Tag archieven: Madagascar

Madagascar 4

Dinsdag 6 november

Het was wederom een heerlijk verblijf bij Couleur Cafe. Voor degenen die binnenkort naar Madagascar gaan; boek hier minimaal 2 nachten.
Nadat Diana de rekening had voldaan en stiekem nog iets uit de sieraden-corner had gekocht, gingen we weer op weg, terug naar Tana.
De rit was enigszins slaapverwekkend maar de manoeuvres die Niri moet uithalen om de volgeladen taxi-brousses te kunnen omzeilen houden je wel wakker.
We merken wel dat we op de heenweg erg moe moeten zijn geweest, want we zien best veel dingen die ons helemaal niet bekend voorkomen. Het is blijkbaar een goede dag om jonge rijstplantjes uit te poten, want overal is men druk aan het werk op de volgelopen rijstvelden.

Na 150 kilometer krijgen we Tana weer in beeld en het is een mooi gezicht om deze grote stad over een aantal heuvels te zien liggen. Niri stopt voor de laatste keer om een paar fotootjes te laten maken en mengt zich dan in het drukke verkeer van een grote stad. Je merkt dat hij zich hier minder op zijn gemak voelt dan op een modderpad. Na een kwartiertje toeteren en filerijden zijn we eindelijk bij ons hotel.

We gooien onze bagage op onze kamer in hotel Sakamanga en nemen afscheid van Niri en geven hem een lekkere fooi mee.
Het is inmiddels 12:30 uur en we besluiten even snel wat te eten bij het naast gelegen Saka Express. Het is een soort cafetaria en je kunt hier allerlei snacks krijgen die we in Nederland heel normaal vinden, maar in de rest van Madagascar niet te krijgen zijn.

Daarna gaan we op zoek naar een taxi en dat is niet zo moeilijk. De stad kleurt bijna geel van de vele Renaultjes 4. Na stevig onderhandelen krijgen we niets van de prijs af en laten we ons naar het Rova brengen. Dit paleis is ontworpen voor koningin Ranavolana I en het ligt op de hoogste van de heuvels waarop Tana gebouwd is. Het paleis is een paar jaar geleden afgebrand, maar aangezien er nog niet veel aan restauratie gedaan is, gaan we al snel weer downhill om de rest van Tana te ontdekken.

Tana is een grote rommelige stad en het lukt ons al snel om te verdwalen. Gelukkig zijn de inwoners van Tana erg hulpvaardig, dus uiteindelijk weten we de markt van Analakely te vinden. De markt is anders dan de andere markten in het land. Hier is veel meer non-food te vinden terwijl dat in de rest van het land vaak maar een klein gedeelte van het aanbod vormt.
Na het bezoekje aan de markt wandelen we rustig terug naar het hotel. Onderweg gaan we nog wat winkeltjes in en hebben al wat souvenirs uitgezocht. Omdat we de laatste dag hier nog even terugkomen, laten we de souvenirs nog in de winkel liggen.

Bij terugkomst in het hotel bespreken we alvast een tafeltje in het Saka restaurant en bellen met Mora-travel voor de vertrektijd van morgen. Omdat zij die nog niet hadden vestgesteld doen wij het voorstel om 10:00 uur te vertrekken; eindelijk een keertje uitslapen.

Woensdag 7 november

Nadat we vanochtend een keer lekker hadden uitgeslapen en ons tegoed hadden gedaan aan een heerlijk ontbijtbuffet zijn we, in afwachting van onze ‘nieuwe’ chauffeur, bij de receptie gaan zitten.
Je zou verwachten dat de chauffeur met een vertrektijd van 10:00 uur ruimschoots op tijd zou zijn, maar het lukte hem toch om pas om 10:15 uur aan te komen kakken. Maar goed, maak je niet druk of ‘mora mora’ zoals ze hier zeggen.

Met onze bagage op de rug liepen we naar de auto en daar keken we even vreemd op toen bleek dat dit een Mercedes E290 bleek te zijn. Dat zit wel even anders dan in een Landcruiser of een Patrol.
Het bleek nog niet zo eenvoudig om Tana uit te komen; wat een drukke stad is dit. Politieagenten proberen het verkeer te regelen, maar het lijkt dweilen met de kraan open.
Toen we dan eindelijk de drukte van Tana achter ons konden laten bleek onze chauffeur meer een gids-type te zijn. De eerste de beste lokatie (nog binnen de stadsgrenzen van Tana) waar iets van souvenirs werden gemaakt stond hij al op de rem. We moesten even duidelijk maken dat we daar geen behoefte aan hebben en de brul van de achterbank deed hem gauw weer gas geven. Op naar Andasibe Nationaal Park.

Ook onderweg liet onze gidsende chauffeur zich van zijn beste kant zien. Zo las hij alle borden met plaatsnamen op en vertelde er ook nog bij of het een lange plaatsnaam betrof (if {plaatsnaam} > 10). Ook wees hij ons op allerlei dingen die wij al drie weken voorbij hebben zien komen; hij zal toch weten dat we niet net zijn aangekomen?
Tegen de tijd dat we bijna bij Andasibe waren, mompelde hij nog iets over een krokodillen-farm, maar aan de ingeslikte woorden was te merken dat hij inmiddels in de gaten had wat voor soort toeristen wij zijn.

Bij ons hotel aangekomen blijkt er inmiddels al een gids voor ons geregeld te zijn, maar bij het afspreken van de prijzen ging het bijna mis. Hij vroeg veel te veel en dat moet je bij Diana niet doen. Uiteindelijk komt het allemaal goed en spreken we af  ‘s-avonds een zgn. night-walk te doen en gaan we morgenvroeg met hem in het nationale park route ‘Indri 1’ met hem doen.
‘s-Middags lopen we nog even naar het informatiecenrum bij het park. Even wat lezen over de Mouse Lemur die we vanavond hopen te zien en de Indri Indri die we morgen hopen te spotten.
Op de terugweg zien we zelf een kameleon op een tak zitten, dus we krijgen er al oog voor.

We hadden om 18:30 uur met de gids afgesproken voor onze night-walk. Dan is het inmiddels donker en kun je op pad om de nachtdieren te zien. We willen natuurlijk de Mouse Lemur zien, maar aangezien het lastig afspraken maken is met deze beestjes heb je geen garantie.
Het eerste wat onze jagende gids ziet is een sprinkhaan. Dat is zo’n beetje het meest voorkomende insect hier, dus we begonnen al gelijk te twijfelen aan de kwaliteiten van onze gids.

Even verderop vindt hij een piepklein kikkertje, ter groote van de nagel van je pink, op een blad en dat haalde een deel van onze twijfel weg. Dan ziet hij een mot, maar daar scoort hij ook geen punten mee. Weer iets verder schijnt hij opeens zijn zaklantaarn in de toppen van de bomen omdat hij daar een lemur zou hebben gezien. Eerst zien wij alleen maar takken bewegen en denken dat het door de wind komt, maar dan zien ook wij deze nacht-lemur in de kruin van de boom. Dat was een mooie vondst, maar nog geen mouse lemur.

Dan schijnt hij zijn zaklantaarn opeens in het struikgewas en sprint in die richting; hij had er één gevonden. Helaas had dit beestje er niet zoveel zin in want toen wij er waren zagen we de mouse lemur alleen nog verder het struikgewas in vluchten.

Met een beetje hulp van een andere gids lukt het dan toch om een mouse lemur goed in beeld te krijgen; wat een schattig beestje. Daarvoor is het best de moeite om in het donker in het struikgewas te turen. Het is overigens niet de laatste mouse lemur zijn die hij vindt, dus we hebben er alle vetrouwen in dat het morgen met de indri indri ook wel goed komt.

Donderdag 8 november

Daar ging de wekker weer om 05:30 uur en bijna gelijktijdig hoorden we het ‘gehuil’ van de indri indri’s. Deze grootste lemur-soort gingen wij vanochtend proberen te vinden in Andasibe Nationaal Park en daarbij zouden we moeten worden geholpen door onze gids ET (we noemen hem maar zo omdat hij een bovengebit heeft waar een buitenaards wezen jaloers op zou zijn).

Wanneer we tegen 06:30 uur bij de ingang van het park aankomen staat ET al op ons te wachten. Even wat formaliteiten regelen en dan snel op pad zodat we geen last hebben van de andere toeristen die hier vandaag ook zeker weer zullen komen.
Onze gids heeft de sokken er goed in en dat moet ook wel, want na de bezichtiging van dit park hebben we nog zo’n 8 uur te rijden naar Soeniera Ivongo waar we vannacht zullen slapen.
Hij rent voor ons uit in de boomtoppen turend naar lemuren. Het enige dat hij het eerste half uur weet te vinden is een paddestoel en daar gaat onze interesse niet naar uit. ET laat zich niet zo makkelijk uit veld slaan en begint allerlei rare geluiden uit te stoten waar zelfs wij verschrikt van opkijken.

Als hij na enige tijd concludeert dat familie 1 niet op de gebruikelijke plaats te vinden is, breidt hij het rondje wat uit en probeert het in het territorium van familie 2. Eerst weet hij alleen maar een mini-kikkertje te vinden, maar dan ineens zegt hij: “indri indri”. We stonden met onze neus zowat bovenop een stuk of van deze beesten zonder ze in de gaten te hebben en dat komt niet omdat ze zo goed gecamoufleerd zijn. Wij waren in ieder geval erg blij, want voor de indri indri waren we hier naar toe gekomen.

Voor ET was het nog lang niet genoeg en hij bleef maar speuren in de boomtoppen terwijl hij zijn oerkreten uitstootte. Het is natuurlijk altijd de vraag of het door de tactiek van de gids komt of dat hij gewoon geluk heeft, maar even later wijst hij ons een tweetal nacht-lemuren aan. Ze zitten bijna op ooghoogte en zijn dus een mooie ‘prooi’ voor ons.

We krijgen geen tijd om tot rust te komen want onze gids is alweer op weg. Hij gaat van de hoofdpaden af en we moeten aardig klauteren om hem te kunnen volgen. Opeens staat hij weer stil en wijst hoog in de boom een paar bruine lemuren aan. Omdat we al zo verwend zijn met de indri indri en de twee nacht-lemuren die we bijna konden aanraken, blijven we hier niet te ang stil staan en gaan verder. RT stelt voor nog even naar ‘lac vert’ te gaan en ook dat blijkt een goede keus want onderweg naar dit meertje stuiten we op een aantal bamboe-lemuren.

Ons gids heeft een grijns van oor tot oor (en dat is best een raar gezicht met zijn tanden), maar je ziet hem denken dat het met de fooi wel goed komt.
Gezien onze gemoedstoestand durft ET het ook nog aan ons een door zijn vrouw gehaakt frutseltje te laten kopen en ach, waarom ook niet.

Na anderhalf uur zijn wij terug van onze speed-safari en blijken tientallen andere toeristen het park net in te gaan. Je moet er vroeg uit, maar dan heb je het lemuren-rijk bijna voor je alleen.
Onze chauffeur was ook al lang blij ons zo snel weer te zien en na een korte sanitaire stop geeft hij gas en gaan we op weg naar Soeniera Ivongo.

We rijden verder naar de oost-kust en dat betekent dat we voornamelijk dalen. Een goede reden voor onze chauffeur om eens goed gas te geven. Wanneer we ergens door een klein dorpje komen, koopt Diana vanaf de achterbank een stokbrood, zodat we ons ontbijt nog een beetje kunnen aanvullen.

Langzaam begint dan ook het landschap weer te veranderen en maakt het Ranomafana-achtige bos plaats voor grote aantallen palmen, maar vooral ook veel lychees bomen waar enorme hoeveelheden vruchten aanhangen. Ook de travellers-palm, die in de rest van het land maar mondjesmaat voorkomt,  is hier alom aanwezig.
We lunchen in Tamatave, nadat we daar eerst de overvaart van morgen geregeld hebben. Het blijkt allemaal toch weer net anders te zijn dan wij ons hadden voorgesteld, want ons hotel van vanavond ligt 7 km buiten Soeniera Ivongo en wij moeten daar om 09:30 uur aan de hoofdweg gaan staan om de shuttle-bus van de ferry-maatschappij aan te houden die ons dan zal meenemen  naar de pier in Soeniera Ivongo. Lekker omslachtig.

Net voor Tamatave hadden we een eerste blik kunnen werpen op de zee, maar na de lunch zien we die prachtige blauwe vlakte steeds vaker. Waar we voor de lunch de lokale bevolking probeerde om kippen te verkopen aan voorbij rijdende auto’s, zien we na de lunch steeds vaker vis bij de voorruit hangen.
De 65 km na Tamatave is het wegdek een ramp. Grote knipgaten maken het onze pooierbak erg last om de snelheid er een beetje in te houden en de kilometers kruipen tergend langzaam voorbij.

Tegen 16:30 uur zien we dan het bord van hotel Mada-Gite waar we vanavond zullen verblijven. Onze chauffeur draait de hoofdweg af en via een smal zandpaadje komen we in een rieten-hutten-dorpje waar ergens in het midden een groter gebouw staat en dat blijkt ons hotel te zijn. Een hotel van dit nivo hadden we deze vakantie nog niet gehad en dan bedoelen we dat niet positief. De slaapkamer is in orde al doet de electriciteit het niet en is er geen badkamer aanwezig (!).
De gezamenlijke badkamer lijkt in de afgelopen weken geen duizend-dingen-doekje te hebben gezien en bovendien is er geen stromend water aanwezig. Dat laatste probleem wordt echter al snel verholpen waardoor we in ieder geval de wc weer kunnen doortrekken, maar de waterdruk is zo beperkt dat een douche er niet inzit.

De zee ligt op twee minuten wandelen, dus daar gaan we natuurlijk even kijken en we worden begeleid door het geschreeuw van een tiental kinderen die blijkbaar niet al te vaak toeristen in de hotel gewend zijn. In het dorp hangt ook de geur van kruidnagels en even later zien we ook waar die lucht vandaan komt; matten vol met de geurende kruidnagels liggen te drogen in de zon.
Aan de oostkust heb je natuurlijk geen zonsondergang boven zee, maar de rood kleurende lucht boven een aantal piroques die op het strand liggen geeft deze plek toch nog iets idyllisch.

‘s-Avonds eten we in een hotely tegenover ons hotel. We bestellen een neutrale, vegetarische rijstmaaltijd omdat we hier geen risico’s willen nemen. Als verassing worden een viertal grote, gemarineerde garnalen geserveerd. De goede voornemens gaan overboord en Rob peuzelt ze achter elkaar op.

Vrijdag 9 november

Het slapen in ons basic onderkomen was niet meegevallen. Het bed was erg goed, maar de warmte was niet uit de kamer te krijgen. Dat dan ‘s-nacht de stroom eraf gaat helpt ook niet.
Het ontbijt was in de basic-stijl van het hotel, maar smaakte best. We voldeden onze rekening en liepen naar de doorgaande weg waarover we gisteren gekomen waren omdat we daar opgepikt zouden worden door de bus van de ferry-maatschappij.

We stonden al om 09:05 aan de weg en dat was minimaal een half uur te vroeg, maar wij wilden geen risico nemen. Elke keer wanneer we wat in de verte aan zagen komen stonden we gereed om de hand op te steken, maar het duurde uiteindelijk tot 09:45 uur voordat we onze bus aan zagen komen. Hoewel wij allerlei beren op de weg zagen, gaat het allemaal helemaal volgens plan en komen we nog voor 10:00 uur aan bij de pier in Soeniera Ivongo.

Dan denk je dat je op de boot kunt stappen, maar daar gaat toch weer een hele papierwinkel aan vooraf. Eerst inschrijven op een lijst bij een soort balie van de ferry-maatschappij, dan naar de gendarmerie om nogmaals de paspoortgegevens te noteren en als laatste zit er nog een oom agent vlakbij de boot die dezelfde handeling nog een keer dunnetjes overdoet. Lang leve de werkverschaffing.

Door alle rompslomp gaan we niet eerder 11:00 uur van wal met een volgeladen sloep waar nauwelijks ruimte is om te bewegen. Dit betekent dus anderhalf uur als sardientje in het welbekende blikje en dan niet te vergeten dat deze sardientjes ook nog zo’n fraai reddingsvest aanmoeten. Bovendien is het erg warm aan boord, dus je kunt je voorstellen hoe onze t-shirts eruit zien.

De overtocht lijkt veel langer te duren dan anderhalf uur, maar om 12:30 uur leggen we aan in Ambodifotatra, de hoofdstad van Ile Sainte Marie. Vanuit het bootje zien we al een bordje met onze naam erop dus ook dat is goed geregeld. We gooien onze bagage in een rotte taxi-fiat en rijden de 11 km naar ons verblijf in Ravoraha met de gelijkluidende naam.

Wanneer we ons huisje zien worden we helemaal gelukkig. Het is een huisje dat tussen de palmen, pal aan een smal, wit strand ligt.  De zee is misschien 10 meter van onze veranda verwijderd.
Dit huisje is wel weer van alle comfort voorzien en we kunnen zelfs 4 logés kwijt. We beseffen ons wel dat we één grote fout hebben gemaakt; we blijven hier veel te kort.

‘s-Middags lopen we over het strand even naar de duikschool bij de naastgelegen Bora Princesse Lodge. en net nu wij denken dat we het zo getroffen hebben, moeten we vaststellen dat er altijd ‘baas boven baas’ is. De hutten bij dit complex zijn groter en luxer en liggen, zo mogelijk, nog mooier.
We praten even met de duikinstructeur en besluiten morgen gelijk maar te gaan duiken.

De rest van de middag zitten we vooral op de veranda en genieten van het uitzicht. Wanneer Diana en foto van ons huisje wil maken, blijkt dat ook hier de kinderen graag op de foto willen. Ze laten zich zo mooi mogelijk vastleggen en weten precies waar ze gefotografeerd willen worden. Het enige wat ze ervoor terug willen is hun foto zien op het schermpje achterop de kamera.

Rond 17:30 uur zien we dat ons huisje nog een extraatje heeft. De zonsondergang kunnen we vanuit onze luie stoelen steeds roder zien worden. Het is genieten en met de palmen en de zee op de voorgrond moeten dat mooie plaatjes worden.
We krijgen nog meer spijt dat we hier maar drie dagen zitten.

Zaterdag 10 november

We moesten om 08:30 uur bij de duikschool zijn, dus konden we eerst rustig ontbijten. Toen we na het ontbijt over het strand en onder de overhangende palmen naar de Princesse Bora Lodge liepen, bedachten we of er misschien nog een manier was om hier toch langer te blijven. Om allerlei vervelende, praktische redenen zoals visum, vlucht wijzigen, werk, …….. zetten we dit idee maar van ons af.

Bij de duikschool stonden onze duiksetjes al keurig aangesloten op ons te wachten. Dat was al een makkie. De uitrusting bij deze duikschool ziet er gloednieuw uit, dus daar kon het niet aan liggen.
Samen met een Engelsman uit Liverpool een een walvis Fransman uit Lille en een instructeur van de duikschool gingen we op pad.
De eerste duikstek heet Baracuda en was zo’n 3 km varen. Zonder noemenswaardige briefing lieten we ons achterover van het bootje het water in rollen. We gingen eigenlijk meteen naar 30 m diepte en toen we bijna bij één van de twee koraalblokken waren aangekomen schoot er een haai onder ons vandoor. Op deze diepte zie je de kleuren van het koraal niet meer dus moesten we vooral op zoek naar andere bezienswaardigheden en dat lukte; behalve veel koraalduivels zagen we een enorme rog, een hele grote kreeft en een reusachtige krokodilvis. Net toen we wilden opstijgen schoot er nog een grote school met de naamgevers van dit rif onder ons door.
Voor de tweede duik gingen we naar de duikstek Serapis waar een een 18e eeuws schip is gezonken. De restanten van het schip liggen op 21 m diepte en al snel ontwaren we de kanonnen en ankers. Alles is natuurlijk al behoorlijk overgroeid, maar de contouren zijn duidelijk. Terwijl we een rondje om de restanten maken, zien we opeens een schildpad er vandoor gaan.
Al met al een geen slechte vangst tijdens deze twee duiken en het duiken smaakt sowieso naar meer.

‘s-Middags lunchen we bij ons hotel en luieren wat in ligbedden op het strand. Aan het eind van de middag lopen we over het strand naar de het zuidelijkste punt van Ile Sainte Marie. Van hier zien we Ile aux Nattes liggen, een nog kleiner eiland waar we morgen met een piroque naar toe zullen gaan.
‘s-Avonds staat er vis en andere zeevruchten op het menu, maar wat kun je anders verwachten op een eiland. Het smaakt voortreffelijk.

Zondag 11 november

Het is vanochtend duidelijk minder weer dan de voorgaande dagen. Het waait hard en de zon laat zich maar mondjesmaat zien.
Na het ontbijt lopen we naar de zuidpunt van het eiland en nemen een piroque naar het kleine eilandje Ile aux Nattes dat bekend staat om zijn bounty-stranden. De overtocht in de uitgeholde boomstam duurt slechts enkele minuten, maar zo hebben we ook deze manier van transport kunnen ervaren.

Op 100 m van de plek waar we aanleggen zien we al een prachtig strandje met op de achtergrond azuurblauw (of is het nou smaragdblauw) water. Dat beloofd veel goeds. We besluiten echter om eerst maar eens het eilandje te gaan verkennen voordat we op het strand gaan liggen.
Via en zandpaadje dat de hotels van dit eiland met elkaar verbindt lopen wij richting de oostkant van het eiland. We komen langs het hotel Baboo Village dat als het beste hotel van het eiland bekend staat en lopen daar even het terrein op om te gluren. Het is een mooi hotel met leuke bungalows die een steigertje aan het water hebben, maar wat het meest opvalt is dat ze geen strand hebben; toch gek op een eiland dat bekend staat om z’n stranden.

We lopen verder en krijgen gezelschap van een wit straathondje dat ons niet meer alleen lijkt te willen laten. In zee zijn vrouwen in de weer met een visnet. Het is onduidelijk of het net wordt uitgezet of dat ze het als een soort sleepnet gebruiken.
Even verderop komen we langs een klein kerkje waar net de zondagsmis is afgelopen en iedereen haast zich naar huis, waarschijnlijk om de voetbalwedstrijd van 12:30 uur te kunnen zien. We komen door het enige dorpje op dit eiland en vervolgen onze weg daarna in zuid-oostelijke richting.

Een half uur later zijn we bij hotel Paradiso. De beach-hutjes van dit hotel staan verspreid over het terrein met uitzicht op een wat ruigere Indische oceaan. Het water heeft vele kleuren blauw en het is er heerlijk rustig. Hier zien we eindelijk een strand waarvoor je naar dit eiland zou moeten gaan.
Wij lopen de aanlegsteiger op die wel 50 m lang is en bestellen wat te drinken. We nestelen ons in een heerlijke strandstoel en genieten van het uitzicht. Benji, zoals we de hond gedoopt hebben, is nog steeds bij ens en ligt naast onze stoel te rusten.

Na dit fijne momentje lopen we langzaam weer terug naar de noordpunt van het eilandje. Het is inmiddels helemaal bewolkt en we willen met de piroque over zijn voordat het misschien zelfs gaat regenen.
Hoewel er best een paar mooie plekjes te vinden zijn hadden we ons er eigenlijk iets meer van voorgesteld. Nu we dit gezien hebben weten we zeker dat we het met ons hotel op Ile Sainte Marie erg getroffen hebben.

We gaan bij de buren van Bora lunchen; ietsje duurder, maar ook eens wat anders. Na de lunch lopen we terug naar ons eigen huisje en nemen met een boekje plaats in de 2-persoons hemelbed-strandstoel. Tegen een uurtje of drie begint het dan toch serieus te regenen. Het past wel een beetje bij onze gemoedstoestand als we ons bedenken dat we morgen eigenlijk aan de terugreis naar het kille, natte Nederland beginnen, met morgen een tussenstop in Tamatave en een dag later door naar Tana.

Wanneer we ‘s-middags nog wat drinken bij het hotel horen we bij toeval dat de boot van Cap Sainte Marie vandaag niet heeft gevaren vanwege het weer (?) én dat ze morgen waarschijnlijk ook niet varen. Daqn hebben wij natuurlijk een probleem, want dan redden we het nooit meer om via Tamatave naar Tana te komen. We moeten dan proberen een vlucht te krijgen naar Tana of zoiets. Gelukkig vliegt Air Madagascar wel vanaf dit eiland.

Maandag 12 november

Een nieuw wekker-record voor deze vakantie: 04:00 uur! Hoewel we niet zeker weten of er vandaag wel een boot gaat. De taxi staat netjes op tijd voor het hotel en om 04:45 staan we al bij het kantoortje van Cap Sainte Marie. In het haventje liggen echter geen boten en het kantoortje is ook nog op slot.
Rond 05:00 uur komt er dan iemand aanlopen die het kantoortje opent. We lopen er gelijk heen en vragen of er een boot gaat vandaag. We zijn opgelucht als we horen dat de boten vanuit Soanierana Ivongo naar Ile Sainte Marie onderweg zijn, maar er wordt gelijk aan toegevoegd dat het nog maar de vraag is of ze ook weer terug kunnen naar Soanierana Ivongo. Wij reageren verbaasd want de zee is ziet er erg kalm uit. Volgens de man van Cap Sainte Marie zijn de omstandigheden bij het vasteland een stuk slechter.

We besluiten bij Choco Pain af te wachten onder het genot van wat broodjes en een bak thee. Daar zien we dat we niet de enige toeristen zijn die in afwachting van de boot zijn. Het is allemaal wel toepasselijk in de sinterklaas-tijd.
Het brood komt vers uit de oven dus dat maakt weer wat goed, maar als we vanaf het terrasje een paar zware buien naar beneden zien komen, worden onze kansen er niet beter op.

Rond 07:00 uur gingen we weer naar het kantoor van Cap Sainte Marie. De boten waren om 05:30 uur vertrokken, dus die zou je moeten kunnen zien. Toen we het haventje inliepen zagen we de boten in de verte al aankomen. Zou dat een goed teken zijn?
Bij het kantoortje aangekomen vertelde de man van Cap Sainte Marie dat de boten niet terug zouden keren, want het was onderweg te slecht geweest.
We wachten nog even tot de boten aanmeren en aan de passagiers die uitstappen is niet te zien dat het zo’n zware zee is geweest. We hebben dus zo onze bedenkingen over het afblazen van de terugtocht.
Voor ons zat er niet veel anders op dan over te stappen op plan B.

Voor ons alternatieve plan gingen we op zoek naar het kantoor van Air Madagascar. Dit was gelukkig maar zo’n 150 m lopen vanaf het haventje, want met de grote rugzakken wil je de loopafstand beperkt houden.
Bij Air Madagascar ging het allemaal erg vlot. Er waren twee opties: vandaag naar Tamatave en morgen vanaf Tamatave de rest van ons programma vervolgen, of rechtstreeks van Ile Saint Marie naar Tana. We besluiten voor de eerste optie te gaan, want dan krijgen we toch nog ons  ritje met de taxi-brousse. Er zijn nog drie stoelen beschikbaar dus dat is oké.
Paspoorten erbij, telefoonnummer doorgeven, credit-card op tafel en ………………… toen werd duidelijk dat Air Madagascar alleen maar VISA accepteert.
Dat is dan lekker want er is op Ile Saint Marie geen bank waar je kan pinnen met de Mastercard.
We hadden gehoord dat je bij La Bank Of Africa wel geld met je Mastercard zou kunnen krijgen aan het loket. Wij naar die bank en inderdaad je kon er geld krijgen met je Mastercard, maar wel twee dagen wachten voordat ze uitbetaalden.
Dan naar de volgende bank, de BFG SG, waar we netjes in de rij gaan staan. De bureaucratie doet je af en toe op je tong bijten, maar toen we aan de beurt waren ging het eigenlijk erg snel; Mastercard in de mobiele paslezer, pincode ingeven en daar was het bonnetje al. Nog een paar kopietjes maken voor de administratie en wij weer met een pak geld op weg naar Air Madagscar.

Met cash kun je overal terecht. dus ook bij Air Madagascar. Onze gegevens stonden nog in het systeem van ons vorige bezoek, dus ook hier duurde het maar een paar minuutjes en we hadden de tickets in handen. Nog even afrekenen bij een ander tafeltje en we konden vanmiddag vliegen.
De rest van de ochtend zitten we bij Choco Pain en eten en drinken hier onze tijd vol. We aanschouwen het dagelijks leven in Ambodifotatra en daarbij valt het op dat er hier wel erg veel Franse gepensioneerde vrijgezellen van het type dikke buik en/of vette staart met brede scheiding vergezeld gaan van een Malegassische schone. Het zijn ‘gelukkig’ volwassen vrouwen, maar het geeft toch een beetje kromme tenen.

Om 12:00 uur charteren we een tuc-tuc en laten ons op de luchthaven afzetten. Er is helemaal niemand te vinden op dit luchthaventje, maar we doen maar net alsof dat hier normaal is.
Even later blijkt dat dit toch ook hier niet normaal is want wanneer we een medewerker op de luchthaven aanspreken blijkt de vlucht te zijn verplaatst naar 16:35 uur. Dat kon er ook nog wel bij!

Gelukkig zit het hotel waar we hebben geslapen op slechts enkele minuten wandelen van de luchthaven dus we gooien onze rugzakken in een hoek en gaan wat drinken bij ons hotel. Daar zijn ze erg verrast dat we weer binnenwandelen, maar toevallig is Sophie, de eigenaresse net bezig een mail aan Mora travel te beantwoorden waarin ze deze laatste ontwikkelingen kan meenemen.

Als we tegen drieen weer op de luchthaven zijn, kunnen we gelijk inchecken, dus nog meer vertraging lijkt er niet te komen. Geleidelijk stroomt de kleine vertrekhal vol en om 16:00 uur zien we de ATR 78 landen op de enige baan van dit vliegveld.
In recordtempo worden passagiers en bagage uitgeladen en mogen wij erin. Veiligheidcontroles doen we even niet aan vandaag. Maximaal een kwartier nadat het toestel stil stond bij het luchthaven gebouw, werden de motoren alweer gestart. Hier kan ryanair zelfs een puntje aan zuigen (eerlijkheid gebied te zeggen dat er maar 78 man ingaat).

De vlucht is heel relaxed en een half uurtje later staan we al in Tamatave aan de grond. Enkele minuten later hebben we onze bagage en iets na vijfen stappen we in onze ’taxi’, die ons in enekle minuten naar hotel Joffre brengt. Veertien uur nadat de wekker ging zijn wij op plaats van bestemming, met dank aan het weer, Cap Sainte Marie en Air Madagascar.

Dinsdag 13 november

Vandaag was onze laatste dag in Madagascar, maar we moesten nog wel even van Tamatave naar Tana en wel met de taxi-brousse.
Net als gisteren toen we hier aankwamen, regende het vanochtend heel stevig. Voor de oost-kant van Madagascar had de regentijd zich duidelijk gemeld.

Om 06:00 uur stonden we alweer op het busstation en het regende nog steeds. Tot onze geruststelling hadden we een redelijk luxe taxibrousse dus niet zo eentje waar veel te veel mensen worden ingestouwd. Om de rit toch een beetje lastig te maken hadden ze ons wel op de achterbank gezet.
In tegenstelling tot de kleine, volgepakte taxi-brousses vertrok onze roze Mercedes Sprinter netjes om 06:30 uur.

De rit gaat voorspoedig totdat we rond 11:00 uur de chauffeur verdacht vaak in zijn rechter buitenspiegel zien kijken. Even later stopt hij vlak bij een restaurantje en als we uitstappen zien we waarom hij steeds in de spiegel keek: rechter achterband lek! Wel goed dat hij tot bij het restaurantje is kunnen komen, want nu kunnen we dit mooi combineren met de lunch.

We nemen voor de laatste keer een bord taramuso en combineren het met wat bladerdeeg-hapjes die erg lekker blijken te smaken.
Om 12:00 uur zijn we alweer op weg voor de laatste 100 km naar Tana en zonder verdere problemen bereiken we rond 13:00 uur de hoofdstad, waarna het overigens nog wel bijna een uur duurt voordat we op het station van de taxi-brousse zijn. De rugzakken worden afgeladen en even later zitten we in een taxi op weg naar het hotel. Bij het hotel eten en drinken we wat, waarna we de de rugzakken gaan pakken voor de terugreis. Omdat we een nachtvlucht hebben slapen we ook alvast een paar uurtjes in het voren.
‘s-Avonds nemen we voor het laatst een stukje zebu-vlees en om 21:30 uur gaan we dan op weg naar de luchthaven.

We zijn ruimschoots op tijd op de luchthaven, maar gelukkig zal onze vlucht ook op tijd vertrekken. Terwijl we in de vertrekhal van de kleine luchthaven zitten spelen we reis-film in gedachte af en zijn we het erover eens dat Madagascar een fantastisch land is; een land met een prachtige en unieke natuur, leuke dorpjes en steden, mooie stranden met bijbehorende accommodatie  maar vooral een heerlijke bevolking die, ondanks dat ze niet veel hebben, altijd vriendelijk is en lacht als ze een vazaha zien!

Madagascar 3

Dinsdag 30 oktober

We lopen vanochtend toch nog een keertje naar de bank om wat extra geld te halen; je weet maar nooit. Op de weg terug halen we nog een paar verse stokbroodjes en flesjes water voor onderweg. Om 07:30 uur zijn we weer terug bij het hotel voor een uitgebreid ontbijt.
Wanneer we terug komen van het ontbijt staat de Nissan Patrol van onze nieuwe chauffer Niri al klaar. We halen onze spullen van de kamer en gaan op weg.

Al snel is duidelijk dat Niri een heel andere chauffeur is dan Jean. Zo stopt hij om een (doodgereden) stekelvarkentje te laten zien, gaat na een uurtje even aan de kant bij een mooi uitichtpunt en neemt gelijk de tijd om even de benen te strekken en in Mandato laat hij ons uitstappen zodat we dit kleine dorpje te voet kunnen verkennen. Hij doet dus net iets meer dan van A naar B rijden.
Hij heeft ook een geheel eigen rijstijl. Bergaf geeft hij goed gas en probeert dan bergop zo ver mogelijk te komen zonder terug te schakelen. Wanneer hij dan met een slakkegang weer bovenop een berg is, gaat hij er met grote vaart weer vanaf; net een 8-baan.

Al snel nadat we Antsirabe uit zijn zien we de zon weer verschijnen en wordt het gelijk weer erg warm. Wanneer we anderhalf uur onderweg zijn is het landschap al weer volledig veranderd en is alles weer veel roder dan in de buurt van Antsirabe.

Om 12:00 uur stelt Niri zelfs voor om even een lunch-break te houden. Hoeft niet echt van ons, maar ach, we hebben de tijd. We zijn nog 80 km van Miandrivazo verwijderd en zijn ergens in ’the middle of nowhere’, dus het is wel even een leuke stop. Niri zoekt een plekje onder een grote mangoboom en legt zelfs een zeiltje voor ons neer. Gezellig eten we de broodjes op die we vanochtend hebben gekocht en gooien er wat slokken water tegenaan. Niri heeft het voor zichzelf beter voor elkaar, want hij heeft ook nog een blikje sardientje bij zich.
Niri geeft een deel van z’n lunch aan een man met twee kinderen die was komen aanlopen. We vragen ons af waar hij vandaan komt want het dichtst bijzijnde gehucht is erg ver weg.

Wanneer we de lunch achter de kiezen hebben gaan we terug naar de auto. We stappen in, starten en ……….. vergeet het maar, niets dus; die accu is zo dood als een pier. Niri doet nog wel de moterkap open, maar dat is meer voor de show. Er zit maar één ding op: duwen! Gelukkig had hij net die local bijgevoerd, want die wilde nu wel komen helpen. De krachten van Rob zijn enorm, maar een Nissan Patrol duwt hij niet in z’n eentje uit de berm. Samen met de local lukt het Rob om de auto uit de berm te krijgen en gelukkig loopt de weg hier net bergaf zodat het resterende stukje duwen meevalt.
Gelukkig maken we dit weer mee, want we waren al bang dat we vandaag niet veel te melden zouden hebben.

Niet ver voor Miandrivazo krijgen we nog te maken met een sprinkhanenplaag. Aan alle kanten zien we grote zwermen om ons heen vliegen. Ze stuiteren regelmatig op de vooruit. De regen van sprinkhanen is maar van korte duur, maar Niri vertelt dat deze beestjes een ramp zijn voor de lokale rijstoogst.

Tegen tweeen zijn we dan in Miandrivazo, één van de warmste steden van Madagascar. Vannacht hadden we nog een dekbed over ons heen tegen de kou en nu zweten we als otters wanneer we maar een glaasje drinken oppakken; dat is weer even wennen. Het doet ons een beetje denken aan Death Valley.
Gelukkig heeft het hotel een zwembad, maar helaas is het water zo warm dat je er niet van afkoelt.

Woensdag 31 oktober

Bij het ontbijt kwam Diana erachter dat we inmiddels al aan onze ‘volpension’ week waren begonnen, dus kregen we het geld van het diner van gisteravond terug. Altijd lekker zo’n vroege meevaller. Bovendien smaakte het ontbijt veel beter nu we wisten dat het gratis was.

Na het ontbijt hebben we de spullen ingeladen bij Niri en zijn naar Miandrivazo gereden om wat drinken in te slaan. Het was hem gelukt om de auto weer te laten starten, dus we hoefden hem niet weer aan te duwen.
Nadat we water en cola hadden ingeslagen zijn we in drie kwartier naar de aanlegplaats van de boten gereden. We zouden met z’n zessen aan boord zijn, wij twee samen met Trish en John uit Engeland, Dominique en Francoise uit Frankrijk. Allemaal ‘ouderen’ in vergelijking met ons, dus het was een beetje een boottocht van de ANBO. Om 10:00 uur was alles aan boord en gingen we op weg.

De rivier is roestbruin gekleurd door de vele regen van de afgelopen tijd en dat geeft een mooi kleur-effect tegen de groene achtergrond.

We genieten van al de bedrijvigheid langs en op de rivier. Mannen die vissen in een piroque, een veehouder die zijn zebu’s laat drinken bij de rivier, mensen die zich wassen en ga zo maar door. Dit alles tegen een achtergrond van hoge grassen die in bloei staan, afgewisseld door metershoge palmbomen en waterhyacinthen die in bloei staan. Daarbij komt dan nog de bedrijfigheid van dieren, zoals het nestelen van papagaaien in de twee meter hoge wal van de  rivier, een verschrikt wegvliegende ijsvogel, grote zwermen ganzen die laag overvliegen, te veel om op te noemen.
Het varen op de Tsiribihina rivier is een vak apart. Door de vele zandbanken, waarvan de meesten onzichtbaar onder het wateroppervlak, moet de kapitein slingerend over de rivier varen.

Voor de lunch leggen we aan en voor we het weten staat een hele groep kinderen ons aan te gapen. Natuurlijk klinkt het inmiddels veel gehoorde vazaha ook uit hun monden.
De lunch smaakt fantastisch en het is eigenlijk onmogelijk zoiets te bereiden op een 1-pitter. Na de lunch gaan we even de natuur in voor de sanitaire behoefte en daarna wordt er nog wat gedold met de kinderen. Voordat hij het wist had kindervriend Rob een slingeraapje aan zich hangen en die wilde eigenlijk niet meer loslaten. Helaas voor hen moesten wij verder.

Rond 14:00 uur pakten er zulke donkere wolken samen dat het verstandig leek om een slaapplaats te zoeken. We vaarden nog een klein stukje verder tot we bij een plek met een waterval waren en daar gingen we van boord. Het was inmiddels beginnen te regenen, maar we wilden toch nog even de waterval zien. Op weg naar de waterval zagen we nog een paar bruine lemuren en ver boven de waterval zagen we een tweetal sifaka’s van boom naar boom springen. De waterval was niet bijzonder, maar daarvoor moet je eigenlijk in het regenseizoen zijn, maar  het plekje was perfect.
Toen we terug waren van de wandeling naar de waterval was de lucht weer helemaal open gebroken en regende het ook niet meer. Dit deed onze gids besluiten om toch maar een stukje door te varen.

Tegen vijfen stoppen we uiteindelijk bij een zandbank waar we daadwerkelijk de nacht zullen doorbrengen. Terwijl de bemanning de tenten opzet gaan wij een nabij gelegen dorpje in en ook hier is het weer helemaal te gek met de kinderen. Ze lopen met je mee aan de hand, zingen ‘frere jacques’ en willen vooral veel op de foto komen.
Terug bij de boot maken we een mooie zonsondergang mee en dan is het tijd voor het diner. Opnieuw heeft de kok een heerlijke maaltijd bereid.

Donderdag 1 november

“Oh what a night”, van wie is dat nummer ook al weer? Het was in ieder geval erg toepasselijk geweest vanochtend.
Na het diner van gisteravond en het heerlijke glaasje Malagassische rum met citroen en honing, zijn we al om 20:00 uur naar de tent gegaan. Er moest nog een stukje geschreven worden voor de blog en misschien konden we nog wat lezen. Het eerste uur bestond vooral uit zweet-controle; wat was het verschrikkelijk heet in dat tentje. We zijn maar rustig gaan liggen tot deze opvlieger over zou zijn, maar dat was nog helemaal niet gemakkelijk met de vele kleine sprinkhaantjes en een paar zoemende muggen om ons heen. Ook werd al snel duidelijk dat de matrasjes er hooguit voor de sier lagen, want elke oneffenheid in de grond voelde je in je botten. Ondanks dit alles zijn we uiteindelijk ingedommeld om tegen 01:00 uur te worden gewekt door een enorme hoosbui. Gelukkig hield de tent het en door de bui was het ok een beetje afgekoeld. Daarna nog een paar hazeslaapjes, maar om 06:00 uur stonden we al buiten onze tent omdat de eerste zonnestralen de tent al direkt tot een oventje ombouwden.

We zaten al voor 07:00 uur aan het ontbijt en daar was duidelijk te zien dat de Engelsen uit de ANBO-groep het nog veel zwaarder hadden gehad dan ons.
Na het ontbijt voeren we eerst naar het nabij gelegen dorpje om daar wat groenvoer te halen voor onze volgende maaltijden. Vlees hoeft er niet te komen, want dat ’tokt’ al twee dagen in het keukentje (kakelvers). We leggen aan bij de kade waar ook de taxi-brousse-boot ligt en onze kok gaat naar de Super. De taxi-brousse-boot is het lokale alternatief voor de taxi-brousse. Het principe is hetzelfde: de boot moet eerst vol, anders vertrekt deze niet.

Het is nog altijd bewolkt wanneer we om 08:45 uur weer richting Belo gaan, maar we hopen natuurlijk dat dit beter gaat worden. Het uitzicht onderweg is een beetje hetzelfde als gisteren, al zijn de piroques vandaag goed vertegenwoordigd.

Tegen 11:00 uur stopten we op onze lunch-plek, maar we gingen eerst een bezoekje brengen aan een groot gezin dat hier woont. We mogen wat rondkijken en schieten wat plaatjes. Vooral het dochtertje met de rastas blijkt erg fotogeniek.
Tijdens dit bezoekje worden we opeens gestoord door de eerste druppels van wat uiteindelijk een behoorlijke hoosbui blijkt te zijn. We zijn net op tijd terug aan boord.
De lunch is wederom voortreffelijk, maar de boot blijkt zo langzamerhand toch niet echt waterdicht te zijn aan de bovenkant; aan alle kanten druppelt het water naar binnen.

We varen verder en eindelijk zien we de eerste baobab’s. Het zijn de voor Madagascar zo kenmerkende bomen, die statig boven de rest van de vegetatie uitsteken. De baobab doet het hier goed, want we zien ze steeds vakaer en ook steeds vaker in grote groepen; wat een fantastisch gezicht.
Rond 13:30 uur moet de boot weer naar de kant om te schuilen voor een hoosbui. De buien duren niet heel lang maar zijn enorm dicht; je ziet het gordijn van water zo over de rivier op je afkomen.

Op de boot wordt het laatste droge stukje steeds kleiner, maar niet veel later zijn we bij onze overnachtingsplek. Hoewel we eigenlijk weer op een zandbank zouden kamperen, wordt er vanwege de regen die ook vannacht nog verwacht wordt, uitgeweken naar het plaatselijke schoolgebouwtje. Daar zullen alleen de binnententjes worden opgesteld. Bij aankomst in het schoolgebouwtje, blijkt dit gebouw echter niet helemaal waterdicht te zijn, maar beter dan in de open lucht.
Om het allemaal nog erger te maken vertelt Nicolas, de gids van Espace Mada, dat onze tocht naar Tsingy waarschijnlijk moet worden afgeblazen. Vanwege het weer zou zowel de weg ernaar toe als de trails in het park onbegaanbaar zijn geworden. Dit wordt morgen verder uitgezocht.

‘s-Avonds wordt ook het diner opgediend in het schooltje, maar door het ontbreken van stoelen wordt het staande eten. Het mag de pret niet drukken, want het smaakt wederom heerlijk. Ook vanavond worden we weer verwend met een glaasje rum; dit keer is het alcohol percentage nog wat hoger en het brandt naar binnen.

Later die avond wordt er een stevig kampvuur gestookt waar het hele dorp voor uitloopt. We worden vermaakt met zang en dans en vooral de dril-bil competitie is een sensatie.
De locals lijken dit overigens niet alleen vanwege onze aanwezigheid te doen, want wanneer wij al naar bed zijn gaan zij nog een tijdje door en het was nog lang onrustig langs de rivier.

Vrijdag 2 november

We hebben deze nacht veel beter geslapen dan gisteren en dat kwam niet alleen door het comfort van het schoolgebouwtje, maar dat het een behoorlijk aantal graadjes koeler was dan gisteren was nog veel belangrijker. We zijn natuurlijk wel weer vroeg op, maar dat is zo langzamerhand standaard geworden. Wanneer we het schoolgebouwtje uitlopen zien we ook weer wat plukjes blauwe lucht. Misschien dat ………..

We ontbijten op de boot en worden daarbij gadegeslagen door heel veel kinderen uit het dorp. Na het ontbijt deelt opa John snoepjes uit aan de kinderen en dat geeft een mooi spektakel. De slimsten hebben al snel een paar snoepjes te pakken terwijl de kleintjes het erg moeilijk hebben. John heeft dat in de gaten en zorgt dat de kleintjes ook voldoende strooigoed krijgen. Om 08:00 uur gaan we weer varen en worden daarbij uitgezwaaid door alle kinderen.

Alles ziet er mooier uit als de zon schijnt; deze wijsheid (waar ook een liedje van is) is niet uit de lucht gegrepen zien wij vandaag. Het zonnetje maakt het leven op een aan de rivier extra mooi: de enorme mango-bomen die ook hier in grote getalen aanwezig zijn, de vogels die af en toe met de boot meevliegen, de piroque-jes die de oversteek wagen, de mensen die zich baden in het zonnetje, maar vooral de majestueuze baobab bomen komen goed uit in het zonlicht.
Wanneer Nicolas, de gids aan boord, weer bereik heeft belt hij met Tsingy en al snel komt hij met het goede nieuws dat we er heen kunnen,

We slingeren het laatste stukje van de rivier af naar Belo en net voordat we afmeren krijgen we de lunch opgediend. het is apas 10:30 uur, maar we hebben nog een lange rit voor de boeg.
De lunch is een beetje een Flappie-ervaring, want het kippetje dat twee dagen stond te kakelen in het kleine keukentje lag nu op onze borden. Een overlijdensbericht was niet meer nodig.

Om 11:00 uur staan we op de kade en nemen we afscheid van de bemanning; het waren twee fantastische dagen!
De 4×4 van John en Trish staat al te wachten en ze stappen gelijk in. Hen zullen we later weer terug zien want ze zitten in hetzelfde hotel in Bekopaka. Francoise en Dominique blijven op de boot, want zij zullen aan de andere kant van de rivier worden afgezet omdat zij direct naar Morondava gaan.
Niri, onze chauffeur, zat nog in Belo te lunchen. De chauffeur van John en Trish heeft hem inmiddels al gebeld en hij is onderweg.  Hij komt luttele minuten later de bocht om stuiven en wij stappen gelijk in.

De weg naar Bekopaka zal wel behoorlijk geleden hebben onder de hoeveelheid regen van de afgelopen dagen, maar we gaan het beleven. De eerste kilometers gaan voortvarend en we scheuren over een roestbruin zandpad met ook hier nog af een toen een mooie baobab. Zo af en toe spetteren we door een enorme poel heen, maar het mag de pret niet drukken,
Na een uurtje rijden komen we de eerste auto’s tegen die de rit in omgekeerde richting afleggen. vanuit een auto van de tegenliggers klinkt “beaucoup de chance” en we zien dat hun auto al helemaal onder de rode modder zit. Er staat ons waarschijnlijk nog wel wat te wachten.
We stoppen onderweg een keer om de benen te strekken en daar zien we JJohn en Trish opeens voorbij scheuren. Ze vertellen ons later dat ze gestopt hebben omdat ze een kameleon hadden gespot.
Om 15:00 uur zegt Niri dat het nog 15 kilometer is naar Bekopaka en dat valt ons mee. Tot nu toe zijn we wel een paar diepe plassen door gescheurd en over wegen als wasbordjes gerammeld, maar nog niet het idee gehad dat we vast zouden komen te staan.

Het venijn zat dus duidelijk in de staart. Op ongeveer 10 kilometer voor Bekopaka verandert de kleur en samenstelling van de grond en rijden we in een soort van grijs modderbad. Dit zou best wel eens goed kunnen zijn voor de huid, maar rijden is hier zo’n beetje onmogelijk. We glibberen en glijden van de ene plas naar de andere en Niri moet zijn uiterste best doen om de de auto in een spoor te krijgen.
Hij moet af en toe zelfs de auto uit om te peilen hoe diep de plassen zijn. Onderweg moet we nog om een vastgelopen bus manouvreren, waarvan de chauffeur bezig is om sneeuwkettingen aan te brengen.
De laatste kilometers is er van autorijden geen sprake meer, maar dit moet een fantastische uitdaging zijn voor de die-hard 4×4 rijder.

Dankzij de goede, beheerste manier van rijden van Niri staan we tegen vieren bij het laatste obstakel: een riviertje waar we met een pontje overheen gaan. Het pontje doet wat spaartaans aan, maar de overtocht verloopt probleemloos.
Om 16:15 uur zijn we op onze kamer en ook hier ziet het er allemaal erg leuk uit. We hebben hier zelfs een zwembad en kunnen na de afgelopen drie dagen de verleiding niet weerstaan; heerlijk!

Zaterdag 3 november

Vandaag stond het (klim)avontuur in de Grande Tsingy op het programma. Vanwege de hitte stonden we al om 07:15 uur bij onze auto. Eerst naar Bekopaka om onze gids op te pikken en daarna nog naar de buurtsuper voor een trosje bananen en een paar flessen water.
Het is maar 17 kilometer naar de begin van de trail, maar we deden er toch een uur over; de weg is hier nl. net zo slecht als gisteren het laatste uur. Glibberend en glijdend zoekt Niri z’n weg. Dit moet het moeilijkst bereikbare nationale park op de wereld zijn.

Als we er eindelijk zijn, stappen we in onze klimgordel met musketons en gingen we op weg. Eerst een half uurtje door bosachtig gebied. Hier wist onze gids een Roodstaart lemur te vinden. Dit nachtbeestke hadden we ook al in Ranomafana gevonden, maar toen zat het veel hoger, bovendien had dit beestje de slaap blijkbaar niet kunnen vatten want het keek ons met grote ronde ogen aan.

Even verderop begon dan onze beklimming van Tsingy. We kregen nog wat instructies van de gids en gingen toen op weg. Eén van de instructies is dat je niet mag wijzen met gestrekt vinger. Dat is wat ze hier noemen fadi (taboe) en kan ongeluk brengen, dus die instructie moeten we maar goed onthouden.

We gaan eerst geleidelijk omhoog, tot we bij een grote grot komen. Hier moeten we onze hoofdlichten op want het is er pikdonker. De grot is 70 meter lang en we slingeren tussen de stalagtieten en stalagmieten door naar de uitgang. Hier moeten we direct in de klimgeit houding wat het gaat over smalle richels en kleine stapsteentjes omhoog. Bij de gevaarlijke afgronden zekeren we ons met de musketons aan een stalen kabel die is vastgezet in de wand. Ons eerste doel is een uitzichtpunt waar je het de Tsingy van bovenaf kunt bewonderen.
Het ontstaan van de naaldvormige karstformaties begint 200 miljoen jaar geleden wanneer het plateau van Bemaraha nog volledig is bedekt door de zee. Dan begint een gigantische tectonische plaat naar boven te komen. De kalksteen droogt uit wanneer het boven water komt te liggen en zo ontstaan de canyons en de breuken. Vijf miljoen jaar geleden komt de regen als volgende erosievom het plaatje afmaken. De iets zure regensijpelt langs de rotsen, vreet de kalksteen aan en creert de scherpe grijze bergpieken die in het Malagassisch Tsingy worden genoemd.

Wanneer we boven bij het eerste uitzichtpunt komen hebben we een echt ooooooohhh-momentje. Wat een een fantastisch natuurspektakel is dit. Je moet er wel wat voor over hebben om hier te komen, maar het is meer dan de moeite waard. Het ergste is misschien dat we steeds vergeten dat we niet met gestrekte vinger mogen wijzen. Als dat maar goed gaat vandaag.
Het is bovendien een mooie plek om een foto van een vakantiestelletje te maken. Onze gids neemt de camera ter hand en zie hier het resultaat.

Tussen de toppen van de toppen van Tsingy gingen we op weg naar een tweede uitzichtpunt. Om elke hoekje was er eigenlijk wel weer een foto-moment en de camera stond bijna niet stil. Elke keer dacht je weer dat je de ideale ansichtkaart-positie had gevonden. We zouden bijna vergeten dat we elke stap voorzichtig moeten zetten en ons vooral moeten zekeren waar een staalkabel hangt. Dan spot onze gids nog een groepje witte sifakas tussen de boomtoppen net buiten de tsingy, helaas zie je ze hier op de tsingy alleen maar in de regentijd.

Een half uurtje nadat we bij het eerste uitzichtpunt waren, stuiten we op een hangbrug van 20 meter lengte over een 70 meter diepe kloof. We mogen maar met één persoon tegelijk over de wiebelbrug en ook hier weer zekeren met de musketons. Direct na deze brug gaan we nog een stukje omhoog en dan zijn we bij het tweede uitzichtpunt en ook hier vergapen we ons aan de wonder der natuur. Het is maar goed dat we de reserve batterijen mee hebben genomen.

Na al deze indrukken van bovenaf, gingen we vervolgens tussen de kloven door naar beneden. Langs steile, smalle trappetjes en over wiebelige stenen en langs afgronden daalden we, met het zweet in de bilnaad, zo’n 100 meter af. We waren echter nog steeds niet uit dit natuurlijke doolhof. Er wachten nog een tweetal kruip-door-sluip-door grotten op onze weg die we slechts op de knieen doorheen konden.

Toen we de grotten door waren, kwamen we op een koele schaduwplek die ze hier het restaurant noemen omdat het een ideale plek is om je lunchpakket te nuttigen. Onze gids wijst ons op een Mangoest, een kleine carnivoor die inmiddels waarschijnlijk weet dat er kip in de lunchpakketjes van de hotels zit en hier makkelijk aan z’n dagelijkse portie vlees kan komen. Helaas hebben wij zelf inkopen gedaan voor de lunch en daar zit geen vlees bij. Dat heeft het beestje al snel in de gaten en gaat dan op zoek naar beter bruikbare toeristen.

Na de lunch nog een laatste klim, gezekerd langs staalkabels en via steile trappetjes en toen hadden we het moeilijkste deel gehad. Bezweet van ale inspanning lopen we langs een relatief eenvoudig stuk naar het bos terug en niet veel later arriveren we weer bij onze chauffer. Natuurlijk vertelden we hem dat het allemaal heel eenvoudig was en dat we nog wel een rondje konden doen, maar hem niet langer wilden laten wachten.

We drinken nog een fles water leeg en zetten ons dan weer schrap voor de rit terug over de moeilijk begaanbare weg naar Bekopaka.
Een uurtje later laten we ons afzetten in Bekopaka omdat daar de nodige hotely’s zijn en we hopen daar een hapje eten te scoren. We gaan zo’n 11 hotely’s in, maar blijkbaar is de groente op de bon want we kunnen alleen maar witte rijst met kip of eend krijgen en daar hebben we nu geen trek in. Na nog wel een literfles cola leeg te hebben gemaakt, lopen we terug naar het hotel. Hier nemen we heelijke gemengde salade.
In onze kamer wassen we onze broeken uit, want deze hebben nogal te lijden gehad onder de tocht van vandaag. Daarna tijdschriftjes mee naar het zwembad en relaxen!

Zondag 4 november

Om 05:30 uur ging de wekker al. We hadden een lange rit voor de boeg met als eindbestemming Morondava, maar vooral de ‘Allee de Baobab’.

Nadat we snel een ontbijtje naar binnen hebben gewerkt gaan we om 06:15 uur al op weg naar het eerste obstakel: de Manambolo rivier. Net als op de heenreis moesten we hier met een pontje de rivier oversteken. We arriveerden als eersten bij het pontje, maar helaas konden we niet gelijk overvaren. Eerst moets er een grote aanhanger met bevoorrading de rivier over. Die oversteek ging voorspoedig, maar toen het pontje had aangelegd, bedacht men pas dat de ploeg nog achter de tractor vandaan moest. Dat koste natuurlijk veel tijd, maar uiteindelijk is het allemaal gelukt en konden wij rond 07:00 uur de oversteek maken.

Toen begon eigenlijk pas weer het zwaarste gedeelte van de reis, want we moesten over dezelfde slechte weg als we heengekomen waren ook weer terug naar Belo. We namen gelijk de leiding in deze rally-wedstrijd en hebben die niet meer uit hand gegeven. Met veel gevoel stuurde Niri onze Nissan over de paden, die diep uitgesleten waren door al het water van de afgelopen dagen. Wereldkampioen Sebastien Loeb zou het niet beter doen (misschien wel sneller).
Omdat de afgelopen twee dagen de zon goed z’n best had gedaan, waren de paden wel iets beter dan op de heenreis en arriveerden we ook sneller dan verwacht in Belo.

In Belo wilde Niri ons bij zo’n typisch toeristenrestaurant afzetten, maar we hebben hem nogmaals verteld dat wij niet zo graag tussen de andere toeristen verblijven. Hij zal er niets van begrijpen, maar heeft ons daarna wel naar een griebus-tent gebracht waar we helemaal alleen met een paar locals een lekker bordje rijst met wat groenten hebben weggewerkt. Natuurlijk hebben we Niri ook getrakteerd, maar dat is nogal makkelijk met de prijzen hier.

Na de lunch gingen we op weg naar onze volgende oversteek; dit keer over de Tsiribihina rivier. Het pontje lag bijna op dezelfde plaats als we twee dagen geleden waren aangemeerd met onze lekkende sloep. Auto op het pontje en nu maar wachten tot er nog een auto zou komen, want voor één auto gaan ze niet op pad.

Gelukkig duurde het wachten niet lang en en we steken van wal. Er gaat ook een handjevol locals met ons mee  naar de overkant. Er staan ook dit keer weer vrouwen bij die een soort klei op hun gezicht hebben. Je ziet dat best veel. Er zijn twee varianten, een witte als een soort zonnebrandmiddel en een gele als een soort schoonheidsmasker. De resultaten ervan zijn overigens niet wetenschappelijk bewezen.

Deze oversteek zou zo’n uurtje duren, omdat we eerst een stukje stroomopwaarts moesten varen en net binnen het uur arriveerden we bij de aanlegsteiger; hier kan de NS nog wat van leren.We konden dus  weer op pad. Het ging bijna nog mis omdat een kluns het pontje niet goed had vastgemaakt, waardoor onze auto bijna het water in verdween.

Vanaf hier zou het nog zo’n drie uur rijden zijn naar Morondava, dus we gingen er maar weer goed voor zitten. Met het oversteken van de Tsiribihina rivier was het net of we weer in de bewoonde wereld terug keerden en een woeste uithoek van Madagscar achter ons lieten. Dit gevoel werd niet veroorzaakt door betere wegen, want ook hier was het een zandpad met soms moeilijk doorwaadbare waterpartijen.
De omgeving veranderde wel. Het rode zand werd steeds lichter en de baobabs steeds talrijker, maar vooral groter.
Onderweg trapte Niri een keer stevig op de rem omdat hij sifaka’s had gespot. We liepen iets terug en daar sprong inderdaad een drietal sifaka’s door de toppen van de bomen. Camera,s in de aanslag, maar dit keer waren ze ons te snel af.

We stopten onderweg nog een paar keer voor wat bijzondere baobabs. Zo fotografeerden we de oudste baobab (450 jaar) en de verliefde baobabs (twee ineen gestrengelde baobas) en ook zien we nu het verschil tussen de drie belangrijkste soorten baobabs.

De ultieme fotoshoot voor vandaag moest echter plaatsvinden op de ‘Allee de Baobabs’. Dit zandpad met een 15-tal baobabs erlangs is waarschijnlijk de meest gefotografeerde plek in Madagascar.
We moeten toegeven; het is een fantastisch plaatje, vooral wanneer er dan ook nog een zebu-kar over het zandpad rijdt.
Het grappigste is misschien wel om al die toeristen in een rijtje naast elkaar te zien staan om de ideale foto te maken, wat een kuddedieren!

Een fotootje of 40 verder besluiten we maar richting ons hotel in Morondava te gaan, want het is inmiddels 18:00 uur en we hebben best trek. Onderweg stoppen we nog voor een paar echte zonsondergang foto’s (met baobab natuurlijk) maar ongeveer 12 uur na onze dagstart geeft Niri weer eens echt gas op het asfalt.
Ons hotel is voortreffelijk en het eten nog beter, maar dat hadden we ook wel verdiend vandaag.
Niri gaat een nachtje naar zijn gezin, want hij woont in Morondava.

Maandag 5 november

We hadden vandaag om 07:30 uur met Niri afgesproken en hij was al weer ruimschoots voor die tijd aanwezig. Vandaag was een reisdag; geen uitstapjes onderweg, maar alleen van MorondavA naar AntsiraBe.
Morondava is de meest westelijke bestemming van onze reis en ons hotel ligt aan het strand, dus voordat we vertrokken hebben we nog wel even de zeelucht opgesnoven.

In tegenstelling tot de voorgaande dagen reden we vandaag over een strak geasfalteerde weg. Deze N35 is pas vorig jaar voltooid, dus bijna geen gaten in de weg. Niri kon het gas er lekker ophouden. Het enige oponthoud dat we hadden werd veroorzaakt door onze fotostops.
Het landschap veranderde alweer snel. De baobabs verdwenen al snel uit het zicht en er kwam savanne-landschap voor terug. In de vele kleine dorpjes die we passeerden, was het een enorme drukte vanwege de markten die over het algemeen op maandag zijn.

Na vier uur karren waren we in Miandrivazo, waar we lunchten in een klein hotel. Het was er gezellig druk. We bestelden taramuso, dit is rijst met witte bonen in een soort tomatensaus. Daar wordt een sambal-achtig goedje bij geserveerd en smaakt heerlijk.
Ook dit keer hebben we onze chauffeur maar weer uitgenodigd; wie breed heeft……….
De rekening voor drie personen met twee hele liters Coca Cola bedroeg maar liefst 3,5 euro.

De weg van Miandrivazo naar Antsirabe hadden we vorige week dinsdag in omgekeerde richting afgelegd, maar het blijft een heerlijke weg om te rijden. Lange doordraaiende bochten worden afgewisseld met pittige klimmetjes en steile afdalingen. Jammer dat je hier niet zelf mag sturen.

Op 150 kilometer van Antsirabe wordt het landschap een stuk bergachtiger met de meest fantastische vergezichten. Soms lijkt het of een berg is open gebarsten als een stuk overrijp fruit waarbij het rode vruchtvlees zichtbaar wordt, terwijl het iets verder lijkt alsof er een groen vilten kleed over een enorme golfplaat is gedrapeerd.

We genieten volop van alles om ons heen en stoppen alleen nog om een paar foto’s te maken en om even van de weg af te gaan omdat er daar een stuk weg weg is.
Dit rit van vandaag verliep helaas niet helemaal vlekkeloos, want er was onderweg nog wel een dodelijk slachtoffer te betreuren. Toen we door Matombo reden stond er een kippetje op de weg die twijfelde tussen oversteken en terug lopen. Deze twijfel werd het kippetje fataal. Het linkervoorwiel wist het kippetje nog te ontwijken, maar het linkerachterwiel maakte een pastei-vulling van het kippetje. Hopelijk eten ze er daar goed van vanavond.

Om 16:30 uur zijn we terug in ons favoriete hotel Couleur Cafe. We gooien onze spullen op de kamer en nemen een versnapering in de binnentuin.

Madagascar 2

Dinsdag 23 oktober

Vandaag beginnen we aan de tweede week van onze vakantie en konden we lekker uitslapen want de rit naar Ambalavao (of Ambalavalo zoals Diana steeds zegt) duurt maar drie uurtjes. Helaas moest de eigenaar van ons hotel vroeg naar Fianar, dus liet hij zijn medewerker ons om 06:30 uur wekken. Later bleek dat de eigenaar nl. zelf met ons wilde afrekenen. Na een paar schreeuwen van ons was het geklop snel afgelopen en hebben wij ons nog even omgedraaid.
Uiteindelijk zaten we om 08:00 uur aan ons ‘eigen’ tafeltje op het mooie terras met prachtig uitzicht op o.a. de Ravinala (travelerspalm), het nationale symbool van Madagascar. Het ontbijtje smaakt weer heerlijk, maar dat kan ook niet anders op deze plek.

Om 09:00 uur zitten we weer in onze Landcruiser en gaan we op weg naar Ambalavao. We stoppen nogmaals bij de waterval buiten Ranomafana omdat deze in het ochtendlicht er een stuk beter uitziet. We gaan over dezelfde weg als we gekomen zijn naar Fianar en daar stoppen we nogmaals bij het Zomatel om wat te drinken.

De dinsdag is één van de twee grote marktdagen en dat is toch nog wel een verschil met hetgeen we hier een paar dagen geleden hebben gezien; de wegen rondom de vaste markt staan allemaal vol met stalletjes.

We nemen wat te drinken bij het Zomatel en gaan daar naar de bank om nog een keer goed te cashen. De komende week zullen we nl. geen banken meer tegenkomen. Vervolgens besluiten we nog maar eens contact op te nemen met Mora-travel i.v.m. ons gewijzigde programma. Bij de tweede poging krijgen we iemand aan de lijn die Engels spreekt en dan wordt duidelijk dat Andringitra er niet inzit met onze Landcruiser; de wegen ernaar toe zijn te slecht. Natuurlijk hebben wij een alternatief achter de hand. We willen dan op 27 oktober in Fianar slapen zodat we deze stad eens serieus kunnen bezichtigen en een extra nacht in Antsirabe zodat we daar voldoende tijd hebben om de stad te bezichtigen en een bezoek te brengen aan het kratermeer in de buurt. We geven de gewenste hotels door en wachten maar weer af

Met een dik pak geld op zak en een bord friet achter de kiezen gaan we rond 13:30 uur verder richting Ambalavao en het valt ons op dat de lucht in het zuiden er erg donker uitziet. Als dat maar goed gaat.
Onderweg zien we de omgeving langzaam veranderen, de rijstvelden maken plaats voor graslanden en in de verte is het Andringitra massief te zien. Het ziet er onheilspellend uit met de donkere lucht erboven.
15 kilomter voor Ambalavao spatten dan de eerste druppels op de voorruit en kunnen we niet meer ontkomen aan onze eerste vakantiebui. De druppels zwellen in korte tijd aan tot een enorme bui waar de ruitenwissers van onze Landcruiser geen raad mee weten Als vervolgens het water aan de bovenkant van de deur bij Rob naar binnen begint te stromen, lijkt de zondvloed echt begonnen. Niet veel later begint het ook te lekken bij één van de achterdeuren en als klap op de welbekende vuurpijl komen er ook straaltjes bij de voorruit aan de kant van Jean naar binnen. Het is maar goed dat we met deze auto niet in het regenseizoen hoeven te reizen. Inmiddels licht Diana op de achterbank dubbel van het lachen en rollen de tranen over haar gezicht. Het is al-met-al ook best wel komisch, zeker wanneer de bui na een minuut of vijf al weer begint af te nemen om vervolgens even plots te eindigen als die is begonnen. De doeken waarmee we deze watersnood hebben proberen te bestrijden kunnen worden uitgewrongen en we gaan verder alsof er niets gebeurd is.

Vlak voordat we in Ambolavao aankomen stop Jean nog bij een winkeltje en koopt daar een leeg waterflesje en laat deze volgooien met benzine. We durfen niet meer te vragen waar dit voor is, maar hij lijkt op alles voorbereid.
Wanneer we Ambalavao binnenrijden zien we dat daar geen druppel is gevallen. Een typisch geval van een lokale bui.

Nadat we onze spullen op de kamer hebben gegooid gaan we Ambalavao verkennen. Het is een stoffig dorp waar de markt een belangrijke plek inneemt. Helaas is er op dit moment niet veel te doen. Ook de enorme kerk valt op omdat deze veelt te groot lijkt voor dit plaatsje. Inmiddels hebben we wat schroom van ons afgegooid en eten de lekker hapjes die op straat worden bereid en ook voor het avondeten gaan we ‘s-avonds de stad weer in om bij een leuk hotely plaats te nemen. Ondanks dat we ‘s-middags op de markt hebben kunnen aanschouwen hoe men hier met vlees omgaat, durft Rob het toch aan om een paar worstjes te bestellen. Ze smaken heerlijk en hopelijk denken zijn darmen daar morgen ook zo over.

Woensdag 24 oktober

De regenbui die wij gisteren over ons “vergiet op wielen” heen kregen was niets in vergelijking met wat er de afgelopen nacht over ons heen is gekomen. Op een gegeven moment was het lawaai van de regen op het metalen dak zo luid dat we niet meer konden slapen en enige tijd onder onze klamboe hebben zitten wachten of er misschien een oproep zou komen om in de boot te klimmen. Wat een enorme hoeveelheid water kwam er naar beneden.
Toen we vanochtend naar het restaurant liepen voor een ontbijtje was de lucht nog steeds erg grijs, maar het regende gelukkig niet meer.

Vandaag was het marktdag in Ambalavao en wij zijn hier vooral heen gegaan vanwege de zebu-markt. Vele honderden zebu’s worden van heinde en ver hier naartoe gebracht om verhandeld te worden. De markt ligt net iets buiten de stad en we laten ons er door Jean afzetten. Voor de zekerheid nemen we de regenjassen mee.
Eerst is het nog wel wat onwennig en zijn we voorzichtig omdat de hoorns van een zebu indrukwekkende maten aan kunnen nemen. We lopen wat over het marktterrein en gedragen ons na verloop van tijd eigenlijk net als de andere potentiele kopers, want ook wij bekijken en beoordelen de zebu’s. Het enige verschil is dat wij dit doen om te zien of het een leuk plaatje kan opleveren.
De zebu’s staan bij hun eigenaren, verdeeld over het marktterrein en bij elk groepje zebu’s lopen een aantal jongen met stokken te zwaaien om de groepjen zebu’s bij elkaar te houden. Soms gaat dat mis en stuift er een zebu over het marktterrein richting een andere groep en dan springen wij toch wel even achter de hekken.

Wanneer we nog maar net op de markt zijn komen er twee kleine meiden naar ons toe lopen en elke foto die Diana van de Zebu’s nam wilden ze zien. Natuurlijk wilden ze ook zelf op de foto. We dachten de meiden kwijt te kunnen raken door ze een paar potloden te geven, maar ze wilden van geen wijken weten; waar wij gingen liepen zij ook.
Wat het fotograferen betreft is Madagascar een heel ander land dan vele andere vakantielanden van ons. Hier willen ze maar wat graag op de foto. Kinderen, vrouwen en zelfs volwassen kerels vragen aan Diana of ze een foto van hun wil maken en vooral ook even terugzien natuurlijk. Gelukkig kun je digitale foto’s ook weer makkelijk weggooien!

Na de zebu-markt brengen we ook nog even een bezoekje aan de ‘normale’ markt. Deze markt is enorm en vooral de kleding-afdeling valt op door zijn omvang. Verder is er natuurlijk groente en vlees, maar ook een grote non-food sectie waar de led-lampen goed vertegenwoordigd zijn. Dichter bij de hoofdstraat zit er een hele naai-afdeling op straat waar je terecht kunt voor al je verstelwerk.

Het is op deze marktdag enorm druk in Ambalavao (waarschijnlijk te vergelijken met de hoofdstraat op een koopzondag). Later op de middag zie je velen met de spullen die ze op de markt gekocht hebben op weg gaan naar het taxi-brousse station van Ambalavao. We blijven even staan op het taxi-brousse station om ons te verwonderen over de hoeveelheid mensen en spullen die ze in één klein minibusje weten te proppen. Dat staat ons ook nog te wachten!

Het bezoek aan de markten maakt dorstig, dus we gaan naar onze favoriete hotely Poupoune voor een drankje en nemen er gelijk een lekker omelette met een vers stokbroodje bij. Na deze versnapering duiken we even een internetcafe in omdat we de weerssituatie willen bekijken i.v.m. ons bezoek aan Anja Nationaal Park. Volgens de weersite zou het morgen iets beter weer moeten zijn dan vandaag dus we besluiten om morgen naar Anja NP te gaan. Dit moeten we natuurlijk nog wel even aan Jean vertellen, want hij denkt dat we vanmiddag gaan.

s’-Middags hoeven we dus nergens heen en lezen we wat op het ’terrasje’ voor ons huisje. Ook lopen we nog even de stad in om een mailtje naar Mora-travel te sturen en deze blog bij te werken.  Bij Poupoun drinken we nog een biertje en luisteren naar een verhitte discussie van een paar Amerikanen over de presidentsverkiezingen.
In de loop van de middag wordt de lucht steeds helderder, dus we lijken de juiste beslissing genomen te hebben t.a.v. het bezoek aan Anja NP.

‘s-Avonds gaan we voor de laatste keer naar Poupoune om er eten. Omdat we er al voor de vierde keer waren kregen we een colaatje kado. Het eten smaakt wederom voortreffelijk en kost niet veel. Even wat prijzen op een rijtje.
Flesje cola: 50 cent
Flesje bier: 70 cent
Omelette: 1 euro
Portie nasi: 1,50 euro
Zebu brochette: 3 euro
Kopje thee: 50 cent
Zoals je kunt zien vallen de dagelijkse uitgaven wel mee, zelfs goed betaalbaar met onze karige ambtenarensalarissen. Op een ‘normale’ dag geven we met z’n tweeen 25 euro uit en als we een  (verplichte) gids nodig hebben in een Nationaal Park zijn we tussen de 10 en 25 euro extra kwijt.

Donderdag 25 oktober

Ook vannacht had het weer stevig geregend, al was het niet zo’n kabaal als gisteren, maar ook nu was het weer droog toen wij gingen ontbijten. Na een croissantje, stokbroodje en een een sloot thee, pakken we onze spullen in en laden we alles weer in de auto. Op weg naar Ranohira, maar met een tussenstop in Anja Nationaal Park. Jean had inmiddels weer een gids geregeld.

Het park ligt maar 15 kilometer buiten Ambalavao, dus we stonden al snel aan het begin van de betrekkelijk korte trail. Samen met onze gids en zijn hulpje gingen we op pad. Al snel hadden we het eerste wild gespot; een groep Ring Tail Lemurs hing een beetje rond in de bomen en maakte helemaal geen aanstalte om te vluchten toen wij kwamen aangelopen.
Alle gelegenheid dus om een paar kiekjes voor het famliealbum te maken; eentje hoog in de boom, eentje op de grond, eentje aan de boomstam en eentje posserde zelfs potsierlijk tussen een paar boomstammetjes. Onze dag kon al niet meer kapot.

We liepen verder en zagen niet veellater een mooie groene kameleon; die konden we ook weer afvinken.
Even verderop weer wat ringstaart lemuren, maar toen was het even gedaan met de beesten. Onze gids nam ons mee langs een route met mooie uitzichten. Daar moest je wel wat voor doen: stijle granietrotsen beklimmen, wankele stenen trappetjes op, gebukt door grotten heen en zelfs een klein stukje abseilen langs een touw met dikke knopen.
De route leidde ons niet alleen naar mooie uitzichtpunten, maar we kwamen ook heel dicht bij een tweetal rots-graven die al vele generaties door de mensen uit deze omgeving worden gebruikt en zelfs nog steeds in gebruik zijn.

Aan het eind van onze tocht werden we toch nog verrast met een grote groep ringstaartlemuren die we heel dicht konden naderen. Deze groep bestond niet alleen uit volwassen dieren, maar er zal zelf jonkies bij in alle leeftijden. We wilden hier nog wel een tijdje blijven hangen, maar we wisten ook dat we nog een hele rit voor de boeg hadden, dus hebben we ons maar los gerukt van dit schattige gezelschap en zijn we naar de wagen gelopen. Na ruim twee uur stonden weer op de parkeerplaats, klaar voor het volgende deel van de rit.

Toen we afscheid namen van onze gids, zei hij nog dat vanaf hier het zuiden zou beginnen Hiermee bedoelde hij dat weer en landschap zouden gaan veranderen. Het weer zagen we nog niet zo hard veranderen, maar het landschap werd echt anders. Soms had je het gevoel dat je in Arizona of Utah reed en dat je zo een bordje met Grand Canyon tegen kom komen. De vlaktes worden uitgestrekter, af en toe onderbroken door een enorme granieten heuvel of heuvels. De rijstvelden waren verdwenen en hadden plaatsgemaakt voor een soort steppe-landschap.

Na een tweetal uurtjes rijden stopten we in Ihosy voor de lunch en op dat moment begon ook de lucht weer open te breken en kwamen grote blauwe vlakken tevoorschijn. De rest van de rit zette dit door en tegen de tijd dat we in Ranohira aankwamen was het alweer pittig warm.

Bij ons hotel spraken we een gids van het Isalo Nationaal Park en hij heeft ons uitgelegd welke mogelijkheden wij morgen hebben. We maken een afspraak wat we willen zien en spreken morgen om 07:30 uur met hem af.

We hebben nauwelijks de tijd voor een versnapering, want om 16:00 uur gaan we al weer op pad naar een plek die fenetre d’Isalo heet en waar je een mooie zonsondergang kunt meemaken. Voordat we daar zijn bezoeken we nog een mini-museum waar e.e.a. wordt uitgelegd over het ontstaan van dit gebied.
Om 17:00 uur zijn we bij het fenetre en wachten we tot de zon ondergaat. Een perfecte zonsondergang gaan wij niet meemaken, want er ligt een te dik pak wolken op de horizon. Het is hier wel mooi en het geeft ons alvast een voorproefje van wat we morgen hopelijk ook zien. Na een paar foto’s te hebben gemaakt van de bijna-zonsondergang gaan we weer terug naar Ranohira.

Vrijdag 26 oktober

06:30 uur en daar ging de wekker weer. We gaan vandaag een trek maken in Nationaal Park Isalo en dat betekent dat we weer vroeg aan de bak moeten. Omdat er in dit hotel alleen maar electriciteit is tussen 16:00 uur en 20:00 uur konden we ons haar niet fohnen deze ochtend.
Even snel een ontbijtje naar binnen duwen en om 07:30 staan we met onze gids al in het administratiekantoor van het park om de formaliteiten te regelen (lees: betalen).

Jean brengt ons met de auto naar het startpunt van de trek en daar gaan we dan. Het begint gelijk met een stevige klim en aangezien wij allebei van het rustig inlopen zijn, valt dat niet mee. Bovendien is het vandaag weer een bijzonder mooie dag, dus dat kan nog wat worden.
We krijgen gelijk al weer de nodige uitleg over een aantal endemische planten, een paar vogels en een stel parende wandelende takken (of is het: wandelende parende tak?).

Vervolgens klimmen we naar een uitkijkpunt vanwaar we een prachtig uitzicht hebben op de rotsformaties in dit fantastische park. Als je wat door de wimpers kijkt lijkt het wel wat op de Grand Canyon. Hierna vervolgen we onze tocht naar het Piscinne Naturelle waarbij we onderweg nog een kameleon tegen komen.
Het natuurlijke zwembad is een idyllisch plaatsje in deze verzengende hitte. Wij gaan hier nog niet uit de kleren, maar wachten tot de poeltjes die we later op de dag nog tegen komen.

Na even genoten te hebben van deze mooie plek gaan we verder. We lopen de weidse vlakte in die zich tussen een tweetal kleine bergketens bevindt. We kunnen niet genoeg krijgen van de vergezichten en we staan continue stil om om ons heen te kijken; we komen ogen te kort. Daarna klauteren we één van de bergen op om vanaf een uitzichtpunt de omgeving te kunnen bewonderen. Hierna klauteren we weer naar beneden en gaan een canyon in die fris groen is en waar mooie palmen langs een klein stroompje staan. We volgen het stroompje tot bij een campsite waar we genieten van ons meegebrachte lunchpakket: stokbroodje met la vache qui rit.

Na deze uitgebreide lunch is onze volgende stop bij de piscine blue en de piscine noir. Omdat er al een tweetal toeristen bij het blauwe zwembad liggen, gaan wij naar de zwarte. Wanneer Rob zijn grote teen in het water houdt heeft hij het al in de gaten; dit is eigenlijk onverantwoord zwemwater, zo koud! Hier zou je Marga nog niet insturen.
Omdat je hier toch wel een leuk plaatje kon schieten voor het vakantiealbum gaat hij uiteindelijk, met gevaar voor eigen leven, het water in. Het hart slaat een paar slagen over en adem halen lukt even niet meer. Wanneer ook de meeste spieren beginnen te verkrampen is het tijd voor Diana om het water in te gaan. Nadat zij dezelfde ervaring heeft ondergaan, kleden we ons weer aan voor de rest van onze wandeling.

We klauteren weer omhoog naar een uitzichtpunt op de ander berg met weer hele andere uitzichten en daarna gaan we als laatste naar de cascade de nymphe, een watervalletje op wederom een prachtige lokatie in de canyon. Hierna weer omhoog klauteren naar de campsite die we eerder hebben aangedaan en vandaar naar de parkeerplaats waar Jean al op ons staat te wachten. We zijn 6 uur onderweg geweest in de prachtige omgeving van Nationaal Park Isalo, maar de hitte heeft het wel zwaar gemaakt.

Net als we willen wegrijden spot onze gids nog een kameleon, dus we springen nog even snel de auto uit om ook deze nog te bewonderen.
Terug in Ranohira nemen we een lekkere halve liter (of eigenlijk 65cl) gerstenvocht, want dat hebben we wel verdiend. Daarna lopen we nog door de ‘hoofdstraat’ van dit plaatsje en tot onze verbazing komen we nog en internetcafe tegen. De verbinding is waardeloos, maar net genoeg om een mail van Mora-travel te lezen. Er wordt hier overal gebruik gemaakt van het AZERTY toetsenbord in plaats van ‘ons’ QWERTY toetsenbord en dat geeft veel zoekwerk bij het typen.
‘s-Avonds eten we bij het hotel waar Diana een spaghetti neemt om de voedingsstoffen weer aan te vullen (en omdat ze het lekker vindt) en besteld Rob een Cicken Curry. Het blijkt echter een Madagassische kip te zijn met veeeeeeeeeeeeel te veel vlieguren. Die kan naar de kat!

Zatersdag 27 oktober

Met Ranohira hadden we het zuidelijkste punt van onze expeditie bereikt en vandaag gingen we via Ambalavao weer terug naar Fianarantsoa.
De matrassen bij ITC waren van een soort schuimrubber dat absoluut geen steun gaf, dus de nacht duurde voor de rug een paar uurtjes te lang.

We vertrokken net voor 08:00 uur wisten dat we zo’n 4 uur nodig zouden hebben naar Ambalavao. We gingen over dezelfde golvende en slingerende weg als we heen waren gekomen, maar het ziet er toch weer anders uit, helemaal omdat dit keer de zon veel meer scheen.  Omdat deze weg ook de aanvoerroute is voor de zebu’s naar de markt van Ambalavao wordt daar zelfs met borden voor gewaarschuwd. Genoeg over dit traject, maar voor meer details over de route kun je altijd nog bij dinsdag 24 oktober kijken.

Tegen twaalven waren we in Ambalavao en daar hebben we bij Poupoune geluncht. Het valt op hoe rustig het nu is, in tegenstelling tot de vorige keer dat we hier waren.
Om 12:30 uur stapten we al weer in voor het laatste uur van onze rit en om 13:45 checkten we in bij het Zomatel.
De oplettende volger zal in de gaten hebben dat we de komende twee dagen afwijken van het originele programma. We zouden vandaag en morgen naar Soatanana gaan, maar vanwege het uitvallen van de trein naar Manakara zijn we daar vorig weekend al geweest. Vandaag slapen we dus in Fianar en morgen een extra nacht (totaal 3) in Antsirabe zodat we daar een dag extra hebben voor de stad en de omgeving.

Nadat we wat gedronken hadden bij het Zomatel hotel zijn we nog even Fianar ingelopen, maar aangezien dit een enorme grote, uitgestrekte stad is hebben we maar een klein stukje gezien. Fianar is net als Tana een opeenvolging van bergen en dalen en aangezien ons hotel in het hoogste deel, Haute Ville genaamd, ligt hebben we nog wel wat kunnen genieten van de uitzichten op de rest van de stad.

De kamer van het Zomatel heeft wel wat Zuid Koreeanse trekjes. Zo is er een goede wifi-verbinding, hangen er overal breedbeeltelevisies en is de douche voorzien van massage-stralen. We zullen ons hier wel een nachtje vermaken!

Zondag 28 oktober

In Nederland heeft de nacht een uurtje langer geduurd en daar hebben wij ons van harte bij aangesloten. Vandaag gaan we nl. pas om 09:00 uur op pad, maar niet nadat we eerst een ontbijtje hebben gehad met de grootste croissants die we ooit gehad hadden (en nog warm ook). Dit hotel is niet erg sfeervol, maar heeft wel de beste faciliteiten tot nu toe.

Aangezien het zondag is zouden we eigenlijk naar de kerk willen, maar omdat we vorige week nog naar de mis waren geweest vonden we dat we dit keer konden overslaan. Veel Madagassiers denken daar anders over want overal lopen mensen op hun paasbest over de weg naar de dichtst bijzijnde kerk; we komen zelfs een processie van wel honderd meter tegen.

De zondag is niet voor iedereen een rustdag, want er zijn veel mensen gewoon aan het werk. Zo is er net buiten Fianar veel bedrijfigheid bij de steenbakkers. De stenen worden hier, als het ware, uit de klei langs de kant van de weg gestoken en nadat ze eerst in de zon zijn gedroogd worden ze vervolgens op een ingenieuze wijze gestapeld tot een soort bunker, soms wel zo groot als de huizen hier. Onderaan deze bunkers van stenen zijn ruimtes gelaten waar een vuurtje wordt gestookt om zo de stenen af te bakken; de warmte verspreid zich door de ‘schoorsteentjes’ die bij het stapelen zijn gemaakt. Wanneer de stenen weer zijn afgekoeld worden ze op alle mogelijke manieren vervoerd: op vrachtwagens, in handkarren en op het hoofd komen de stenen voorbij.

Ook wordt er een beetje gesport op zondag. Zo zien we een peletonnetje wielrenners achter elkaar aan een berg beklimmen en zijn we in het voorbij gaan getuige van een voetbalwedstrijd.
Niet alles is even ontspannend, want we zien ook jochies die de gaten in de weg proberen te repareren door ze vol te gooien met puin en zand. Je zou denken dat de overheid daar een taak zou hebben.
De RN7 valt een beetje tegen nu we in omgekeerd richting rijden. Waarschijnlijk hadden we op de heenweg de slechte stukken in de weg niet eens in de gaten omdat we nog zo vol waren van alles om ons heen.

Hoe dichter we bij Ambositra komen, hoe bergachtiger het weer wordt. Zo’n 30 kilometer voor Ambositra stoppen we bij het gehuchtje Ambofitoranana om even over de zondagmarkt te lopen. het lijkt erop dat alle inwoners van dit dorpje hier rondlopen; wat een drukte. Op zo’n afgelegen markt zijn wij weer eens degenen die bewonderd worden. De hoofdjes blijven maar omdraaien als je langs loopt. De camera van Diana is ook een bezienswaardigheid, het lijkt erop dat ze zoiets nog niet eerder hebben gezien.
Uiteindelijk komen we na bijna 4 uur in Ambositra waar we even gaan lunchen bij hotel l’Artisan.

Als we goed en wel op weg zijn na de lunch worden we weer eens aangehouden bij een politie checkpost. Een indrukwekkend forse agent vraagt ons dit keer zelfs om de tassen te openen. Het lijkt geen goed ide dit te weigeren. Later verteld hij dat er vaker toeristen worden gecontroleerd omdat er een keer een mafkees een beest mee wilde smokkelen.

De rest van de rit naar Antisirabe vallen de zwart geblakerde hellingen weer op; het blijft een rot gezicht. Naarmate we dichter bij Antsirabe komen begint de lucht donkerder te worden en vlak voor we deze stad binnenrijden vallen de eerste druppels op de voorruit.
De aankomst bij hotel Couleur Cafe valt een beetje in het water, maar de kamer maakt veel goed; wat een sfeervol hotel is dit, hier zou je wel een week kunnen zijn!

Antsirabe is de stad van de pousse-pousse, een soort riksja, dus konden we niet anders dan in het gelijknamige restaurant gaan eten. Je zit er achter de tafel in het zitgedeelte van zo’n pousse-pousse. Het restaurant blijkt niet alleen een grappige inrichting te hebben, maar het is ook nog eens voortreffelijk. Na de rit van vandaag ging het erin als Ketellapper.

Maandag 29 oktober

Antsirabe ligt in een bergachtig gebied op ruim 1400 meter en wordt gezien als de koudste plaats van Madagascar. Daar zijn wij het na vannacht wel mee eens, want wij hebben vannacht zelfs onder een dekbed geslapen.
Vandaag hebben we de hele dag in de pousse-pousse city. Antsirabe is echter niet alleen de stad van de pousse-pousse, het is ook de stad van het Three Horses Beer. De brouwerij van dit gerstenat staat nl. in deze staden dan is het ook nog de stad van VizyGazy, maar wie is er nou geinteresseerd in water met belletjes?

Na een fantastisch ontbijt gaan we vanochtend eerst naar een tweetal meren die net buiten de stad liggen. Jean staat al weer op ons te wachten en met een half uurtje staan we aan de rand van het Lac Andraikaba. Dit is het grootste van de twee meren, maar eigenlijk ook de minst interessante. Het stikt hier van de toeristen-stalletjes waar vooral wordt geprobeerd (edel)stenen te verkopen. Wij zijn zo vroeg dat de meeste stalletje nog open moeten gaan en we dus bijna geen last hebben van de verkopers. Hier geldt blijkbaar nog het aloude maandag, wasdag, want langs de kant van het meer zit een groep vrouwen de was te schrobben.

We blijven maar even bij dit meer en gaan al snel door naar Lac Tritiva. Hoewel, echt snel gaat het niet want de 10 km er naar toe gaat over een slechte weg.
Onderweg zien we een Fransman bezig om de afstand naar het meer hardlopend af te leggen, vergezeld door zijn vriendin op een fiets. Het is jammer dat we onze schoenen niet niet bij ons hebben, want dan hadden we hem kunnen vergezellen.
Na ruim een half uur hobbelen komen we bij het turquoise gekleurde vulkaanmeer aan. Wanneer we de auto uitspringen worden we gelijk  omringd door scholieren die ook al proberen gepolijste stenen te verkopen om op die manier hun school te bekostigen.

Wij lopen eerst naar het hoogste uitzichtpunt bij het meer en beginnen dan aan een rondje er omheen. Volgens de legende is een verliefd stel dat niet met elkaar mocht trouwen, in het meer gesprongen en verdronken, maar wanneer wij over het paadje langs het meer lopen zou het best wel eens kunnen zijn dat die twee zijn uitgegleden over de basalt korreltjes die op het paadje liggen, dat overkomt ons nl. ook een paar keer.

We hebben ongeveer een half uurtje nodig om rond het meer te lopen en gaan dan weer met Jean op weg naar Antsirabe. Even verderop komen we de Frans hardloper weer tegen die ditmaal aan het wandelen was, de jankerd!
Terug in Antsirabe laten we ons bij de BNI bank eruit gooien en gaan we eens ervaren hoe erg het met de bureaucratie gesteld is in Madagscar. We hebben nl. ook nog wat cash euro’s bij ons en willen daar wat van omwisselen.
We lopen naar een balie en vragen waar we moeten zijn. We worden doorverwezen naar een loketje verderop waar we ons paspoort mogen inleveren. Ons paspoort komt achteraan een rijtje identiteitsbewijzen met ingevulde papiertjes en we vermoeden dus dat het wel even gaat duren.
Dan zien we plots een andere medewerker ons paspoort uit het rijtje papieren weghalen en zonder iets te zeggen loopt hij ermee naar achteren. Een vijftal minuten later verschijnt die man achter het loket met ons paspoort en een kopie en geeft deze aan zijn collega, waarna wij vervolgens als eerste worden geholpen. Wel een beetje lullig voor al die mensen die al een tijd in de rij staan, maar wij hebben relatief snel ons geld.

Met het pak papiergeld en het paspoort in de hand vluchten we even een cafeetje in en fatsoeneren daar onze administratie. Dit is gelijk een mooi moment om even een drankje en een hapje te nuttigen.
Na deze opkikker gaan we op zoek naar de beste plek voor een pousse-pousse foto,maar daarvoor kun je eigenlijk elke willekeurige plek in Antsirabe kiezen. Er zijn er honderden, zoniet duizenden in deze stad.
Hierna gaan we even terug naar het hotel om wat duiten in veiligheid te brengen en de ansichtkaarten op te halen.

Iets na tweeen staan we bij het postkantoor waar we naar het loket voor de grote afnames gaan. We krijgen twee stapeltje postzegels mee en staan ons, in een hoekje van het postkantoor suf te likken, want stickerzegels kennen ze hier nog niet. Nog even alles geconroleerd en de stapel in de bus gegooid. Volgens een medewerkster zouden de kaarten er zo’n tien dagen over doen, dus houdt de bus in de gaten.

Nadat deze last van onze schouders is, slenteren we nog wat door Antsirabe. We komen langs de kathedraal, bezoeken een marktje en genieten vooral van het leven op straat; het is hier heerlijk vertoeven……….althans, waneer we niet steeds lastig gevallen worden door de pousse-pousse’ers die ons zo graag in hun karretje willen hebben: “madame pousse-pousse?” waarop wij natuurlijk steeds zeggen dat we geen pousse-pousse nodig hebben. “Apres, later?”, waarop wij soms reageerden met “maybe”. Vervolgens hoor je dan “Jean-Claude numero 5” of  “Stefano numero 6” en “remember me” meestal gevolgd door “a tout a l’heure”. Op een gegeven ogenblik heb je het dan wel gehad met ze, maar ook wij ontkomen er niet aan om af en toe plaats te nemen in hét vervoermiddel in Antsirabe.
Wanneer het aan het eind van de middag opeens begint te regenen wanneer wij op straat lopen, zijn we maar wat blij dat er net een pousse-pousse naast ons staat. We duiken erin, de ‘chauffeur’ trekt een dekje over ons heen en brent ons droog naar het hotel, terwijl hijzelf zeiknat wordt. Hij heeft een dikke fooi verdiend.

Om 18:00 uur wordt er op de deur geklopt. Het blijkt Jean te zijn en hij komt melden dat de aflossing er is. De chauffeur van Mad Cam, de organisatie waarmee we komende week op stap gaan, is gearriveerd en hij wil ons even aan hem voorstellen. Voor ons is dit een goed moment om Jean zijn fooi te geven, want wij zullen hem hierna waarschijnlijk niet meer zien. We bedanken hem en wensen hem het beste.
Op de parkeerplaats ontmoeten we onze nieuwe chauffeur. Hij is een stuk groter dan Jean en heeft een bijpassende, grotere Landcruiser. We praten wat over de komende week en spreken af dat we morgen om 09:00 uur vertrekken naar Miandrivazo.

Madagascar 1

Maandag 15 oktober

De herfstvakantie was weer begonnen en dat leverde ons een volle trein op; tot Amerfoort moesten we staan. Op Schiphol aangekomen kwamen we erachter dat de recessie nog lang niet hard genoeg heeft toegeslagen; nog nooit hebben we zo’n lange rij  voor de security-check gezien. Gelukkig waren wij op tijd, dus geen zweetvlekken omdat we onze vlucht zouden missen.Dit was onze eerste keer met Air-France dus we hadden onze review-formulieren al in de aanslag. We vertrokken mooi op tijd en de piloot riep in z’n beste ‘allo-allo’ Engels dat we met 55 minuten in Parijs zouden zijn. Ondanks zo’n speed-flight kregen we toch een drankje met nootjes geserveerd; plusje!

Ook op de Charles de Gaulle airport is alles goed geregeld. Via de rolband naar de shuttle-trein en in een paar minuten stonden we in het Ibis-hotel. Snel ingecheckt en de spullen op de kamer (eigenlijk meer een hok) gegooid. Vanuit de kamer zagen we vliegtuigen opstijgen; dat is weer eens wat anders dan zeezicht.
Daarna gingen we in omgekeerde volgorde terug naar de luchthaven om daar wat te drinken, maar dat viel tegen want er was geen bar of restaurant te vinden. Dan maar weer terug naar het hotel en daar in de bar gaan zitten met een biertje en wat pinda’s.
‘s-Avonds in het restaurant van het hotel gegeten waarna we naar de kamer zijn gegaan. Morgen op tijd ontbijten en dan op naar Madagascar.

Dinsdag 16 oktober

Om 07:30 uur stonden we alweer naast het bed. Even snel douchen en vervolgens naar het ontbijtbuffet. Dat heerlijke Franse ontbijtje ging er wel in.
Tegen negenen sprongen we bepakt en bezakt in de airport-shuttle, op weg naar pier 2F. Onderweg zagen we dat we onze bagage bij check-in balie 10 konden droppen en ook dat ging allemaal erg soepel. Daarna snel richting gate L34, maar daar leek toch een hobbeltje op de weg te komen. Voor de paspoort controle stond een rij die kon concureren met de rij waar we gisteren op Schiphol in stonden. Gelukkig kozen we dit keer de juiste rij (in tegenstelling tot wat we meestal bij AH doen) en dan snel door naar de security-check. Hier geen rijen, maar we moesten ons wel half uitkleden om zonder piep door het poortje te komen. Om 09:45 uur stonden we aan de gate; een kwartiertje voordat ze zouden beginnen met boarden.Toen we onze plekken hadden ingenomen, vertelde de captain dat de vluchttijd 9:25 uur zou bedragen en dat viel ons een uurtje mee. Helaas raakten we dit uurtje al wachtend in het vliegtuig weer kwijt omdat die zelfde captain het nodig vond om 325 passagiers te laten wachten op een paar passagiers die niet op tijd waren opgestaan vanochtend. Laten we ons maar niet druk maken, dat is slecht voor de bloeddruk.De service aan boord was belabberd. Kort na het opstijgen werd er een warme lunch geserveerd en vlak voor het dalen een koude hap, de tussenliggende 7 uur moest je zelf maar je drankjes gaan halen. Het gaat  niet zo goed met Air France, dus ze moeten blijkbaar wat aan de kosten doen. Het was wel heel toepasselijk dat ze Madagascar 3 in het film-assortiment hadden gestopt; dat maakte weer wat goed.

Met dank aan de uitslapers landden we dus een half uurtje later dan verwacht op Ivato airport, waar we vervolgens drie kwartier in de rij konden gaan staan, in afwachting van ons visum. Daarna nog drie kwartier wachten op onze bagage en om tegen middernacht gingen we op zoek naar ons vervoer. In de aankomsthal zagen we uiteindelijk een bordje met de naam van ons hotel: Sakamanga. Samen met de man die dit bordje vast hield zijn we op weg gegaan naar ons hotel in Antananarivo,

Bij het hotel aangekomen haalden we onze bagage uit de kofferbak en liepen naar het hotel, maar de chauffer wilde toch eerst nog even afrekenen. Wij in ons beste Frans vertellen dat dit allemaal al betaald is door onze reisorganisatie, maar daar dacht hij anders over. Een hele discussie verder en een lang verhaal kort gemaakt, kwam het erop neer dat deze grapjas niet door Mora-travel was gestuurd maar dat hij gewoon een bordje met de naam van ons hotel bij zich had………….

We hebben de chauffeur geadviseerd dat hij z’n geld maar bij onze reisagent moest gaan halen en hoewel hij dat niet het gewenste antwoord vond, zijn wij ruim na enen naar ons bed op zoek gegaan in de wetenschap dat we morgenochtend om 06:15 weer zouden worden opgepikt om naar het taxi-brousse station te gaan.

Woensdag 17 oktober

Na een nachrust van amper 4 uur, waarvan het eerste uur nog verpest werd door een overdosis adrenaline, zaten we om 05:45 uur weer fris en fruitig aan het ontbijt. Snel wat naar binnen werken, want om 06:15 uur zou onze chaperonne ons naar het station brengen.

Dat was natuurlijk te mooi om waar te zijn, want toen Diana om 06:45 uur de receptionist maar eens met de reisagent liet bellen bleek dat zij een heel ander programma voor ogen had. Nadat de vebinding opeens werd verbroken, werd even later al weer even plots teruggebld met de melding dat onze chauffeur onderweg was. Dat begrepen we niet helmaal want vandaag hadden we nog geen chauffeur nodig, maar we zouden zometeen wel even om uitleg vragen.

Een uur later dan verwacht kwam onze reisagent vrolijk binnen lopen met de melding dat de auto met chauffeur klaar stond. Hoewel we nog even probeerden uit te leggen dat we vandaag met de taxi-brousse naar Ambositra zouden gaan en pas overmorgen voor het eerst met de auto met chauffeur zouden reizen, gaven we ons al snel over omdat het met de beperkte nachtrust die wij hadden gekregen waarschijnlijk beter in een ruime auto zit dan opgepropt in een taxi-brousse. Dat avontuur gaan we (als het goed is) aan het eind van onze vakantie nog meemaken. Dat was trouwens niet de enige wijziging op ons programma: de lieverd vertelde ook nog doodleuk dat de treinrit van Sahambavy naar Manakara niet door zou gaan omdat de trein ‘mechnical problems’ heeft. Op onze vraag of dat zaterdag niet verholpen zou zijn, kon hij geen zinnig antwoord geven. Het zou wel verdomd jammer zijn!

Om 07:30 uur trapte de chauffeur zijn belegen Landcruiser eindelijk aan en gingen we op weg; nog even volgooien en dan volgas naar Ambositra. Iets verderop werd de reisagent geloosd en moesten we het met chauffer Jean doen, waarvan al vrij snelduidlijk werd dat hij een heel ander Engels sprak dan wij verstonden.

De rit verliep voorspoedig en onderweg waren we best blij dat we op dat moment niet in de taxi-brousse zaten te zweten. De omgeving was schitterend, waarbij vooral de rode grond opvalt (ze noemen Madagascar natuurlijk niet voor niets het ‘Rode Eiland’), maar ook de bergen om ons heen mochten er wezen. Enig minpuntje zijn de vele plekken met verschroeide aarde als gevolg van de houtskool-industrie en de vraag naar meer landbouwgrond.

Na een korte lunch-stop in Antsirabe arriveerden we uiteindelijk om 14:00 uur in Ambositra waar we een 4-persoonskamer betrekken in Hotel L’Artisan.

‘s-Middags verkennen we Ambositra en we stellen vast dat er vrijwel geen blanken te bekennen zijn. We merken vooral aan de grappige reacties van de kinderen dat ze niet veel vazaha’s gewend zijn. We doen vandaag niet zoveel meer en komen wat bij van de razende start van onze vakantie. Morgen gaan we de omgeving maar eens in.

Donderdag 18 oktober

Vandaag hebben we ons slaaptekort van gisteren een beetje ingehaald en om 08:00 uur zaten we te smullen van een authentiek Mallagasisch stokbroodje (?).

Na het ontbijt kwam Jean, onze chauffeur, een beetje zenuwachtig naar ons toe en vroeg of we misschien toch naar Antoetra wilden om dan een wandeling te maken naar de dorpjes in de omgeving. Dat doen alle toeristen en z’n ‘baas’ had hem dat zo ongeveer ook opgedragen. Wij hebben hem gerust gesteld dat hij niet hoefde te vrezen voor z’n baan en dat wij over het algemeen net iets anders proberen te doen dan de andere toeristen.

Na het ontbijt zijn we eerst richting cyber cafe gegaan om de internet verbinding te testen en die was helemaal niet slecht. Snel een paar mailtjes verstuurd en toen op weg naar voor onze eigen ’tour d’Ambositra’. Tegenover de markt gingen we linksaf en al snel nam het aantal mensen om ons heen af. We genoten van de heuvelachtige omgeving en liepen tussen de de rijstvelden door richting het Palais Royale. Onderweg kwamen we langs schooltjes en piepkleine dorpjes die uit slechts enkele huizen bestaan. De kinderen zijn gek op de vazaha’s, dus het is makkelijk om een paar plaatjes te schieten. Uiteindelijk beklimmen we niet de laatste heuvel naar het paleis; ten eerste omdat er eigenlijk helemaal niets van over is maar vooral omdat het voor ons eigenlijk veel te warm is. Het is dertig+ en de laatste keer dat we wat inspanning leverden toen het zo warm was eindigden we in het ziekenhuis.

Na bijna 2 uur wandelen zijn we terug in down-town Ambositra en nemen we een versnapering: die hadden we wel verdiend. We kijken daarbij uit over de omgeving waar we net nog onderdeel van waren; het was een schitterende tocht.
Niet veel later gaan we terug naar ons hotel waar alweer een dans/zang uitvoering wordt gegeven en dat terwijl wij toch altijd hotels zonder entertainment uitzoeken.

‘s-Middag maken we dan toch maar gebruik van onze chauffeur en laten ons naar het plaatsje Sandrandahy brengen. Volgens de boeken is het plaatsje niet echt de moeite, maar de rit er naar toe wel. Met drie kwartier zijn we in dit door god verlaten dorp en de rit heeft ons een beetje teleurgesteld. Natuurlijk waren er een paar mooie vergezichten, maar vooral de vele platgebrandde stukken natuur zijn shockerend. Ze hebben hier blijkbaar niet in de gaten dat ze hun eigen wereld en toekomst aan het vernielen zijn.

Terug in Ambositra gaan we de pinautomaat maar eens proberen en dat gaat boven verwachting makkelijk. Met een dik pak geld gaan we weer terug naar het hotel om de ariary’s op te bergen.

We kunnen dan de verleiding niet langer weerstaan en trekken een zak drop open. Dit blijkt even later niet zo’n verstandige keus te zijn geweest als Diana een kroon in de hand heeft. Gelijk maar even een mailtje naar de tandarts sturen.

We hadden inmiddels ook een mail van Monique van Mora-Travel waarin ook zij aangaf dat de trein die ons naar Manakara moet brengen al een tijdje buiten gebruik is en dat het er toch naar uitziet dat we iets anders moeten bedenken. Wanneer we ‘s-avonds nog even met Jean praten, wordt dit ook nog eens bevestigd door een collega-chauffeur.

Tijdens het eten zoeken we in de Lonely Planet en de Trotter naar alternatieven, maar we worden beperkt door de rest van het programma. Uiteindelijk lukt het ons om een aangepast programma te bedenken en nu maar hopen dat deze wijzigingen nog kunnen worden doorgevoerd. We gaan dit morgenvroeg aan Jean voorleggen.

Vrijdag 19 oktober

Vandaag lieten we Ambositra achter ons en gingen op weg naar Sahambavy. Dus niet naar Fianarantsoa zoals in ons programma staat. Het Lac hotel in Sahambavy was dan wel onze eerste keus, maar dat was toen we nog dachten dat we met de trein naar Manakara zouden gaan; het treinstation ligt nl. tegenover dit hotel. Nu we niet met de trein kunnen hadden we net zo goed (of misschien beter) in Fianarantsoa kunnen slapen, maar goed laten we ons daar maar niet druk om maken (bloeddruk!).

De rit naar Sahambavy is erg mooi. Ten zuiden van Ambositra is de omgeving zo mogelijk zelfs mooier dan de weg die wij naar Ambositra zijn gekomen.
Onderweg maken we een paar fotostops. Bij één daarvan staat een aantal kinderen waarvan we een paar banaantjes kopen. Diana geeft de kinderen ook nog wat potloden; zo komen we daar ook nog eens vanaf.

We moeten vandaag voor het eerst stoppen bij één van de vele politiecontroles. Gelukkig zijn alle papieren in orde en mogen we doorrijden.
Ongeveer 25 km voor Fianarantsoa stoppen we nog even in het plaatsje Ambohimahasoa om een colaatje te scoren. In dit dorp zien we ook de televisieploeg van TF1 weer rijden die ook al bij ons in het hotel in Ambositra zat; er zal tóch wel wat te zien zijn in Madagascar.
We geven de laatste slokken cola aan de kinderen die zich inmiddels om ons heen hebben verzameld en geven hen ook wat potloden. Voor vandaag zijn we los.
Even later worden we staande gehouden door de Gendarmerie; ze moeten ons wel hebben vandaag, maar opnieuw is alles in orde.
Tegen 12:30 uur slaan we op de RN7 links af naar Sahambavy. Het is nu nog maar 15 km, maar wel 15 erg lastige kilometers. Er is niet veel asfalt meer te vinden voor onze chauffeur en we hangen het overgrote deel van de 15 kilometers met onze rechterschouder tegen het raam.

Als we bij het Lac hotel aankomen gooien we eerst onze spullen in ons huisje. Het huisje lijkt overigens verdacht veel op ons huis in Apeldoorn, alleen hebben we de veranda dit keer aan de voorkant. Dan gaan we terug naar de auto en op weg naar de Sahambavy Tea Estate. Deze theeplantage is maar liefst 300 hectare groot en daarbij lijkt de de theeplantage uit Zuid Korea meer op een speeltuintje.

We lopen eerst door de theefabriek. Hier vinden de eerste handelingen met de net geplukte thee plaats. Helaas kunnen ze oms niets laten zien, want de stroomvoorziening heeft het begeven. Dat maakt ons niet zoveel uit, want wij zijn veel meer geinteresseerd in de theeplantage en de mensen die er aan het werk zijn. Omdat er elke dag op een ander deel van de plantage geplukt wordt, moeten we eerst op zoek naar de plukkers. Gelukkig zijn we met de auto, want anders hadden we dat niet gered voor zonsondergang; wat een uitgestrekte hellingen met thee!

Bij de theeplukkers aangekomen stappen we uit de auto en zeggen tegen Jean dat we even wat gaan rondlopen. Al snel is er wat contact met de plukkers, maar communiceren zit er niet in; de taalbarriere is te dik. Wanneer Diana pepermuntjes begint uit uit te delen wordt het al snel een dolle boel. De ‘bonbons’ vinden gretig aftrek. Even later rijden we naar de andere kant van dit deel van de plantage en daar lopen we ook nog een klein stukje de plantage in richting de plukkers. Je voelt je erg nietig wanneer je op zo’n uitgestrekte vlakte met theeplantjes staat.

Wanneer we geen pepermuntjes en waterflesjes meer hebben gaan we terug naar het hotel. Hier laten we Jean even bellen met het kantoor in Tana. We leggen hem uit hoe wij denken dat een aangepast programma eruit zou kunnen zien en hij overlegt dit met hen. Even later zegt hij dat ze om 17:00 uur terug bellen. Wij gaan de rest van de middag maar met een boekje in de tuin aan het meer zitten: het is een straf!

Aan het eind van de middag lopen we toch nog even naar het stationnetje waar we zouden vertrekken naar Manakara. Het gebouwtje ziet er een beetje triest uit met alle ramen gesloten. Een paar kinderen spelen op de rails. Met een soort van zelf gemaakte mini-kruiwagen duwt de ene jongen een ander voort over één van de treinrails. Even later wordt Diana aangesproken door een meisje dat brillenhoesjes probeert te verkopen zodat ze voor school schriften en pennen kan kopen en daar heeft Diana haar natuurlijk bij geholpen.

Tegen vijfen zoeken we een plekje in de buurt van de receptie zodat we in de buurt zijn wanneer de telefoon gaat. Uiteindelijk besluiten we om 17:30 uur maar om zelf te bellen, maar dat is hier wat ingewikkelder dan het lijkt. Jean belt dus met het kantoor en vraagt ze terug te bellen op het telefoonnummer van het Lac hotel. Dat duurt 10 minuten, maar als Jean dan weer iemand aan de lijn heeft wordt het gesprek al snel weer afgebroken. Vervolgens ging Jean op zoek naar mobiel dat een abonnement heeft bij Orange, want hij heeft een abonnement bij Telmar en blijkbaar kunnen geen telefoongesprekken tussen de twee providers plaatsvinden. Uiteindelijk kan Jean de telefoon van de kok lenen en belt daarop met het kantoor in Tana. Na een minuten lang durend gesprek is de uitkomst datr we morgen naar Soatanana gaan maar dat er nog niets is uitgezocht voor het verblijf in Andringitra Natioal Parc. De rest horen we morgen in Soatanana waar Jean weer bereik heeft met Telmar.

Voor de meeschrijvers die de draad inmiddels wel kwijt zijn: we gaan morgen naar Soatanana in plaats van Manakara. Van daar gaan we naar Ranomafana en vervolgens pakken we ons schema weer op. Wat we volgend weekend zullen doen zal waarschijnlijk morgen duidelijk worden.

Ook het eten in dit hotel is van goede kwaliteit. Na de keuken van Ethiopie maakten we ons een beetje zorgen om het eten in Madagascar, maar dat is geheel ten onrechte geweest. Diana kiest vanavond bijvoorbeeld voor een menu d’enfant dat bestaat uit  een doorgebakken tartaartje, een paar patatjes en wat groenten. Als toetje krijgt ze crepes!

Zaterdag 20 oktober

Na het ontbijt te hebben genoten in het restaurant van het Lac hotel, pakten we onze zakken en liepen naar de Landcruiser. Jean was de bak nog aan het wassen, dus het werd iets later maar wel in een blinkende auto.
Om 08:15 uur gaan we dan richting Fianar. Ook hier zien we onderweg weer de provisorisch gemaakte karretjes met piepkleine wieltjes waar een enorme lading hande op wordt gegooid. Bergop moeten ze wel met 4 man duwen, maar bergraf springen ze allemaal op de kar en gaan met een noodvaart naar beneden terwijl met een stukje hout wordt geprobeerd de voorwieltjes te sturen: levensgevaarlijk!

Na een klein uurtje parkeerde Jean de auto achter het Soratel hotel. We hadden gelezen dat daar gratis wifi beschikbaar was. Helaes pindakaas (verkrijgbaar bij de Aldi) dat ging dus niet door. Wij de straat op, op zoek naar een cybercafe. Een paar straten verderop vonden we die, maar dat was geen succes;de verbinding was zo traag als…….

Dan nog maar even een bezoekje brengen aan de markt van Fianar. Helaas waren we hier gisteren niet, want dat is dé marktdag, maar ook vandaag zou er nog wel wat moeten zijn. We parkeerden de auto bij het Zomatel hotel (de oplettende volger zal gelijk zien dat dit het hotel is waar we eigenlijk vannacht zouden slapen) en gingen de naast gelegen markt.
Ondanks dat het niet de echte markt-dag is, vermaken we ons prima. Als je niet beter zou weten zou je denken dat dit een volledige markt is.

We lopen om de stalletjes heen en duiken ook nog de overdekte markt in. Het vlees en de vis ligt weer open en bloot om de klant aan te trekken, maar wij krijgen er geen honger van. Voor de rest zijn er allerlei groenten, kleding aardappels, rijst, aluminium keukengerei en nog veel meer. Uiteindelijk kopen we niet meer dan één limoen, maar dat is meer omdat we het meisje dat ze verkocht graag wilden fotograferen.

We lopen nog wat rond, delen hier en daar wat plaatjes uit aan kinderen (hoewel de volwassenen ze ook wel willen hebben) en gaan vervolgens naar het Zomatel om nog wat te drinken voordat we op weg gaan naar Soatanana. Wanneer we daar zitten komen we tot de ontdekking dat ze daar flitsend snel wifi beschikbaar hebben. Eerst dus maar even wat foto’s op de blog geplaatst.
Net na twaalven vertrekken we dan richting Soatanana. We kopen in Fianar nog even een paar stokbroodjes en verlaten de stad dan aan de westzijde.

De weg naar Soatanana is beroerd, maar de omgeving maakt veel goed. We stoppen een paar keer om plaatjes te schieten en na ruim 2 uur zien we het Village Blanc in de verte liggen.
Jean rijdt het dorpje van 500 inwoners binnen, maar nu nog even op zoek naar onze slaapplaats. Onderweg spreken we toevallig Mme. Veronique aan en zij blijkt van onze komst op de hoogte te zijn. Ze stapt in de auto en wijst ons de weg naar het huis van de president van het dorp. Ja, je leest het goed de president van het dorp, maar met minder doen wij geen zaken.

Jean wil de president even spreken want met hem zou onze slaapplaats geregeld zijn. De president komt even snel uit een huwelijks-aftrap en vertelt doodleuk dat hij nergens vanaf weet. Jean weer bellen met Tana, hij zal even later teruggebeld worden, wordt inderdaad teruggebeld met de opmerking dat men vergeten is de president te bellen, gaan ze alsnog doen ze bellen gauw terug, hij wordt weer terug gebeld, ……..jullie kennen het ritueel nog. Voorlopig geen nieuws.

Op dat moment komt het bruidspaar met gevolg de presidentswoning uit, om op weg te gaan naar het stadhuis voor de ceremonie. Mme Veronique vraagt ons of we het leuk vinden om mee te gaan en dat laten we ons geen tweede keer vragen. Wij lopen dus achter de grotendeels in het wit geklede stoet aan. Inmiddels heeft Mm. Veronique gebeld met Dominique of hij het niet leuk vindt om een paar toeristen te ontmoeten en even later staan we handen te schudden met Dominique. Dominique blijkt een oud-leerling van Mm. Veronique te zijn die zelf Franse les geeft op de school in Soatanana. Dominique studeert inmiddels Engels op de universiteit van Tamatave en kan dus mooi als tolk fungeren.

De tocht naar het stadhuis duurt ongeveer een half uurtje en gaat door de stad, langs de kerk, tussen de schoolgebouwen door. Daar aangekomen blijkt dat wij toch een ander beeld hadden gevormd van een stadhuis, zelfs in Madagascar. Een gemiddeld clubuis in Apeldoorn is sfeervoller en ziet er beter uit, zelfs nadat de gemeentelijke subsidiekraan is dicht gedraaid,

De ceremonie zelf is sfeervol en indrukwekkend. Er worden veel liederen gezongen die steeds worden ingezet door de moeder van de bruid. Wanneer de ambtenaar dan klaar is om zijn verhaaltje te doen, blijkt hij de midden te houden tussen een stand-up comedian en een strenge schoolmeester. De volle zaal gilt het af en toe uit van het lachen, maar is ook regelmatig stil waneer de bruid en (vooral) de bruidegom door hem worden toegesproken. Dit krijgen we natuurlijk niet allemaal live mee, maar later wordt veel uitgelegd door Dominique. Hij verteld ook dat de bruid 19 is en de bruidegom 23 terwijl wij beiden hadden ingeschat op 16 en 18. Ze zien er hier jonger uit dan je denkt, want Dominique blijkt 24 te zijn terwijl we die ook nog geen 18 gaven. Zal wel in de lucht zitten.

Na de dienst lopen we terug naar het huis van de president en leggen onze spullen in een bijgebouwtje van zijn huis. Je merkt dat het uiteindelijk toch goed is gekomen dankzij wat heen-en-weer gebel.
Denk nu niet dat dit bijgebouwtje superdeluxe zal zijn, want met een paar tralies in de ramen zou het  een redelijke gevangenis zijn.
Er wordt ons gevraagd wat we willen eten en we gaan op safe door te kiezen voor een vegetarische rijst en/of spaghetti. We hebben inmiddels wel trek en hier kan bovendien niet veel mis mee gaan. Toch duurt het nog een uurtje om dit eenvoudige maal op tafel te zetten, maar gelukkig smaakt het wel lekker.

Na de gesprekken met Dominique zijn we inmiddels wel tot de ontdekking gekomen dat we hier in een soort Jehova-achtige commune terecht zijn gekomen, maar het mag de pret niet drukken. Ons bed wordt opgemaakt en we krijgen een emmer als toilet.
Rond 21:00 uur leggen we ons op de met stro gevulde matros en onder het genot van het geluid van de gezangen dat van buiten komt proberen we de slaap te vatten.

Zondag 21 oktober

We hadden redelijk geslapen op de met stro gevulde matrassen, hoewel Rob de laatste uren niet meer wist hoe hij moest liggen; dit type matras gaat het thuis toch niet worden.

De grote dag was uiteindelijk aangebroken; op de dag des Heeren gaan wij een mis van deze commune meemaken. Rond 08:00 stonde we klaar om op pad te gaan. Wij dachten dat we naar de kerk zouden gaan, maar Mme. Veronique nam ons mee op een rondje door het dorp met heeeeeeeel veel handen schudden; het leek erop dat ze ons met alle 523 inwoners wilde laten kennismaken. Nadat deze kennismaking met het dorp erop zat, gingen we op weg naar het huis van de president omdat daar de processie zou starten. Langzaam aan loopt de vlakte voor zijn huis steeds voller en de liederen klinken luid tussen de muren.

Als om 09:15 uur eindelijk de president het er ook naar heeft, gaat de stoet op gang. Enkele honderden, in wit geklede mensen lopen luid zingend door de straten van Soatanana naar de kerk. Wij lopen ergens midden tussen de menigte en zijn goed te herkennen aan onze niet-witte kleding. Het is zo’n 400 meter lopen naar de kerk en zelfs zo vroeg in de morgen is de hitte niet te harden; onze shirtjes worden er niet frisser op.

Bij de kerk aangekomen gaat de meute naar binnen en ieder zoekt zijn plek; de volwassenen zitten beneden, terwijl de jongens links-boven zitten en de meisjes rechts-boven. Wij zitten, samen met nog een vijftal toeristen dat vanochtend hier heen is komen rijden, midden boven op de VIP-tribune en hebben duidelijk de beste plekken.

Vanaf het moment dat de leden van deze christelijke gemeente de kerk binnenkomen wordt er gezongen en dat gaat zo’n anderhalf uur door, slechts onderbroken door wat geprevel van de pastor. Het zingen is fantastisch en wordt niet ondersteund door instrumenten. De liederen worden beneden ingezet door de volwassenen en vervolgens wordt door de jongens wat gezongen en gaan de meisjes daar weer overheen. Vooral het zingen van de meisjes geeft ons steeds kippevel!

Net na elfen is de mis afgelopen en gaat we met z’n allen weer terug naar het huis van de president. De laatste stop is bij het heilige huis, waar de president ons weer probeert over te halen om te blijven lunchen. Wij hebben, op aangeven van onze chauffer, verteld dat we niet later dan 12:00 uur weg willen dus die lunch houden we tegoed.

Als laatste worden we uitgenodigd om onze voeten te laten wassen. Dit is een goed gebruik bij gasten van de commune. Er wordt ons verteld dat dit voor het eerst door Jezus bij Petrus werd gedaan toen Petrus bij hem een happie kwam eten. Toen Petrus destijds vroeg waar Jezus mee bezig was zij hij dat hij dit bij al zijn gasten deed om zo een deel van hem te worden. Petrus schijnt toen nog gezegd te hebben dat hij net gedoucht had, maar dat z’n voeten nog wel een keer gewassen mochten worden en zo is een gewoonte geboren. Dit verhaal kende Rob natuurlijk wel, maar hij gaat ook elke week langs de kerk.

Vlak voor twaalven geeft Jean gas en stuiven we het terrein van de president weer af op weg naar Fianar. We hebben afscheid genomen van iedereen die daar zo goed voor ons is geweest en waren graag gebleven, maar ons schema liet dat niet toe…………….
Mme. Veronique begeleidt ons nog tot de rand van het dorp en met drie vette kussen nemen we ook van haar afscheid. Ondanks de basic omstandigheden hadden we dit nooit willen missen.

De terugweg is net zo hobbelig als de heenweg al zijn we wel een kwartierje sneller in Fianar. Daar zet Jean ons bij het Zomatel hotel af zodat wij weer on-line kunnen en bovendien een vette hap bestellen. Na een uurtje pikt hij ons weer op en gaan we richting Ranomafana. Onderweg zie we geleidelijk de natuur om ons heen veranderen. De begroeing wordt dichter en het lijk hier wat op een regenwoud zoals het vroeger overal op het eiland bestond.

We krijgen bij hotel Chez Cristo weer een schattig Centerparcs huisje toegewezen, maar de grote ’trekker’ is hier het terras dat uikijkt op het omringende woud en de Namorona rivier. Morgen gaan we het Nationaal Park Ranomafana bezoeken waar we hopen voor het eerst oog-in-oog komen te staan met een lemur.
Daarvoor moeten we wel weer vroeg op pad, want de beestjes zijn van nature erg lui en blijven niet de hele ochtend op de toeristen wachten.

Maandag 22 oktober

Vandaag al weer om 06:30 uur naast ons kribbetje omdat we vroeg in Nationaal Park Ranomafana wilden zijn. De beessies houden ook niet van de warmte dus je moet er vroeg bij zijn. Even snel een ontbijtje en dan met Jean weer op weg. Het park ligt op een kwartiertje rijden van ons hotel en onderweg pikken we onze gids op. Een gids is verplicht gesteld in dit park en de 25 euro die dit kost is een enorme aanslag op ons dagelijkse budget.

Bij de ingang van het park moeten nog wat formaliteiten geregeld worden, maar na betaling van het eerder genoemde bedrag, gaan we dan op pad.
Het park is beroemd om de Golden Bamboo Lemur en daar gaan we dus zeker naar op zoek. Met een beetje geluk vinden we onderweg ook nog wat andere exemplaren van de lemur-familie.Wat het weer betreft zitten we vanmdaag goed want het is zonnig en normaal gesproken heb je hier jaarlijks 300 regendagen.
We zijn er al snel achter dat de gids z’n geld makkelijk verdient. Hij leidt ons over de makkelijke paden en laat het speurwerk over aan de Animal-spotters. Deze jongens lopen vooruit op zoek naar de lemuren en bellen de gids wanneer ze iets gevonden hebben.

We hebben geluk, want het eerste dier waar we op stuiten is de gouden bamboe lemur. We volgen de animal-spotter dieper het regenwoud in en stuiten dan inderdaad op…………………………..een groep toeristen die ons in de weg staat om bij de GBL te komen. We zijn duidelijk niet de enigen die vanochtend op tijd zijn vertrokken. Uiteindelijk vinden we een plekje op een glibberig helling tussen de de bamboe-stengels en krijgen de lemuren in het vizier.

Dan komt Diana er achter dat lemuren vinden één ding is, maar een goede foto ervan maken een ander ding. De beesten zitten op minimaal vijf meter hoogte, deels verdekt achter de bladeren waarbij schaduw en zonlicht het beeld beinvloeden. Tel daarbij op dat we net tientallen meters door  onbegaanbaar regenwoud hebben moeten klimmen en je hebt de ideale situatie voor een bewogen foto en een hoge bloeddruk voor de fotograaf. Uiteindelijk lukt het toch om een paar acceptabele foto’s van de GBL te maken en dan gaan we er weer snel vandoor, de rest van de toeristen achter ons latend.

We gaan verder door dit jonge regenwoud en niet veel later gaan er weer wat signalen heen-en-weer; er is weer wat gespot. Het blijkt de Sportive Lemur te zijn. Dit nachtbeestje zou zich verderop schuil houden in een holte in een boom. Wij weer achter de spotter aan tussen struiken en bomen door, halsbrekende toeren uithalend om uiteindelijk op 6 meter hoogte in een boomholte een pluisje te onderscheiden; that’s it! Het is een nachtdier, dus het slaapt overdag en de kans is klein dat het voor óns een dansje zal maken. Fotootje gemaakt en weer glijdend terug naar het hoofdpad waar de gids netjes staat te wachten. Wat een wereldbaan.

We gaan weer verder en onderweg stuiten we nog op een Leaf Tail Gecko, de naam verklapt het al: een gecko met een staart in de vorm van een blad. Je begrijpt dat dit beest goed gecamoufleerd is in deze omgeving.  Even later zien we nog een Pygmy Leaf Chameleon. Deze kameleon is een van de kleinste die er is en zeer goed gecamoufleerd door zijn groen-bruine kleur. Eigenlijk is het vinden van de laatste twee beestjes een gotere prestatie dan het vinden van een lemur.
Daarna maken we nog een uitstapje voor een paar Red Belly Lemuren en zien nog een tweetal Brown Lemuren, maar beide soorten zijn erg moeilijk in beeld te krijgen.

Het laatste belletje van de spotter gaat over een paar zwart-wit gevlekte lemuren die zijn gespot. Opnieuwe glibberen we het regenwoud in en vinden het viertal dat relatief laag in de bamboe hangt. Het is vandaag erg warm en je ziet dat ze al behoorlijk sloom zijn. We kijken even toe hoe deze lemuren elkaar aan het vlooien zijn en zien ze af en toe met hun vertederende, bolle oogjes onze kant op kijken. Na weer de nodige foto’s te hebben gemaakt, gaan we terug naar onze gids. We zien er steeds gehavender uit na de regenwoud-bezoekjes en als we niet uitkijken krijgen we een nekhernia van het omhoog turen..

De score voor vandaag is erg goed, want normaal gesproken heb je meer tijd nodig om alle dieren te vinden die wij hebben gezien, volgens de gids. Daarop gaan we terug naar de entree van het park, waar Jean op ons staat te wachten. We zijn uiteindelijk bijna vijf uur onderweg geweest en de hitte heeft ons ook niet ongemoeid gelaten als je naar de vlekken op onze t-shirts kijkt.

We rijden terug naar ons hotel, maar lunchen onderweg nog even het dorpje Ranomafana.
Om twee uur nemen we plaats op een bankje in de schaduw bij het hotel en bewegen de rest van de middag zo min mogelijk. Het is te warm om veel meer te doen dan een bladzijde van de NG Magazine omslaan of een Droptopper uit de zak te halen. Pas tegen vijfen komen we weer een beetje in beweging en dan voornamelijk om de hoeveelheid vocht weer op peil te brengen.

‘s-Avonds eten we weer in het restaurant en deze avond gebeurt wat de eigenaresse gisteren al voorspelde: geen electriciteit na 17:00 uur. Daar zaten we dan in het pikdonker. Snel werden de kaarsen aangestoken en even later was het restaurant verlicht door een tiental kaarsen en dat was een enorme vooruitgang in vergelijking met de 100 watt spaarlampen die hier normaal gesproken de keet verlichten. Een romantisch diner bij kaarslicht, wat wil je nog meer?