dus dat maakt weer wat goed, maar als we vanaf het terrasje een paar zware buien naar beneden zien komen, worden onze kansen er niet beter op.

Rond 07:00 uur gingen we weer naar het kantoor van Cap Sainte Marie. De boten waren om 05:30 uur vertrokken, dus die zou je moeten kunnen zien. Toen we het haventje inliepen zagen we de boten in de verte al aankomen. Zou dat een goed teken zijn?
Bij het kantoortje aangekomen vertelde de man van Cap Sainte Marie dat de boten niet terug zouden keren, want het was onderweg te slecht geweest.
We wachten nog even tot de boten aanmeren en aan de passagiers die uitstappen is niet te zien dat het zo’n zware zee is geweest. We hebben dus zo onze bedenkingen over het afblazen van de terugtocht.
Voor ons zat er niet veel anders op dan over te stappen op plan B.

Voor ons alternatieve plan gingen we op zoek naar het kantoor van Air Madagascar. Dit was gelukkig maar zo’n 150 m lopen vanaf het haventje, want met de grote rugzakken wil je de loopafstand beperkt houden.
Bij Air Madagascar ging het allemaal erg vlot. Er waren twee opties: vandaag naar Tamatave en morgen vanaf Tamatave de rest van ons programma vervolgen, of rechtstreeks van Ile Saint Marie naar Tana. We besluiten voor de eerste optie te gaan, want dan krijgen we toch nog ons  ritje met de taxi-brousse. Er zijn nog drie stoelen beschikbaar dus dat is oké.
Paspoorten erbij, telefoonnummer doorgeven, credit-card op tafel en ………………… toen werd duidelijk dat Air Madagascar alleen maar VISA accepteert.
Dat is dan lekker want er is op Ile Saint Marie geen bank waar je kan pinnen met de Mastercard.
We hadden gehoord dat je bij La Bank Of Africa wel geld met je Mastercard zou kunnen krijgen aan het loket. Wij naar die bank en inderdaad je kon er geld krijgen met je Mastercard, maar wel twee dagen wachten voordat ze uitbetaalden.
Dan naar de volgende bank, de BFG SG, waar we netjes in de rij gaan staan. De bureaucratie doet je af en toe op je tong bijten, maar toen we aan de beurt waren ging het eigenlijk erg snel; Mastercard in de mobiele paslezer, pincode ingeven en daar was het bonnetje al. Nog een paar kopietjes maken voor de administratie en wij weer met een pak geld op weg naar Air Madagscar.

Met cash kun je overal terecht. dus ook bij Air Madagascar. Onze gegevens stonden nog in het systeem van ons vorige bezoek, dus ook hier duurde het maar een paar minuutjes en we hadden de tickets in handen. Nog even afrekenen bij een ander tafeltje en we konden vanmiddag vliegen.
De rest van de ochtend zitten we bij Choco Pain en eten en drinken hier onze tijd vol. We aanschouwen het dagelijks leven in Ambodifotatra en daarbij valt het op dat er hier wel erg veel Franse gepensioneerde vrijgezellen van het type dikke buik en/of vette staart met brede scheiding vergezeld gaan van een Malegassische schone. Het zijn ‘gelukkig’ volwassen vrouwen, maar het geeft toch een beetje kromme tenen.

Om 12:00 uur charteren we een tuc-tuc en laten ons op de luchthaven afzetten. Er is helemaal niemand te vinden op dit luchthaventje, maar we doen maar net alsof dat hier normaal is.
Even later blijkt dat dit toch ook hier niet normaal is want wanneer we een medewerker op de luchthaven aanspreken blijkt de vlucht te zijn verplaatst naar 16:35 uur. Dat kon er ook nog wel bij!

Gelukkig zit het hotel waar we hebben geslapen op slechts enkele minuten wandelen van de luchthaven dus we gooien onze rugzakken in een hoek en gaan wat drinken bij ons hotel. Daar zijn ze erg verrast dat we weer binnenwandelen, maar toevallig is Sophie, de eigenaresse net bezig een mail aan Mora travel te beantwoorden waarin ze deze laatste ontwikkelingen kan meenemen.

Als we tegen drieen weer op de luchthaven zijn, kunnen we gelijk inchecken, dus nog meer vertraging lijkt er niet te komen. Geleidelijk stroomt de kleine vertrekhal vol en om 16:00 uur zien we de ATR 78 landen op de enige baan van dit vliegveld.
In recordtempo worden passagiers en bagage uitgeladen en mogen wij erin. Veiligheidcontroles doen we even niet aan vandaag. Maximaal een kwartier nadat het toestel stil stond bij het luchthaven gebouw, werden de motoren alweer gestart. Hier kan ryanair zelfs een puntje aan zuigen (eerlijkheid gebied te zeggen dat er maar 78 man ingaat).

De vlucht is heel relaxed en een half uurtje later staan we al in Tamatave aan de grond. Enkele minuten later hebben we onze bagage en iets na vijfen stappen we in onze ’taxi’, die ons in enekle minuten naar hotel Joffre brengt. Veertien uur nadat de wekker ging zijn wij op plaats van bestemming, met dank aan het weer, Cap Sainte Marie en Air Madagascar.

Dinsdag 13 november

Vandaag was onze laatste dag in Madagascar, maar we moesten nog wel even van Tamatave naar Tana en wel met de taxi-brousse.
Net als gisteren toen we hier aankwamen, regende het vanochtend heel stevig. Voor de oost-kant van Madagascar had de regentijd zich duidelijk gemeld.

Om 06:00 uur stonden we alweer op het busstation en het regende nog steeds. Tot onze geruststelling hadden we een redelijk luxe taxibrousse dus niet zo eentje waar veel te veel mensen worden ingestouwd. Om de rit toch een beetje lastig te maken hadden ze ons wel op de achterbank gezet.
In tegenstelling tot de kleine, volgepakte taxi-brousses vertrok onze roze Mercedes Sprinter netjes om 06:30 uur.

De rit gaat voorspoedig totdat we rond 11:00 uur de chauffeur verdacht vaak in zijn rechter buitenspiegel zien kijken. Even later stopt hij vlak bij een restaurantje en als we uitstappen zien we waarom hij steeds in de spiegel keek: rechter achterband lek! Wel goed dat hij tot bij het restaurantje is kunnen komen, want nu kunnen we dit mooi combineren met de lunch.

We nemen voor de laatste keer een bord taramuso en combineren het met wat bladerdeeg-hapjes die erg lekker blijken te smaken.
Om 12:00 uur zijn we alweer op weg voor de laatste 100 km naar Tana en zonder verdere problemen bereiken we rond 13:00 uur de hoofdstad, waarna het overigens nog wel bijna een uur duurt voordat we op het station van de taxi-brousse zijn. De rugzakken worden afgeladen en even later zitten we in een taxi op weg naar het hotel. Bij het hotel eten en drinken we wat, waarna we de de rugzakken gaan pakken voor de terugreis. Omdat we een nachtvlucht hebben slapen we ook alvast een paar uurtjes in het voren.
‘s-Avonds nemen we voor het laatst een stukje zebu-vlees en om 21:30 uur gaan we dan op weg naar de luchthaven.

We zijn ruimschoots op tijd op de luchthaven, maar gelukkig zal onze vlucht ook op tijd vertrekken. Terwijl we in de vertrekhal van de kleine luchthaven zitten spelen we reis-film in gedachte af en zijn we het erover eens dat Madagascar een fantastisch land is; een land met een prachtige en unieke natuur, leuke dorpjes en steden, mooie stranden met bijbehorende accommodatie  maar vooral een heerlijke bevolking die, ondanks dat ze niet veel hebben, altijd vriendelijk is en lacht als ze een vazaha zien!

Madagascar 3

Dinsdag 30 oktober

We lopen vanochtend toch nog een keertje naar de bank om wat extra geld te halen; je weet maar nooit. Op de weg terug halen we nog een paar verse stokbroodjes en flesjes water voor onderweg. Om 07:30 uur zijn we weer terug bij het hotel voor een uitgebreid ontbijt.
Wanneer we terug komen van het ontbijt staat de Nissan Patrol van onze nieuwe chauffer Niri al klaar. We halen onze spullen van de kamer en gaan op weg.

Al snel is duidelijk dat Niri een heel andere chauffeur is dan Jean. Zo stopt hij om een (doodgereden) stekelvarkentje te laten zien, gaat na een uurtje even aan de kant bij een mooi uitichtpunt en neemt gelijk de tijd om even de benen te strekken en in Mandato laat hij ons uitstappen zodat we dit kleine dorpje te voet kunnen verkennen. Hij doet dus net iets meer dan van A naar B rijden.
Hij heeft ook een geheel eigen rijstijl. Bergaf geeft hij goed gas en probeert dan bergop zo ver mogelijk te komen zonder terug te schakelen. Wanneer hij dan met een slakkegang weer bovenop een berg is, gaat hij er met grote vaart weer vanaf; net een 8-baan.

Al snel nadat we Antsirabe uit zijn zien we de zon weer verschijnen en wordt het gelijk weer erg warm. Wanneer we anderhalf uur onderweg zijn is het landschap al weer volledig veranderd en is alles weer veel roder dan in de buurt van Antsirabe.

Om 12:00 uur stelt Niri zelfs voor om even een lunch-break te houden. Hoeft niet echt van ons, maar ach, we hebben de tijd. We zijn nog 80 km van Miandrivazo verwijderd en zijn ergens in ’the middle of nowhere’, dus het is wel even een leuke stop. Niri zoekt een plekje onder een grote mangoboom en legt zelfs een zeiltje voor ons neer. Gezellig eten we de broodjes op die we vanochtend hebben gekocht en gooien er wat slokken water tegenaan. Niri heeft het voor zichzelf beter voor elkaar, want hij heeft ook nog een blikje sardientje bij zich.
Niri geeft een deel van z’n lunch aan een man met twee kinderen die was komen aanlopen. We vragen ons af waar hij vandaan komt want het dichtst bijzijnde gehucht is erg ver weg.

Wanneer we de lunch achter de kiezen hebben gaan we terug naar de auto. We stappen in, starten en ……….. vergeet het maar, niets dus; die accu is zo dood als een pier. Niri doet nog wel de moterkap open, maar dat is meer voor de show. Er zit maar één ding op: duwen! Gelukkig had hij net die local bijgevoerd, want die wilde nu wel komen helpen. De krachten van Rob zijn enorm, maar een Nissan Patrol duwt hij niet in z’n eentje uit de berm. Samen met de local lukt het Rob om de auto uit de berm te krijgen en gelukkig loopt de weg hier net bergaf zodat het resterende stukje duwen meevalt.
Gelukkig maken we dit weer mee, want we waren al bang dat we vandaag niet veel te melden zouden hebben.

Niet ver voor Miandrivazo krijgen we nog te maken met een sprinkhanenplaag. Aan alle kanten zien we grote zwermen om ons heen vliegen. Ze stuiteren regelmatig op de vooruit. De regen van sprinkhanen is maar van korte duur, maar Niri vertelt dat deze beestjes een ramp zijn voor de lokale rijstoogst.

Tegen tweeen zijn we dan in Miandrivazo, één van de warmste steden van Madagascar. Vannacht hadden we nog een dekbed over ons heen tegen de kou en nu zweten we als otters wanneer we maar een glaasje drinken oppakken; dat is weer even wennen. Het doet ons een beetje denken aan Death Valley.
Gelukkig heeft het hotel een zwembad, maar helaas is het water zo warm dat je er niet van afkoelt.

Woensdag 31 oktober

Bij het ontbijt kwam Diana erachter dat we inmiddels al aan onze ‘volpension’ week waren begonnen, dus kregen we het geld van het diner van gisteravond terug. Altijd lekker zo’n vroege meevaller. Bovendien smaakte het ontbijt veel beter nu we wisten dat het gratis was.

Na het ontbijt hebben we de spullen ingeladen bij Niri en zijn naar Miandrivazo gereden om wat drinken in te slaan. Het was hem gelukt om de auto weer te laten starten, dus we hoefden hem niet weer aan te duwen.
Nadat we water en cola hadden ingeslagen zijn we in drie kwartier naar de aanlegplaats van de boten gereden. We zouden met z’n zessen aan boord zijn, wij twee samen met Trish en John uit Engeland, Dominique en Francoise uit Frankrijk. Allemaal ‘ouderen’ in vergelijking met ons, dus het was een beetje een boottocht van de ANBO. Om 10:00 uur was alles aan boord en gingen we op weg.

De rivier is roestbruin gekleurd door de vele regen van de afgelopen tijd en dat geeft een mooi kleur-effect tegen de groene achtergrond.

We genieten van al de bedrijvigheid langs en op de rivier. Mannen die vissen in een piroque, een veehouder die zijn zebu’s laat drinken bij de rivier, mensen die zich wassen en ga zo maar door. Dit alles tegen een achtergrond van hoge grassen die in bloei staan, afgewisseld door metershoge palmbomen en waterhyacinthen die in bloei staan. Daarbij komt dan nog de bedrijfigheid van dieren, zoals het nestelen van papagaaien in de twee meter hoge wal van de  rivier, een verschrikt wegvliegende ijsvogel, grote zwermen ganzen die laag overvliegen, te veel om op te noemen.
Het varen op de Tsiribihina rivier is een vak apart. Door de vele zandbanken, waarvan de meesten onzichtbaar onder het wateroppervlak, moet de kapitein slingerend over de rivier varen.

Voor de lunch leggen we aan en voor we het weten staat een hele groep kinderen ons aan te gapen. Natuurlijk klinkt het inmiddels veel gehoorde vazaha ook uit hun monden.
De lunch smaakt fantastisch en het is eigenlijk onmogelijk zoiets te bereiden op een 1-pitter. Na de lunch gaan we even de natuur in voor de sanitaire behoefte en daarna wordt er nog wat gedold met de kinderen. Voordat hij het wist had kindervriend Rob een slingeraapje aan zich hangen en die wilde eigenlijk niet meer loslaten. Helaas voor hen moesten wij verder.

Rond 14:00 uur pakten er zulke donkere wolken samen dat het verstandig leek om een slaapplaats te zoeken. We vaarden nog een klein stukje verder tot we bij een plek met een waterval waren en daar gingen we van boord. Het was inmiddels beginnen te regenen, maar we wilden toch nog even de waterval zien. Op weg naar de waterval zagen we nog een paar bruine lemuren en ver boven de waterval zagen we een tweetal sifaka’s van boom naar boom springen. De waterval was niet bijzonder, maar daarvoor moet je eigenlijk in het regenseizoen zijn, maar  het plekje was perfect.
Toen we terug waren van de wandeling naar de waterval was de lucht weer helemaal open gebroken en regende het ook niet meer. Dit deed onze gids besluiten om toch maar een stukje door te varen.

Tegen vijfen stoppen we uiteindelijk bij een zandbank waar we daadwerkelijk de nacht zullen doorbrengen. Terwijl de bemanning de tenten opzet gaan wij een nabij gelegen dorpje in en ook hier is het weer helemaal te gek met de kinderen. Ze lopen met je mee aan de hand, zingen ‘frere jacques’ en willen vooral veel op de foto komen.
Terug bij de boot maken we een mooie zonsondergang mee en dan is het tijd voor het diner. Opnieuw heeft de kok een heerlijke maaltijd bereid.

Donderdag 1 november

“Oh what a night”, van wie is dat nummer ook al weer? Het was in ieder geval erg toepasselijk geweest vanochtend.
Na het diner van gisteravond en het heerlijke glaasje Malagassische rum met citroen en honing, zijn we al om 20:00 uur naar de tent gegaan. Er moest nog een stukje geschreven worden voor de blog en misschien konden we nog wat lezen. Het eerste uur bestond vooral uit zweet-controle; wat was het verschrikkelijk heet in dat tentje. We zijn maar rustig gaan liggen tot deze opvlieger over zou zijn, maar dat was nog helemaal niet gemakkelijk met de vele kleine sprinkhaantjes en een paar zoemende muggen om ons heen. Ook werd al snel duidelijk dat de matrasjes er hooguit voor de sier lagen, want elke oneffenheid in de grond voelde je in je botten. Ondanks dit alles zijn we uiteindelijk ingedommeld om tegen 01:00 uur te worden gewekt door een enorme hoosbui. Gelukkig hield de tent het en door de bui was het ok een beetje afgekoeld. Daarna nog een paar hazeslaapjes, maar om 06:00 uur stonden we al buiten onze tent omdat de eerste zonnestralen de tent al direkt tot een oventje ombouwden.

We zaten al voor 07:00 uur aan het ontbijt en daar was duidelijk te zien dat de Engelsen uit de ANBO-groep het nog veel zwaarder hadden gehad dan ons.
Na het ontbijt voeren we eerst naar het nabij gelegen dorpje om daar wat groenvoer te halen voor onze volgende maaltijden. Vlees hoeft er niet te komen, want dat ’tokt’ al twee dagen in het keukentje (kakelvers). We leggen aan bij de kade waar ook de taxi-brousse-boot ligt en onze kok gaat naar de Super. De taxi-brousse-boot is het lokale alternatief voor de taxi-brousse. Het principe is hetzelfde: de boot moet eerst vol, anders vertrekt deze niet.

Het is nog altijd bewolkt wanneer we om 08:45 uur weer richting Belo gaan, maar we hopen natuurlijk dat dit beter gaat worden. Het uitzicht onderweg is een beetje hetzelfde als gisteren, al zijn de piroques vandaag goed vertegenwoordigd.

Tegen 11:00 uur stopten we op onze lunch-plek, maar we gingen eerst een bezoekje brengen aan een groot gezin dat hier woont. We mogen wat rondkijken en schieten wat plaatjes. Vooral het dochtertje met de rastas blijkt erg fotogeniek.
Tijdens dit bezoekje worden we opeens gestoord door de eerste druppels van wat uiteindelijk een behoorlijke hoosbui blijkt te zijn. We zijn net op tijd terug aan boord.
De lunch is wederom voortreffelijk, maar de boot blijkt zo langzamerhand toch niet echt waterdicht te zijn aan de bovenkant; aan alle kanten druppelt het water naar binnen.

We varen verder en eindelijk zien we de eerste baobab’s. Het zijn de voor Madagascar zo kenmerkende bomen, die statig boven de rest van de vegetatie uitsteken. De baobab doet het hier goed, want we zien ze steeds vakaer en ook steeds vaker in grote groepen; wat een fantastisch gezicht.
Rond 13:30 uur moet de boot weer naar de kant om te schuilen voor een hoosbui. De buien duren niet heel lang maar zijn enorm dicht; je ziet het gordijn van water zo over de rivier op je afkomen.

Op de boot wordt het laatste droge stukje steeds kleiner, maar niet veel later zijn we bij onze overnachtingsplek. Hoewel we eigenlijk weer op een zandbank zouden kamperen, wordt er vanwege de regen die ook vannacht nog verwacht wordt, uitgeweken naar het plaatselijke schoolgebouwtje. Daar zullen alleen de binnententjes worden opgesteld. Bij aankomst in het schoolgebouwtje, blijkt dit gebouw echter niet helemaal waterdicht te zijn, maar beter dan in de open lucht.
Om het allemaal nog erger te maken vertelt Nicolas, de gids van Espace Mada, dat onze tocht naar Tsingy waarschijnlijk moet worden afgeblazen. Vanwege het weer zou zowel de weg ernaar toe als de trails in het park onbegaanbaar zijn geworden. Dit wordt morgen verder uitgezocht.

‘s-Avonds wordt ook het diner opgediend in het schooltje, maar door het ontbreken van stoelen wordt het staande eten. Het mag de pret niet drukken, want het smaakt wederom heerlijk. Ook vanavond worden we weer verwend met een glaasje rum; dit keer is het alcohol percentage nog wat hoger en het brandt naar binnen.

Later die avond wordt er een stevig kampvuur gestookt waar het hele dorp voor uitloopt. We worden vermaakt met zang en dans en vooral de dril-bil competitie is een sensatie.
De locals lijken dit overigens niet alleen vanwege onze aanwezigheid te doen, want wanneer wij al naar bed zijn gaan zij nog een tijdje door en het was nog lang onrustig langs de rivier.

Vrijdag 2 november

We hebben deze nacht veel beter geslapen dan gisteren en dat kwam niet alleen door het comfort van het schoolgebouwtje, maar dat het een behoorlijk aantal graadjes koeler was dan gisteren was nog veel belangrijker. We zijn natuurlijk wel weer vroeg op, maar dat is zo langzamerhand standaard geworden. Wanneer we het schoolgebouwtje uitlopen zien we ook weer wat plukjes blauwe lucht. Misschien dat ………..

We ontbijten op de boot en worden daarbij gadegeslagen door heel veel kinderen uit het dorp. Na het ontbijt deelt opa John snoepjes uit aan de kinderen en dat geeft een mooi spektakel. De slimsten hebben al snel een paar snoepjes te pakken terwijl de kleintjes het erg moeilijk hebben. John heeft dat in de gaten en zorgt dat de kleintjes ook voldoende strooigoed krijgen. Om 08:00 uur gaan we weer varen en worden daarbij uitgezwaaid door alle kinderen.

Alles ziet er mooier uit als de zon schijnt; deze wijsheid (waar ook een liedje van is) is niet uit de lucht gegrepen zien wij vandaag. Het zonnetje maakt het leven op een aan de rivier extra mooi: de enorme mango-bomen die ook hier in grote getalen aanwezig zijn, de vogels die af en toe met de boot meevliegen, de piroque-jes die de oversteek wagen, de mensen die zich baden in het zonnetje, maar vooral de majestueuze baobab bomen komen goed uit in het zonlicht.
Wanneer Nicolas, de gids aan boord, weer bereik heeft belt hij met Tsingy en al snel komt hij met het goede nieuws dat we er heen kunnen,

We slingeren het laatste stukje van de rivier af naar Belo en net voordat we afmeren krijgen we de lunch opgediend. het is apas 10:30 uur, maar we hebben nog een lange rit voor de boeg.
De lunch is een beetje een Flappie-ervaring, want het kippetje dat twee dagen stond te kakelen in het kleine keukentje lag nu op onze borden. Een overlijdensbericht was niet meer nodig.

Om 11:00 uur staan we op de kade en nemen we afscheid van de bemanning; het waren twee fantastische dagen!
De 4×4 van John en Trish staat al te wachten en ze stappen gelijk in. Hen zullen we later weer terug zien want ze zitten in hetzelfde hotel in Bekopaka. Francoise en Dominique blijven op de boot, want zij zullen aan de andere kant van de rivier worden afgezet omdat zij direct naar Morondava gaan.
Niri, onze chauffeur, zat nog in Belo te lunchen. De chauffeur van John en Trish heeft hem inmiddels al gebeld en hij is onderweg.  Hij komt luttele minuten later de bocht om stuiven en wij stappen gelijk in.

De weg naar Bekopaka zal wel behoorlijk geleden hebben onder de hoeveelheid regen van de afgelopen dagen, maar we gaan het beleven. De eerste kilometers gaan voortvarend en we scheuren over een roestbruin zandpad met ook hier nog af een toen een mooie baobab. Zo af en toe spetteren we door een enorme poel heen, maar het mag de pret niet drukken,
Na een uurtje rijden komen we de eerste auto’s tegen die de rit in omgekeerde richting afleggen. vanuit een auto van de tegenliggers klinkt “beaucoup de chance” en we zien dat hun auto al helemaal onder de rode modder zit. Er staat ons waarschijnlijk nog wel wat te wachten.
We stoppen onderweg een keer om de benen te strekken en daar zien we JJohn en Trish opeens voorbij scheuren. Ze vertellen ons later dat ze gestopt hebben omdat ze een kameleon hadden gespot.
Om 15:00 uur zegt Niri dat het nog 15 kilometer is naar Bekopaka en dat valt ons mee. Tot nu toe zijn we wel een paar diepe plassen door gescheurd en over wegen als wasbordjes gerammeld, maar nog niet het idee gehad dat we vast zouden komen te staan.

Het venijn zat dus duidelijk in de staart. Op ongeveer 10 kilometer voor Bekopaka verandert de kleur en samenstelling van de grond en rijden we in een soort van grijs modderbad. Dit zou best wel eens goed kunnen zijn voor de huid, maar rijden is hier zo’n beetje onmogelijk. We glibberen en glijden van de ene plas naar de andere en Niri moet zijn uiterste best doen om de de auto in een spoor te krijgen.
Hij moet af en toe zelfs de auto uit om te peilen hoe diep de plassen zijn. Onderweg moet we nog om een vastgelopen bus manouvreren, waarvan de chauffeur bezig is om sneeuwkettingen aan te brengen.
De laatste kilometers is er van autorijden geen sprake meer, maar dit moet een fantastische uitdaging zijn voor de die-hard 4×4 rijder.

Dankzij de goede, beheerste manier van rijden van Niri staan we tegen vieren bij het laatste obstakel: een riviertje waar we met een pontje overheen gaan. Het pontje doet wat spaartaans aan, maar de overtocht verloopt probleemloos.
Om 16:15 uur zijn we op onze kamer en ook hier ziet het er allemaal erg leuk uit. We hebben hier zelfs een zwembad en kunnen na de afgelopen drie dagen de verleiding niet weerstaan; heerlijk!

Zaterdag 3 november

Vandaag stond het (klim)avontuur in de Grande Tsingy op het programma. Vanwege de hitte stonden we al om 07:15 uur bij onze auto. Eerst naar Bekopaka om onze gids op te pikken en daarna nog naar de buurtsuper voor een trosje bananen en een paar flessen water.
Het is maar 17 kilometer naar de begin van de trail, maar we deden er toch een uur over; de weg is hier nl. net zo slecht als gisteren het laatste uur. Glibberend en glijdend zoekt Niri z’n weg. Dit moet het moeilijkst bereikbare nationale park op de wereld zijn.

Als we er eindelijk zijn, stappen we in onze klimgordel met musketons en gingen we op weg. Eerst een half uurtje door bosachtig gebied. Hier wist onze gids een Roodstaart lemur te vinden. Dit nachtbeestke hadden we ook al in Ranomafana gevonden, maar toen zat het veel hoger, bovendien had dit beestje de slaap blijkbaar niet kunnen vatten want het keek ons met grote ronde ogen aan.

Even verderop begon dan onze beklimming van Tsingy. We kregen nog wat instructies van de gids en gingen toen op weg. Eén van de instructies is dat je niet mag wijzen met gestrekt vinger. Dat is wat ze hier noemen fadi (taboe) en kan ongeluk brengen, dus die instructie moeten we maar goed onthouden.

We gaan eerst geleidelijk omhoog, tot we bij een grote grot komen. Hier moeten we onze hoofdlichten op want het is er pikdonker. De grot is 70 meter lang en we slingeren tussen de stalagtieten en stalagmieten door naar de uitgang. Hier moeten we direct in de klimgeit houding wat het gaat over smalle richels en kleine stapsteentjes omhoog. Bij de gevaarlijke afgronden zekeren we ons met de musketons aan een stalen kabel die is vastgezet in de wand. Ons eerste doel is een uitzichtpunt waar je het de Tsingy van bovenaf kunt bewonderen.
Het ontstaan van de naaldvormige karstformaties begint 200 miljoen jaar geleden wanneer het plateau van Bemaraha nog volledig is bedekt door de zee. Dan begint een gigantische tectonische plaat naar boven te komen. De kalksteen droogt uit wanneer het boven water komt te liggen en zo ontstaan de canyons en de breuken. Vijf miljoen jaar geleden komt de regen als volgende erosievom het plaatje afmaken. De iets zure regensijpelt langs de rotsen, vreet de kalksteen aan en creert de scherpe grijze bergpieken die in het Malagassisch Tsingy worden genoemd.

Wanneer we boven bij het eerste uitzichtpunt komen hebben we een echt ooooooohhh-momentje. Wat een een fantastisch natuurspektakel is dit. Je moet er wel wat voor over hebben om hier te komen, maar het is meer dan de moeite waard. Het ergste is misschien dat we steeds vergeten dat we niet met gestrekte vinger mogen wijzen. Als dat maar goed gaat vandaag.
Het is bovendien een mooie plek om een foto van een vakantiestelletje te maken. Onze gids neemt de camera ter hand en zie hier het resultaat.

Tussen de toppen van de toppen van Tsingy gingen we op weg naar een tweede uitzichtpunt. Om elke hoekje was er eigenlijk wel weer een foto-moment en de camera stond bijna niet stil. Elke keer dacht je weer dat je de ideale ansichtkaart-positie had gevonden. We zouden bijna vergeten dat we elke stap voorzichtig moeten zetten en ons vooral moeten zekeren waar een staalkabel hangt. Dan spot onze gids nog een groepje witte sifakas tussen de boomtoppen net buiten de tsingy, helaas zie je ze hier op de tsingy alleen maar in de regentijd.

Een half uurtje nadat we bij het eerste uitzichtpunt waren, stuiten we op een hangbrug van 20 meter lengte over een 70 meter diepe kloof. We mogen maar met één persoon tegelijk over de wiebelbrug en ook hier weer zekeren met de musketons. Direct na deze brug gaan we nog een stukje omhoog en dan zijn we bij het tweede uitzichtpunt en ook hier vergapen we ons aan de wonder der natuur. Het is maar goed dat we de reserve batterijen mee hebben genomen.

Na al deze indrukken van bovenaf, gingen we vervolgens tussen de kloven door naar beneden. Langs steile, smalle trappetjes en over wiebelige stenen en langs afgronden daalden we, met het zweet in de bilnaad, zo’n 100 meter af. We waren echter nog steeds niet uit dit natuurlijke doolhof. Er wachten nog een tweetal kruip-door-sluip-door grotten op onze weg die we slechts op de knieen doorheen konden.

Toen we de grotten door waren, kwamen we op een koele schaduwplek die ze hier het restaurant noemen omdat het een ideale plek is om je lunchpakket te nuttigen. Onze gids wijst ons op een Mangoest, een kleine carnivoor die inmiddels waarschijnlijk weet dat er kip in de lunchpakketjes van de hotels zit en hier makkelijk aan z’n dagelijkse portie vlees kan komen. Helaas hebben wij zelf inkopen gedaan voor de lunch en daar zit geen vlees bij. Dat heeft het beestje al snel in de gaten en gaat dan op zoek naar beter bruikbare toeristen.

Na de lunch nog een laatste klim, gezekerd langs staalkabels en via steile trappetjes en toen hadden we het moeilijkste deel gehad. Bezweet van ale inspanning lopen we langs een relatief eenvoudig stuk naar het bos terug en niet veel later arriveren we weer bij onze chauffer. Natuurlijk vertelden we hem dat het allemaal heel eenvoudig was en dat we nog wel een rondje konden doen, maar hem niet langer wilden laten wachten.

We drinken nog een fles water leeg en zetten ons dan weer schrap voor de rit terug over de moeilijk begaanbare weg naar Bekopaka.
Een uurtje later laten we ons afzetten in Bekopaka omdat daar de nodige hotely’s zijn en we hopen daar een hapje eten te scoren. We gaan zo’n 11 hotely’s in, maar blijkbaar is de groente op de bon want we kunnen alleen maar witte rijst met kip of eend krijgen en daar hebben we nu geen trek in. Na nog wel een literfles cola leeg te hebben gemaakt, lopen we terug naar het hotel. Hier nemen we heelijke gemengde salade.
In onze kamer wassen we onze broeken uit, want deze hebben nogal te lijden gehad onder de tocht van vandaag. Daarna tijdschriftjes mee naar het zwembad en relaxen!

Zondag 4 november

Om 05:30 uur ging de wekker al. We hadden een lange rit voor de boeg met als eindbestemming Morondava, maar vooral de ‘Allee de Baobab’.

Nadat we snel een ontbijtje naar binnen hebben gewerkt gaan we om 06:15 uur al op weg naar het eerste obstakel: de Manambolo rivier. Net als op de heenreis moesten we hier met een pontje de rivier oversteken. We arriveerden als eersten bij het pontje, maar helaas konden we niet gelijk overvaren. Eerst moets er een grote aanhanger met bevoorrading de rivier over. Die oversteek ging voorspoedig, maar toen het pontje had aangelegd, bedacht men pas dat de ploeg nog achter de tractor vandaan moest. Dat koste natuurlijk veel tijd, maar uiteindelijk is het allemaal gelukt en konden wij rond 07:00 uur de oversteek maken.

Toen begon eigenlijk pas weer het zwaarste gedeelte van de reis, want we moesten over dezelfde slechte weg als we heengekomen waren ook weer terug naar Belo. We namen gelijk de leiding in deze rally-wedstrijd en hebben die niet meer uit hand gegeven. Met veel gevoel stuurde Niri onze Nissan over de paden, die diep uitgesleten waren door al het water van de afgelopen dagen. Wereldkampioen Sebastien Loeb zou het niet beter doen (misschien wel sneller).
Omdat de afgelopen twee dagen de zon goed z’n best had gedaan, waren de paden wel iets beter dan op de heenreis en arriveerden we ook sneller dan verwacht in Belo.

In Belo wilde Niri ons bij zo’n typisch toeristenrestaurant afzetten, maar we hebben hem nogmaals verteld dat wij niet zo graag tussen de andere toeristen verblijven. Hij zal er niets van begrijpen, maar heeft ons daarna wel naar een griebus-tent gebracht waar we helemaal alleen met een paar locals een lekker bordje rijst met wat groenten hebben weggewerkt. Natuurlijk hebben we Niri ook getrakteerd, maar dat is nogal makkelijk met de prijzen hier.

Na de lunch gingen we op weg naar onze volgende oversteek; dit keer over de Tsiribihina rivier. Het pontje lag bijna op dezelfde plaats als we twee dagen geleden waren aangemeerd met onze lekkende sloep. Auto op het pontje en nu maar wachten tot er nog een auto zou komen, want voor één auto gaan ze niet op pad.

Gelukkig duurde het wachten niet lang en en we steken van wal. Er gaat ook een handjevol locals met ons mee  naar de overkant. Er staan ook dit keer weer vrouwen bij die een soort klei op hun gezicht hebben. Je ziet dat best veel. Er zijn twee varianten, een witte als een soort zonnebrandmiddel en een gele als een soort schoonheidsmasker. De resultaten ervan zijn overigens niet wetenschappelijk bewezen.

Deze oversteek zou zo’n uurtje duren, omdat we eerst een stukje stroomopwaarts moesten varen en net binnen het uur arriveerden we bij de aanlegsteiger; hier kan de NS nog wat van leren.We konden dus  weer op pad. Het ging bijna nog mis omdat een kluns het pontje niet goed had vastgemaakt, waardoor onze auto bijna het water in verdween.

Vanaf hier zou het nog zo’n drie uur rijden zijn naar Morondava, dus we gingen er maar weer goed voor zitten. Met het oversteken van de Tsiribihina rivier was het net of we weer in de bewoonde wereld terug keerden en een woeste uithoek van Madagscar achter ons lieten. Dit gevoel werd niet veroorzaakt door betere wegen, want ook hier was het een zandpad met soms moeilijk doorwaadbare waterpartijen.
De omgeving veranderde wel. Het rode zand werd steeds lichter en de baobabs steeds talrijker, maar vooral groter.
Onderweg trapte Niri een keer stevig op de rem omdat hij sifaka’s had gespot. We liepen iets terug en daar sprong inderdaad een drietal sifaka’s door de toppen van de bomen. Camera,s in de aanslag, maar dit keer waren ze ons te snel af.

We stopten onderweg nog een paar keer voor wat bijzondere baobabs. Zo fotografeerden we de oudste baobab (450 jaar) en de verliefde baobabs (twee ineen gestrengelde baobas) en ook zien we nu het verschil tussen de drie belangrijkste soorten baobabs.

De ultieme fotoshoot voor vandaag moest echter plaatsvinden op de ‘Allee de Baobabs’. Dit zandpad met een 15-tal baobabs erlangs is waarschijnlijk de meest gefotografeerde plek in Madagascar.
We moeten toegeven; het is een fantastisch plaatje, vooral wanneer er dan ook nog een zebu-kar over het zandpad rijdt.
Het grappigste is misschien wel om al die toeristen in een rijtje naast elkaar te zien staan om de ideale foto te maken, wat een kuddedieren!

Een fotootje of 40 verder besluiten we maar richting ons hotel in Morondava te gaan, want het is inmiddels 18:00 uur en we hebben best trek. Onderweg stoppen we nog voor een paar echte zonsondergang foto’s (met baobab natuurlijk) maar ongeveer 12 uur na onze dagstart geeft Niri weer eens echt gas op het asfalt.
Ons hotel is voortreffelijk en het eten nog beter, maar dat hadden we ook wel verdiend vandaag.
Niri gaat een nachtje naar zijn gezin, want hij woont in Morondava.

Maandag 5 november

We hadden vandaag om 07:30 uur met Niri afgesproken en hij was al weer ruimschoots voor die tijd aanwezig. Vandaag was een reisdag; geen uitstapjes onderweg, maar alleen van MorondavA naar AntsiraBe.
Morondava is de meest westelijke bestemming van onze reis en ons hotel ligt aan het strand, dus voordat we vertrokken hebben we nog wel even de zeelucht opgesnoven.

In tegenstelling tot de voorgaande dagen reden we vandaag over een strak geasfalteerde weg. Deze N35 is pas vorig jaar voltooid, dus bijna geen gaten in de weg. Niri kon het gas er lekker ophouden. Het enige oponthoud dat we hadden werd veroorzaakt door onze fotostops.
Het landschap veranderde alweer snel. De baobabs verdwenen al snel uit het zicht en er kwam savanne-landschap voor terug. In de vele kleine dorpjes die we passeerden, was het een enorme drukte vanwege de markten die over het algemeen op maandag zijn.

Na vier uur karren waren we in Miandrivazo, waar we lunchten in een klein hotel. Het was er gezellig druk. We bestelden taramuso, dit is rijst met witte bonen in een soort tomatensaus. Daar wordt een sambal-achtig goedje bij geserveerd en smaakt heerlijk.
Ook dit keer hebben we onze chauffeur maar weer uitgenodigd; wie breed heeft……….
De rekening voor drie personen met twee hele liters Coca Cola bedroeg maar liefst 3,5 euro.

De weg van Miandrivazo naar Antsirabe hadden we vorige week dinsdag in omgekeerde richting afgelegd, maar het blijft een heerlijke weg om te rijden. Lange doordraaiende bochten worden afgewisseld met pittige klimmetjes en steile afdalingen. Jammer dat je hier niet zelf mag sturen.

Op 150 kilometer van Antsirabe wordt het landschap een stuk bergachtiger met de meest fantastische vergezichten. Soms lijkt het of een berg is open gebarsten als een stuk overrijp fruit waarbij het rode vruchtvlees zichtbaar wordt, terwijl het iets verder lijkt alsof er een groen vilten kleed over een enorme golfplaat is gedrapeerd.

We genieten volop van alles om ons heen en stoppen alleen nog om een paar foto’s te maken en om even van de weg af te gaan omdat er daar een stuk weg weg is.
Dit rit van vandaag verliep helaas niet helemaal vlekkeloos, want er was onderweg nog wel een dodelijk slachtoffer te betreuren. Toen we door Matombo reden stond er een kippetje op de weg die twijfelde tussen oversteken en terug lopen. Deze twijfel werd het kippetje fataal. Het linkervoorwiel wist het kippetje nog te ontwijken, maar het linkerachterwiel maakte een pastei-vulling van het kippetje. Hopelijk eten ze er daar goed van vanavond.

Om 16:30 uur zijn we terug in ons favoriete hotel Couleur Cafe. We gooien onze spullen op de kamer en nemen een versnapering in de binnentuin.

Madagascar 2

Dinsdag 23 oktober

Vandaag beginnen we aan de tweede week van onze vakantie en konden we lekker uitslapen want de rit naar Ambalavao (of Ambalavalo zoals Diana steeds zegt) duurt maar drie uurtjes. Helaas moest de eigenaar van ons hotel vroeg naar Fianar, dus liet hij zijn medewerker ons om 06:30 uur wekken. Later bleek dat de eigenaar nl. zelf met ons wilde afrekenen. Na een paar schreeuwen van ons was het geklop snel afgelopen en hebben wij ons nog even omgedraaid.
Uiteindelijk zaten we om 08:00 uur aan ons ‘eigen’ tafeltje op het mooie terras met prachtig uitzicht op o.a. de Ravinala (travelerspalm), het nationale symbool van Madagascar. Het ontbijtje smaakt weer heerlijk, maar dat kan ook niet anders op deze plek.

Om 09:00 uur zitten we weer in onze Landcruiser en gaan we op weg naar Ambalavao. We stoppen nogmaals bij de waterval buiten Ranomafana omdat deze in het ochtendlicht er een stuk beter uitziet. We gaan over dezelfde weg als we gekomen zijn naar Fianar en daar stoppen we nogmaals bij het Zomatel om wat te drinken.

De dinsdag is één van de twee grote marktdagen en dat is toch nog wel een verschil met hetgeen we hier een paar dagen geleden hebben gezien; de wegen rondom de vaste markt staan allemaal vol met stalletjes.

We nemen wat te drinken bij het Zomatel en gaan daar naar de bank om nog een keer goed te cashen. De komende week zullen we nl. geen banken meer tegenkomen. Vervolgens besluiten we nog maar eens contact op te nemen met Mora-travel i.v.m. ons gewijzigde programma. Bij de tweede poging krijgen we iemand aan de lijn die Engels spreekt en dan wordt duidelijk dat Andringitra er niet inzit met onze Landcruiser; de wegen ernaar toe zijn te slecht. Natuurlijk hebben wij een alternatief achter de hand. We willen dan op 27 oktober in Fianar slapen zodat we deze stad eens serieus kunnen bezichtigen en een extra nacht in Antsirabe zodat we daar voldoende tijd hebben om de stad te bezichtigen en een bezoek te brengen aan het kratermeer in de buurt. We geven de gewenste hotels door en wachten maar weer af

Met een dik pak geld op zak en een bord friet achter de kiezen gaan we rond 13:30 uur verder richting Ambalavao en het valt ons op dat de lucht in het zuiden er erg donker uitziet. Als dat maar goed gaat.
Onderweg zien we de omgeving langzaam veranderen, de rijstvelden maken plaats voor graslanden en in de verte is het Andringitra massief te zien. Het ziet er onheilspellend uit met de donkere lucht erboven.
15 kilomter voor Ambalavao spatten dan de eerste druppels op de voorruit en kunnen we niet meer ontkomen aan onze eerste vakantiebui. De druppels zwellen in korte tijd aan tot een enorme bui waar de ruitenwissers van onze Landcruiser geen raad mee weten Als vervolgens het water aan de bovenkant van de deur bij Rob naar binnen begint te stromen, lijkt de zondvloed echt begonnen. Niet veel later begint het ook te lekken bij één van de achterdeuren en als klap op de welbekende vuurpijl komen er ook straaltjes bij de voorruit aan de kant van Jean naar binnen. Het is maar goed dat we met deze auto niet in het regenseizoen hoeven te reizen. Inmiddels licht Diana op de achterbank dubbel van het lachen en rollen de tranen over haar gezicht. Het is al-met-al ook best wel komisch, zeker wanneer de bui na een minuut of vijf al weer begint af te nemen om vervolgens even plots te eindigen als die is begonnen. De doeken waarmee we deze watersnood hebben proberen te bestrijden kunnen worden uitgewrongen en we gaan verder alsof er niets gebeurd is.

Vlak voordat we in Ambolavao aankomen stop Jean nog bij een winkeltje en koopt daar een leeg waterflesje en laat deze volgooien met benzine. We durfen niet meer te vragen waar dit voor is, maar hij lijkt op alles voorbereid.
Wanneer we Ambalavao binnenrijden zien we dat daar geen druppel is gevallen. Een typisch geval van een lokale bui.

Nadat we onze spullen op de kamer hebben gegooid gaan we Ambalavao verkennen. Het is een stoffig dorp waar de markt een belangrijke plek inneemt. Helaas is er op dit moment niet veel te doen. Ook de enorme kerk valt op omdat deze veelt te groot lijkt voor dit plaatsje. Inmiddels hebben we wat schroom van ons afgegooid en eten de lekker hapjes die op straat worden bereid en ook voor het avondeten gaan we ‘s-avonds de stad weer in om bij een leuk hotely plaats te nemen. Ondanks dat we ‘s-middags op de markt hebben kunnen aanschouwen hoe men hier met vlees omgaat, durft Rob het toch aan om een paar worstjes te bestellen. Ze smaken heerlijk en hopelijk denken zijn darmen daar morgen ook zo over.

Woensdag 24 oktober

De regenbui die wij gisteren over ons “vergiet op wielen” heen kregen was niets in vergelijking met wat er de afgelopen nacht over ons heen is gekomen. Op een gegeven moment was het lawaai van de regen op het metalen dak zo luid dat we niet meer konden slapen en enige tijd onder onze klamboe hebben zitten wachten of er misschien een oproep zou komen om in de boot te klimmen. Wat een enorme hoeveelheid water kwam er naar beneden.
Toen we vanochtend naar het restaurant liepen voor een ontbijtje was de lucht nog steeds erg grijs, maar het regende gelukkig niet meer.

Vandaag was het marktdag in Ambalavao en wij zijn hier vooral heen gegaan vanwege de zebu-markt. Vele honderden zebu’s worden van heinde en ver hier naartoe gebracht om verhandeld te worden. De markt ligt net iets buiten de stad en we laten ons er door Jean afzetten. Voor de zekerheid nemen we de regenjassen mee.
Eerst is het nog wel wat onwennig en zijn we voorzichtig omdat de hoorns van een zebu indrukwekkende maten aan kunnen nemen. We lopen wat over het marktterrein en gedragen ons na verloop van tijd eigenlijk net als de andere potentiele kopers, want ook wij bekijken en beoordelen de zebu’s. Het enige verschil is dat wij dit doen om te zien of het een leuk plaatje kan opleveren.
De zebu’s staan bij hun eigenaren, verdeeld over het marktterrein en bij elk groepje zebu’s lopen een aantal jongen met stokken te zwaaien om de groepjen zebu’s bij elkaar te houden. Soms gaat dat mis en stuift er een zebu over het marktterrein richting een andere groep en dan springen wij toch wel even achter de hekken.

Wanneer we nog maar net op de markt zijn komen er twee kleine meiden naar ons toe lopen en elke foto die Diana van de Zebu’s nam wilden ze zien. Natuurlijk wilden ze ook zelf op de foto. We dachten de meiden kwijt te kunnen raken door ze een paar potloden te geven, maar ze wilden van geen wijken weten; waar wij gingen liepen zij ook.
Wat het fotograferen betreft is Madagascar een heel ander land dan vele andere vakantielanden van ons. Hier willen ze maar wat graag op de foto. Kinderen, vrouwen en zelfs volwassen kerels vragen aan Diana of ze een foto van hun wil maken en vooral ook even terugzien natuurlijk. Gelukkig kun je digitale foto’s ook weer makkelijk weggooien!

Na de zebu-markt brengen we ook nog even een bezoekje aan de ‘normale’ markt. Deze markt is enorm en vooral de kleding-afdeling valt op door zijn omvang. Verder is er natuurlijk groente en vlees, maar ook een grote non-food sectie waar de led-lampen goed vertegenwoordigd zijn. Dichter bij de hoofdstraat zit er een hele naai-afdeling op straat waar je terecht kunt voor al je verstelwerk.

Het is op deze marktdag enorm druk in Ambalavao (waarschijnlijk te vergelijken met de hoofdstraat op een koopzondag). Later op de middag zie je velen met de spullen die ze op de markt gekocht hebben op weg gaan naar het taxi-brousse station van Ambalavao. We blijven even staan op het taxi-brousse station om ons te verwonderen over de hoeveelheid mensen en spullen die ze in één klein minibusje weten te proppen. Dat staat ons ook nog te wachten!

Het bezoek aan de markten maakt dorstig, dus we gaan naar onze favoriete hotely Poupoune voor een drankje en nemen er gelijk een lekker omelette met een vers stokbroodje bij. Na deze versnapering duiken we even een internetcafe in omdat we de weerssituatie willen bekijken i.v.m. ons bezoek aan Anja Nationaal Park. Volgens de weersite zou het morgen iets beter weer moeten zijn dan vandaag dus we besluiten om morgen naar Anja NP te gaan. Dit moeten we natuurlijk nog wel even aan Jean vertellen, want hij denkt dat we vanmiddag gaan.

s’-Middags hoeven we dus nergens heen en lezen we wat op het ’terrasje’ voor ons huisje. Ook lopen we nog even de stad in om een mailtje naar Mora-travel te sturen en deze blog bij te werken.  Bij Poupoun drinken we nog een biertje en luisteren naar een verhitte discussie van een paar Amerikanen over de presidentsverkiezingen.
In de loop van de middag wordt de lucht steeds helderder, dus we lijken de juiste beslissing genomen te hebben t.a.v. het bezoek aan Anja NP.

‘s-Avonds gaan we voor de laatste keer naar Poupoune om er eten. Omdat we er al voor de vierde keer waren kregen we een colaatje kado. Het eten smaakt wederom voortreffelijk en kost niet veel. Even wat prijzen op een rijtje.
Flesje cola: 50 cent
Flesje bier: 70 cent
Omelette: 1 euro
Portie nasi: 1,50 euro
Zebu brochette: 3 euro
Kopje thee: 50 cent
Zoals je kunt zien vallen de dagelijkse uitgaven wel mee, zelfs goed betaalbaar met onze karige ambtenarensalarissen. Op een ‘normale’ dag geven we met z’n tweeen 25 euro uit en als we een  (verplichte) gids nodig hebben in een Nationaal Park zijn we tussen de 10 en 25 euro extra kwijt.

Donderdag 25 oktober

Ook vannacht had het weer stevig geregend, al was het niet zo’n kabaal als gisteren, maar ook nu was het weer droog toen wij gingen ontbijten. Na een croissantje, stokbroodje en een een sloot thee, pakken we onze spullen in en laden we alles weer in de auto. Op weg naar Ranohira, maar met een tussenstop in Anja Nationaal Park. Jean had inmiddels weer een gids geregeld.

Het park ligt maar 15 kilometer buiten Ambalavao, dus we stonden al snel aan het begin van de betrekkelijk korte trail. Samen met onze gids en zijn hulpje gingen we op pad. Al snel hadden we het eerste wild gespot; een groep Ring Tail Lemurs hing een beetje rond in de bomen en maakte helemaal geen aanstalte om te vluchten toen wij kwamen aangelopen.
Alle gelegenheid dus om een paar kiekjes voor het famliealbum te maken; eentje hoog in de boom, eentje op de grond, eentje aan de boomstam en eentje posserde zelfs potsierlijk tussen een paar boomstammetjes. Onze dag kon al niet meer kapot.

We liepen verder en zagen niet veellater een mooie groene kameleon; die konden we ook weer afvinken.
Even verderop weer wat ringstaart lemuren, maar toen was het even gedaan met de beesten. Onze gids nam ons mee langs een route met mooie uitzichten. Daar moest je wel wat voor doen: stijle granietrotsen beklimmen, wankele stenen trappetjes op, gebukt door grotten heen en zelfs een klein stukje abseilen langs een touw met dikke knopen.
De route leidde ons niet alleen naar mooie uitzichtpunten, maar we kwamen ook heel dicht bij een tweetal rots-graven die al vele generaties door de mensen uit deze omgeving worden gebruikt en zelfs nog steeds in gebruik zijn.

Aan het eind van onze tocht werden we toch nog verrast met een grote groep ringstaartlemuren die we heel dicht konden naderen. Deze groep bestond niet alleen uit volwassen dieren, maar er zal zelf jonkies bij in alle leeftijden. We wilden hier nog wel een tijdje blijven hangen, maar we wisten ook dat we nog een hele rit voor de boeg hadden, dus hebben we ons maar los gerukt van dit schattige gezelschap en zijn we naar de wagen gelopen. Na ruim twee uur stonden weer op de parkeerplaats, klaar voor het volgende deel van de rit.

Toen we afscheid namen van onze gids, zei hij nog dat vanaf hier het zuiden zou beginnen Hiermee bedoelde hij dat weer en landschap zouden gaan veranderen. Het weer zagen we nog niet zo hard veranderen, maar het landschap werd echt anders. Soms had je het gevoel dat je in Arizona of Utah reed en dat je zo een bordje met Grand Canyon tegen kom komen. De vlaktes worden uitgestrekter, af en toe onderbroken door een enorme granieten heuvel of heuvels. De rijstvelden waren verdwenen en hadden plaatsgemaakt voor een soort steppe-landschap.

Na een tweetal uurtjes rijden stopten we in Ihosy voor de lunch en op dat moment begon ook de lucht weer open te breken en kwamen grote blauwe vlakken tevoorschijn. De rest van de rit zette dit door en tegen de tijd dat we in Ranohira aankwamen was het alweer pittig warm.

Bij ons hotel spraken we een gids van het Isalo Nationaal Park en hij heeft ons uitgelegd welke mogelijkheden wij morgen hebben. We maken een afspraak wat we willen zien en spreken morgen om 07:30 uur met hem af.

We hebben nauwelijks de tijd voor een versnapering, want om 16:00 uur gaan we al weer op pad naar een plek die fenetre d’Isalo heet en waar je een mooie zonsondergang kunt meemaken. Voordat we daar zijn bezoeken we nog een mini-museum waar e.e.a. wordt uitgelegd over het ontstaan van dit gebied.
Om 17:00 uur zijn we bij het fenetre en wachten we tot de zon ondergaat. Een perfecte zonsondergang gaan wij niet meemaken, want er ligt een te dik pak wolken op de horizon. Het is hier wel mooi en het geeft ons alvast een voorproefje van wat we morgen hopelijk ook zien. Na een paar foto’s te hebben gemaakt van de bijna-zonsondergang gaan we weer terug naar Ranohira.

Vrijdag 26 oktober

06:30 uur en daar ging de wekker weer. We gaan vandaag een trek maken in Nationaal Park Isalo en dat betekent dat we weer vroeg aan de bak moeten. Omdat er in dit hotel alleen maar electriciteit is tussen 16:00 uur en 20:00 uur konden we ons haar niet fohnen deze ochtend.
Even snel een ontbijtje naar binnen duwen en om 07:30 staan we met onze gids al in het administratiekantoor van het park om de formaliteiten te regelen (lees: betalen).

Jean brengt ons met de auto naar het startpunt van de trek en daar gaan we dan. Het begint gelijk met een stevige klim en aangezien wij allebei van het rustig inlopen zijn, valt dat niet mee. Bovendien is het vandaag weer een bijzonder mooie dag, dus dat kan nog wat worden.
We krijgen gelijk al weer de nodige uitleg over een aantal endemische planten, een paar vogels en een stel parende wandelende takken (of is het: wandelende parende tak?).

Vervolgens klimmen we naar een uitkijkpunt vanwaar we een prachtig uitzicht hebben op de rotsformaties in dit fantastische park. Als je wat door de wimpers kijkt lijkt het wel wat op de Grand Canyon. Hierna vervolgen we onze tocht naar het Piscinne Naturelle waarbij we onderweg nog een kameleon tegen komen.
Het natuurlijke zwembad is een idyllisch plaatsje in deze verzengende hitte. Wij gaan hier nog niet uit de kleren, maar wachten tot de poeltjes die we later op de dag nog tegen komen.

Na even genoten te hebben van deze mooie plek gaan we verder. We lopen de weidse vlakte in die zich tussen een tweetal kleine bergketens bevindt. We kunnen niet genoeg krijgen van de vergezichten en we staan continue stil om om ons heen te kijken; we komen ogen te kort. Daarna klauteren we één van de bergen op om vanaf een uitzichtpunt de omgeving te kunnen bewonderen. Hierna klauteren we weer naar beneden en gaan een canyon in die fris groen is en waar mooie palmen langs een klein stroompje staan. We volgen het stroompje tot bij een campsite waar we genieten van ons meegebrachte lunchpakket: stokbroodje met la vache qui rit.

Na deze uitgebreide lunch is onze volgende stop bij de piscine blue en de piscine noir. Omdat er al een tweetal toeristen bij het blauwe zwembad liggen, gaan wij naar de zwarte. Wanneer Rob zijn grote teen in het water houdt heeft hij het al in de gaten; dit is eigenlijk onverantwoord zwemwater, zo koud! Hier zou je Marga nog niet insturen.
Omdat je hier toch wel een leuk plaatje kon schieten voor het vakantiealbum gaat hij uiteindelijk, met gevaar voor eigen leven, het water in. Het hart slaat een paar slagen over en adem halen lukt even niet meer. Wanneer ook de meeste spieren beginnen te verkrampen is het tijd voor Diana om het water in te gaan. Nadat zij dezelfde ervaring heeft ondergaan, kleden we ons weer aan voor de rest van onze wandeling.

We klauteren weer omhoog naar een uitzichtpunt op de ander berg met weer hele andere uitzichten en daarna gaan we als laatste naar de cascade de nymphe, een watervalletje op wederom een prachtige lokatie in de canyon. Hierna weer omhoog klauteren naar de campsite die we eerder hebben aangedaan en vandaar naar de parkeerplaats waar Jean al op ons staat te wachten. We zijn 6 uur onderweg geweest in de prachtige omgeving van Nationaal Park Isalo, maar de hitte heeft het wel zwaar gemaakt.

Net als we willen wegrijden spot onze gids nog een kameleon, dus we springen nog even snel de auto uit om ook deze nog te bewonderen.
Terug in Ranohira nemen we een lekkere halve liter (of eigenlijk 65cl) gerstenvocht, want dat hebben we wel verdiend. Daarna lopen we nog door de ‘hoofdstraat’ van dit plaatsje en tot onze verbazing komen we nog en internetcafe tegen. De verbinding is waardeloos, maar net genoeg om een mail van Mora-travel te lezen. Er wordt hier overal gebruik gemaakt van het AZERTY toetsenbord in plaats van ‘ons’ QWERTY toetsenbord en dat geeft veel zoekwerk bij het typen.
‘s-Avonds eten we bij het hotel waar Diana een spaghetti neemt om de voedingsstoffen weer aan te vullen (en omdat ze het lekker vindt) en besteld Rob een Cicken Curry. Het blijkt echter een Madagassische kip te zijn met veeeeeeeeeeeeel te veel vlieguren. Die kan naar de kat!

Zatersdag 27 oktober

Met Ranohira hadden we het zuidelijkste punt van onze expeditie bereikt en vandaag gingen we via Ambalavao weer terug naar Fianarantsoa.
De matrassen bij ITC waren van een soort schuimrubber dat absoluut geen steun gaf, dus de nacht duurde voor de rug een paar uurtjes te lang.

We vertrokken net voor 08:00 uur wisten dat we zo’n 4 uur nodig zouden hebben naar Ambalavao. We gingen over dezelfde golvende en slingerende weg als we heen waren gekomen, maar het ziet er toch weer anders uit, helemaal omdat dit keer de zon veel meer scheen.  Omdat deze weg ook de aanvoerroute is voor de zebu’s naar de markt van Ambalavao wordt daar zelfs met borden voor gewaarschuwd. Genoeg over dit traject, maar voor meer details over de route kun je altijd nog bij dinsdag 24 oktober kijken.

Tegen twaalven waren we in Ambalavao en daar hebben we bij Poupoune geluncht. Het valt op hoe rustig het nu is, in tegenstelling tot de vorige keer dat we hier waren.
Om 12:30 uur stapten we al weer in voor het laatste uur van onze rit en om 13:45 checkten we in bij het Zomatel.
De oplettende volger zal in de gaten hebben dat we de komende twee dagen afwijken van het originele programma. We zouden vandaag en morgen naar Soatanana gaan, maar vanwege het uitvallen van de trein naar Manakara zijn we daar vorig weekend al geweest. Vandaag slapen we dus in Fianar en morgen een extra nacht (totaal 3) in Antsirabe zodat we daar een dag extra hebben voor de stad en de omgeving.

Nadat we wat gedronken hadden bij het Zomatel hotel zijn we nog even Fianar ingelopen, maar aangezien dit een enorme grote, uitgestrekte stad is hebben we maar een klein stukje gezien. Fianar is net als Tana een opeenvolging van bergen en dalen en aangezien ons hotel in het hoogste deel, Haute Ville genaamd, ligt hebben we nog wel wat kunnen genieten van de uitzichten op de rest van de stad.

De kamer van het Zomatel heeft wel wat Zuid Koreeanse trekjes. Zo is er een goede wifi-verbinding, hangen er overal breedbeeltelevisies en is de douche voorzien van massage-stralen. We zullen ons hier wel een nachtje vermaken!

Zondag 28 oktober

In Nederland heeft de nacht een uurtje langer geduurd en daar hebben wij ons van harte bij aangesloten. Vandaag gaan we nl. pas om 09:00 uur op pad, maar niet nadat we eerst een ontbijtje hebben gehad met de grootste croissants die we ooit gehad hadden (en nog warm ook). Dit hotel is niet erg sfeervol, maar heeft wel de beste faciliteiten tot nu toe.

Aangezien het zondag is zouden we eigenlijk naar de kerk willen, maar omdat we vorige week nog naar de mis waren geweest vonden we dat we dit keer konden overslaan. Veel Madagassiers denken daar anders over want overal lopen mensen op hun paasbest over de weg naar de dichtst bijzijnde kerk; we komen zelfs een processie van wel honderd meter tegen.

De zondag is niet voor iedereen een rustdag, want er zijn veel mensen gewoon aan het werk. Zo is er net buiten Fianar veel bedrijfigheid bij de steenbakkers. De stenen worden hier, als het ware, uit de klei langs de kant van de weg gestoken en nadat ze eerst in de zon zijn gedroogd worden ze vervolgens op een ingenieuze wijze gestapeld tot een soort bunker, soms wel zo groot als de huizen hier. Onderaan deze bunkers van stenen zijn ruimtes gelaten waar een vuurtje wordt gestookt om zo de stenen af te bakken; de warmte verspreid zich door de ‘schoorsteentjes’ die bij het stapelen zijn gemaakt. Wanneer de stenen weer zijn afgekoeld worden ze op alle mogelijke manieren vervoerd: op vrachtwagens, in handkarren en op het hoofd komen de stenen voorbij.

Ook wordt er een beetje gesport op zondag. Zo zien we een peletonnetje wielrenners achter elkaar aan een berg beklimmen en zijn we in het voorbij gaan getuige van een voetbalwedstrijd.
Niet alles is even ontspannend, want we zien ook jochies die de gaten in de weg proberen te repareren door ze vol te gooien met puin en zand. Je zou denken dat de overheid daar een taak zou hebben.
De RN7 valt een beetje tegen nu we in omgekeerd richting rijden. Waarschijnlijk hadden we op de heenweg de slechte stukken in de weg niet eens in de gaten omdat we nog zo vol waren van alles om ons heen.

Hoe dichter we bij Ambositra komen, hoe bergachtiger het weer wordt. Zo’n 30 kilometer voor Ambositra stoppen we bij het gehuchtje Ambofitoranana om even over de zondagmarkt te lopen. het lijkt erop dat alle inwoners van dit dorpje hier rondlopen; wat een drukte. Op zo’n afgelegen markt zijn wij weer eens degenen die bewonderd worden. De hoofdjes blijven maar omdraaien als je langs loopt. De camera van Diana is ook een bezienswaardigheid, het lijkt erop dat ze zoiets nog niet eerder hebben gezien.
Uiteindelijk komen we na bijna 4 uur in Ambositra waar we even gaan lunchen bij hotel l’Artisan.

Als we goed en wel op weg zijn na de lunch worden we weer eens aangehouden bij een politie checkpost. Een indrukwekkend forse agent vraagt ons dit keer zelfs om de tassen te openen. Het lijkt geen goed ide dit te weigeren. Later verteld hij dat er vaker toeristen worden gecontroleerd omdat er een keer een mafkees een beest mee wilde smokkelen.

De rest van de rit naar Antisirabe vallen de zwart geblakerde hellingen weer op; het blijft een rot gezicht. Naarmate we dichter bij Antsirabe komen begint de lucht donkerder te worden en vlak voor we deze stad binnenrijden vallen de eerste druppels op de voorruit.
De aankomst bij hotel Couleur Cafe valt een beetje in het water, maar de kamer maakt veel goed; wat een sfeervol hotel is dit, hier zou je wel een week kunnen zijn!

Antsirabe is de stad van de pousse-pousse, een soort riksja, dus konden we niet anders dan in het gelijknamige restaurant gaan eten. Je zit er achter de tafel in het zitgedeelte van zo’n pousse-pousse. Het restaurant blijkt niet alleen een grappige inrichting te hebben, maar het is ook nog eens voortreffelijk. Na de rit van vandaag ging het erin als Ketellapper.

Maandag 29 oktober

Antsirabe ligt in een bergachtig gebied op ruim 1400 meter en wordt gezien als de koudste plaats van Madagascar. Daar zijn wij het na vannacht wel mee eens, want wij hebben vannacht zelfs onder een dekbed geslapen.
Vandaag hebben we de hele dag in de pousse-pousse city. Antsirabe is echter niet alleen de stad van de pousse-pousse, het is ook de stad van het Three Horses Beer. De brouwerij van dit gerstenat staat nl. in deze staden dan is het ook nog de stad van VizyGazy, maar wie is er nou geinteresseerd in water met belletjes?

Na een fantastisch ontbijt gaan we vanochtend eerst naar een tweetal meren die net buiten de stad liggen. Jean staat al weer op ons te wachten en met een half uurtje staan we aan de rand van het Lac Andraikaba. Dit is het grootste van de twee meren, maar eigenlijk ook de minst interessante. Het stikt hier van de toeristen-stalletjes waar vooral wordt geprobeerd (edel)stenen te verkopen. Wij zijn zo vroeg dat de meeste stalletje nog open moeten gaan en we dus bijna geen last hebben van de verkopers. Hier geldt blijkbaar nog het aloude maandag, wasdag, want langs de kant van het meer zit een groep vrouwen de was te schrobben.

We blijven maar even bij dit meer en gaan al snel door naar Lac Tritiva. Hoewel, echt snel gaat het niet want de 10 km er naar toe gaat over een slechte weg.
Onderweg zien we een Fransman bezig om de afstand naar het meer hardlopend af te leggen, vergezeld door zijn vriendin op een fiets. Het is jammer dat we onze schoenen niet niet bij ons hebben, want dan hadden we hem kunnen vergezellen.
Na ruim een half uur hobbelen komen we bij het turquoise gekleurde vulkaanmeer aan. Wanneer we de auto uitspringen worden we gelijk  omringd door scholieren die ook al proberen gepolijste stenen te verkopen om op die manier hun school te bekostigen.

Wij lopen eerst naar het hoogste uitzichtpunt bij het meer en beginnen dan aan een rondje er omheen. Volgens de legende is een verliefd stel dat niet met elkaar mocht trouwen, in het meer gesprongen en verdronken, maar wanneer wij over het paadje langs het meer lopen zou het best wel eens kunnen zijn dat die twee zijn uitgegleden over de basalt korreltjes die op het paadje liggen, dat overkomt ons nl. ook een paar keer.

We hebben ongeveer een half uurtje nodig om rond het meer te lopen en gaan dan weer met Jean op weg naar Antsirabe. Even verderop komen we de Frans hardloper weer tegen die ditmaal aan het wandelen was, de jankerd!
Terug in Antsirabe laten we ons bij de BNI bank eruit gooien en gaan we eens ervaren hoe erg het met de bureaucratie gesteld is in Madagscar. We hebben nl. ook nog wat cash euro’s bij ons en willen daar wat van omwisselen.
We lopen naar een balie en vragen waar we moeten zijn. We worden doorverwezen naar een loketje verderop waar we ons paspoort mogen inleveren. Ons paspoort komt achteraan een rijtje identiteitsbewijzen met ingevulde papiertjes en we vermoeden dus dat het wel even gaat duren.
Dan zien we plots een andere medewerker ons paspoort uit het rijtje papieren weghalen en zonder iets te zeggen loopt hij ermee naar achteren. Een vijftal minuten later verschijnt die man achter het loket met ons paspoort en een kopie en geeft deze aan zijn collega, waarna wij vervolgens als eerste worden geholpen. Wel een beetje lullig voor al die mensen die al een tijd in de rij staan, maar wij hebben relatief snel ons geld.

Met het pak papiergeld en het paspoort in de hand vluchten we even een cafeetje in en fatsoeneren daar onze administratie. Dit is gelijk een mooi moment om even een drankje en een hapje te nuttigen.
Na deze opkikker gaan we op zoek naar de beste plek voor een pousse-pousse foto,maar daarvoor kun je eigenlijk elke willekeurige plek in Antsirabe kiezen. Er zijn er honderden, zoniet duizenden in deze stad.
Hierna gaan we even terug naar het hotel om wat duiten in veiligheid te brengen en de ansichtkaarten op te halen.

Iets na tweeen staan we bij het postkantoor waar we naar het loket voor de grote afnames gaan. We krijgen twee stapeltje postzegels mee en staan ons, in een hoekje van het postkantoor suf te likken, want stickerzegels kennen ze hier nog niet. Nog even alles geconroleerd en de stapel in de bus gegooid. Volgens een medewerkster zouden de kaarten er zo’n tien dagen over doen, dus houdt de bus in de gaten.

Nadat deze last van onze schouders is, slenteren we nog wat door Antsirabe. We komen langs de kathedraal, bezoeken een marktje en genieten vooral van het leven op straat; het is hier heerlijk vertoeven……….althans, waneer we niet steeds lastig gevallen worden door de pousse-pousse’ers die ons zo graag in hun karretje willen hebben: “madame pousse-pousse?” waarop wij natuurlijk steeds zeggen dat we geen pousse-pousse nodig hebben. “Apres, later?”, waarop wij soms reageerden met “maybe”. Vervolgens hoor je dan “Jean-Claude numero 5” of  “Stefano numero 6” en “remember me” meestal gevolgd door “a tout a l’heure”. Op een gegeven ogenblik heb je het dan wel gehad met ze, maar ook wij ontkomen er niet aan om af en toe plaats te nemen in hét vervoermiddel in Antsirabe.
Wanneer het aan het eind van de middag opeens begint te regenen wanneer wij op straat lopen, zijn we maar wat blij dat er net een pousse-pousse naast ons staat. We duiken erin, de ‘chauffeur’ trekt een dekje over ons heen en brent ons droog naar het hotel, terwijl hijzelf zeiknat wordt. Hij heeft een dikke fooi verdiend.

Om 18:00 uur wordt er op de deur geklopt. Het blijkt Jean te zijn en hij komt melden dat de aflossing er is. De chauffeur van Mad Cam, de organisatie waarmee we komende week op stap gaan, is gearriveerd en hij wil ons even aan hem voorstellen. Voor ons is dit een goed moment om Jean zijn fooi te geven, want wij zullen hem hierna waarschijnlijk niet meer zien. We bedanken hem en wensen hem het beste.
Op de parkeerplaats ontmoeten we onze nieuwe chauffeur. Hij is een stuk groter dan Jean en heeft een bijpassende, grotere Landcruiser. We praten wat over de komende week en spreken af dat we morgen om 09:00 uur vertrekken naar Miandrivazo.

Madagascar 1

Maandag 15 oktober

De herfstvakantie was weer begonnen en dat leverde ons een volle trein op; tot Amerfoort moesten we staan. Op Schiphol aangekomen kwamen we erachter dat de recessie nog lang niet hard genoeg heeft toegeslagen; nog nooit hebben we zo’n lange rij  voor de security-check gezien. Gelukkig waren wij op tijd, dus geen zweetvlekken omdat we onze vlucht zouden missen.Dit was onze eerste keer met Air-France dus we hadden onze review-formulieren al in de aanslag. We vertrokken mooi op tijd en de piloot riep in z’n beste ‘allo-allo’ Engels dat we met 55 minuten in Parijs zouden zijn. Ondanks zo’n speed-flight kregen we toch een drankje met nootjes geserveerd; plusje!

Ook op de Charles de Gaulle airport is alles goed geregeld. Via de rolband naar de shuttle-trein en in een paar minuten stonden we in het Ibis-hotel. Snel ingecheckt en de spullen op de kamer (eigenlijk meer een hok) gegooid. Vanuit de kamer zagen we vliegtuigen opstijgen; dat is weer eens wat anders dan zeezicht.
Daarna gingen we in omgekeerde volgorde terug naar de luchthaven om daar wat te drinken, maar dat viel tegen want er was geen bar of restaurant te vinden. Dan maar weer terug naar het hotel en daar in de bar gaan zitten met een biertje en wat pinda’s.
‘s-Avonds in het restaurant van het hotel gegeten waarna we naar de kamer zijn gegaan. Morgen op tijd ontbijten en dan op naar Madagascar.

Dinsdag 16 oktober

Om 07:30 uur stonden we alweer naast het bed. Even snel douchen en vervolgens naar het ontbijtbuffet. Dat heerlijke Franse ontbijtje ging er wel in.
Tegen negenen sprongen we bepakt en bezakt in de airport-shuttle, op weg naar pier 2F. Onderweg zagen we dat we onze bagage bij check-in balie 10 konden droppen en ook dat ging allemaal erg soepel. Daarna snel richting gate L34, maar daar leek toch een hobbeltje op de weg te komen. Voor de paspoort controle stond een rij die kon concureren met de rij waar we gisteren op Schiphol in stonden. Gelukkig kozen we dit keer de juiste rij (in tegenstelling tot wat we meestal bij AH doen) en dan snel door naar de security-check. Hier geen rijen, maar we moesten ons wel half uitkleden om zonder piep door het poortje te komen. Om 09:45 uur stonden we aan de gate; een kwartiertje voordat ze zouden beginnen met boarden.Toen we onze plekken hadden ingenomen, vertelde de captain dat de vluchttijd 9:25 uur zou bedragen en dat viel ons een uurtje mee. Helaas raakten we dit uurtje al wachtend in het vliegtuig weer kwijt omdat die zelfde captain het nodig vond om 325 passagiers te laten wachten op een paar passagiers die niet op tijd waren opgestaan vanochtend. Laten we ons maar niet druk maken, dat is slecht voor de bloeddruk.De service aan boord was belabberd. Kort na het opstijgen werd er een warme lunch geserveerd en vlak voor het dalen een koude hap, de tussenliggende 7 uur moest je zelf maar je drankjes gaan halen. Het gaat  niet zo goed met Air France, dus ze moeten blijkbaar wat aan de kosten doen. Het was wel heel toepasselijk dat ze Madagascar 3 in het film-assortiment hadden gestopt; dat maakte weer wat goed.

Met dank aan de uitslapers landden we dus een half uurtje later dan verwacht op Ivato airport, waar we vervolgens drie kwartier in de rij konden gaan staan, in afwachting van ons visum. Daarna nog drie kwartier wachten op onze bagage en om tegen middernacht gingen we op zoek naar ons vervoer. In de aankomsthal zagen we uiteindelijk een bordje met de naam van ons hotel: Sakamanga. Samen met de man die dit bordje vast hield zijn we op weg gegaan naar ons hotel in Antananarivo,

Bij het hotel aangekomen haalden we onze bagage uit de kofferbak en liepen naar het hotel, maar de chauffer wilde toch eerst nog even afrekenen. Wij in ons beste Frans vertellen dat dit allemaal al betaald is door onze reisorganisatie, maar daar dacht hij anders over. Een hele discussie verder en een lang verhaal kort gemaakt, kwam het erop neer dat deze grapjas niet door Mora-travel was gestuurd maar dat hij gewoon een bordje met de naam van ons hotel bij zich had………….

We hebben de chauffeur geadviseerd dat hij z’n geld maar bij onze reisagent moest gaan halen en hoewel hij dat niet het gewenste antwoord vond, zijn wij ruim na enen naar ons bed op zoek gegaan in de wetenschap dat we morgenochtend om 06:15 weer zouden worden opgepikt om naar het taxi-brousse station te gaan.

Woensdag 17 oktober

Na een nachrust van amper 4 uur, waarvan het eerste uur nog verpest werd door een overdosis adrenaline, zaten we om 05:45 uur weer fris en fruitig aan het ontbijt. Snel wat naar binnen werken, want om 06:15 uur zou onze chaperonne ons naar het station brengen.

Dat was natuurlijk te mooi om waar te zijn, want toen Diana om 06:45 uur de receptionist maar eens met de reisagent liet bellen bleek dat zij een heel ander programma voor ogen had. Nadat de vebinding opeens werd verbroken, werd even later al weer even plots teruggebld met de melding dat onze chauffeur onderweg was. Dat begrepen we niet helmaal want vandaag hadden we nog geen chauffeur nodig, maar we zouden zometeen wel even om uitleg vragen.

Een uur later dan verwacht kwam onze reisagent vrolijk binnen lopen met de melding dat de auto met chauffeur klaar stond. Hoewel we nog even probeerden uit te leggen dat we vandaag met de taxi-brousse naar Ambositra zouden gaan en pas overmorgen voor het eerst met de auto met chauffeur zouden reizen, gaven we ons al snel over omdat het met de beperkte nachtrust die wij hadden gekregen waarschijnlijk beter in een ruime auto zit dan opgepropt in een taxi-brousse. Dat avontuur gaan we (als het goed is) aan het eind van onze vakantie nog meemaken. Dat was trouwens niet de enige wijziging op ons programma: de lieverd vertelde ook nog doodleuk dat de treinrit van Sahambavy naar Manakara niet door zou gaan omdat de trein ‘mechnical problems’ heeft. Op onze vraag of dat zaterdag niet verholpen zou zijn, kon hij geen zinnig antwoord geven. Het zou wel verdomd jammer zijn!

Om 07:30 uur trapte de chauffeur zijn belegen Landcruiser eindelijk aan en gingen we op weg; nog even volgooien en dan volgas naar Ambositra. Iets verderop werd de reisagent geloosd en moesten we het met chauffer Jean doen, waarvan al vrij snelduidlijk werd dat hij een heel ander Engels sprak dan wij verstonden.

De rit verliep voorspoedig en onderweg waren we best blij dat we op dat moment niet in de taxi-brousse zaten te zweten. De omgeving was schitterend, waarbij vooral de rode grond opvalt (ze noemen Madagascar natuurlijk niet voor niets het ‘Rode Eiland’), maar ook de bergen om ons heen mochten er wezen. Enig minpuntje zijn de vele plekken met verschroeide aarde als gevolg van de houtskool-industrie en de vraag naar meer landbouwgrond.

Na een korte lunch-stop in Antsirabe arriveerden we uiteindelijk om 14:00 uur in Ambositra waar we een 4-persoonskamer betrekken in Hotel L’Artisan.

‘s-Middags verkennen we Ambositra en we stellen vast dat er vrijwel geen blanken te bekennen zijn. We merken vooral aan de grappige reacties van de kinderen dat ze niet veel vazaha’s gewend zijn. We doen vandaag niet zoveel meer en komen wat bij van de razende start van onze vakantie. Morgen gaan we de omgeving maar eens in.

Donderdag 18 oktober

Vandaag hebben we ons slaaptekort van gisteren een beetje ingehaald en om 08:00 uur zaten we te smullen van een authentiek Mallagasisch stokbroodje (?).

Na het ontbijt kwam Jean, onze chauffeur, een beetje zenuwachtig naar ons toe en vroeg of we misschien toch naar Antoetra wilden om dan een wandeling te maken naar de dorpjes in de omgeving. Dat doen alle toeristen en z’n ‘baas’ had hem dat zo ongeveer ook opgedragen. Wij hebben hem gerust gesteld dat hij niet hoefde te vrezen voor z’n baan en dat wij over het algemeen net iets anders proberen te doen dan de andere toeristen.

Na het ontbijt zijn we eerst richting cyber cafe gegaan om de internet verbinding te testen en die was helemaal niet slecht. Snel een paar mailtjes verstuurd en toen op weg naar voor onze eigen ’tour d’Ambositra’. Tegenover de markt gingen we linksaf en al snel nam het aantal mensen om ons heen af. We genoten van de heuvelachtige omgeving en liepen tussen de de rijstvelden door richting het Palais Royale. Onderweg kwamen we langs schooltjes en piepkleine dorpjes die uit slechts enkele huizen bestaan. De kinderen zijn gek op de vazaha’s, dus het is makkelijk om een paar plaatjes te schieten. Uiteindelijk beklimmen we niet de laatste heuvel naar het paleis; ten eerste omdat er eigenlijk helemaal niets van over is maar vooral omdat het voor ons eigenlijk veel te warm is. Het is dertig+ en de laatste keer dat we wat inspanning leverden toen het zo warm was eindigden we in het ziekenhuis.

Na bijna 2 uur wandelen zijn we terug in down-town Ambositra en nemen we een versnapering: die hadden we wel verdiend. We kijken daarbij uit over de omgeving waar we net nog onderdeel van waren; het was een schitterende tocht.
Niet veel later gaan we terug naar ons hotel waar alweer een dans/zang uitvoering wordt gegeven en dat terwijl wij toch altijd hotels zonder entertainment uitzoeken.

‘s-Middag maken we dan toch maar gebruik van onze chauffeur en laten ons naar het plaatsje Sandrandahy brengen. Volgens de boeken is het plaatsje niet echt de moeite, maar de rit er naar toe wel. Met drie kwartier zijn we in dit door god verlaten dorp en de rit heeft ons een beetje teleurgesteld. Natuurlijk waren er een paar mooie vergezichten, maar vooral de vele platgebrandde stukken natuur zijn shockerend. Ze hebben hier blijkbaar niet in de gaten dat ze hun eigen wereld en toekomst aan het vernielen zijn.

Terug in Ambositra gaan we de pinautomaat maar eens proberen en dat gaat boven verwachting makkelijk. Met een dik pak geld gaan we weer terug naar het hotel om de ariary’s op te bergen.

We kunnen dan de verleiding niet langer weerstaan en trekken een zak drop open. Dit blijkt even later niet zo’n verstandige keus te zijn geweest als Diana een kroon in de hand heeft. Gelijk maar even een mailtje naar de tandarts sturen.

We hadden inmiddels ook een mail van Monique van Mora-Travel waarin ook zij aangaf dat de trein die ons naar Manakara moet brengen al een tijdje buiten gebruik is en dat het er toch naar uitziet dat we iets anders moeten bedenken. Wanneer we ‘s-avonds nog even met Jean praten, wordt dit ook nog eens bevestigd door een collega-chauffeur.

Tijdens het eten zoeken we in de Lonely Planet en de Trotter naar alternatieven, maar we worden beperkt door de rest van het programma. Uiteindelijk lukt het ons om een aangepast programma te bedenken en nu maar hopen dat deze wijzigingen nog kunnen worden doorgevoerd. We gaan dit morgenvroeg aan Jean voorleggen.

Vrijdag 19 oktober

Vandaag lieten we Ambositra achter ons en gingen op weg naar Sahambavy. Dus niet naar Fianarantsoa zoals in ons programma staat. Het Lac hotel in Sahambavy was dan wel onze eerste keus, maar dat was toen we nog dachten dat we met de trein naar Manakara zouden gaan; het treinstation ligt nl. tegenover dit hotel. Nu we niet met de trein kunnen hadden we net zo goed (of misschien beter) in Fianarantsoa kunnen slapen, maar goed laten we ons daar maar niet druk om maken (bloeddruk!).

De rit naar Sahambavy is erg mooi. Ten zuiden van Ambositra is de omgeving zo mogelijk zelfs mooier dan de weg die wij naar Ambositra zijn gekomen.
Onderweg maken we een paar fotostops. Bij één daarvan staat een aantal kinderen waarvan we een paar banaantjes kopen. Diana geeft de kinderen ook nog wat potloden; zo komen we daar ook nog eens vanaf.

We moeten vandaag voor het eerst stoppen bij één van de vele politiecontroles. Gelukkig zijn alle papieren in orde en mogen we doorrijden.
Ongeveer 25 km voor Fianarantsoa stoppen we nog even in het plaatsje Ambohimahasoa om een colaatje te scoren. In dit dorp zien we ook de televisieploeg van TF1 weer rijden die ook al bij ons in het hotel in Ambositra zat; er zal tóch wel wat te zien zijn in Madagascar.
We geven de laatste slokken cola aan de kinderen die zich inmiddels om ons heen hebben verzameld en geven hen ook wat potloden. Voor vandaag zijn we los.
Even later worden we staande gehouden door de Gendarmerie; ze moeten ons wel hebben vandaag, maar opnieuw is alles in orde.
Tegen 12:30 uur slaan we op de RN7 links af naar Sahambavy. Het is nu nog maar 15 km, maar wel 15 erg lastige kilometers. Er is niet veel asfalt meer te vinden voor onze chauffeur en we hangen het overgrote deel van de 15 kilometers met onze rechterschouder tegen het raam.

Als we bij het Lac hotel aankomen gooien we eerst onze spullen in ons huisje. Het huisje lijkt overigens verdacht veel op ons huis in Apeldoorn, alleen hebben we de veranda dit keer aan de voorkant. Dan gaan we terug naar de auto en op weg naar de Sahambavy Tea Estate. Deze theeplantage is maar liefst 300 hectare groot en daarbij lijkt de de theeplantage uit Zuid Korea meer op een speeltuintje.

We lopen eerst door de theefabriek. Hier vinden de eerste handelingen met de net geplukte thee plaats. Helaas kunnen ze oms niets laten zien, want de stroomvoorziening heeft het begeven. Dat maakt ons niet zoveel uit, want wij zijn veel meer geinteresseerd in de theeplantage en de mensen die er aan het werk zijn. Omdat er elke dag op een ander deel van de plantage geplukt wordt, moeten we eerst op zoek naar de plukkers. Gelukkig zijn we met de auto, want anders hadden we dat niet gered voor zonsondergang; wat een uitgestrekte hellingen met thee!

Bij de theeplukkers aangekomen stappen we uit de auto en zeggen tegen Jean dat we even wat gaan rondlopen. Al snel is er wat contact met de plukkers, maar communiceren zit er niet in; de taalbarriere is te dik. Wanneer Diana pepermuntjes begint uit uit te delen wordt het al snel een dolle boel. De ‘bonbons’ vinden gretig aftrek. Even later rijden we naar de andere kant van dit deel van de plantage en daar lopen we ook nog een klein stukje de plantage in richting de plukkers. Je voelt je erg nietig wanneer je op zo’n uitgestrekte vlakte met theeplantjes staat.

Wanneer we geen pepermuntjes en waterflesjes meer hebben gaan we terug naar het hotel. Hier laten we Jean even bellen met het kantoor in Tana. We leggen hem uit hoe wij denken dat een aangepast programma eruit zou kunnen zien en hij overlegt dit met hen. Even later zegt hij dat ze om 17:00 uur terug bellen. Wij gaan de rest van de middag maar met een boekje in de tuin aan het meer zitten: het is een straf!

Aan het eind van de middag lopen we toch nog even naar het stationnetje waar we zouden vertrekken naar Manakara. Het gebouwtje ziet er een beetje triest uit met alle ramen gesloten. Een paar kinderen spelen op de rails. Met een soort van zelf gemaakte mini-kruiwagen duwt de ene jongen een ander voort over één van de treinrails. Even later wordt Diana aangesproken door een meisje dat brillenhoesjes probeert te verkopen zodat ze voor school schriften en pennen kan kopen en daar heeft Diana haar natuurlijk bij geholpen.

Tegen vijfen zoeken we een plekje in de buurt van de receptie zodat we in de buurt zijn wanneer de telefoon gaat. Uiteindelijk besluiten we om 17:30 uur maar om zelf te bellen, maar dat is hier wat ingewikkelder dan het lijkt. Jean belt dus met het kantoor en vraagt ze terug te bellen op het telefoonnummer van het Lac hotel. Dat duurt 10 minuten, maar als Jean dan weer iemand aan de lijn heeft wordt het gesprek al snel weer afgebroken. Vervolgens ging Jean op zoek naar mobiel dat een abonnement heeft bij Orange, want hij heeft een abonnement bij Telmar en blijkbaar kunnen geen telefoongesprekken tussen de twee providers plaatsvinden. Uiteindelijk kan Jean de telefoon van de kok lenen en belt daarop met het kantoor in Tana. Na een minuten lang durend gesprek is de uitkomst datr we morgen naar Soatanana gaan maar dat er nog niets is uitgezocht voor het verblijf in Andringitra Natioal Parc. De rest horen we morgen in Soatanana waar Jean weer bereik heeft met Telmar.

Voor de meeschrijvers die de draad inmiddels wel kwijt zijn: we gaan morgen naar Soatanana in plaats van Manakara. Van daar gaan we naar Ranomafana en vervolgens pakken we ons schema weer op. Wat we volgend weekend zullen doen zal waarschijnlijk morgen duidelijk worden.

Ook het eten in dit hotel is van goede kwaliteit. Na de keuken van Ethiopie maakten we ons een beetje zorgen om het eten in Madagascar, maar dat is geheel ten onrechte geweest. Diana kiest vanavond bijvoorbeeld voor een menu d’enfant dat bestaat uit  een doorgebakken tartaartje, een paar patatjes en wat groenten. Als toetje krijgt ze crepes!

Zaterdag 20 oktober

Na het ontbijt te hebben genoten in het restaurant van het Lac hotel, pakten we onze zakken en liepen naar de Landcruiser. Jean was de bak nog aan het wassen, dus het werd iets later maar wel in een blinkende auto.
Om 08:15 uur gaan we dan richting Fianar. Ook hier zien we onderweg weer de provisorisch gemaakte karretjes met piepkleine wieltjes waar een enorme lading hande op wordt gegooid. Bergop moeten ze wel met 4 man duwen, maar bergraf springen ze allemaal op de kar en gaan met een noodvaart naar beneden terwijl met een stukje hout wordt geprobeerd de voorwieltjes te sturen: levensgevaarlijk!

Na een klein uurtje parkeerde Jean de auto achter het Soratel hotel. We hadden gelezen dat daar gratis wifi beschikbaar was. Helaes pindakaas (verkrijgbaar bij de Aldi) dat ging dus niet door. Wij de straat op, op zoek naar een cybercafe. Een paar straten verderop vonden we die, maar dat was geen succes;de verbinding was zo traag als…….

Dan nog maar even een bezoekje brengen aan de markt van Fianar. Helaas waren we hier gisteren niet, want dat is dé marktdag, maar ook vandaag zou er nog wel wat moeten zijn. We parkeerden de auto bij het Zomatel hotel (de oplettende volger zal gelijk zien dat dit het hotel is waar we eigenlijk vannacht zouden slapen) en gingen de naast gelegen markt.
Ondanks dat het niet de echte markt-dag is, vermaken we ons prima. Als je niet beter zou weten zou je denken dat dit een volledige markt is.

We lopen om de stalletjes heen en duiken ook nog de overdekte markt in. Het vlees en de vis ligt weer open en bloot om de klant aan te trekken, maar wij krijgen er geen honger van. Voor de rest zijn er allerlei groenten, kleding aardappels, rijst, aluminium keukengerei en nog veel meer. Uiteindelijk kopen we niet meer dan één limoen, maar dat is meer omdat we het meisje dat ze verkocht graag wilden fotograferen.

We lopen nog wat rond, delen hier en daar wat plaatjes uit aan kinderen (hoewel de volwassenen ze ook wel willen hebben) en gaan vervolgens naar het Zomatel om nog wat te drinken voordat we op weg gaan naar Soatanana. Wanneer we daar zitten komen we tot de ontdekking dat ze daar flitsend snel wifi beschikbaar hebben. Eerst dus maar even wat foto’s op de blog geplaatst.
Net na twaalven vertrekken we dan richting Soatanana. We kopen in Fianar nog even een paar stokbroodjes en verlaten de stad dan aan de westzijde.

De weg naar Soatanana is beroerd, maar de omgeving maakt veel goed. We stoppen een paar keer om plaatjes te schieten en na ruim 2 uur zien we het Village Blanc in de verte liggen.
Jean rijdt het dorpje van 500 inwoners binnen, maar nu nog even op zoek naar onze slaapplaats. Onderweg spreken we toevallig Mme. Veronique aan en zij blijkt van onze komst op de hoogte te zijn. Ze stapt in de auto en wijst ons de weg naar het huis van de president van het dorp. Ja, je leest het goed de president van het dorp, maar met minder doen wij geen zaken.

Jean wil de president even spreken want met hem zou onze slaapplaats geregeld zijn. De president komt even snel uit een huwelijks-aftrap en vertelt doodleuk dat hij nergens vanaf weet. Jean weer bellen met Tana, hij zal even later teruggebeld worden, wordt inderdaad teruggebeld met de opmerking dat men vergeten is de president te bellen, gaan ze alsnog doen ze bellen gauw terug, hij wordt weer terug gebeld, ……..jullie kennen het ritueel nog. Voorlopig geen nieuws.

Op dat moment komt het bruidspaar met gevolg de presidentswoning uit, om op weg te gaan naar het stadhuis voor de ceremonie. Mme Veronique vraagt ons of we het leuk vinden om mee te gaan en dat laten we ons geen tweede keer vragen. Wij lopen dus achter de grotendeels in het wit geklede stoet aan. Inmiddels heeft Mm. Veronique gebeld met Dominique of hij het niet leuk vindt om een paar toeristen te ontmoeten en even later staan we handen te schudden met Dominique. Dominique blijkt een oud-leerling van Mm. Veronique te zijn die zelf Franse les geeft op de school in Soatanana. Dominique studeert inmiddels Engels op de universiteit van Tamatave en kan dus mooi als tolk fungeren.

De tocht naar het stadhuis duurt ongeveer een half uurtje en gaat door de stad, langs de kerk, tussen de schoolgebouwen door. Daar aangekomen blijkt dat wij toch een ander beeld hadden gevormd van een stadhuis, zelfs in Madagascar. Een gemiddeld clubuis in Apeldoorn is sfeervoller en ziet er beter uit, zelfs nadat de gemeentelijke subsidiekraan is dicht gedraaid,

De ceremonie zelf is sfeervol en indrukwekkend. Er worden veel liederen gezongen die steeds worden ingezet door de moeder van de bruid. Wanneer de ambtenaar dan klaar is om zijn verhaaltje te doen, blijkt hij de midden te houden tussen een stand-up comedian en een strenge schoolmeester. De volle zaal gilt het af en toe uit van het lachen, maar is ook regelmatig stil waneer de bruid en (vooral) de bruidegom door hem worden toegesproken. Dit krijgen we natuurlijk niet allemaal live mee, maar later wordt veel uitgelegd door Dominique. Hij verteld ook dat de bruid 19 is en de bruidegom 23 terwijl wij beiden hadden ingeschat op 16 en 18. Ze zien er hier jonger uit dan je denkt, want Dominique blijkt 24 te zijn terwijl we die ook nog geen 18 gaven. Zal wel in de lucht zitten.

Na de dienst lopen we terug naar het huis van de president en leggen onze spullen in een bijgebouwtje van zijn huis. Je merkt dat het uiteindelijk toch goed is gekomen dankzij wat heen-en-weer gebel.
Denk nu niet dat dit bijgebouwtje superdeluxe zal zijn, want met een paar tralies in de ramen zou het  een redelijke gevangenis zijn.
Er wordt ons gevraagd wat we willen eten en we gaan op safe door te kiezen voor een vegetarische rijst en/of spaghetti. We hebben inmiddels wel trek en hier kan bovendien niet veel mis mee gaan. Toch duurt het nog een uurtje om dit eenvoudige maal op tafel te zetten, maar gelukkig smaakt het wel lekker.

Na de gesprekken met Dominique zijn we inmiddels wel tot de ontdekking gekomen dat we hier in een soort Jehova-achtige commune terecht zijn gekomen, maar het mag de pret niet drukken. Ons bed wordt opgemaakt en we krijgen een emmer als toilet.
Rond 21:00 uur leggen we ons op de met stro gevulde matros en onder het genot van het geluid van de gezangen dat van buiten komt proberen we de slaap te vatten.

Zondag 21 oktober

We hadden redelijk geslapen op de met stro gevulde matrassen, hoewel Rob de laatste uren niet meer wist hoe hij moest liggen; dit type matras gaat het thuis toch niet worden.

De grote dag was uiteindelijk aangebroken; op de dag des Heeren gaan wij een mis van deze commune meemaken. Rond 08:00 stonde we klaar om op pad te gaan. Wij dachten dat we naar de kerk zouden gaan, maar Mme. Veronique nam ons mee op een rondje door het dorp met heeeeeeeel veel handen schudden; het leek erop dat ze ons met alle 523 inwoners wilde laten kennismaken. Nadat deze kennismaking met het dorp erop zat, gingen we op weg naar het huis van de president omdat daar de processie zou starten. Langzaam aan loopt de vlakte voor zijn huis steeds voller en de liederen klinken luid tussen de muren.

Als om 09:15 uur eindelijk de president het er ook naar heeft, gaat de stoet op gang. Enkele honderden, in wit geklede mensen lopen luid zingend door de straten van Soatanana naar de kerk. Wij lopen ergens midden tussen de menigte en zijn goed te herkennen aan onze niet-witte kleding. Het is zo’n 400 meter lopen naar de kerk en zelfs zo vroeg in de morgen is de hitte niet te harden; onze shirtjes worden er niet frisser op.

Bij de kerk aangekomen gaat de meute naar binnen en ieder zoekt zijn plek; de volwassenen zitten beneden, terwijl de jongens links-boven zitten en de meisjes rechts-boven. Wij zitten, samen met nog een vijftal toeristen dat vanochtend hier heen is komen rijden, midden boven op de VIP-tribune en hebben duidelijk de beste plekken.

Vanaf het moment dat de leden van deze christelijke gemeente de kerk binnenkomen wordt er gezongen en dat gaat zo’n anderhalf uur door, slechts onderbroken door wat geprevel van de pastor. Het zingen is fantastisch en wordt niet ondersteund door instrumenten. De liederen worden beneden ingezet door de volwassenen en vervolgens wordt door de jongens wat gezongen en gaan de meisjes daar weer overheen. Vooral het zingen van de meisjes geeft ons steeds kippevel!

Net na elfen is de mis afgelopen en gaat we met z’n allen weer terug naar het huis van de president. De laatste stop is bij het heilige huis, waar de president ons weer probeert over te halen om te blijven lunchen. Wij hebben, op aangeven van onze chauffer, verteld dat we niet later dan 12:00 uur weg willen dus die lunch houden we tegoed.

Als laatste worden we uitgenodigd om onze voeten te laten wassen. Dit is een goed gebruik bij gasten van de commune. Er wordt ons verteld dat dit voor het eerst door Jezus bij Petrus werd gedaan toen Petrus bij hem een happie kwam eten. Toen Petrus destijds vroeg waar Jezus mee bezig was zij hij dat hij dit bij al zijn gasten deed om zo een deel van hem te worden. Petrus schijnt toen nog gezegd te hebben dat hij net gedoucht had, maar dat z’n voeten nog wel een keer gewassen mochten worden en zo is een gewoonte geboren. Dit verhaal kende Rob natuurlijk wel, maar hij gaat ook elke week langs de kerk.

Vlak voor twaalven geeft Jean gas en stuiven we het terrein van de president weer af op weg naar Fianar. We hebben afscheid genomen van iedereen die daar zo goed voor ons is geweest en waren graag gebleven, maar ons schema liet dat niet toe…………….
Mme. Veronique begeleidt ons nog tot de rand van het dorp en met drie vette kussen nemen we ook van haar afscheid. Ondanks de basic omstandigheden hadden we dit nooit willen missen.

De terugweg is net zo hobbelig als de heenweg al zijn we wel een kwartierje sneller in Fianar. Daar zet Jean ons bij het Zomatel hotel af zodat wij weer on-line kunnen en bovendien een vette hap bestellen. Na een uurtje pikt hij ons weer op en gaan we richting Ranomafana. Onderweg zie we geleidelijk de natuur om ons heen veranderen. De begroeing wordt dichter en het lijk hier wat op een regenwoud zoals het vroeger overal op het eiland bestond.

We krijgen bij hotel Chez Cristo weer een schattig Centerparcs huisje toegewezen, maar de grote ’trekker’ is hier het terras dat uikijkt op het omringende woud en de Namorona rivier. Morgen gaan we het Nationaal Park Ranomafana bezoeken waar we hopen voor het eerst oog-in-oog komen te staan met een lemur.
Daarvoor moeten we wel weer vroeg op pad, want de beestjes zijn van nature erg lui en blijven niet de hele ochtend op de toeristen wachten.

Maandag 22 oktober

Vandaag al weer om 06:30 uur naast ons kribbetje omdat we vroeg in Nationaal Park Ranomafana wilden zijn. De beessies houden ook niet van de warmte dus je moet er vroeg bij zijn. Even snel een ontbijtje en dan met Jean weer op weg. Het park ligt op een kwartiertje rijden van ons hotel en onderweg pikken we onze gids op. Een gids is verplicht gesteld in dit park en de 25 euro die dit kost is een enorme aanslag op ons dagelijkse budget.

Bij de ingang van het park moeten nog wat formaliteiten geregeld worden, maar na betaling van het eerder genoemde bedrag, gaan we dan op pad.
Het park is beroemd om de Golden Bamboo Lemur en daar gaan we dus zeker naar op zoek. Met een beetje geluk vinden we onderweg ook nog wat andere exemplaren van de lemur-familie.Wat het weer betreft zitten we vanmdaag goed want het is zonnig en normaal gesproken heb je hier jaarlijks 300 regendagen.
We zijn er al snel achter dat de gids z’n geld makkelijk verdient. Hij leidt ons over de makkelijke paden en laat het speurwerk over aan de Animal-spotters. Deze jongens lopen vooruit op zoek naar de lemuren en bellen de gids wanneer ze iets gevonden hebben.

We hebben geluk, want het eerste dier waar we op stuiten is de gouden bamboe lemur. We volgen de animal-spotter dieper het regenwoud in en stuiten dan inderdaad op…………………………..een groep toeristen die ons in de weg staat om bij de GBL te komen. We zijn duidelijk niet de enigen die vanochtend op tijd zijn vertrokken. Uiteindelijk vinden we een plekje op een glibberig helling tussen de de bamboe-stengels en krijgen de lemuren in het vizier.

Dan komt Diana er achter dat lemuren vinden één ding is, maar een goede foto ervan maken een ander ding. De beesten zitten op minimaal vijf meter hoogte, deels verdekt achter de bladeren waarbij schaduw en zonlicht het beeld beinvloeden. Tel daarbij op dat we net tientallen meters door  onbegaanbaar regenwoud hebben moeten klimmen en je hebt de ideale situatie voor een bewogen foto en een hoge bloeddruk voor de fotograaf. Uiteindelijk lukt het toch om een paar acceptabele foto’s van de GBL te maken en dan gaan we er weer snel vandoor, de rest van de toeristen achter ons latend.

We gaan verder door dit jonge regenwoud en niet veel later gaan er weer wat signalen heen-en-weer; er is weer wat gespot. Het blijkt de Sportive Lemur te zijn. Dit nachtbeestje zou zich verderop schuil houden in een holte in een boom. Wij weer achter de spotter aan tussen struiken en bomen door, halsbrekende toeren uithalend om uiteindelijk op 6 meter hoogte in een boomholte een pluisje te onderscheiden; that’s it! Het is een nachtdier, dus het slaapt overdag en de kans is klein dat het voor óns een dansje zal maken. Fotootje gemaakt en weer glijdend terug naar het hoofdpad waar de gids netjes staat te wachten. Wat een wereldbaan.

We gaan weer verder en onderweg stuiten we nog op een Leaf Tail Gecko, de naam verklapt het al: een gecko met een staart in de vorm van een blad. Je begrijpt dat dit beest goed gecamoufleerd is in deze omgeving.  Even later zien we nog een Pygmy Leaf Chameleon. Deze kameleon is een van de kleinste die er is en zeer goed gecamoufleerd door zijn groen-bruine kleur. Eigenlijk is het vinden van de laatste twee beestjes een gotere prestatie dan het vinden van een lemur.
Daarna maken we nog een uitstapje voor een paar Red Belly Lemuren en zien nog een tweetal Brown Lemuren, maar beide soorten zijn erg moeilijk in beeld te krijgen.

Het laatste belletje van de spotter gaat over een paar zwart-wit gevlekte lemuren die zijn gespot. Opnieuwe glibberen we het regenwoud in en vinden het viertal dat relatief laag in de bamboe hangt. Het is vandaag erg warm en je ziet dat ze al behoorlijk sloom zijn. We kijken even toe hoe deze lemuren elkaar aan het vlooien zijn en zien ze af en toe met hun vertederende, bolle oogjes onze kant op kijken. Na weer de nodige foto’s te hebben gemaakt, gaan we terug naar onze gids. We zien er steeds gehavender uit na de regenwoud-bezoekjes en als we niet uitkijken krijgen we een nekhernia van het omhoog turen..

De score voor vandaag is erg goed, want normaal gesproken heb je meer tijd nodig om alle dieren te vinden die wij hebben gezien, volgens de gids. Daarop gaan we terug naar de entree van het park, waar Jean op ons staat te wachten. We zijn uiteindelijk bijna vijf uur onderweg geweest en de hitte heeft ons ook niet ongemoeid gelaten als je naar de vlekken op onze t-shirts kijkt.

We rijden terug naar ons hotel, maar lunchen onderweg nog even het dorpje Ranomafana.
Om twee uur nemen we plaats op een bankje in de schaduw bij het hotel en bewegen de rest van de middag zo min mogelijk. Het is te warm om veel meer te doen dan een bladzijde van de NG Magazine omslaan of een Droptopper uit de zak te halen. Pas tegen vijfen komen we weer een beetje in beweging en dan voornamelijk om de hoeveelheid vocht weer op peil te brengen.

‘s-Avonds eten we weer in het restaurant en deze avond gebeurt wat de eigenaresse gisteren al voorspelde: geen electriciteit na 17:00 uur. Daar zaten we dan in het pikdonker. Snel werden de kaarsen aangestoken en even later was het restaurant verlicht door een tiental kaarsen en dat was een enorme vooruitgang in vergelijking met de 100 watt spaarlampen die hier normaal gesproken de keet verlichten. Een romantisch diner bij kaarslicht, wat wil je nog meer?

Zuid Korea 5

Donderdag 27 oktober

Bijna 4 weken na ons eerste rondje Seoul, stond er voor vandaag ook weer zoiets op het programma. Voordat we op pad gingen konden weer eens genieten van een ontbijtje van het hotel. Het was niet meer dan gebakken ei, toast en jam, maar toch. Lekker uitgebreid ontbijten kwam het niet van, want de ontbijtzaal werd met militaire discipline geregeerd door de vrouw die ook de eieren bakte en als ze maar even in de gaten had dat je een beetje zat te lummelen nadat je het brood op had, werd je door haar direct verzocht ruimte te maken voor andere gasten.

Onze eerste doel vandaag was het World Cup Stadium. In dit stadion speelde Zuid Korea tijdens het WK2002 haar wedstrijden, en werd toen gecoacht door Guus Hiddink. Het stadion doet tegenwoordig dienst als thuisbasis voor FC Seoul, de lokale favoriet in de K-League.
Er is in het stadion een museumpje ingericht en je krijgt ook de mogelijkheid om even in het stadion te kijken.
Het museumpje hangt vol met foto’s van het succesvolle Zuid Koreaanse team dat in de 2002 de halve finale haalde en daartussen prijkt dan af en toe de beeltenis van Guus.
De grasmat zag er goed uit en het stadion ziet er nog steeds mooi en modern uit, al is het wat kleurloos.
Zo’n bezoekje aan het museum en het tochtje door het stadion kost omgerekend ongeveer 80 eurocent en dat zijn hele andere prijzen dan bijv. een bezoekje aan Camp Nou in Barcelona.

Na deze sportieve start van de dag zijn we met de metro naar de Noryangjin vismarkt gegaan. Deze vismarkt is zeker zo grot als de vismarkt die we in Busan hebben gezien, maar we zijn we wel weer zo’n beetje dezelfde vis tegen gekomen. Het is jammer dat wij geen visliefhebbers zijn anders hadden we in één van de restaurants bij deze vismarkt een maaltje kunnen nemen.

Na de vismarkt gingen we op zoek naar een goede plek om de Han-rivier te bewonderen. Eerst een lange wandeling naar de Hangnam brug vanwaar we een prachtig uitzicht hadden en later nog even met de metro naar een plek die in de LP werd aangeraden, maar daar was het zicht op de rivier niet zo bijzonder.

‘s-Middags zijn we in de buurt van ons eerste hotel in Seoul wezen lunchen en hebben we het Tapgol park bezocht. Volgens dezelfde LP zou je hier mooie tafereeltjes kunnen treffen van oude mannetjes die met bordspellen bezig zijn, maar waarschijnlijk hadden ze wat beters te doen, want we hebben geen bordspel gezien; oude mannetjes waren er in overvloed.

Hierna zijn we teruggelopen naar onze wijk, waarbij we onderweg nog een bezoek hebben gebracht aan het grote Lotte warenhuis. Omdat de prijzen wat tegenvielen, zijn we maar snel doorgewandeld naar de markt waar we gisteren al een aankoop hadden gedaan. Helaas was de cape die Diana daar gisteren gezien had niet meer te vinden, maar we hebben nog wel een paar souvenirs gekocht.

Nadat we onze aankopen op de kamer hadden gegooid, zijn we op weg gegaan naar de COEX-mall; het grootste warenhuis van Seoul. Het metrostation is in zo’n beetje in de kelder van het warenhuis gelegen, dus dat is wel handig.
Ook dit warenhuis verkoopt vooral hele dure merkkleding, dus geen spul dat je in de rugzak onder in het vliegtuig gooit. Vanuit de COEX-mall zijn we de Hyundai Department Store ingelopen, waar het meer van hetzelfde is. We hebben op de badkamerafdeling nog wel een design zeeppompje gekocht.

Inmiddels hadden we wel honger gekregen en omdat we niet in een warenhuis wilden eten zijn we weer met de metro terug gegaan. Daarbij hadden we het geluk dat we midden in de spits in de metro terecht kwamen; als pieren in een potje, als haringen in een ton stonden we opeengepakt in de wagons. Er was zo weinig ruimte dat we geen gelegenheid hadden om er een foto van te maken.

Dat was weer een dagje van veel loop-kilometers; we hebben het gevoel dat we momenteel meer kilometers in de week maken dan wanneer we thuis zijn (al is het tempo wel wat anders). Wanneer we straks thuis zijn zijn moeten we eerst maar eens een weekje vakantie nemen.

Vrijdag 28 oktober

Op onze voorlaatste vakantiedag hadden we onze enige georganiseerde excursie gepland, en wel naar de Demiliterized Zone (DMZ). Niet omdat het ons leuk leek om eens met een groep op stap te gaan, maar omdat het niet anders kan. Vandaag zijn wij de dus eigenlijk de schoolklas waar we er deze vakantie zoveel van hebben gezien.

We moesten al om 07:00 uur bij de USO zijn. Deze organisatie heeft erg nauwe contacten (of had) met de Amerikaanse legereenheid die hier al sinds 1953 aanwezig is voor de ‘bewaking’ van Zuid Korea tegen de Noord Koreanen, gezien de posters en tv-beelden die we in de wachtruimte gezien hebben. Het merendeel van de toeristen was dan ook Amerikaans.

Onze Koreaanse reisleidster Honey probeerde vanaf het begin de sfeer er goed in te krijgen, maar daarvoor had ze de verkeerde klas in de bus zitten. Het werd dus geen liedjes zingen, maar in plaats daarvan begon ze maar met wat wetenswaardigheden over de DMZ en daar valt best veel over te zeggen. Ik zal dit blog niet rekken met al die details, maar in het kort komt het er op neer dat er een na de Koraanse oorlog een lijn is getrokken die Noord en Zuid Korea van elkaar scheidt en dat aan beide zijden van deze lijn een strook van 2 km door beide landen eigenlijk niet gebruikt wordt. Deze strook van 2 km wordt aan beide zijden zwaar bewaakt  In het midden van de strook is een soort gedeelde legerbasis (Joint Security Area), waar militairen van Noord en Zuid elkaar dus echt kunnen zien en waar ook alle besprekingen tussen de twee landen plaats vinden. De JSA is een vierkant Deze zwaar bewaakte basis gaan wij vandaag bezoeken.

Tegen negenen waren we bij de Camp Bonifas, het basiskamp voor de VN troepen die in de JSA werken. In dit kamp, dat 400 meter ten zuiden van de DMZ ligt, krijgen we een briefing van een Amerikaanse soldaat die ons vanochtend de JSA zal laten zien.
Voor dit bezoek aan de JSA moeten we paspoorten bij ons hebben en geldt er een strikte dress-code: geen korte broeken of shirts met korte mouwen, geen tassen (ook niet voor de camera), zonnebril ten alle tijden op het hoofd, geen slippers of sandalen, geen wijde kleding, haren gekamd en nog een aantal restricties waardoor het voor de Noord Koreanen mogelijk is om te zien of de bezoekers wat van plan zijn.

Na de briefing gaan we met VN-bussen naar de JSA, waar door de Amerikaanse soldaat steeds wordt aangegeven wat wel en wat niet gefotografeerd mag worden. Op een bepaald moment mogen we even de bus uit om een VN-gebouwtje waar onderhandelingen hebben plaats gevonden te bezoeken. We krijgen strikte orders om in twee rijen naast elkaar te lopen en geen ruimte met je voorganger te laten ontstaan. Wanneer we na een paar minuten voor het gebouwtje staan wijst hij ons op Noord Koreaanse gebouwn waar de gordijnen wat openhangen en zegt dat we gerust foto’s van die gebouwen mogen maken want dat doen de Noord Koreanen ook van ons en met ons bedoelde hij ons en de veertig andere toeristen. Overal waar we gaan worden we ook begeleid door heel stoer uitziende Zuid Koreaanse soldaten die voor onze veiligheid moeten. We gaan ook nog even het gebouwtje in en ook hier zijn steeds Zuid Koreaanse soldaten in onze nabijheid. We mogen er  wel foto’s van maken.

Hierna rijden we naar een checkpoint/ observation post vanwaar we het Noord Koreaanse dorp dat in de DMZ ligt kunnen zien. Volgens de Amerikaanse soldaat woont hier echter niemand en is het puur voor propaganda, in tegenstelling tot de Zuid Koreaanse tegenhanger van dit dorp, wat wel inwoners heeft.
Na dit bezoek aan de JSA rijden we nog langs de Bridge Of No Return. Bij deze brug heeft na de Koreaanse oorlog de uitwisseling van krijgsgevangen plaatsgevonden. Iedere gevangene kreeg de gelegenheid te kiezen wat hij wilde; blijven of terug naar zijn eigen land en er was geen mogelijkheid om hier later op terug te komen.

Hierna weer met z’n allen de bus in en verlaten we de JSA, op weg naar een Infiltration Tunnel. Op aangeven van een Noord Koreaanse overloper hebben de Zuid Koreanen sinds 1975 een 4-tal van deze tunnels ontdekt. Deze tunnels zijn door de Noord Koreanen onder de DMZ gegraven (de verste tot zelfs 400 meter voorbij de demarcatielijn), met als doel Zuid Korea binnen te vallen. Deze tunnels zijn ongeveer twee meter hoog en twee meter breed en zouden 25.000 militairen per uur moeten kunnen doorlaten. Wij gaan naar de 3e tunnel die in 1978 ontdekt is; deze tunnel is maat liefst 1635 meter lang.

Vervolgens gaan we op weg naar Dora Observatory. Vanaf dit uitzichtpunt kun je bij helder weer tot 25 km Noord Korea in kijken. Bij het uitzichtpunt mogen alleen foto’s gemaakt worden vanaf een gele lijn. Omdat de gele lijn zo’n twee meter verwijderd was van de muur waar je ook daadwerkelijk Noord Korea kon zien liggen was het eigenlijk niet mogelijk een foto te nemen van Noord Korea. Als je het toch probeerde vanaf het muurtje had je gelijk een soldaat in je nek die je camera afpakte en de foto’s verwijderde die je gemaakt had. Hoewel het niet heel helder was, hebben we een aardig stukje Noord Korea in kunnen kijken; de bewijzen hebben we echter niet.

Daarna wordt de lunch gezamenlijk genuttigd bij een wegrestaurant dat direct naast de laatste tolpoorten van Zuid Korea ligt. Wij slaan deze lunch over, maar wanneer iedereen is uitgegeten, brengen we nog een bezoekje aan het laatste treinstation in Zuid Korea. Hoewel hier korte tijd een trein heeft gereden tussen Zuid en Noord Korea, is dit allemaal weer stop gezet na een incident waarbij een Zuid Koreaanse toeriste is dood geschoten.

Je kon hier, als een soort donatie, treinkaartjes halen en dat was blijkbaar ook het daguitje van een paar klassen van een kleuterschool. In lange rijen lipen de kinderen in hun schattige school-kleding achter de juf aan naar het perron van dit treinstation, waar dan een groepsfoto van ze gemaakt werd. Een uitgesproken kans voor Diana om ook een paar plaatjes te schieten van deze kleuters.

Daarmee zit het programma van ons schoolreisje erop en gaan we terug naar Seoul. Onderweg wordt in de bus nog een korte film vertoond over een Noord en Zuid Koreaanse DMZ-wacht die met elkaar in contact komen tijdens een nachtwacht. In de film worden de grote verschilen nog eens naar voren gebracht en dat zet je wel aan het denken. Een land dat na de tweede wereldoorlog wordt ‘verdeeld’ in een noordelijk en een zuidelijk deel, die vervolgens zelfs nog even kort met elkaar in oorlog zijn en daarna zo ver uit elkaar zijn gegroeid. In Zuid Korea is er voor iedereen werk en genoeg voedsel; het land staat zelfs in de top 10 van economische grootmachten, terwijl de inwoners van Noord Korea dagelijks nog niet de helft krijgen van het voedsel dat een mens minimaal tot zich zou moeten nemen, het land stijf onderaan de economische ladder staat en er bovendien een schrikbewind is dat het minste of geringste afstraft met lange gevangenisstraffen en marteling.
Nu is dit natuurlijk wel het eenzijdige verhaal dat wij te horen hebben gekregen, dus moeten we ook nog maar eens aan de andere kant gaan kijken tijdens een volgende vakantie.

In Seoul gaan we nog op zoek naar de Ddongdaemon markt, maar deze markt valt een beetje tegen en is eigenlijk verdreven door een groot aantal luxe warenhuizen. Hier lopen we toevallig nog wel tegen één van de oude stadspoorten van Seoul aan. Omdat we eigenlijk alles wat we wilden zien in Seoul wel gezien hebben, gaan we terug naar het hotel. ‘s-Avonds eten we in een restaurant vlakbij het hotel en pakken we onze tassen in voor de terugreis van morgen.

Zaterdag 29 oktober

Het regende zowaar vanochtend en dat was het passende weertype bij onze gemoedstoestand. Vandaag hadden we onze terugreis voor de boeg en dat zal niet zo’n luxe reis worden als de heenreis. We hebben wel een mooie vertrektijd, dus kunnen op ons gemakkie ontbijten en de laatste spullen inpakken.

Tegen 10:00 uur waren we bij het metrostation en kochten we voor de laatste keer een kaartje. Het was een lange reis naar de luchthaven: bijna twee uur en we moesten drie keer overstappen.
Op de luchthaven verliep alles soepel. We probeerden nog om dezelfde stoelen te krijgen als op de heenweg, maar dit keer was de business class helemaal uitverkocht.
Onze laatste geld hebben we opgemaakt bij de Paris Baguette op de luchthaven en rond 13:30  uur zijn we uiteindelijk naar de gate gegaan.

Het vliegtuig kwam om 14:45 uur los van Zuid Koreaanse bodem, waarna de piloot vrolijk vertelde dat we een vlucht van 10 uur en 40 minuten voor de hadden. Stoel 23J en 23K waren niet ideaal, maar gelukkig is het een dagvlucht
Met wat lezen, eten, drinken en video kijken zijn we de lange vlucht goed doorgekomen en om 18:45 stonden we aan de F-gate op Schiphol.
Nog even onze bagage van de bagageband afhalen en op weg naar de trein.
Om 21:30 uur zijn we weer terug aan de Laan van Kerschoten en kunnen we terugkijken op een fantastische vakantie in een heel bijzonder land.
Zoals verwacht vormde de taalbarriere de grootste uitdaging tijdens deze vakantie, maar de Koreaanse mensen willen je zo graag helpen dat het uiteindelijk allemaal wel goed komt.

Zuid Korea 4

Donderdag 20 oktober

Vanochtend hoefden we pas om 09:00 uur de kaartjes voor de ferry op te halen, dus we hadden wel even tijd voor ontbijt. Aan de overkant van de weg zat de grote M, dus voor de verandering zijn we daar maar eens een ontbijtje gaa neten. Hun ontbijt-menu is zeer uitgebreid en we kiezen dit keer voor pannenkoeken.

Het is niet ver naar de ferry terminal, en de taxi levert ons er in een paar minuten af. Kaartjes ophalen en we kunnen plaats nemen in de wachtruimte. De terminal lijkt wel wat op een luchthaven, waar we voor de gate zitten te wachten.
Zoals altijd gaat ook hier alles weer strak op tijd en nadat onze paspoorten zijn gecontroleerd(?) gaan we op weg naar de Pink Dolphin.

In vergelijking met de boot die we op de heenweg hadden, is dit maar een klein bootje. We gaan aan boord en nemen plaats op onze stoelen; een enorme verbetering met de heenreis. Geen minuut te laat gaan we van de kade en kiezen we het ruime sop, op weg naar Mokpo.
Wanneer we de havenmuren achter ons laten merken we al snel dat de zee behoorlijk ruig is.Als de boot op snelheid is, voelt het net alsof we in een kermisattractie zitten; we gaan van links naar rechts en duiken af en toe van bovenop een golfde diepte in. Hier is dit kleine bootje duidelijk niet voor gemaakt. De mensenom ons heen worden groen en nog geler en wij moeten zelf ook goed de horizon inde gaten houden. De kotszakjes zijn niet voor niets in zulke grote getalenaanwezig.

Na een een uur naderen we het eiland waar we een zullen stoppen om mensen vanboord te laten gaan en weer nieuwe passagiers mee te nemen, daar merken we datde zee rustiger wordt . Waarschijnlijk hebben we het ergste gehad en komen wenu meer in de luwte van de vele eilandjes te varen.

Na de tussenstop is de zee inderdaad veel rustiger en kunnen we een beetjeontspannen, we durven af en toe zelfs wat te lezen. De rest van de reis naarMokpo verloopt rustig en met een kwartier vertraging arriveren we in deze grote havenstad.

Wij laten ons bijeen hotel in de nieuwe trendy wijk Hadong afzetten en gaan vervolgens Mokpoverkennen. Als de naam Mokpo bekend voorkomt, dan is dat waarschijnlijk door deFormule 1 wedstrijd die hier een week geleden is verreden. Het circuit ligt netbuiten de stad.

We gaan eerst terug naar het oude centrum, omdat daar ook het treinstation is. We moeten nog even uitzoeken of we met de KTX (de Zuid Koreaanse HSL) naarDayang kunnen en waar we evt. moeten overstappen. Dit is overigens makkelijker gezegd dan gedaan. Eerst staan we een kwartier bij de verkeerde bushalte te wachten (op advies van een paar Koraanse meiden) en als we vervolgens met de taxi naar het station willen blijkt de chauffeur niet eens het woordje ‘train’ te begrijpen; zelfs de internationale toevoeging ‘tjoek,tjoek’ door Rob hielp niet.
De vrouw bij deTourist Information spreekt goed engels en kan ons de informatie geven die we nodig hebben. Wij kunnen verder met onze tocht door Mokpo.

Op het plein voor het station zijn oude mannetje bezig met een bordspel en het trekt veel bekijks. Het lijkt Mahjong te zijn, maar zekere weten doen we het niet. De spelers hebben nauwelijks in de gaten dat Diana foto’s aan het maken is en de mannen die er omheen staan te kijken vinden het machtig interessant.

Daarna lopen we richting de haven om daar de vismarkt te bezoeken en alle andere vis-gerelateerde handel. Het is hier weer een beetje hetzelfde wat je ook in deandere plaatsen aan het water zag; veel gevangen zeedieren in grote aquaria, opengesneden vis die te drogen hangt aan stalletjes en bakken vol kleinere vis.
Aan het eind van de middag gaan we met de stadsbus terug naar de wijk Hadong waar ons hotel staat en stappen uit bij het busstation. We willen nog even watandere mogelijkheden uitzoeken voor het geval we hier een dag langer blijven.

Wanneer we ‘s-avonds op zoek gaan naar een restaurant verbazen we ons over de hoeveelheid neon op de gebouwen. Dit was overdag nog niet zo opgevallen, maar het lijkt nu net een echte grote stad.
We eten bij eenrestaurant met de naam New York New York en het doet er allemaal erg westers aan. Belangrijkste is vooral dat de steak goed smaakt, hoewel het voor Rob beter was geweest wanneer hij niet zo stoer om de spicy saus had gevraagd.

Vrijdag 21 oktober

Wanneer we vanochtend uit het raam kijken, zien we dat het bewolkt is. We moeten besluiten of we vandaag hier blijven en naar het Wochulsan National Parcgaan of dat we de trein naar Dayang nemen. Gisteravond hebben we de weer-sites nog bekeken en die voorspelden eigenlijk allemaal regen. De KTX gaat al om 08:00 uur, dus veel tijd om erover na te denken hebben we niet. Na nog een paar keer uit het raam te hebben gekeken besluiten we maar om naar het station te gaan omdat we denken dat het te slecht weer zal worden voor een trek.
Het is een beetje jagen, maar gelukkig is het rustig op straat dus de taxi kan lekker doorrijden. Om 08:30 uur staan we op het station en kopen onze treinkaartjes.

De KTX gaat niet helemaal naar Danyang. Wij gaan eerst met de KTX naar Daejeon, een plaats die we in de eerste week al eens hebben aangedaan voor een overstap, en moeten daar over op een bus. Hoe en wat zien we daar wel weer. We eten nog snel een muffin en drinken een flesje jus leeg voordat we het perron op gaan. De trein staat al te wachten en wij zoeken ons rijtuig en vervolgens de juistestoelen. Het is een erg comfortabele trein en natuurlijk standaard voorzien van wifi. De reis naar Daejeon duurt 2 uur en een kwartier dus we gaan er maar eens lekker voor zitten. Eindelijk hebben we even tijd om wat te lezen. Dit is veruit de meest comfortabele rit die we tot nu toe hebben gemaakt. Om 10:15 uur zijn we in Daejeon en we laten ons met de taxi naar het busstation brengen.

In tegenstelling tot Nederland liggen het trein- en het busstation in Zuid Korea niet bij elkaar in de buurt. Dit keer een taxiritje van 20 minuten. We halen treinkaartjes naar Chungju, onze volgende stop, en die bus staat op het punt van vertrekken dus we sprinten erheen en zoeken een plekje in de bus. Dat ging net goed. De rit naar Gungju duurde anderhalf uur en als we daar op het busstation zijn, besluiten we eerst maar rustig een bakkie koffie te gaan drinken. Vanochtend zijn we toch een beetje overhaast vertrokken, dus even onderuit hangen is wel lekker.

Als we even later bij het loket kaartjes gaan kopen voor de busrit naar Danyang, blijkt deze net voor onze neus te vertrekken. Nu zitten we dus verplicht wat langer op dit busstation. Dan maar gelijk wat eten. Om 14:30 uur vertrekt de volgende bus naar Danyang en dit keer zijn we wel aan boord. Opnieuw een ritje van anderhalf uur. We rijden nu weer door een hele andere omgeving; om ons heen bergen met die roestig gekleurd zijn door de herfst tooi van de bomen. Tussen de bergen een groot meer dat we de hele reis volgen. Het is de hele dag zwaar bewolkt geweest, een ideale reisdag dus, maar hopelijk verbetert het weer een beetje zodat we vanuit Danyang nog wel een trekking kunnen maken.

Danyang is een veel grotere plaats dan we verwacht hadden. Het is van alle gemakken voorzien (en dan bedoelen wij restaurants, bakkerijtjes en hotels) zodat we het hier wel even uit kunnen houden. We nemen een hotel in het LuxuryHotel en gaan naar de Tourist Information om wat gegevens te verzamelen voorons programma.

Daarna lopen we nog langs het busstation om de tijden voor de bus naar Sokcho te checken. Bij dit busstation is een ‘museumpje’ ingericht over het WK2002. De foto’s zijn na 9 jaar al behoorlijk vaal geworden, maar de foto van Guus Hiddink is prominent aanwezig.

Ook vanavond kiezen we weer voor zo’n typisch Zuid Koreaans barbecue restaurant (we hebben inmiddels vaker in Zuid Korea gebarbequed dan de hele zomer in Nederland). Dit keer nog authentieker, want we zitten in kleermakerszit op de grond. Helaas gooit die enorme taalbarriere bijna roet in datzelfde eten. Waar wij denken rundvlees te hebben besteld om te barbecueën, staat er ineenseen grote pot soep op tafel. Paniek, dit is niet goed, gebruiken we eindelijk een woordje Koreaans dat we bij het vorige barbecuerestaurant hebben geleerd, blijkt het hier weer wat anders te zijn. Na wat handen en voeten in de strijdte hebben gegooid, krijgen we uiteindelijk toch wat we wilden en het smaakthier voortreffelijk.
Wanneer we na een uurtje grillen en bakken opstaan, merken we dat ons lichaam deze eethouding niet goed aan kan. Als twee bejaarden die net een dubbele heupoperatie hebben ondergaan, strompelen we het restaurant uit.

Zaterdag 22 oktober

Toen we vanochtend uit het raam keken, zagen we dat de regengod ook z’n vloek had uitgesproken over Danyang. Er kwam behoorlijk wat water naar beneden.
De regenjassen werden tevoorschijn getoverd en op ons gemakkie gingen we naar de bakker voor een ontbijtje. Onderweg kochten we ook nog even een paraplu.
Ondanks het slechte weer wilden we toch gewoon ons programma aflopen, maar de omstandigheden bepaalden wel dat we vanochtend eerst naar de Gosu Donggul grot zouden gaan, want dan loop je in ieder geval nog droog.

Op weg naar degrot stopten we nog even bij de Tourist Information omdat we daar nog even een belletje wilden plegen met Seoul om onze DMZ-tour te bevestigen. We mochten daar een mobiele telefoon van een alleraardigste man gebruiken en toen we verder wilden lopen naar de grot, bood hij ook nog aan om ons er even heen te brengen; erg fijn met de regen.

Bij de grot was het weer eens gezellig druk; het is weer weekend dus dan weetje het wel. We kopen een kaartje en gaan de grot in. Het is een honderdvijftigduizend jaar oude grot waar een enorm stelsel van metalen bruggetjes, wenteltrappen en andersoortig constructies in gemaakt is om ons erdoorheen te leiden. Samen met veel Zuid Koreaanse gezinnen lopen we achter elkaar aan door de grot. De grot is fantastisch met enorme stalagmieten en stalactieten, bijzonder formaties rotsgordijn en nog veel meer.

Het is af en toe erg nauw en als je beetje claustrofobische aanleg hebt, zal het zweet je uitbreken. We proberen zoveel mogelijk gaten te slaan in de lange rij mensen door af en toe wat te treuzelen en dan weer te versnellen, zodat we ook wat foto’s kunnen maken waar geen Zuid Koreanen op staan. Na een uurtje staan we weer buiten en het regent nog steeds. We zetten de paraplu op en lopen terug naar Danyang voor een bakkie koffie. Wat verveelt regen toch snel!

Voor de middag staat het Guinsa complex op het programma, maar we hebben geen haast om daarheen te gaan. Wie weet wordt het vanmiddag nog droog. We lopen nog wel even naar het busstation om te kijken hoe laat de bus naar het klooster gaat,maar gaan daarna bij de Lotteria zitten voor een hapje fastfood. We gaan tegen half twee naar het busstation, maar voor het eerst in deze vakantie heeft een bus vertraging, een half uur maar liefst. Het maakt ons niet zoveel uit want het regent nog steeds. Tegen half drie zet de bus ons af bij deparkeerplaats van het tempelcomplex. Hier moeten we eerst nog een stuk ‘klimmen’om bij de gebouwen te komen.

Het Guinsa tempelcomplex is heel anders dan we gewend zijn van boeddhistische tempels. De gebouwen zijn mega groot en bijna allemaal zijn ze te voorzien van schuifpuien en glazen deuren zoals je bij grote winkels ziet. Het grootste gebouw op dit complex doet zelfs een beetje aan een modern stationsgebouw denken. Het mooiste van het complex is eigenlijk z’n ligging; in een vallei tussen twee bergen, omgeven door veel esdoorns die vuurrood verkleurd zijn.

We lopen wat tussen de gebouwen door en na verloop van tijd beginnen we te wennen aan deomvang van de gebouwen en zijn we toch nog wel staat wat mooie foto’s te maken.Helemaal bovenaan het complex staat de tempel die is opgedragen aan de stichter van deze sekte en dat is een plaatje, helemaal in goud geschilderd.
Rond een uur of drie houdt het op met regenen en kunnen de paraplu’s weer opgeborgen worden. Dat geeft al gelijk een veel beter gevoel.
Na anderhalf uurgaan we terug naar de parkeerplaats, waar de bus net is vertrokken. We kopen de buskaartjes voor de terugweg en nemen wat te eten en te drinken.
Als we even op een betonrand zitten worden we opeens aangesproken door onze ‘vriend’van vanochtend. Hij komt bij ons staan en vertelt dat hij wat vrienden naar het tempelcomplex heeft gebracht. We praten nog even met hem waarna hij druk begintte bellen.
Even later zien we hem op de parkeerplaats lopen en hevig gebaren dat we bij hem moeten komen; we kunnen met hem mee terug rijden. Hij zegt tegen Rob dat hij de buskaartjes terug moet brengen.

Bij zijn auto aangekomen blijken de twee vrienden, twee vriendinnen te zijn en met z’n vieren kruipen we in dezelfde auto waar we vanochtend al eens in vervoerd zijn. Wat hebben we toch een vrienden in Zuid Korea. Hij neemt deels een andere weg dan de bus en het lijkt wel een speciale toeristische route voor ons. Van haarspeldbocht naar haarspeldbocht en dit alles afgezet met een rode bies van esdoorns in herfsttooi. Onderweg stopt hij zelfs nog even bij een uitkijkpunt zodat we de weg ook nog even van bovenaf kunnen bewonderen.

Terug in Danyang gooien we de paraplu’s en de regenjassen op de kamer en gaan we de stad in om wat te drinken. Gelukkig is het weer droog geworden en soms zien we al weer stukjes blauwe lucht. Als het morgenvroeg droog is, dan blijven we in Danyang om de trek naar de 1439 meter hoge piek Birobong te doen, als het morgenvroeg weer regent gaan we door naar Sokcho.

Voorsorterend op de trek van morgen nemen we ‘s-avonds een spaghettischotel;ook wel eens lekker! Daarna nog een kopje koffie en dan zoeken we ons hotelmaar eens op. We moeten nog op zoek naar een hotel voor de laatste nachten inSeoul en dat valt nog niet mee.

Zondag 23 oktober

Het regende niet vanochtend, maar daar was ook alles mee gezegd. Overal waar we om ons heenkeken waren de bergtoppen verstopt in een dikke wolkendeken.
We hoopten dathet, net als gisteren, later op de dag iets beter zou worden, dus boekten de kamer nog een nachtje extra.

Na het ontbijt hebben we wat proviand ingeslagen bij de supermarkt en zijn bij de bushalte voor Darian gaan staan. Dit minuscule plaatsje is nl. het vertrekpunt voor de klim naar de Birobong top in het Sobaeksan National Parc. Na een half uur waren we het wachten zat en hebben een taxi genomen naar Darian.

De taxi-chauffeur zette ons netjes aan het begin van de klim af en om 09:30 uur gingen wij op pad. We waren hier op ongeveer 450m hoogte en stonden al bijna met ons hoofd inde wolken. Het pad ging al gelijk behoorlijk steil omhoog, dus we moesten gelijk aan de bak. De bossen om ons heen zagen er weer schitterend uit; de vele esdoorns kleurden van geel tot donkerrood.
Na een half uur werd het langzaam aan wat lichter en even later staken we onze hoofden zelfs door de wolken heen; het zonnetje scheen er heerlijk.

Het lopen was inmiddels meer klauteren geworden, want van een pad was allang geen sprake meer. Over een lawine van keien en rotsblokken gingen we stapje voor stapjenaar boven. Na 4,5 km ploeteren was er gelukkig nog een plekje waar we even op een bankje konden uitrusten. Een slim echtpaar verkocht hier zelfs wat drinken en eten.
Na een korte pauze gingen we weer verder en toen we ons op een gegeven moment omdraaiden, zagen we wel waar we het voor deden; een fantastisch vergezicht richting de vallei waar we vandaan kwamen en de wolkendeken konden we nog over de stad zien liggen.

Gelukkig was het nu niet ver meer en de laatste kilometer was ook weer wat beter begaanbaar. Op 1439 meter hoogte hadden we uiteindelijk een 360 graden uitzicht op verschillende bergtoppen die door de enorme wolkendeken heen prikten en dichterbij gelegen valleien; we konden zelfs de Han-rivier zien. We blijven eenhalf uurtje op de top en eten er onze meegebrachte boodschappen op. Om 12:45uur beginnen we aan de afdaling. Wanneer we bij degrote keien en rotsblokken aankomen proberen we de juiste manier te vinden omhier overheen naar beneden te komen, maar het valt niet mee; veel te grotestappen en steeds weer uitkijken dat je niet zwikt of wegglijdt.

Wanneer we na 2,5km weer bij de rustplek aankomen zoeken we er een plekje en nemen een bak noedelsoep; even bijkomen.
Wanneer we van onze gedeelde bak soep zitten te genieten vindt een man ons er blijkbaar zo beroerd uit zien dat hij ons spontaan een reep chocolade toestopt en wij zeggen geen nee.
Naarmate we dichter bij de uitgang komen wordt het pad weer wat beter begaanbaar en kunnen we de vaart er wat in houden. Waar we voor de klim 3 uur nodig hadden doen we de afdaling in twee uur. Uiteindelijk hebben we bijna 17 kilometer afgelegd en meer dan 1000m hoogteverschil overbrugd. Als we de Koreaanse borden goed hebben vertaald was de gemiddelde hellingshoek 15 graden.

We gaan op zoek naar de bushalte en volgens de parkeerwachter van de nabij gelegen parkeerplaats gaat de bus om 15:40 uur. Toen we hem om 16:00 uur nog eens vroegen naar de bus, zei hij dat de bus om 15:40 uur uit Danyang zou vertrekkenen dat de bus dan om 17:00 uur hier zou vertrekken.
Inmiddels waren er een aantal Zuid Koreanen bijgekomen die ook de bus wilden nemen, maar toen ze de vertrektijden hoorden belden ze direct een tweetal taxi’s. Ze maakten ons duidelijk dat wij wel in de tweede taxi meekonden omdat die toch niet vol zat.
Toen de taxi in Danyang stopte en wij ons deel van de taxirit wilden betalen, werd onze portemonnee door de Zuid Koreanen terug weggeduwd; daar wilden ze niets van weten. Ondanks (niet te veel) aandringen zijn we de taxi maar uitgegaan en hebben ze tig keer bedankt.
‘s-Avonds eten we pasta om weer wat aan te sterken en gaan dan vroeg naar bed; we zitten er allebei wel een beetje doorheen na de inspanning van vandaag.

Maandag 24 oktober

We hadden niet zo heel veel haast vanochtend want de bus vertrok pas om 09:15 uur. Alle tijd om even te ontbijten, waarna we voor de laatste keer door Danyang slenterden.
We hadden vooraf niet veel verwacht van de plaats Danyang, maar dat is honderd procent meegevallen. Het is een leuke compacte stad met alle benodigde faciliteiten en veel te doen in de omgeving.
We gaan vandaag naar Sokcho, met een overstap in Wonju. Wanneer we uit Danyang wegrijden miezert het zowaar; een goed moment om te vertrekken.We doen er anderhalf uur over om in Wonju te komen en daar kopen we dan eerst de tickets naar Sokcho. We schrikken van de prijs, omgerekend een tientje per persoon; zo duur hebben we ze nog niet gehad!

De bus naar Sokcho vertrekt over drie kwartier, dus we hebben mooi even de tijd om een bak koffie weg te werken.
Om 11:35 uur stappen we in een bijna nieuwe bus. Misschien is dat de verklaring van de duurdere kaartjes.
De rit naarSokcho duurt twee comfortabele uren. Het enige waar wij ons zorgen over maken zijn de donkere wolken die in de rijrichting van de bus mee lijken te drijven.
Rond 13:30 uur staan we op het busstation van Sokcho en gaan we op zoek naar een hotel. Het eerste hotel op ons lijstje blijkt vol te zijn en dan laten we ons met de taxi bij het volgende hotel afzetten. Deze wordt afgekeurd door Diana, dus we lopen naar de volgende. Wederom een afkeuring, dus door naar nummer vier. Het Ritz-motel komt door de selectie (niet te verwarren met het Ritz-hotel).
Nadat we de tassen op de kamer hebben gegooid, gaan we Sokcho verkennen.

Sokcho ligt helemaal in het noordoosten van Zuid Korea, op slechts 60 km van de Noord Koreaanse grens, en grenst aan de oostkant aan de Japanse Zee en wordt aan de andere kant omgeven door het Seorak gebergte. Sokcho is dus dé uitvalsbasis voor het Seoraksan National Parc, maar Sokcho is vooral ook een vissersdorp. Met 90.000 inwoners kun je het eigenlijk ook weer geen dorp noemen.
We beginnen vlakbij het hotel op een klein vismarktje, waar vooral toeristen komen kijken. De vis is er net iets te mooi uitgestald, maar wel leuk voor de foto. Vooral de inktvis die aan de waslijn hangt te drogen is een uniek plaatje.

Daarna lopen welangs het water naar de andere kant van de haven waar het ‘echte’ werk aan degang is: vrouwen zitten in groepjes bij elkaar en halen de vangst van de daguit de visnetten en de vissers zijn al weer bezig de netten in orde te makenvoor de volgende dag.
Na ook deze tafereeltjes van dichtbij te hebben gevolgd gaan we op weg naar het Sokcho van Paris Baguette en Lotteria. Ook Sokcho heeft veel winkels van de ketens die wij in de afgelopen drie weken hebben leren kennen en is ook in die zin een echte stad.

We lopen wat verder en stuiten op een klein veerpontje wat nog met de hand bediend wordt. Via een staalkabel wordt het van de ene naar de andere kant getrokken. Voor 15 eurocent mag je mee overvaren en dat doen we natuurlijk. Het tochtje duurt nog geen 5 minuten, maar toch leuk.
Aan de anderekant van het water is de lokatie van een filmset te bezichtigen van wat een hele populaire film in Zuid Korea is geweest. Er is niet veel te zien, maar her en der zie je levensgrote foto’s van de hoofdrolspelers waar je dan mee op de foto kan.
Dit fenomeen kom je overigens door heel Zuid Korea tegen; de lokatie van filmsets van bekende films waar de Koreanen zich dan uitgebreid laten fotograferen.
We wandelen nog wat verder door naar de E-Mart, een soort Makro, maar dan zonder pasje. We lopen wat door deze mega supermarkt waar van alles te krijgen is. De prijzen van de verschillende elektronica artikelen vallen niet eens zo heel veel mee; wel wat goedkoper dan in Nederland, maar geen tientallen procenten.
Rob koopt nog wel een t-shirt voor de laatste dagen in Seoul. De 10 kg die hij op de heenreis bijzich had was toch net te weinig voor een maand reizen.

Na dit winkeluurtje gaan we terug naar het centrum van Sokcho om een hapje te eten. Ook nu weer met de hand-ferry waar Rob de bootsman een handje helpt. Het enige wat onsop de moment zorgen baart zijn de donkere wolken die zich samen pakken bovenSokcho. Als dat maar goed komt morgen.

Dinsdag 25 oktober

We waren blij verrast toen we vanochtend zagen dat bijna alle bewolking was verdwenen. Alleen boven het Seorak gebergte hingen nog wat witte wolkjes, maardat moest wel goed komen vandaag.
Even een ontbijtje en dan door naar de bushalte, want de stadsbus stopt preciesvoor de ingang van het Seoraksan National Parc.
Toen we uit de bus stapten hadden we al snel in de gaten dat we under-dressed waren; alleeneen shirt met lange mouwen was vandaag eigenlijk niet voldoende. De koude nachten de wind die af en toe stevig blies gaven een winters gevoel. Vol vertrouwen dat de zon vandaag voldoende kracht zou krijgen om ons warm te houden, liepen we stug door.
Het Seoraksan National park wordt gezien als het mooiste park van heel Korea.Je vindt er vreemd gevormde rotsformaties, dicht woud, wilde beesten, heetwaterbronnen en tempels uit het Shilla tijdperk.
Wij kozen vandaag voor de bijna vijf kilometer lange trek naar Ulsanbawi, een spectaculaire rotsformatie van 873 m hoogte, bestaand uit zes gladde pieken waar zelfs vogels niet op kunnen rusten (zeggen ze). Van hier heb je fantastische uitzichten, onder meer naar Sokcho.

We waren vandaag weer niet alleen, maar er waren minder Zuid Koreanen die ons begeleidden dan in de andere twee parken. De trek begon redelijk eenvoudig en na een mooie 18 m hoge bronzen Boeddha en een even zo mooi tempelcomplex, begon het pad licht te stijgen. Ook nu weer mooie esdoorns in herfstkleur langs depaden.

Af en toe zagenwe ons einddoel al tussen de bomen door, een grijs/beige gekleurde rotsformatiewaarvan de zijkanten bijna loodrecht omhoog gingen.
Het betonnen pad ging over in keien, maar wel een redelijk vlak keienpad dus nog steeds ging hetlekker. Na 3 km kwamen we bij een klein tempelcomplexje waar een monnik net meteen dienst bezig was. Klonk fantastisch in deze al even mooie omgeving.
Bij deze tempelsligt een 16 ton zware kei die je met een paar man in beweging kunt krijgen.Elke Koreaan moet dit natuurlijk proberen en allemaal moeten ze er ook mee opde foto.
Wij vervolgden het pad en het werd zo langzamerhand iets meer klauteren, maarnog lang niet zoals het pad naar de Birobong twee dagen geleden. Op een gegeven moment het bordje voor de laatste kilometer dus dat viel best wel mee vandaag. We zagen steeds meer van de rotsformatie waar we naar op weg waren, maar wevroegen ons wel steeds meer af hoe we daar omhoog zouden moeten komen; zou ereen kabelbaan zijn?

Nee, die kabelbaan kwam er niet maar wel een 400 meter lange, uit 808 treden bestaande, metalen trap die her en daar in de rots is bevestigd. De trap gaat op bepaalde stukkenbijna loodrecht omhoog. Nu zijn wij al geen helden op hoogte, maar dit is wel even twee keer slikken. We sprekenelkaar moed in: ‘we zijn nu al zover gekomen…….’, ‘wie A zegt moet B zeggen‘, ‘Koreanen kunnen heel goed lassen; heb je wel eens een Hyundai uit elkaar zien vallen’, ‘de inspectie van toeristen hulpmiddelen is pas nog wezen controleren want daar zie ik een sticker’, ‘ kijk daar komt een vrouwtje van 70 naar beneden dan moeten wijhet ook kunnen’, …………… en dus klampen we ons vast aan de leuning en gaanomhoog, achter de onverschrokken Zuid Koreanen aan.

Het is een hele klim enhalverwege moeten we opnieuw het hele rijtje opsommen om verder te gaan, maarde trap doet uiteindelijk waar hij voor gemaakt is en wij komen op het hoogsthaalbare punt, al is het met trillende benen.

Bovenop de rots kunnenwe nog iets toevoegen aan ons rijtje moed-smoezen: ‘ze hebben zelfs een fotostudio boven gekregen via de trap’. Helemaal bovenop de rots kun je nl. eenfoto van jezelf laten maken, die vervolgens wordt afgedrukt op A4, geplastificeerd en die je vervolgens met een koordje om je nek krijgt gehangen. Je denkt waarschijnlijk: ‘wie doet dat nou’. Het antwoord is simpel: ‘ZuidKoreanen‘. Je zou eens moeten zien hoeveel er, stoer met zo’n foto van zichzelfom de nek rondlopen.
Wij laten deze traktatie aan ons voorbijgaan en nadat we wel wat foto’s van de omgeving hebben gemaakt, rapen we alle moed bij elkaar en beginnen aan de afdaling.

Via de trap naar beneden blijkt makkelijker te gaan dan verwacht. Ongeschonden en in een mooie tijd staan we rond 12:30 uur weer onderaan de trap; dit avontuur hebben we overleefd. Op de terugweg stoppen we nog bij een foerageerpunt en nemen daareen gebakken eitje; dat hadden we wel verdiend. Zoals verwacht zijn ook delaatste kleine wolkjes verdwenen dus we zitten heerlijk in het zonnetje, al isde temperatuur nog steeds niet in overeenstemming met onze kledingkeuze.

Genietend van de omgeving om ons heen en af en toe terugkijkend naar de rotsformatie die wij op kunstige wijze hebben bedwongen, lopen we terug naar de ingang van het park. We overwegen nog om met een kabelbaan naar een ander uitzichtpunt te gaan, maar de wachttijd van anderhalf uur doet ons besluiten om terug te gaan naar Sokcho, waar we de voorbereidingen treffen voor de laatste etappe van deze vakantie.

Woensdag 26 oktober

Daar stonden we dan om 09:30 uur op het busstation van Sokcho. Onze laatste busreis in Zuid Korea zou om 10:00 uur vertrekken, waarmee het cirkeltje rond is (of eigenlijk het 8’tje).
Het is erg druk op het busstation en als Rob de kaartjes haalt blijkt de bus van 10:00 uur al vol te zijn en moeten wij met de extra bus van 10:10 uur mee. De grote drukte wordt vooral veroorzaakt door een massa militairen die met verlof lijken te gaan. Hoe langer we de terugreis kunnen uitstellen, hoe beter.

Ook deze bus vertrekt weer op tijd en hoewel de buschauffeur nog wat tijd probeert te rekken door een koffiestop in te lassen zijn we om 12:30 uur weer terug in Seoul, de stad waar we onze reis vier weken geleden begonnen.
Het voelde allemaal wel vertrouwd en voor we het weten staan we alweer in de metro naar ons hotel. Het Hill House Hotel staat in de buurt van de N’Seoul Tower en die komt ons ook nog wel bekend voor van de eerste dagen.

Omdat we nog niet op de kamer kunnen, laten we grote rugzakken in de lobby staan en gaan we naar de nabij gelegen Namdaemun markt. Deze markt kun je nog het beste vergelijken met de Zwarte Markt in Beverwijk en het is er erg druk. Je kunt hier van alles kopen, van sieraden tot panty’s en van hondenkleding tot worstenbroodjes. We lopen wat over de markt en neuzen wat bij de stalletjes en net voordat we weer terug willen gaan naar het hotel ziet Rob een stal met leuke jassen. We graaien wat in de rekken en zien een leuk Jack. Even passen (Rob heeft hier zelfs XL) en wat afdingen en dan hebben we net als vorig jaar op de terugreis meer kleding bij ons dan op de heenweg.

Nadat we terug zijn geweest bij het hotel, rekken we de beenspieren nog een keer voor een wandeling naar het War Memorial Museum. Diana had plaatjes gezien van de stanbeelden bij dit museum en die wilde ze met eigen ogen (en camera) gezien hebben. Na een wandeling van ruim een uur komen we bij het museum aan en dan blijkt de plek waar de standbeelden staan omgeven te zijn met hoge hekken; ze zijn er de boel opnieuw aan het inrichten. We kunnen de standbeelden wel zien, maar slechts ten dele.
We besluiten nog wat over museumterrein te lopen en zoeken naar een gaatje in het hek, als we opeens een van de werklui het slot van een deurtje zien halen om naar binnen te gaan. Wij lopen snel achter hem aan en vragen of we misschien even naar binnen mogen voor één fotootje. Hij kan onze droeve hondenogen blijkbaar niet weerstaan, want hij gebaart ons naar binnen te gaan. Zo hebben wij toch nog even de gelegenheid deze beelden van dichtbij te bekijken en zelfs zonder hordes Zuid Koreanen op de voorgrond.

Voor de terugreis maken we gebruik van de metro, want morgen moeten onze benen ons ook weer een hele dag dragen. Door de vertraging van onze heenvlucht zijn er een paar bezienswaardigheden die we wel op ons lijstje hadden staan, maar nog niet hebben kunnen doen.

Zuid Korea 3

Donderdag 13 oktober

Vandaag laten we Boseong alweer achter ons en gaan naar Wando. We ontbijten bij de supermarkt en lopen dan naar het, aan de overkant gelegen, busstation. Als de man de tickets geeft blijkt dat de bus 1 minuut later zal vertrekken, dus we sprinten met onze bepakking naar het platform; gelukkig is het een heel klein busstation.
Zoals gewoonlijk vertrekt de bus precies op tijd en zijn we om 08:24 uur weer op weg.
We gaan eerst naar Ganjing, een ritje van een uur, waar we dan overstappen op de bus naar Wando die ook nog eens 45 minuten nodig heeft. Net voor 10:30 uur staan we op het busstation van Wando. Snel even inchecken bij Dubai Motel en dan een lekkere bak koffie bij Paris Baguette; de bakkerijtjes van deze keten zie je gelukkig in bijna alle steden. Onze volgende stop is de Ferry Terminal van Wando.

Wando ligt aan de zuidkust van Zuid Korea en is eigenlijk een eiland dat tegenwoordig met een brug aan het vaste land vast zit.
Wij stappen hier morgen op de veerboot naar Jeju en het lijkt ons handig om vandaag maar even de kaartjes te kopen. Een leuke wandeling langs de haven brengt ons bij de terminal. Binnen zie we niemand bij de Jeju-balie staan dus wij maar weer naar de Information Office.

Ze maken ons, aan de hand van een folder, duidelijk wat de vertrektijden zijn en wat het kost, maar ze kunnen ons geen kaartjes verkopen; daarvoor verwijzen ze ons naar de eerste verdieping van het gebouw.
Boven aangekomen worden we naar het juiste kantoortje verwezen, maar als we de betreffende medewerker met rooksignalen duidelijk maken dat we morgen naar Jeju willen maakt hij het X-gebaar met zijn vingers, wat in Zuid Korea altijd betekent dat iets niet kan. Wij dus maar weer naar beneden naar de dames van de Tourist Information.

We vertellen ons verhaal met alle handen en voeten die we hebben, maar ze begrijpt ons niet. Ze rammelt wat op haar computer en dan blijkt dat ze een vertaalprogramma heeft opgestart; da’s handig! Dan komt er ook nog een collega aangelopen die een soortgelijk app heeft opgestart op zijn smartphone. Met een beetje hulp van de techniek komen we er achter dat we vandaag geen kaartjes kunnen kopen voor de boot van morgen, maar dat we morgen een uur voor vertrek aan de balie moeten zijn; zeg dat dan…….

Na deze zoveelste Babylonische ervaring verlaten we het terminal-gebouw en gaan naar de overkant van de straat om nog maar eens aan een beklimming te beginnen, dit keer naar de Wando-tower.
Vierhonderdachtenveertig treden later staan we voor de nieuwste attractie van Wando: de futuristisch uitziende Wando tower, een uitkijktoren die er, volgens de Lonely Planet UFO-achtig uitziet, maar volgens ons zou het ook een donut op een tandenstoker kunnen zijn.
In de toren gaan we met de lift (!) naar de bovenste verdieping en genieten van het uitzicht. Van deze hoogte heb je een mooi uitzicht over Wando en de haven, maar vooral ook over de zee met de vele verspreid liggende eilandjes voor de kust. Het lijkt of er tussen een aantal eilandjes nog een deken van mist ligt; een fantastisch gezicht.
Een paar foto’s later staan we weer in de lift en beginnen aan onze afdaling naar zeeniveau.

Gelukkig had Diana ook nog wat gelezen over een trail aan de zuidkant van Wando, anders zouden we ons maar vervelen vanmiddag.
Omdat er alleen maar een weg naar het vertrekpunt van de trail gaat en we er dus niet te voet kunnen komen, het lopen langs dit soort wegen is een vorm van Russische roulette met de rijstijl van de Zuid Koreanen, laten we ons er door een taxi afzetten.

De trail start bij een grof kiezelstrand en als daar een gezellig barretje was geweest, waren we waarschijnlijk niet eens aan de trail begonnen, zo fantastisch zag het er uit. Geen barretje, dus geen excuus, lopen maar weer. We lopen door een strook bos dat aan het strand grenst. De trail is iets te veel aangelegd, waardoor je het idee had dat je door park Berg en Bos loopt; overal staan bordjes met uitleg over bomen en beestjes en allemaal in het Koreaans dus wij konden gewoon door blijven lopen.

Uiteindelijk blijkt de trail maar net iets meer dan een kilometer lang te zijn, dus voor we het weten staan we aan het eind van de trail weer op het kiezelstrand. Ook hier weer fantastische vergezichten over de zee met z’n vele eilandjes. Even later lopen we via het kiezelstrand terug naar het beginpunt van de trail. Deze natuurtocht had ons niet veel tijd gekost, dus we konden al vroeg weer terug zijn in Wando om daar nog even op een terrasje aan de haven te zitten. We zijn naar de weg gelopen omdat we daar een bushalte hadden gezien, maar toen er na een kwartier nog geen bus was gesignaleerd hebben we maar een taxi aangehouden en ons in Wando af laten zetten.
Het enige terras in Wando bleek een plastic tuinsetje voor een supermarkt te zijn, dus daar zijn we toen maar gaan zetten. We zaten er lekker in het zonnetje en in de supermarkt stond goedkoop bier genoeg in de koeling; de gezelligheid moet van jezelf komen! Toen de zon wat begon weg te zakken zijn we maar op zoek gegaan naar een leuk restaurantje, maar waar we al bang voor waren: die zijn hier niet. Uiteindelijk zijn we niet met lege buikjes naar bed gegaan dus niemand hoeft zich zorgen te maken.

Vrijdag 14 oktober

Zachtjes tikt de regen tegen het hotelkamerraam…………..nou ja, zachtjes, er valt een behoorlijke portie water en dat is al een paar uur aan de gang.
We pakken onze plunje en gaan eerst naar de bakker, door de regen. Bij de bakker eten we een paar broodjes en drinken een bakkie thee en tegelijk proberen we wat op te drogen.

Na het voortreffelijke ontbijt gaan we door naar de Wando Ferry Terminal, nog steeds door de regen.
We zijn weer te vroeg, dus we moeten nog even wachten voordat we onze kaartjes kunnen kopen. Zoals met veel zaken in Korea die volgens een tijdschema gaan , begint de kaartverkoop exact op tijd.
Gelukkig geen problemen bij het kopen van de kaartjes, dus nu maar wachten tot ze gaan boarden. We zagen nog wel dat er geen stoelnummers op de kaartjes staan, maar toen we hier een vraag over stelden, zei ze dat het zo goed was.
Het regent buiten nog steeds, dus we hadden geen betere dag kunnen plannen voor deze reisdag.

Wanneer de hekken opengaan komt er een hele volksverhuizing op gang. Grote groepen Zuid Koreanen met dozen, zakken, bakken en wat ze nog meer bij zich hebben verdringen zich bij de loopbrug, die willen vast een goede stoel zien te bemachtigen.
Als we even later aan dek komen, zien we tot onze grote verbazing dat er helemaal geen stoelen zijn; alleen maar grote zalen waar iedereen op de grond gaat zitten. Hebben wij weer: een boot zonder stoelen.
Gelukkig zien we in de ruimtes rondom de zalen nog wel wat kleine zitjes staan, dus daar nemen wij intrek.

Wanneer de boot nog maar net de haven uit is, zien we ook wat er in die dozen, zakken en bakken zit: allemaal etenswaren, van vis tot druiven en van groenten tot octopussen. Ook de drank zijn ze niet vergeten, treetjes frisdrank en bier komen tevoorschijn net als de flesjes Soju (Zuid Koreaanse wodka).
Wij willen niet voor ze onderdoen en pakken ons rolletje koekjes te voorschijn. Er zal toch nog wel wat verkocht worden aan boord.

Wanneer de grote schranspartij is begonnen, worden wij niet vergeten. Eerst krijgen we een soort rubberen cake aangeboden en even later een volledige warme maaltijd met vis en ondefinieerbare groenten. De cake nemen we aan, maar de warme maaltijd weten we onderuit te komen. Even later legt een vrouw ook nog een tros druiven op ons tafeltje. Als je met Zuid Koreanen op stap gaat zul je zeker niet verhongeren.

Omdat het nog steeds slecht weer is kunnen we niet echt genieten van de omgeving waar we varen. Normaal gesproken zie je ontelbare kleine eilandjes om je heen, maar het is zo slecht dat je slechts een paar grotere eilanden kunt ontwaren.
Na drie uur varen wordt het weer onrustig aan boord en niet veel later zien we de contouren van Jeju aan de horizon. De overgebleven etenswaren worden weer vakkundig ingepakt en klaargezet om mee aan wal te nemen. Net zo graag als ze aan boord wilden, willen ze er nu weer af.

Wanneer we in Jeju aan wal zijn zoeken we een taxi en laten ons naar het busstation brengen. Het regent hier wel iets minder, maar toch. Jeju wordt door de Zuid Koreanen als hun Hawaii gezien en hier gaan dan ook veel huwelijksreizen naar toe. Onder deze omstandigheden is het hier echter even druilerig als ergens anders in Zuid Korea.
De aansluiting op het busstation is perfect en even later zijn we alweer op weg naar Seogwipo, onze eerste bestemming op dit eiland.
Het duurt een uurtje voor we op het busstation van Seogwipo staan. Even later nemen we de laatste vrije kamer in hotel Little France. Het is inmiddels 16:00 uur dus dit was een lange reisdag.

Als we even later de straat op gaan om de buurt te verkennen en wat informatie in te winnen over de bezienswaardigheden in de omgeving, is het zo goed als droog. We hopen dat dit een voorbode voor morgen is

Zaterdag 15 oktober

Toen we vanochtend door het raam keken, scheen de zon weer als vanouds; blijkbaar toch iets eenmaligs, die regen.

Wat ga je dan doen als je zo’n ‘idyllisch’ eiland bent: zwemmen in zee, wandelen over het strand, een cocktail drinken bij de strandbar of misschien naar één van de twee watervallen die vlakbij zijn? Nee, dan ga je naar de hoogste top van het land.
Die hoogste top is op Mt. Hallasan, een vulkaan die al bijna 1000 jaar niet meer is uitgebarsten. Het lijkt heel wat ,de hoogste top, maar in Zuid Korea is dat niet meer dan 1950m. De trail die wij gaan volgen om er te komen is bijna 10km lang en we moeten 1200 m hoogteverschil overbruggen. Volgens de boeken moet je daar minstens 6 uur voor uittrekken. Je raadt het waarschijnlijk al, we moesten er weer eens vroeg uit.

Om 07:15 uur liepen we al richting busstation, maar voordat we op de bus naar het beginpunt van de trail stappen, gaan we eerst naar de supermarkt om wat eten en drinken voor vandaag te halen en lopen we vervolgens bij Paris Baguette binnen voor een goed ontbijt.

We hebben de bus van 08:00 uur en om 08:30 uur staan we op de parkeerplaats bij de Songpagnak trail en we zijn niet alleen. Het is duidelijk dat dit outdoor gebeuren een nieuwe nationale bezigheid is. De parkeerplaats staat overvol en langs de weg staan nog tientallen auto’s geparkeerd.
Ze zijn allemaal weer in vol ornaat die Zuid Koreanen; vrouwen met fel gekleurde jasjes en bijbehorende broeken en daaronder de mooiste fel gekleurde bergschoenen en alles van de duurste merken. Op het hoofd hebben ze dan vaak nog een oversized zonneklep want ze willen ten koste van alles voorkomen dat ze een kleurtje krijgen; wit is het schoonheidsideaal.
De mannen zijn meestal iets minder kleurrijk gekleed maar hebben vaak nog wel wat extra accessoires zoals een stijlvolle rugzak of een bandana.

De route is goed aangegeven, maar bovendien is de eindeloze rij kleurrijke Zuid Koreanen niet te missen. Dit keer zouden we zeker niet verkeerd lopen.
De trail stijgt dit keer een stuk geleidelijker dan toen we naar de Buril watervallen gingen, maar het pad bestaat voornamelijk uit lavablokken van ongelijke grootte waardoor de enkels en vooral ook de achillespezen het zwaar te verduren krijgen. Af en toe is er een stukje van de trail gemaakt van planken en dat is dan even een aangename afwisseling.
De omgeving is ook dit keer weer erg mooi en de herfst doet steeds meer haar intrede; op de trail ligt al veel afgevallen blad, maar af en toe zien we nog een naar felrood verkleurde esdoorn en die zijn prachtig.

Hoewel ze toppie-oppie gekleed zijn, is het slecht gesteld met de conditie van de meeste Zuid Koreanen. Het is af en toe net alsof je de stoomboot van Sinterklaas voorbij loopt en het tempo waarin ze lopen maakt ze tot gekleurde betonblokken waar we steeds omheen moeten slingeren. En dan die skistokken; ik was het vergeten te noemen bij de uitrusting maar ze hebben bijna allemaal stokken bij hun uitrusting gekregen, maar weten niet goed hoe ze deze moeten gebruiken. Soms dragen ze de stokken onder de oksels (zoals je dat zou doen als je een berg af skiet); als je dan net achter ze loopt peuteren ze gratis je neus leeg, in het meest gunstige geval. Een andere geliefde houding is met de stokken opzij, waarmee ze eigenlijk aantonen dat ze helemaal niet weten wat ze met de stokken moeten en aangezien het pad meestal niet meer dan een meter breed is, is de horde dan helemaal onneembaar geworden.
Wij proberen op een schema van 18 minuut per kilometer (!) te lopen waarmee we bijna dubbel zo hard lopen als naar de Buril watervallen.

Vooral de laatste paar honderd meter waren meer een berg-beklimming dan een berg-wandeling, maar om 11:45 uur staan we aan de rand van de krater van de vulkaan. Zo’n krater is altijd weer een bijzonder gezicht. Eigenlijk zie je dan pas echt dat je op een vulkaan staat, want de rest van de tijd kan het ook een berg zijn geweest.
We waaien hier bijna uit onze jas en het is vrijwel onmogelijk de videocamera stil te houden. De temperatuur is waarschijnlijk de helft van beneden en na ongeveer een kwartiertje langs de rand van de vulkaan te hebben gelopen, houden we het voor gezien en beginnen aan de afdaling.

Het wordt dringen geblazen, want de kleurrijke massa komt ons nu tegemoet. Helemaal uitgeput lopen de Zuid Koreanen met de tong op de schoenen de laatste meters omhoog, waardoor ze ons niet naar beneden zien komen. Het is net zo’n ouderwets computerspelletje waarbij je moest proberen de munitie van de vijand te ontwijken; de Zuid Koreanen zijn de munitie en wij zijn aan het ontwijken.

Na een kilometer ontwijkend afdalen begint het rustiger te worden op het pad waardoor wij wat relaxter naar beneden kunnen, voor zover het pad dat toelaat.
Bij kilometer 7 (uit het oogpunt van de stijgende partij) is er een shelter waar ze tot onze grote vreugde noodle soep verkopen. Na 4 uur lopen hadden we dat wel verdiend. Deze halve liter instant-soep kost hier maar een euro, maar was wel tien euro waard.

Wanneer we onze weg weer vervolgen, wordt er wat stennis gemaakt bij het pad. Iemand wil nog omhoog, maar de parkwacht stuurt hem terug.
Overal wordt op de borden aangegeven dat je na 12:30 uur niet meer voorbij dit punt omhoog mag en dan is het balen als je er net na enen aankomt.
Naarmate we verder afdalen wordt het steeds rustiger op de trail. De Zuid Koreanen zijn blijkbaar wat langer boven blijven zitten en er komen geen mensen meer omhoog omdat je toch niet langs kilometer 7 komt. Er is nu veel meer ruimte om te lopen, maar de achillespezen beginnen steeds heviger tegen te sputteren.
Na 6 ½ uur (incl. tijd aan de top en lunch) staan we weer op de parkeerplaats en gooien we er even een colaatje in; dat is lekker!
We lopen verder naar de bushalte en na enkele minuten is de bus er al en laten we ons heerlijk in een stoel zakken.

Om 15:45 uur waren we weer terug in Seogwipo en na onze spullen op de kamer te hebben gegooid, zijn we toch nog even naar de duikschool gelopen om te checken of we morgen meekunnen. Gelukkig is dat allemaal in orde. Hierna gaan we bij een barretje wat drinken.

Zondag 16 oktober

Vandaag geen trekking of andersoortige wandeling, de bergschoenen konden in het hotel blijven en de TEVA’s konden aan de voeten want er staan een tweetal duiken op het programma.
Om 09:00 uur moeten we bij duikschool Big Blue 33 zijn om onze uitrusting te passen, dus we hadden voldoende tijd om nog even een ontbijtje te pakken.

Toen we bij de duikschool aankwamen was het al een drukte van belang; onze mededuikers waren al bezig met hun uitrusting.
Ralph, de Duitse eigenaar van de duikschool laat ons nog wat papieren ondertekenen en vervolgens krijgen we van hem de spullen aangereikt. Het spul ziet er allemaal goed uit en dit keer kan Diana niet eens klagen over de slechte vrouwelijke pasvorm van de wetsuit; het is namelijk een speciaal dames-wetsuit.

Rond 09:30 zijn de spullen ingeladen in het busje en gaan we met 13 man op weg naar de haven. We zijn samen met 8 Russen; één uit Moskou en de anderen uit Wladiwostok. Daarnaast gaan James en Mike mee; James is een Engelsman die vandaag onze divemaster zal zijn en Mike is een Canadees die ook af en toe wat bijbeunt bij de duikschool. Last but not least, gaat ook Ralph nog mee.
Bij de haven aangekomen wordt alles weer uit het busje gehaald en is het wachten op de boot. Wanneer we de boot in de verte zien naderen, moeten we wel even lachen; het blijkt een oude vissersboot te zijn waarmee we naar de duikstek gaan.

Alles wordt ingeladen en we gaan op weg. Over het algemeen ben je toch gauw een uurtje onderweg, dus we zetten ons schrap. Tot onze verbazing draait de boot al na 10 minuten richting een piepklein rotseilandje en legt daar aan. Voor we het weten zijn alle spullen uitgeladen en gaat de boot er weer vandoor; wij duiken dus blijkbaar vanaf dit eilandje.
De duikteams worden ingedeeld en wij duiken met James, Mike en de Rus uit Moskou, de rest gaat met Ralph mee.
Na een korte briefing tuigen we ons op en zijn we klaar voor onze eerste duik. Het is de bedoeling dat we van de rotsige kant van het eiland in het water springen.

Wanneer we in het water liggen merken we gelijk dat er een stevige stroming staat. James had ons gewaarschuwd bij de briefing, maar het valt toch altijd weer tegen. We dalen af langs een koord om te voorkomen dat we richting China afdrijven. Op 12 meter is de stroming nog steeds stevig en we zwemmen er de eerste 10 minuten van de duik tegenin. Af en toe hangen we zelfs aan de kelp om weer te hergroeperen.

De onderwaterwereld is hier nog niet zo kleurrijk al is het wel aardig om eens tussen kelp te zwemmen; niet van die meterslange planten zoals ze bijv. voor de kust van Californie voorkomen, maar planten van maximaal een meter hoog. Na 10 minuten krijgen we de stroming in de rug en kunnen we een beetje op adem komen. Aan deze kant van het eilandje is wat minder kelp maar wel heel veel paars en lila zacht koraal. Bovendien zwemmen hier enorme scholen kleine vis.

Wanneer we even later weer de bocht omgaan, krijgen we weer de stroming van voren en moeten we ons weer schrap zetten. James wijst ons de weg naar een touw waar we ons even aan kunnen vastgrijpen. Hij blijkt zelf inmiddels door z’n lucht te zijn, dus hij moet naar boven. Wij blijven samen met de Moskoviet nog even beneden en kijken nog wat rond op deze plek. Wanneer we de limiet van 50 bar bereiken gaan we langzaam via het touw naar boven, doen de safety-stop en klauteren het eiland weer op.

De lunch bestaat uit een klont rijst met stukjes ei, wortel en nog een paar lokale ingrediënten in zeewier gerold en het smaakt best. Na ongeveer anderhalf uur op ‘the rock’, verwisselen we de luchtflessen en tuigen ons weer op voor de tweede duik. James vertelt bij de briefing dat de stroming gedraaid is en dat we er tijdens de tweede duik minder last van zullen hebben.

De procedure is verder ongeveer gelijk aan de eerste duik en even later zijn we alweer onder water verdwenen. De onderwaterwereld is ongeveer hetzelfde als de eerste duik, maar er is dit keer nauwelijks stroming. Na 70 minuten steken we ons hoofd weer boven water.
De anderen zijn al veel langer boven en wij doen snel onze uitrusting uit waarna alles naar de waterkant wordt verhuisd. Even later is de boot er al weer en de hele volksverhuizing vindt in omgekeerde richting plaats. Om 15:00 uur zijn we weer bij de duikschool.

Die middag kopen we een stapel kaarten en gaan we bij een biertje de groeten doen.‘s-Avonds eten we bij een Zuid Koreaans barbecue restaurant. Dit lijkt nog het meest op steengrillen, maar dan op een soort skotelbraai die in de tafel is verzonken. We eten er vlees van het zwarte varken; echt iets van Jeju en het smaakt heerlijk. Je braadt wat vlees, plaats dit op een blaadje sla, samen met wat gesneden groente, ui, paddenstoelen en kimchi, nog wat soja saus erbij en smullen maar!
Na dit smaakvol diner drinken we nog een bakkie koffie met een toefje slagroom, waarna we terug gaan naar het hotel.

Maandag 17 oktober

Vandaag gaan we van Seogwipo naar Seongsan aan de oostkant van Jeju, maar voordat we de bus nemen gaan we eerst nog een tweetal watervallen bekijken.

De Jeongbang waterval is op ongeveer twee kilometer wandelen van ons hotel en hiervan wordt gezegd dat het de enige waterval in Azie is die rechtstreeks in zee valt. We zijn er natuurlijk weer niet alleen want de Koreaanse ‘toeristen’ zijn er ook altijd. De hoeveelheid water die er in dit seizoen nog naar beneden komt valt ons helemaal niet tegen.
Na wat plaatjes te hebben geschoten gaan we naar de Cheonjiyeon waterval. Het is weer zo’n twee kilometer wandelen voordat we er zijn.

Bij deze waterval zien we ook een originele Dolharubang. Dit zijn standbeelden die uit lavasteen zijn gehakt. Niemand weet waartoe deze grappig uitziende beelden, met hun helm-achtige hoed, bolle ogen, platgeslagen neus en de handen op de buik, voor dienden. Er zijn nog 45 originele beelden, maar omdat het een symbool van Jeju is geworden zie je het mannetje overal: als telefooncel, op putdeksels, bij hekken, bruggen, maar vooral ook in de souvenirstalletje.
De tweede waterval is wat minder spectaculair gelegen, maar dit is wel meest waterrijke waterval van de drie die we gezien hebben.

Op weg terug naar het hotel gaan we nog even bij de wasserette langs om ons wasgoed op te halen, waarna we de tassen weer inpakken en uitchecken. Nog even een bakkie koffie en dan naar het busstation.
We hebben de bus van 12:00 uur naar Seongsan. Samen met ons stappen er twee Nederlandse jongens in; dit zijn de eerste Nederlanders in ruim twee weken.

Het is bijna anderhalf uur bussen naar Seongsan, maar dat komt vooral door de vele stops en de vele bejaarden die in- en uitstappen.
In Seongsan moeten we even zoeken naar het hotel. We vragen in een bank de weg naar het beoogde hotel en spontaan begint vier man zich met ons te bemoeien. Er wordt wat gediscussieerd, er wordt gebeld en uiteindelijk loopt er eentje met ons mee naar het hotel.
Daarna gaan we gelijk op weg naar Ilchulbong, de plaatselijke krater van een uitgestorven vulkaan, die als een schiereiland aan Jeju vastzit.

Voordat we de 180 meter hoge krater beklimmen gaan we nog even op zoek naar de Haenyeo, de vrouwelijke duikers die hier op octopussen en zeewier vissen. We vinden de vrouwen door de massa Koreanen achterna te lopen. De vrouwen hebben er een beetje een show van gemaakt, maar het geeft wel een goed beeld van hoe dit ooit gegaan moet zijn.
De vrouwen zijn gekleed in een zwart wetsuit, type Jacques Cousteau 1964, en dragen een bijbehorende ronde duikbril om het middel een riem met gewichten en ze zijn klaar om te duiken.

Wanneer de vrouwen in zee zijn lijkt het wel een beetje op whale-watching. Een grote menigte kijkt toe hoe zwarte lichamen in het water dobberen en af en toe de diepte induiken, waarbij de vinnen boven water uitkomen. Als het walvissen waren geweest was dit het ultieme fotomoment.

Na deze opvoering gaan we dan de Ilchulbong beklimmen samen met tientallen middelbare scholieren. Stapje voor stapje gingen we de traptreden omhoog, maar het was de moeite waard. Boven aangekomen hadden we een goed beeld van de krater, die aan drie kanten grenst aan zee.

Gelukkig moesten de scholieren om 16:30 uur bij de bus terug zijn, waardoor wij de krater ook nog even in rust konden bekijken. Seonsang is zo’n dorp waar het overdag stervens druk is en dan ’s-avonds helemaal uitgestorven is. Het viel dan ook niet mee een geschikt restaurantje te vinden, maar uiteindelijk hebben we heerlijk gegegeten bij een restaurantje dat aan een woonhuis aangebouwd leek.
Het enige cafeetje waar je overdag nog koffie kon drinken bleek ‘s-avonds ook dicht, dus dat was vroeg naar de hotelkamer.

Dinsdag 18 oktober

Vandaag heeft de reisleider twee excursies gepland. Vanochtend gaan we naar het eilandje U-do dat op een korte boottocht van Seongsang ligt en vanmiddag naar de lava tube caves op een half uurtje bussen van Seongsang.

Gezien het tijdrovende programma sliepen we eens een keertje niet uit. Om 08:00 uur zaten we al bij Dunkin‘ Donut voor een ontbijtje. Bij dit ‘restaurant‘ kochten we een kop koffie en een jus, even daarvoor hadden we in de GS25 supermarkt al een gesneden cake en 3 bakjes yoghurt (dit was een 3-halen-2-betalen aanbieding). Het is in dit dorpje een beetje behelpen als het om het eten gaat.

Het was een kwartiertje lopen naar de ferry-terminal, waar we twee retourtjes U-do kochten. De boot was er al, dus we gingen aan boord; vertrektijd 09:00 uur.
Het is iets meer dan een kwartier varen naar U-do, dus dat viel wel mee. Vlak voordat we uit zouden varen werden er weer een handvol bussen met scholieren uitgeladen die ook nog mee moesten naar U-do. Wat hebben wij toch steeds met die scholieren, we lijken de rattenvanger van Hamelen wel; ze blijven maar achter ons aankomen. Het was in ieder geval wel gezellig aan boord.

Op U-do besloten we een scooter te huren zodat we onze tijd efficient konden besteden. Geld betaald en starten dat kreng. We hoefden niet eens een borg te betalen of paspoorten te laten zien. Ze zijn erg goed van vertrouwen die Zuid Koreanen.

Na een bocht of vijf stuiten we opeens op veel gedoe aan de waterkant. Het blijken Haenyeo te zijn die zich net aan het voorbereiden waren voor hun dagelijkse duik. Dit was voor ons een uitgelezen mogelijkheid om deze vrouwen nog eens ‘in het echt’ te zien en niet zoals gisteren bij een demonstratie.

Het was best een grote groep van deze vrouwelijke duikers die hier bijeen zaten. Het beroep is toch nog niet uitgestorven zoals je soms wel leest.
De vrouwen letten nauwelijks op de paar toeristen die stonden toe te kijken en, zo te horen, hadden ze onderling veel lol. Na een minuut of 10 waren ze allemaal gereed om te gaan duiken en gingen ze de zee in, op jacht naar octopussen, slakken en ander zeebanket. De vrouwen blijven wel twee uur in zee en maken in die tijd tientallen duiken tot wel 20 meter diep (!) waarbij ze wel 2 minuten hun adem in moeten houden. Ze hebben wat eenvoudig gereedschap bij zich, zoals een haak en een groot mes om schelpen los te wrikken, maar ook een netje waarin de vangst kan worden bewaard. Dit netje  hangt aan een drijver/boei die aan de oppervlakte blijft als zij duiken; fascinerend om te zien hoe weinig dit beroep is veranderd in al die tijd.

Wanneer de vrouwen vrijwel uit zicht zijn gaan wij verder met onze Tour d’ U-do. Op onze oranje gekleurde scooter scheuren we langs vuurtorens, lavastranden, een koraalstrand, akkers die net beplant zijn, kleine gemeenschapjes en alles met de prachtige donkerblauwe zee op de achtergrond.
Onderweg lopen we nog een stijle heuvel op om te kunnen genieten van de prachtige uitzichten, waaronder die op de krater Ilchulbong.
Na twee uur zijn we terug bij het haventje waar we begonnen zijn. We brengen de scooter terug en drinken wat aan de waterkant. Om 12:00 uur gaat de ferry terug naar Seongsang.

Wanneer we om 11:55 uur op de boot zijn, is het verdacht rustig. Zouden we dit keer zonder…………..maar dan zien we een colonne bussen de hoek om komen vliegen; in deze bussen zitten onze ratjes die ons dus ook op de terugreis gezelschap houden.
In Seongsang lunchen we even snel en gaan dan naar het hotel om de Teva’s om te ruilen voor de bergschoenen en een jasje op te halen voor het middagprogramma.
Even later zitten we al bij de bushalte en wachten op de bus die ons naar Manjanngul moet brengen.

Bij Manjanngul zijn de gelijknamige lava tube caves (vrij vertaald: lavatunnels). Deze lavatunnels worden gevormd wanneer bovenop een actieve lavastroom een ononderbroken korst ontstaat die steeds dikker wordt waaronder het gesmolten lava verder kan stromen. Als de aanvoer van lava dan stopt, blijven deze lange ondergrondse holtes achter.
Je kunt een lavatunnel nog het best vergelijken met de ondergrondse tunnel waar de metro doorheen gaat. De lavatunnel bij Manjanngul is tot 18 meter breed, tot 23 meter hoog en maar liefst 7,4 km lang. Wij kunnen de tunnel een kilometer inlopen en het is een erg imposant natuurverschijnsel.

Nadat we weer bovengronds zijn gekomen nemen we eerst wat te drinken voordat we beginnen aan de wandeling van 2½ kilometer naar de bushalte aan de grote weg.
Wanneer we even later nog maar net aan onze wandeltocht naar de bushalte begonnen zijn, stopt er een auto naast ons; de bestuurder vraagt waar we heen moeten en wij antwoorden dat we naar de grote weg moeten om daar de bus te nemen. Hij gooit zijn deuren open en zegt dat hij ons wel even bij de bushalte afzet. Dat scheelt ons mooi een wandeltochtje met dit warme weer.

‘s-Avonds eten we weer bij ons favoriete restaurant en als vaste klanten krijgen we het drankje van het huis aangeboden. Omdat het nachtleven ook vandaag weer niet op gang wil komen, besluiten we na een kop koffie maar terug ons hotel te gaan.

Woensdag 19 oktober

Vandaag moesten we weer verkassen; dit keer van Seongsan naar Jeju-si, de ‘hoofdstad’ van het eiland Jeju. Het is slechts vijf kwartier met de bus dus we hadden geen haast.
Na een stevig ontbijt zijn we  naar de bushalte gegaan, waar we maar heel even hoefden te wachten op de bus.

Iets voor tienen waren we op het busstation van Jeju, waar we een taxi hebben genomen naar ons hotel. Helaas konden we nog niet op de kamer. We hebben onze tassen in een kamertje achter de receptie gegooid en zijn eerst op zoek gegaan naar een koffieshop.
Na een lekkere bak koffie zijn we naar de ferry terminal gegaan, waar we vijf dagen geleden in de regen arriveerden. We wilden even kaartjes reserveren voor de Pink Dolphin, een wat luxere (mét stoelen) en snellere (3½ uur i.p.v. 5 uur) catamaran veerboot naar Mokpo.

Op weg naar de ferry terminal zijn we nog over een vismarkt gelopen waar ze de vis die gevangen was aan het verpakken waren. Vrouwen zaten op de grond bij kratten vol met vis, die ze netjes overpakten in dozen en ‘koelboxen’. Het was dus geen drukke markt met veel mensen die vis willen kopen, maar het leek er meer op dat hier de vis verpakt werd voor restaurants e.d.
Toen we even later bij het terminal gebouw aankwamen was dit zo goed als verlaten. Bij de infobalie maar even gevraagd waar we kaartjes voor de veerboot konden reserveren. We werden we naar kamer 103 verwezen. Door een lange lege gang (het leek wel een ziekenhuis) liepen we naar kamer 103, waar inderdaad iemand onze reservering in het systeem heeft gezet. Morgen om 09:00 uur kunnen we de kaartjes ophalen.

Voor de rest van de dag stond er eigenlijk niets op het programma en konden we een Jeju-si een beetje verkennen. Diana had nog iets gelezen over Yongduam Rock, een brok lava waar je een draak in kunt herkennen. Deze rots ligt op vier kilometer wandelen over een soort van boulevard aan zee, dus daar waren we nog wel even zoet mee.
Onderweg konden we genieten van de zee en de door lava gevormde kustlijn en met enige regelmaat werden we gestoord door een, naar Seoul of Busan vertrekkend vliegtuig. De vliegtuigen vlogen hier nog erg laag dus dat was best een mooi gezicht.

Als het niet zo druk was geweest bij de draak, waren we deze rots vast voorbij gelopen. Hoe we ons hoofd ook hielden en waar we ook gingen staan, wij zagen er geen draak in; te weinig fantasie of te weinig gedronken.
Omdat dit wel weer een bestemming is die op de verplichte bezichtigingen-lijst van de  Zuid Koreaanse scholieren staat, zag het hier weer zwart van de school-uniformen. Allemaal wilden ze met de draak op de foto, dus het viel voor ons niet eens mee om een foto te maken van de draak.
Er waren zelfs een paar scholieren die met Rob op de foto wilden en hoewel hij naar de rots bij zee bleef wijzen, omdat daar de draak stond, bleven ze aandringen op een foto met hem; vooruit dan maar.

Na dit culturele hoogtepunt van Jeju, zijn we teruggelopen naar downtown Jeju-si. We kwamen langs het Ramada Plaza hotel en toen konden we het niet laten om daar even binnen te kijken. Wat een joekel van een hotel en wat een luxueuze aankleding. Als je voor de enorme ramen van het atrium staat, waan je je op een cruisschip op volle zee.

Nadat we even hebben gezien waar we ook hadden kunnen slapen en in de lobby zuinig een colaatje met z‘n tweeën hebben gedeeld, zijn we doorgelopen naar het shoppingdistrict van Jeju-si. Net als in bijna alle andere plaatsen worden de straten gedomineerd door winkels voor outdoorkleding, sportkleding en mobiele abonnementen met de daarbij horende toestellen natuurlijk.

‘s-Avonds hebben we in de zwarte varken buurt een leuk steengrill restaurantje gevonden waar we weer lekker van dit zwarte varken hebben gegeten. Diana had dit keer weer een ander stuk van het varken gekozen en dat bleek een goede keus.
Verder was het een beetje het zelfde recept als bij de vorige grill avond; blaadje sla, wat prei in soja, taugé, kimchi erbij, wat paddenstoeltjes en een teentje knoflook: smullen maar! Na dit heerlijke diner nog even koffie drinken bij een Starbuck na-aper. Hier is het zelfs gelukt koffie met een toef slagroom te bestellen en daar is echt hoge school handen-en voeten communicatie voor nodig.

Zuid Korea 2

Donderdag 6 oktober

Week 2 van onze vakantie is begonnen en vandaag verkassen we van Andong naar Gyeongju. Een tocht van ongeveer 2 uur.
Volgens de Tourist Information gaat de bus om 11:20 uur dus we kunnen een beetje uitslapen voordat we gaan ontbijten.

Na het ontbijt weer geld pinnen, niet omdat we alweer geld nodig hebben, maar meer omdat hier een automaat is die buitenlandse bankpassen accepteert en je weet maar nooit hoe lang het weer duurt voordat die gelegenheid zich weer voordoet.

We zijn al om 10:50 uur op het busstation en dat is maar goed ook, want de bus blijkt om 11:10 uur te vertrekken i.p.v. 11:20 uur zoals de Tourist Information ons vertelde.
Nog snel even een bak koffie naar binnen gewerkt en dan snel naar platform 2.
De bus van vandaag had luxe businessclass stoelen waarvan er maar drie naast elkaar konden in de bus. We begonnen al aardig te wennen aan dit soort stoelen en het zal wel erg tegenvallen als we weer economy moeten reizen, bijv. op de terugvlucht. In tegenstelling tot veel andere landen hoef je hier niet bang te zijn dat de bus vol zit; dit keer zitten er maar 5 passagiers in de bus!

Ondanks dat het maar een ritje is van 2 uur vindt de chauffeur het toch nodig om na een uur even een parkeerplaats op te rijden voor een stop van 15 minuten. Kon in ieder geval de blaas weer even geleegd worden.
Om 13:30 uur stonden we op het busstation van Gyeongju en gingen we op weg naar ons volgende liefdesnestje. Na een kleine omzwerving en een beetje hulp van een Zuid Koreaans stel, hebben we ons hotel dichtbij het busstation nog snel gevonden. Net als bij het vorige hotel, zat er alleen maar iemand achter een loketje om je sleutel te halen en te betalen en voor de rest alleen maar slaapkamers. We raken er aan gewend.

Dit hotel is wel uitgerust met de meest luxe wc-bril die we ooit gezien hebben (made by Samsung!). Er zit een soort armsteun aan met maar liefst 14 voorkeuze knoppen voor spoelbeurten; veel schoner kun je ’m niet krijgen!

Na een verantwoorde lunch bij McD. Zijn we naar het Tumuli Park gegaan. Dit park is eigenlijk een grote koninklijke begraafplaats want, net als in Gonju, bestaat het park vnl. uit grote heuvels (Tumuli) waar de royalties uit het Shilla tijdperk zijn begraven. Eén van de graven kon je in en binnenin was een soort dwarsdoorsnede gemaakt zodat je kon zien hoe een heuvel is opgebouwd.

De heuvels zijn voor ons een boeiende excursie, maar dat gold blijkbaar ook voor de scholen uit de wijde omgeving; colonnes bussen kotsten lange rijen kinderen uit, die vervolgens onder begeleiding van juf, meester of leraar, lerares alle details over deze bijzondere periode uit hun geschiedenis kregen te horen. Spijtig voor de leerkrachten, maar over het algemeen hadden de kinderen meer interesse in de twee Nederlandse toeristen dan in de Tumuli.

Na een uurtje naar de scholieren te hebben gekeken, viel het ons op hoe ze allemaal op elkaar lijken.
De één is wat dikker dan de ander maar de kopjes zijn vaak maar moeilijk uit elkaar te houden en als je ze dan ook nog eens allemaal in het zelfde schoolkostuumpje stopt wordt het wel erg lastig. De meiden leken bovendien allemaal gekloond te zijn van Ushi (hoewel zij Japans is); steil haar, rechte pony en een iets te grote bril op de neus.

‘s-Middags hebben we het centrum van Gyeongju onveilig gemaakt en daar geconstateerd dat ook hier een feest op het punt van beginnen staat. Dit feest gaan wij niet meemaken omdat wij dan al naar Busan zijn, maar oktober lijkt wel de feestmaand bij uitstek te zijn.
Deze avond eten we weer eens bij een ‘echt’ restaurant en het eten smaakt er vurrukkeluk.

Vrijdag 7 oktober

Vandaag stonden de Bulguksa tempel en Seokgurum grot op het programma, beide staan op de werelderfgoedlijst van de Unesco.

Voordat we op de bus stapten, zijn we toch nog even naar de Tourist Info gegaan om een telefoontje te (laten) plegen met een hotel in Busan. Diana had al geprobeerd om een hotel te boeken via de verschillende booking-sites, maar alles leek vol te zijn; zelfs de duurdere hotels.
Gelukkig had het Queens Hotel nog een kamertje vrij. Nu hoorden we ook waarom alle hotels vol zaten, het International Filmfestival Busan is o.a. dit weekend in de havenstad. De Nederlandse regisseur Joost van Ginkel debuteert hier met zijn film 170Hz. De prijzen voor de hotelkamers zijn daardoor ook extra hoog, maar er is eigenlijk geen alternatief.

Om 09:05 uur stapten we uiteindelijk op bus 11 naar Bulguksa. Waar we de sereniteit van een Boeddhistische tempel verwachtten kregen we de gekte van een dagje Efteling op een topdag. Zeker honderd bussen stonden op het parkeerterrein en bij het tempelcomplex zagen we wat er uit gekomen was: duizenden kinderen die shreeuwend door elkaar liepen en ons steeds lieten merken hoe goed hun Engels is: hello en how are you, voerden de boventoon, maar één van de meisjes riep zelfs i love you tegen Rob, waarna ze bijna gillend gek werd.

Het tempelcomplex was schitterend; mooie gebouwen, prachtig houtwerk, vele Boeddha’s en af en toe een monnik. De sfeer er omheen was vreemd met die enorme drukte, maar tegelijk ook wel weer leuk. Nadat we onze trommelvliezen een uur hadden bloot gesteld aan de herrie van de schoolkinderen gingen we met bus 12 op weg naar de Seokgurum grot en de Sakyanuni Boeddha die in deze grot staat.

De bus slingerde via een soort bergweg omhoog en na een tiental minuten stonden we op de parkeerplaats van de tweede attractie van vandaag. We moesten nog een paar honderd meter omhoog lopen en ook nog een stenen trap op klauteren, maar toen waren we er dan. Er was een klein paviljoentje opgebouwd tegen de grot en toen we daar naar binnen gingen zagen we Mr. Boeddha staan, achter een grote spiegelende glasplaat; goed beschermd, maar geen gezicht!

We waren er met een paar minuten uitgekeken en zijn teruggelopen naar de parkeerplaats. Onderweg kwamen we nog langs een andere Boeddhistische tempel waar naast het gebouwtje grote stapels dakpannen lagen. Voor 10.000 Won kun je zo’n dakpan kopen en daar mag je dan een eigen boodschap op zetten. Het geld wordt gebruikt voor de uitbreiding en onderhoud van de tempels. Dit hadden we overigens al vaker gezien bij Boeddhistische tempels.

De omgeving van de Seokgurum grot was wel erg mooi en vanaf de parkeerplaats had je rondom een fantastisch uitzicht op deze landelijke omgeving.
Niet veel later waren we via dezelfde slingerweg al weer afgedaald naar de parkeerplaats bij Bulguksa en daar hebben we maar even wat gegeten voordat we terug gingen naar Gyeongju.

We hadden op de heenweg al gezien dat de omgeving van Gyeongju er fantastisch uitzag met zijn rijstvelden omgeven door heuvelachtig landschap, dus in de bus besloten we, ergens midden tussen de rijstvelden, maar op de STOP-knop te drukken en van daar lopend terug te gaan naar Gyeongju. Dit is een goede keuze geweest want het was veel leuker om tussen de gelige rijstvelden te lopen dan er met de bus doorheen te scheuren. Na ruim twee uur wandelen waren we weer terug in Gyeongju en we vonden dat we wel een McFlurry verdiend hadden.

Zaterdag 8 oktober  

We liepen al om 07:30 uur bij de bakker binnen, maar dat was duidelijk veel te vroeg; alleen nog brood van gisteren. Toch maar wat naar binnen gespoeld met een bakkie thee.
Om te voorkomen dat de gereserveerde kamer aan onze neus voorbij zou gaan wilden we niet te laat in Busan zijn en 08:00 uur trokken we deur van Hotel Krikkesteijn achter ons dicht. Nog geen kwartier later zaten we al in de bus op weg naar Busan, een ritje van nog geen uur. In Busan zijn we overgestapt op de metro en 14 haltes en een half uur lopen later waren we bij ons hotel. De reservering was goed doorgekomen, maar we konden nog niet op de kamer. Tassen in een kamertje achteraf gegooid en terug naar de metro, op weg naar onze eerste bestemming: de Beomeosa tempel.

We zijn inmiddels aardig thuis in het openbaar vervoer van Zuid Korea en in no-time zijn we weer aan de andere kant van de stad bij het grote tempelcomplex, eerst met de metro en dan nog een klein stukje met de bus. Tijdens het ritje met de metro loopt er een christelijke met een groot kruis op zijn pak door het rijtuig en nadat hij een aantal van zijn landgenoten had toegesproken, moest hij natuurlijk ook even de gelovige van de twee toeristen aanspreken. Hij stelt een paar moeilijke vragen aan Rob en die geeft blijkbaar de juiste antwoorden want bij de volgende halte verlaat de man met het kruis de metro weer.

Het complex doet wat te stads aan; er hangen overal spandoeken en andersoortig versiersels die je eerder in een winkelcentrum verwacht dan bij een tempelcomplex. De verschillende tempels zijn echter zeker de moeite waard, al is het maar omdat ze intensief gebruikt worden door de inwoners van Busan. In alle tempels staan mooie Boeddha’s en andersoortige wezens opgesteld en de beschilderingen van de plafonds zijn ook erg mooi. Aan het eind van ons bezoek besluiten we hier maar even een dakpan te kopen ter ondersteuning van het onderhoud en nieuwbouw van dit complex.

We gaan terug naar de metro en 4 haltes verderop gaan we er weer uit voor een bezoek aan het Geumjeong fort. We lopen eerst een stukje, maar onderweg veranderen we het plan en besluiten met de kabelbaan omhoog te gaan. De opstapplaats voor deze kabelbaan is goed verstopt in een park, dus het duurde even voordat we die gevonden hadden.

Het ritje omhoog met de kabelbaan duurde nog geen 10 minuten, maar was wel de moeite waard omdat je een fantastisch uitzicht hebt over Busan. Boven aangekomen volgen we de bordjes naar de South Gate, maar na een half uur liepen we op een trail waarvoor we toch behoorlijke inspanning moesten leveren en kregen we het vermoeden dat we ergens een verkeerde afslag hadden genomen. We besloten het maar eens aan iemand te vragen, maar na wat langs elkaar heen praten waren we niet veel wijzer geworden. Het enige dat we begrepen was dat we hen maar moesten volgen en dat ze ons dan wel naar de metro zouden brengen. Het alternatief was om weer helemaal terug te gaan, dus we volgden het Zuid Koreaanse stel de rest van de trail. De omgeving waardoor we liepen was fantastisch en soms had je weer een mooi doorkijkje naar de mega-stad Busan.
Opeens stonden we weer op een weg waar het stel de auto had geparkeerd. We zijn in hun oude Hyundai Sonata gestapt en wat we dachten te hebben begrepen bleek juist, we werden netjes gedropt bij het dichtstbijzijnde metrostation; aardige jongens die Zuid Koreanen!

Het was inmiddels 16:00 uur en dus zijn we eerst maar even gaan inchecken bij ons hotel. De kamer was beschikbaar en onze tassen stonden er nog; wat wil je nog meer.
Hierna eerst maar even een broodje gegeten, want dat was er nog niet van gekomen door onze dwaaltocht.

Na de versnapering zijn we op weg gegaan naar Haeundae Beach. Als je zo dicht bij zee bent wil je natuurlijk even over het strand gelopen hebben, maar bovendien was dit één van de twee locaties waar het Busan International Film Festival (BIFF) zich afspeelde.
Het was er gezellig druk en vanwege het filmfestival stond het strand vol met tenten van sponsoren en andersoortige reclame-uitingen die bij zo’n festival horen. Er was ook een podium waar om de twee uur iets zou gebeuren, maar we moesten daar dan meer dan een uur op wachten en daar hadden we geen zin in.In een restaurant bij Haeundae Beach hebben we nog wat gegeten waarna we terug zijn gegaan naar ons hotel.

Zondag 9 oktober

Volgens de boeken moest je vroeg op de vismarkt van Jagalchi zijn want dan is er het meest te doen. Dat had dus weer tot gevolg dat we vandaag niet konden uitslapen.
We hadden eindelijk weer een hotel mét ontbijt, al was het dan wel self-service. Na een paar toast, een kopje jus en een kopje thee gingen we snel op weg naar de vismarkt.
Het was heerlijk rustig op straat en in de metro; de inwoners van Busan sliepen blijkbaar wel uit.

Rond 08:30 uur stapten we uit de metro op station Jagalchi en een paar minuten later stonden we op de gelijknamige markt. Hoewel de handelaren al volop bezig waren, waren  er nauwelijks mensen die al deze waar moesten gaan kopen. Dat had natuurlijk alles met de zondag te maken; maar goed, het gaf ons in ieder geval de gelegenheid om alles eens van dichtbij te bekijken. Behalve de ‘standaard’ vis die je zo in de pan kan gooien, werd hier vooral ook zo goed als levende vis verkocht en behalve vis ook allerlei schelpen, slakken, octopussen, wormen, kreeften, krabben en ga maar door. Je moest zelfs uitkijken dat je niet over een octopus struikelde, want ze waren nog zo levendig dat ze uit de bakken kropen en over straat glibberden.
In een grote hal was er ook nog een restaurant waar je tussen de bakken met zeedieren zat. Je kon ze zo zelf pakken en laten bereiden.
Na een uurtje hadden we wel genoeg vislucht op de nuchtere maag gehad en gingen we weer naar de metro.

We wilden revanche voor het mislukte bezoek aan het Geumjeong fort van gisteren, dus daar ging de reis heen. Dit keer geen wandeling en tocht met de kabelbaan, maar op dezelfde manier als de Zuid Koreanen dat doen: met de bus.
Toen we bij een cafeetje een bakkie koffie zaten te drinken zagen we al welke bus we moesten hebben. Bij de halte van bus 203 stond een lange rij wachtende en allemaal in vol ornaat. De zondag is voor de Zuid Koreanen zo’n beetje landelijke nordic-walking dag, dus iedereen had stokken bij zich, een rugzak om en fraaie outdoor-kleding van de bekende merken aan.

Gelukkig waren ze ook weer niet allemaal zó actief dat ze het ritje naar boven in de bus wilden staan dus wij konden voorkruipen voor een staanplaats in de bus.
Boven aangekomen was het een drukte van belang; het was net of we bovenop een mierenhoop stonden, maar dan wel mieren in kleurijke kledij.
Om te voorkomen dat we weer een verkeerd pad in zouden slaan hebben we maar weer gevraagd welke kant we op moesten en dit keer kwamen we inderdaad langs de resten van de verdedigingsmuur van het fort (het fort zelfs is er nl. niet meer) en even later bereikten we zelfs één van de vier poorten uit deze verdedigingsmuur.
We hebben hier even op een grote zwerfkei gezeten om uit te rusten van de pittige klim die we hebben moeten maken om de poort te bereiken, maar bovendien konden we zo genieten van al dat volk dat voorbij kwam.

Toen de inwendige mens had aangekondigd dat het lunchtijd was zijn we weer hetzelfde stukje naar beneden gelopen, waarna bus 203 ons weer netjes in de buurt van het metrostation heeft afgezet.
Omdat we verder niets meer op het programma hadden staan zijn we met de metro naar Gwangan Beach gegaan en hebben aan het strand wat gegeten.

Bij dit strand is ook de grootste hangbrug van Zuid Korea en die hangbrug wordt ‘s-avonds feestelijk verlicht, iets dat je niet mag missen. Er zat voor ons niets anders op dan de hele middag doorbrengen aan het strand; door het zand banjeren, op een terrasje wat drinken, bij het strand zitten, nog wat drinken, een hapje eten, totdat het eindelijk donker werd. Het viel allemaal niet mee …….
Toen eindelijk de lichten aan waren bleek dat niet alleen de brug feestelijk verlicht was, maar ook alle hoogbouw die hier aan het strand staat deed mee; het was net Hong Kong in het klein.

Je zou hier nog uren kunnen blijven zitten, maar aan alles moet een eind komen, zo ook aan deze heerlijke vakantie-middag. Terug naar de metro, via een bakkerijtje voor een bak koffie en langs een geldautomaat om de portemonnee te vullen, naar ons hotel om de spullen weer in te pakken voor der reis naar Jinju.

Maandag 10 oktober

Vanochtend hadden we geen haast en konden zelfs een beetje uitslapen. Jinju was nl. slechts anderhalf uur met de bus.
Na het self-service ontbijt gaan we voor het laatst naar de metro om van daar bij het busstation te komen; om 09:45 uur laten we de miljoenenstad Busan achter ons, om precies anderhalf uur later in Jinju op het busstation te staan. 

Ook in Jinju hebben we geen haast want het hoogtepunt hier is het Jinju Namgang Lantern Festival (lampionnen-festival) en dat is pas leuk als het donker is.
We gaan eerst op weg naar de tourist-information om daar wat info te krijgen over Jirisan National Parc, maar helaas is het net lunchpauze en wij gaan daarom maar even een rondje maken in het naastgelegen fort. Hier zien we eerste kunstwerken voor het festival al staan; meer dan levensgrote poppen gemaakt als lampionnen. In het fort staan vooral ‘beelden’ van oude Koreaanse krijgers maar ook fantastische kraanvogels, spelende kinderen en allerlei bijbehorende attributen; zelfs de vuilnisbakken waren als lampion-model uitgevoerd. Dat kon nog wat worden vanavond, want dit was maar een klein voorproefje van wat er vanavond op de Namgang rivier.
Na even in de schaduw bij het fort te hebben gezeten gaan we voor de herkansing naar de tourist-information.
De dames van de tourist-information kunnen ons heel behoorlijk te woord staan en we laten ons inlichten over een trail in het Jirisan National Parc, maar ook over de bussen ernaar toe en de bus naar onze volgende bestemming: Boseong.

We besluiten toch maar een dagje langer te blijven zodat we naar het Jirisan National Parc kunnen.
‘s-Middags verkennen we Jinju een beetje, maar eigenlijk is het daar veel te warm voor. We lopen nog wel even over de markt en kopen daar daar een Zuid Koreaanse wasknijpers; je zal ze maar nodig hebben. Al snel gaan we dan op zoek naar een plek waar we wat kunnen drinken en dat valt nog niet mee. Koffieshops word je mee dood gegooid, maar een leuk terrasje is ver te zoeken. Uiteindelijk lukt het wel natuurlijk.

Voordat we naar het avondprogramma van lampionnen festival gaan, eten we in de Zuid Koreaanse variant van een wok-restaurant. Hier zit de wok echter in de tafel gebouwd en komt de bediening steeds langs om aan tafel het eten te bereiden.

Wij kiezen vanavond voor gemarineerde kip, maar uiteindelijk gaat behalve de kip, ook prei en even later de rijst met wat zeewier en een goedje in de wok. Dit is een typisch Zuid Koreaans en het is nog erg lekker ook!

Na dit heerlijke maal, dat bovendien spotgoedkoop was, gaan we op weg naar de rivier. Onderweg genieten we nog even van de show die een verkeersagent weggeeft bij het regelen van het verkeer; hij gebruikt Michael Jackson-achtige bewegingen om het verkeer in juiste banen te geleiden.

Als we bij de rivier komen weten we niet wat we zien. Tussen twee bruggen over de rivier, over een afstand van 500 a 600 meter, ligt het water vol met grote lampionnen die stuk voor stuk iets uitbeelden. Zo was er een gedeelte met figuren uit de Zuid Koreaanse geschiedenisboeken, maar ook een groot deel met dansgroepen, sprookjesfiguren en zelfs figuren die verre landen vertegenwoordigden. Zo stond er het Vrijheidsbeeld, Manneke Pis en een molen uit ons eigen Nederland. Te veel om op te noemen en eigenlijk moet je het gewoon zien. Alle figuren zitten kunstig in elkaar en zijn stuk voor stuk fantastisch om te zien.

Behalve deze grote figuren kun je ook zef een klein lantaarntje in de rivier zetten waar je dan een wens op schrijft. Wij denken nog even na over de juiste tekst.
Na een paar rondjes over het festival terrein gaan we terug naar ons hotel. Als de dames van de tourist-information ons goed hebben voorgelicht, gaat de bus naar Ssang-sa morgenvroeg om 08:35 uur.

Dinsdag 11 oktober

We hadden voor vanochtend de wekker gezet want we wilden de bus van 08:35 uur naar Ssanggyesa niet missen. Nog even ontbijten bij Paris Baguette en dan snel naar het busstation.
Op de borden in dit busstation was geen letter te bekennen, alleen maar Zuid Koreaanse tekens, dus het was maar goed dat we gisteren wat informatie verzameld hadden.
Althans, dat zou je denken; toen we bij het loket kaartjes wilden kopen werd na een beetje handen-en-voeten communicatie al snel duidelijk dat er helmaal geen rechtstreekse bus naar Ssanggyesa gaat. Alle plannen konden in de prullenmand en we moesten overschakelen op plan B. Eerst met de bus naar Hadong en dan daar maar weer kijken wanneer de bus naar Ssanggyesa gaat.
Door alle commotie gaat de bus van 07:57 uur net voor onze neus weg, maar een kwartier later gaat de volgende bus naar Hadong al weer.

Een uur later zijn we in Hadong en daar blijkt inderdaad een bus naar Ssanggyesa te gaan, we moesten er wel drie kwartier op wachten. Elk nadeel heeft z’n voordeel, want nu konden we in Hadong op zoek naar een koffieshop en gelukkig is de keten Tous les Jours ook hier vertegenwoordigd.
Om 10:10 uur zitten we dan eindelijk in een bus naar Ssanggyesa, maar het blijkt wel een soort stopbus te zijn want waar de bussen die we tot nu toe hadden altijd van station naar station reden, maakt deze de nodige tussenstops om mensen op te pikken.
De bus vanuit Hadong lijkt er wel eentje die door de ANBO is ingehuurd; allemaal oudjes aan boord, sommigen moeten op de knieën het trapje van de bus op komen.
Het zware werk heeft bij de oudjes duidelijk sporen achtergelaten; de één is nog krommer dan de ander; bij sommigen staat de rug onder een hoek van 90 graden, wat op zich wel handig is als je klein geld op straat zoekt, maar orthopedisch verantwoord lijkt het niet.

Het ritje naar Ssanggyesa gaat door een heel andere omgeving dan we tot nu toe gezien hebben. We zien theeplantages waar lange rijen theestruiken op de hellingen staan, maar we zitten nu ook veel meer tússen de bergen en de uitzichten onderweg zijn prachtig. Dit laatste is hopelijk een voorproefje van wat we straks nog zullen zien in Jirisan National Parc, want daar gaat het vandaag om.

Rond 11:00 uur stopt de chauffeur voor de zoveelste keer bij een bushalte, maar dit keer schreeuwt hij er ook ‘Ssanggyesa’ bij. Die schreeuw is duidelijk voor ons bedoeld. We stappen uit de bus en gaan een betonnen brug over een bijna droogstaande rivier over, op weg naar Ssanggyesa. Bij dit tempelcomplex is nl. het vertrekpunt van de trail naar de Buril waterval. Deze trail is slechts 2,5 km lang, dus dat mag geen pijn doen met onze goede conditie en soepele loopstijl.

 Zoals zo vaak liggen theorie en praktijk ver uit elkaar. Dit keer geen langzaam klimmend zandpad waar je fluitend van de natuur kunt genieten, nee, deze trail is eigenlijk het best te vergelijken met een 2,5 km lange trap met ongelijke treden. Elke stap is lastig en je moet ook echt stil gaan staan om van de omgeving te genieten want als dat lopend probeert ga je gegarandeerd gestrekt.

Die omgeving is zeker de moeite van het stoppen waard; de herfst heeft al voor behoorlijk wat kleur gezorgd ondanks dat de temperaturen meer aan hoog zomer doen denken. We komen langs mooie doorkijkjes en drooggevallen bergbeekjes en af en toe springt er een soort eekhoorn voor de voeten langs.
We hebben uiteindelijk anderhalf uur nodig voor een trail van 2,5 km; dat is duidelijk geen PR en de Buril waterval, waar we na al deze inspanning zijn beland, was duidelijk over zijn hoogtepunt heen. Zoals veel watervallen moet je voor een kolkende watermassa in het voorjaar komen kijken. Na 5 biertjes produceer je waarschijnlijk een zelfde straal als er nu van deze waterval af komt.

Nadat we wat plaatjes hebben geschoten en een beetje op adem zijn gekomen gaan we op weg terug. Hoewel down-hill een aanzienlijk zwaardere belasting is voor de knieen, leggen we de terugweg in een uurtje af.
Terug bij het tempelcomplex gaan we deze ook nog even bezichtigen en hoewel dit niet het hoofddoel van vandaag was, is dit tempelcomplex misschien wel de mooiste van Zuid Korea en bovendien komt hier vrijwel niemand, dus konden we er heerlijk met z’n tweetjes ronddwalen.
Nadat we er uitgekeken zijn gaan we naar een restaurantje bij de weg om wat te eten en te drinken, maar vooral ook om even op adem te komen.

Na deze lunch besluiten we via de weg nog een stukje terug te lopen omdat we de theeplantages van dichtbij willen zien. Deze theeplantages zijn heel bijzonder om te zien, maar daarvan zullen we er morgen in Boseong nog veel meer zien dus, wanneer na een paar kilometer wandelen een bus langs komt steekt Diana haar hand op en stappen we in, om de hele rit van vanochtend in omgekeerde richting te doen.

Om 17:15 uur waren we weer in Jinju en zijn eerst ergens gaan zitten om wat te drinken en even bij te komen van deze slopende dag.
‘s-Avonds eten we bij een soort Italiaan en na een heerlijke lasagne gaan we toch nog een keer naar het festivalterrein bij de rivier om daar een lampionnetje met geluksbericht op de rivier te zetten. In het berichtje op de lampion hebben we alle volgers van deze blog heel veel gezondheid toegewenst, dus dat pak je maar mooi even mee.

Woensdag 12 oktober

Zoals gisteren al verraden, gaan we vandaag op weg naar Boseong. Ook vandaag geen rechtstreekse bus, maar een overstap in Suncheon. We hebben nog geen 5 minuten voor de overstap, dus een bakkie koffie zit er niet in.
Rond 11:30 uur zijn we uiteindelijk in Boseong en op een steenworp afstand van het busstation vinden we een hotel. Boseong is in vergelijking met de eerdere steden, een klein dorp en dat merken we gelijk wanneer we op zoek gaan naar een gelegenheid om wat te eten; die vinden we dus niet. Uiteindelijk komen we uit bij een klein supermarktje waar we een noedelsoepje kopen en een blikje drinken. Daar moeten we het maar even mee doen.

De belangrijkste, of eigenlijke enige, reden om hier een stop te maken zijn de nabij gelegen theeplantages. We lopen na de ‘lunch’ gelijk weer naar het busstation om daar de bus naar deze theeplantages te pakken. Dit keer geen halfvolle bus met luxe stoelen, maar een oud barrel, volgestouwd met mensen die net op de markt inkopen hebben gedaan. Ondanks dit ‘ongemak’ staan we binnen een half uur onderaan de theeplantages.
De theeplantages zijn spectaculair gelegen op een heuvel; de theestruiken staan in bochtige rijen en zijn strak gemanicuurd. Je kunt je hier met je camera helemaal uitleven op het lijnenspel.

Ergens halverwege onze wandeling tussen de rijen theestruiken door staat een man te gebaren dat we naar hem toe moeten komen. Volgens hem is daar de plek om de ideale foto te maken en hij is niets te beroerd om dat even voor ons te doen. Voor we het weten staan we ook eens samen op een foto.

We wandelen nog een uurtje over de theeplantage en net als gisteren is het meer klimmen dan wandelen. Het is vanmiddag voor het eerst een keer bewolkt en dat komt hier niet eens slecht uit.
Rond 15:00 uur gaan we op weg naar een bushalte en wachten een half uurtje op de bus die ons terug brengt naar Boseong. Wanneer we Boseong inrijden zien we een soort KFC, dus we onthouden waar dit kip-restaurant zich bevindt, zodat we vanavond toch nog ergens wat kunnen eten.