Tag archieven: Antsirabe

Madagascar 3

Dinsdag 30 oktober

We lopen vanochtend toch nog een keertje naar de bank om wat extra geld te halen; je weet maar nooit. Op de weg terug halen we nog een paar verse stokbroodjes en flesjes water voor onderweg. Om 07:30 uur zijn we weer terug bij het hotel voor een uitgebreid ontbijt.
Wanneer we terug komen van het ontbijt staat de Nissan Patrol van onze nieuwe chauffer Niri al klaar. We halen onze spullen van de kamer en gaan op weg.

Al snel is duidelijk dat Niri een heel andere chauffeur is dan Jean. Zo stopt hij om een (doodgereden) stekelvarkentje te laten zien, gaat na een uurtje even aan de kant bij een mooi uitichtpunt en neemt gelijk de tijd om even de benen te strekken en in Mandato laat hij ons uitstappen zodat we dit kleine dorpje te voet kunnen verkennen. Hij doet dus net iets meer dan van A naar B rijden.
Hij heeft ook een geheel eigen rijstijl. Bergaf geeft hij goed gas en probeert dan bergop zo ver mogelijk te komen zonder terug te schakelen. Wanneer hij dan met een slakkegang weer bovenop een berg is, gaat hij er met grote vaart weer vanaf; net een 8-baan.

Al snel nadat we Antsirabe uit zijn zien we de zon weer verschijnen en wordt het gelijk weer erg warm. Wanneer we anderhalf uur onderweg zijn is het landschap al weer volledig veranderd en is alles weer veel roder dan in de buurt van Antsirabe.

Om 12:00 uur stelt Niri zelfs voor om even een lunch-break te houden. Hoeft niet echt van ons, maar ach, we hebben de tijd. We zijn nog 80 km van Miandrivazo verwijderd en zijn ergens in ’the middle of nowhere’, dus het is wel even een leuke stop. Niri zoekt een plekje onder een grote mangoboom en legt zelfs een zeiltje voor ons neer. Gezellig eten we de broodjes op die we vanochtend hebben gekocht en gooien er wat slokken water tegenaan. Niri heeft het voor zichzelf beter voor elkaar, want hij heeft ook nog een blikje sardientje bij zich.
Niri geeft een deel van z’n lunch aan een man met twee kinderen die was komen aanlopen. We vragen ons af waar hij vandaan komt want het dichtst bijzijnde gehucht is erg ver weg.

Wanneer we de lunch achter de kiezen hebben gaan we terug naar de auto. We stappen in, starten en ……….. vergeet het maar, niets dus; die accu is zo dood als een pier. Niri doet nog wel de moterkap open, maar dat is meer voor de show. Er zit maar één ding op: duwen! Gelukkig had hij net die local bijgevoerd, want die wilde nu wel komen helpen. De krachten van Rob zijn enorm, maar een Nissan Patrol duwt hij niet in z’n eentje uit de berm. Samen met de local lukt het Rob om de auto uit de berm te krijgen en gelukkig loopt de weg hier net bergaf zodat het resterende stukje duwen meevalt.
Gelukkig maken we dit weer mee, want we waren al bang dat we vandaag niet veel te melden zouden hebben.

Niet ver voor Miandrivazo krijgen we nog te maken met een sprinkhanenplaag. Aan alle kanten zien we grote zwermen om ons heen vliegen. Ze stuiteren regelmatig op de vooruit. De regen van sprinkhanen is maar van korte duur, maar Niri vertelt dat deze beestjes een ramp zijn voor de lokale rijstoogst.

Tegen tweeen zijn we dan in Miandrivazo, één van de warmste steden van Madagascar. Vannacht hadden we nog een dekbed over ons heen tegen de kou en nu zweten we als otters wanneer we maar een glaasje drinken oppakken; dat is weer even wennen. Het doet ons een beetje denken aan Death Valley.
Gelukkig heeft het hotel een zwembad, maar helaas is het water zo warm dat je er niet van afkoelt.

Woensdag 31 oktober

Bij het ontbijt kwam Diana erachter dat we inmiddels al aan onze ‘volpension’ week waren begonnen, dus kregen we het geld van het diner van gisteravond terug. Altijd lekker zo’n vroege meevaller. Bovendien smaakte het ontbijt veel beter nu we wisten dat het gratis was.

Na het ontbijt hebben we de spullen ingeladen bij Niri en zijn naar Miandrivazo gereden om wat drinken in te slaan. Het was hem gelukt om de auto weer te laten starten, dus we hoefden hem niet weer aan te duwen.
Nadat we water en cola hadden ingeslagen zijn we in drie kwartier naar de aanlegplaats van de boten gereden. We zouden met z’n zessen aan boord zijn, wij twee samen met Trish en John uit Engeland, Dominique en Francoise uit Frankrijk. Allemaal ‘ouderen’ in vergelijking met ons, dus het was een beetje een boottocht van de ANBO. Om 10:00 uur was alles aan boord en gingen we op weg.

De rivier is roestbruin gekleurd door de vele regen van de afgelopen tijd en dat geeft een mooi kleur-effect tegen de groene achtergrond.

We genieten van al de bedrijvigheid langs en op de rivier. Mannen die vissen in een piroque, een veehouder die zijn zebu’s laat drinken bij de rivier, mensen die zich wassen en ga zo maar door. Dit alles tegen een achtergrond van hoge grassen die in bloei staan, afgewisseld door metershoge palmbomen en waterhyacinthen die in bloei staan. Daarbij komt dan nog de bedrijfigheid van dieren, zoals het nestelen van papagaaien in de twee meter hoge wal van de  rivier, een verschrikt wegvliegende ijsvogel, grote zwermen ganzen die laag overvliegen, te veel om op te noemen.
Het varen op de Tsiribihina rivier is een vak apart. Door de vele zandbanken, waarvan de meesten onzichtbaar onder het wateroppervlak, moet de kapitein slingerend over de rivier varen.

Voor de lunch leggen we aan en voor we het weten staat een hele groep kinderen ons aan te gapen. Natuurlijk klinkt het inmiddels veel gehoorde vazaha ook uit hun monden.
De lunch smaakt fantastisch en het is eigenlijk onmogelijk zoiets te bereiden op een 1-pitter. Na de lunch gaan we even de natuur in voor de sanitaire behoefte en daarna wordt er nog wat gedold met de kinderen. Voordat hij het wist had kindervriend Rob een slingeraapje aan zich hangen en die wilde eigenlijk niet meer loslaten. Helaas voor hen moesten wij verder.

Rond 14:00 uur pakten er zulke donkere wolken samen dat het verstandig leek om een slaapplaats te zoeken. We vaarden nog een klein stukje verder tot we bij een plek met een waterval waren en daar gingen we van boord. Het was inmiddels beginnen te regenen, maar we wilden toch nog even de waterval zien. Op weg naar de waterval zagen we nog een paar bruine lemuren en ver boven de waterval zagen we een tweetal sifaka’s van boom naar boom springen. De waterval was niet bijzonder, maar daarvoor moet je eigenlijk in het regenseizoen zijn, maar  het plekje was perfect.
Toen we terug waren van de wandeling naar de waterval was de lucht weer helemaal open gebroken en regende het ook niet meer. Dit deed onze gids besluiten om toch maar een stukje door te varen.

Tegen vijfen stoppen we uiteindelijk bij een zandbank waar we daadwerkelijk de nacht zullen doorbrengen. Terwijl de bemanning de tenten opzet gaan wij een nabij gelegen dorpje in en ook hier is het weer helemaal te gek met de kinderen. Ze lopen met je mee aan de hand, zingen ‘frere jacques’ en willen vooral veel op de foto komen.
Terug bij de boot maken we een mooie zonsondergang mee en dan is het tijd voor het diner. Opnieuw heeft de kok een heerlijke maaltijd bereid.

Donderdag 1 november

“Oh what a night”, van wie is dat nummer ook al weer? Het was in ieder geval erg toepasselijk geweest vanochtend.
Na het diner van gisteravond en het heerlijke glaasje Malagassische rum met citroen en honing, zijn we al om 20:00 uur naar de tent gegaan. Er moest nog een stukje geschreven worden voor de blog en misschien konden we nog wat lezen. Het eerste uur bestond vooral uit zweet-controle; wat was het verschrikkelijk heet in dat tentje. We zijn maar rustig gaan liggen tot deze opvlieger over zou zijn, maar dat was nog helemaal niet gemakkelijk met de vele kleine sprinkhaantjes en een paar zoemende muggen om ons heen. Ook werd al snel duidelijk dat de matrasjes er hooguit voor de sier lagen, want elke oneffenheid in de grond voelde je in je botten. Ondanks dit alles zijn we uiteindelijk ingedommeld om tegen 01:00 uur te worden gewekt door een enorme hoosbui. Gelukkig hield de tent het en door de bui was het ok een beetje afgekoeld. Daarna nog een paar hazeslaapjes, maar om 06:00 uur stonden we al buiten onze tent omdat de eerste zonnestralen de tent al direkt tot een oventje ombouwden.

We zaten al voor 07:00 uur aan het ontbijt en daar was duidelijk te zien dat de Engelsen uit de ANBO-groep het nog veel zwaarder hadden gehad dan ons.
Na het ontbijt voeren we eerst naar het nabij gelegen dorpje om daar wat groenvoer te halen voor onze volgende maaltijden. Vlees hoeft er niet te komen, want dat ’tokt’ al twee dagen in het keukentje (kakelvers). We leggen aan bij de kade waar ook de taxi-brousse-boot ligt en onze kok gaat naar de Super. De taxi-brousse-boot is het lokale alternatief voor de taxi-brousse. Het principe is hetzelfde: de boot moet eerst vol, anders vertrekt deze niet.

Het is nog altijd bewolkt wanneer we om 08:45 uur weer richting Belo gaan, maar we hopen natuurlijk dat dit beter gaat worden. Het uitzicht onderweg is een beetje hetzelfde als gisteren, al zijn de piroques vandaag goed vertegenwoordigd.

Tegen 11:00 uur stopten we op onze lunch-plek, maar we gingen eerst een bezoekje brengen aan een groot gezin dat hier woont. We mogen wat rondkijken en schieten wat plaatjes. Vooral het dochtertje met de rastas blijkt erg fotogeniek.
Tijdens dit bezoekje worden we opeens gestoord door de eerste druppels van wat uiteindelijk een behoorlijke hoosbui blijkt te zijn. We zijn net op tijd terug aan boord.
De lunch is wederom voortreffelijk, maar de boot blijkt zo langzamerhand toch niet echt waterdicht te zijn aan de bovenkant; aan alle kanten druppelt het water naar binnen.

We varen verder en eindelijk zien we de eerste baobab’s. Het zijn de voor Madagascar zo kenmerkende bomen, die statig boven de rest van de vegetatie uitsteken. De baobab doet het hier goed, want we zien ze steeds vakaer en ook steeds vaker in grote groepen; wat een fantastisch gezicht.
Rond 13:30 uur moet de boot weer naar de kant om te schuilen voor een hoosbui. De buien duren niet heel lang maar zijn enorm dicht; je ziet het gordijn van water zo over de rivier op je afkomen.

Op de boot wordt het laatste droge stukje steeds kleiner, maar niet veel later zijn we bij onze overnachtingsplek. Hoewel we eigenlijk weer op een zandbank zouden kamperen, wordt er vanwege de regen die ook vannacht nog verwacht wordt, uitgeweken naar het plaatselijke schoolgebouwtje. Daar zullen alleen de binnententjes worden opgesteld. Bij aankomst in het schoolgebouwtje, blijkt dit gebouw echter niet helemaal waterdicht te zijn, maar beter dan in de open lucht.
Om het allemaal nog erger te maken vertelt Nicolas, de gids van Espace Mada, dat onze tocht naar Tsingy waarschijnlijk moet worden afgeblazen. Vanwege het weer zou zowel de weg ernaar toe als de trails in het park onbegaanbaar zijn geworden. Dit wordt morgen verder uitgezocht.

‘s-Avonds wordt ook het diner opgediend in het schooltje, maar door het ontbreken van stoelen wordt het staande eten. Het mag de pret niet drukken, want het smaakt wederom heerlijk. Ook vanavond worden we weer verwend met een glaasje rum; dit keer is het alcohol percentage nog wat hoger en het brandt naar binnen.

Later die avond wordt er een stevig kampvuur gestookt waar het hele dorp voor uitloopt. We worden vermaakt met zang en dans en vooral de dril-bil competitie is een sensatie.
De locals lijken dit overigens niet alleen vanwege onze aanwezigheid te doen, want wanneer wij al naar bed zijn gaan zij nog een tijdje door en het was nog lang onrustig langs de rivier.

Vrijdag 2 november

We hebben deze nacht veel beter geslapen dan gisteren en dat kwam niet alleen door het comfort van het schoolgebouwtje, maar dat het een behoorlijk aantal graadjes koeler was dan gisteren was nog veel belangrijker. We zijn natuurlijk wel weer vroeg op, maar dat is zo langzamerhand standaard geworden. Wanneer we het schoolgebouwtje uitlopen zien we ook weer wat plukjes blauwe lucht. Misschien dat ………..

We ontbijten op de boot en worden daarbij gadegeslagen door heel veel kinderen uit het dorp. Na het ontbijt deelt opa John snoepjes uit aan de kinderen en dat geeft een mooi spektakel. De slimsten hebben al snel een paar snoepjes te pakken terwijl de kleintjes het erg moeilijk hebben. John heeft dat in de gaten en zorgt dat de kleintjes ook voldoende strooigoed krijgen. Om 08:00 uur gaan we weer varen en worden daarbij uitgezwaaid door alle kinderen.

Alles ziet er mooier uit als de zon schijnt; deze wijsheid (waar ook een liedje van is) is niet uit de lucht gegrepen zien wij vandaag. Het zonnetje maakt het leven op een aan de rivier extra mooi: de enorme mango-bomen die ook hier in grote getalen aanwezig zijn, de vogels die af en toe met de boot meevliegen, de piroque-jes die de oversteek wagen, de mensen die zich baden in het zonnetje, maar vooral de majestueuze baobab bomen komen goed uit in het zonlicht.
Wanneer Nicolas, de gids aan boord, weer bereik heeft belt hij met Tsingy en al snel komt hij met het goede nieuws dat we er heen kunnen,

We slingeren het laatste stukje van de rivier af naar Belo en net voordat we afmeren krijgen we de lunch opgediend. het is apas 10:30 uur, maar we hebben nog een lange rit voor de boeg.
De lunch is een beetje een Flappie-ervaring, want het kippetje dat twee dagen stond te kakelen in het kleine keukentje lag nu op onze borden. Een overlijdensbericht was niet meer nodig.

Om 11:00 uur staan we op de kade en nemen we afscheid van de bemanning; het waren twee fantastische dagen!
De 4×4 van John en Trish staat al te wachten en ze stappen gelijk in. Hen zullen we later weer terug zien want ze zitten in hetzelfde hotel in Bekopaka. Francoise en Dominique blijven op de boot, want zij zullen aan de andere kant van de rivier worden afgezet omdat zij direct naar Morondava gaan.
Niri, onze chauffeur, zat nog in Belo te lunchen. De chauffeur van John en Trish heeft hem inmiddels al gebeld en hij is onderweg.  Hij komt luttele minuten later de bocht om stuiven en wij stappen gelijk in.

De weg naar Bekopaka zal wel behoorlijk geleden hebben onder de hoeveelheid regen van de afgelopen dagen, maar we gaan het beleven. De eerste kilometers gaan voortvarend en we scheuren over een roestbruin zandpad met ook hier nog af een toen een mooie baobab. Zo af en toe spetteren we door een enorme poel heen, maar het mag de pret niet drukken,
Na een uurtje rijden komen we de eerste auto’s tegen die de rit in omgekeerde richting afleggen. vanuit een auto van de tegenliggers klinkt “beaucoup de chance” en we zien dat hun auto al helemaal onder de rode modder zit. Er staat ons waarschijnlijk nog wel wat te wachten.
We stoppen onderweg een keer om de benen te strekken en daar zien we JJohn en Trish opeens voorbij scheuren. Ze vertellen ons later dat ze gestopt hebben omdat ze een kameleon hadden gespot.
Om 15:00 uur zegt Niri dat het nog 15 kilometer is naar Bekopaka en dat valt ons mee. Tot nu toe zijn we wel een paar diepe plassen door gescheurd en over wegen als wasbordjes gerammeld, maar nog niet het idee gehad dat we vast zouden komen te staan.

Het venijn zat dus duidelijk in de staart. Op ongeveer 10 kilometer voor Bekopaka verandert de kleur en samenstelling van de grond en rijden we in een soort van grijs modderbad. Dit zou best wel eens goed kunnen zijn voor de huid, maar rijden is hier zo’n beetje onmogelijk. We glibberen en glijden van de ene plas naar de andere en Niri moet zijn uiterste best doen om de de auto in een spoor te krijgen.
Hij moet af en toe zelfs de auto uit om te peilen hoe diep de plassen zijn. Onderweg moet we nog om een vastgelopen bus manouvreren, waarvan de chauffeur bezig is om sneeuwkettingen aan te brengen.
De laatste kilometers is er van autorijden geen sprake meer, maar dit moet een fantastische uitdaging zijn voor de die-hard 4×4 rijder.

Dankzij de goede, beheerste manier van rijden van Niri staan we tegen vieren bij het laatste obstakel: een riviertje waar we met een pontje overheen gaan. Het pontje doet wat spaartaans aan, maar de overtocht verloopt probleemloos.
Om 16:15 uur zijn we op onze kamer en ook hier ziet het er allemaal erg leuk uit. We hebben hier zelfs een zwembad en kunnen na de afgelopen drie dagen de verleiding niet weerstaan; heerlijk!

Zaterdag 3 november

Vandaag stond het (klim)avontuur in de Grande Tsingy op het programma. Vanwege de hitte stonden we al om 07:15 uur bij onze auto. Eerst naar Bekopaka om onze gids op te pikken en daarna nog naar de buurtsuper voor een trosje bananen en een paar flessen water.
Het is maar 17 kilometer naar de begin van de trail, maar we deden er toch een uur over; de weg is hier nl. net zo slecht als gisteren het laatste uur. Glibberend en glijdend zoekt Niri z’n weg. Dit moet het moeilijkst bereikbare nationale park op de wereld zijn.

Als we er eindelijk zijn, stappen we in onze klimgordel met musketons en gingen we op weg. Eerst een half uurtje door bosachtig gebied. Hier wist onze gids een Roodstaart lemur te vinden. Dit nachtbeestke hadden we ook al in Ranomafana gevonden, maar toen zat het veel hoger, bovendien had dit beestje de slaap blijkbaar niet kunnen vatten want het keek ons met grote ronde ogen aan.

Even verderop begon dan onze beklimming van Tsingy. We kregen nog wat instructies van de gids en gingen toen op weg. Eén van de instructies is dat je niet mag wijzen met gestrekt vinger. Dat is wat ze hier noemen fadi (taboe) en kan ongeluk brengen, dus die instructie moeten we maar goed onthouden.

We gaan eerst geleidelijk omhoog, tot we bij een grote grot komen. Hier moeten we onze hoofdlichten op want het is er pikdonker. De grot is 70 meter lang en we slingeren tussen de stalagtieten en stalagmieten door naar de uitgang. Hier moeten we direct in de klimgeit houding wat het gaat over smalle richels en kleine stapsteentjes omhoog. Bij de gevaarlijke afgronden zekeren we ons met de musketons aan een stalen kabel die is vastgezet in de wand. Ons eerste doel is een uitzichtpunt waar je het de Tsingy van bovenaf kunt bewonderen.
Het ontstaan van de naaldvormige karstformaties begint 200 miljoen jaar geleden wanneer het plateau van Bemaraha nog volledig is bedekt door de zee. Dan begint een gigantische tectonische plaat naar boven te komen. De kalksteen droogt uit wanneer het boven water komt te liggen en zo ontstaan de canyons en de breuken. Vijf miljoen jaar geleden komt de regen als volgende erosievom het plaatje afmaken. De iets zure regensijpelt langs de rotsen, vreet de kalksteen aan en creert de scherpe grijze bergpieken die in het Malagassisch Tsingy worden genoemd.

Wanneer we boven bij het eerste uitzichtpunt komen hebben we een echt ooooooohhh-momentje. Wat een een fantastisch natuurspektakel is dit. Je moet er wel wat voor over hebben om hier te komen, maar het is meer dan de moeite waard. Het ergste is misschien dat we steeds vergeten dat we niet met gestrekte vinger mogen wijzen. Als dat maar goed gaat vandaag.
Het is bovendien een mooie plek om een foto van een vakantiestelletje te maken. Onze gids neemt de camera ter hand en zie hier het resultaat.

Tussen de toppen van de toppen van Tsingy gingen we op weg naar een tweede uitzichtpunt. Om elke hoekje was er eigenlijk wel weer een foto-moment en de camera stond bijna niet stil. Elke keer dacht je weer dat je de ideale ansichtkaart-positie had gevonden. We zouden bijna vergeten dat we elke stap voorzichtig moeten zetten en ons vooral moeten zekeren waar een staalkabel hangt. Dan spot onze gids nog een groepje witte sifakas tussen de boomtoppen net buiten de tsingy, helaas zie je ze hier op de tsingy alleen maar in de regentijd.

Een half uurtje nadat we bij het eerste uitzichtpunt waren, stuiten we op een hangbrug van 20 meter lengte over een 70 meter diepe kloof. We mogen maar met één persoon tegelijk over de wiebelbrug en ook hier weer zekeren met de musketons. Direct na deze brug gaan we nog een stukje omhoog en dan zijn we bij het tweede uitzichtpunt en ook hier vergapen we ons aan de wonder der natuur. Het is maar goed dat we de reserve batterijen mee hebben genomen.

Na al deze indrukken van bovenaf, gingen we vervolgens tussen de kloven door naar beneden. Langs steile, smalle trappetjes en over wiebelige stenen en langs afgronden daalden we, met het zweet in de bilnaad, zo’n 100 meter af. We waren echter nog steeds niet uit dit natuurlijke doolhof. Er wachten nog een tweetal kruip-door-sluip-door grotten op onze weg die we slechts op de knieen doorheen konden.

Toen we de grotten door waren, kwamen we op een koele schaduwplek die ze hier het restaurant noemen omdat het een ideale plek is om je lunchpakket te nuttigen. Onze gids wijst ons op een Mangoest, een kleine carnivoor die inmiddels waarschijnlijk weet dat er kip in de lunchpakketjes van de hotels zit en hier makkelijk aan z’n dagelijkse portie vlees kan komen. Helaas hebben wij zelf inkopen gedaan voor de lunch en daar zit geen vlees bij. Dat heeft het beestje al snel in de gaten en gaat dan op zoek naar beter bruikbare toeristen.

Na de lunch nog een laatste klim, gezekerd langs staalkabels en via steile trappetjes en toen hadden we het moeilijkste deel gehad. Bezweet van ale inspanning lopen we langs een relatief eenvoudig stuk naar het bos terug en niet veel later arriveren we weer bij onze chauffer. Natuurlijk vertelden we hem dat het allemaal heel eenvoudig was en dat we nog wel een rondje konden doen, maar hem niet langer wilden laten wachten.

We drinken nog een fles water leeg en zetten ons dan weer schrap voor de rit terug over de moeilijk begaanbare weg naar Bekopaka.
Een uurtje later laten we ons afzetten in Bekopaka omdat daar de nodige hotely’s zijn en we hopen daar een hapje eten te scoren. We gaan zo’n 11 hotely’s in, maar blijkbaar is de groente op de bon want we kunnen alleen maar witte rijst met kip of eend krijgen en daar hebben we nu geen trek in. Na nog wel een literfles cola leeg te hebben gemaakt, lopen we terug naar het hotel. Hier nemen we heelijke gemengde salade.
In onze kamer wassen we onze broeken uit, want deze hebben nogal te lijden gehad onder de tocht van vandaag. Daarna tijdschriftjes mee naar het zwembad en relaxen!

Zondag 4 november

Om 05:30 uur ging de wekker al. We hadden een lange rit voor de boeg met als eindbestemming Morondava, maar vooral de ‘Allee de Baobab’.

Nadat we snel een ontbijtje naar binnen hebben gewerkt gaan we om 06:15 uur al op weg naar het eerste obstakel: de Manambolo rivier. Net als op de heenreis moesten we hier met een pontje de rivier oversteken. We arriveerden als eersten bij het pontje, maar helaas konden we niet gelijk overvaren. Eerst moets er een grote aanhanger met bevoorrading de rivier over. Die oversteek ging voorspoedig, maar toen het pontje had aangelegd, bedacht men pas dat de ploeg nog achter de tractor vandaan moest. Dat koste natuurlijk veel tijd, maar uiteindelijk is het allemaal gelukt en konden wij rond 07:00 uur de oversteek maken.

Toen begon eigenlijk pas weer het zwaarste gedeelte van de reis, want we moesten over dezelfde slechte weg als we heengekomen waren ook weer terug naar Belo. We namen gelijk de leiding in deze rally-wedstrijd en hebben die niet meer uit hand gegeven. Met veel gevoel stuurde Niri onze Nissan over de paden, die diep uitgesleten waren door al het water van de afgelopen dagen. Wereldkampioen Sebastien Loeb zou het niet beter doen (misschien wel sneller).
Omdat de afgelopen twee dagen de zon goed z’n best had gedaan, waren de paden wel iets beter dan op de heenreis en arriveerden we ook sneller dan verwacht in Belo.

In Belo wilde Niri ons bij zo’n typisch toeristenrestaurant afzetten, maar we hebben hem nogmaals verteld dat wij niet zo graag tussen de andere toeristen verblijven. Hij zal er niets van begrijpen, maar heeft ons daarna wel naar een griebus-tent gebracht waar we helemaal alleen met een paar locals een lekker bordje rijst met wat groenten hebben weggewerkt. Natuurlijk hebben we Niri ook getrakteerd, maar dat is nogal makkelijk met de prijzen hier.

Na de lunch gingen we op weg naar onze volgende oversteek; dit keer over de Tsiribihina rivier. Het pontje lag bijna op dezelfde plaats als we twee dagen geleden waren aangemeerd met onze lekkende sloep. Auto op het pontje en nu maar wachten tot er nog een auto zou komen, want voor één auto gaan ze niet op pad.

Gelukkig duurde het wachten niet lang en en we steken van wal. Er gaat ook een handjevol locals met ons mee  naar de overkant. Er staan ook dit keer weer vrouwen bij die een soort klei op hun gezicht hebben. Je ziet dat best veel. Er zijn twee varianten, een witte als een soort zonnebrandmiddel en een gele als een soort schoonheidsmasker. De resultaten ervan zijn overigens niet wetenschappelijk bewezen.

Deze oversteek zou zo’n uurtje duren, omdat we eerst een stukje stroomopwaarts moesten varen en net binnen het uur arriveerden we bij de aanlegsteiger; hier kan de NS nog wat van leren.We konden dus  weer op pad. Het ging bijna nog mis omdat een kluns het pontje niet goed had vastgemaakt, waardoor onze auto bijna het water in verdween.

Vanaf hier zou het nog zo’n drie uur rijden zijn naar Morondava, dus we gingen er maar weer goed voor zitten. Met het oversteken van de Tsiribihina rivier was het net of we weer in de bewoonde wereld terug keerden en een woeste uithoek van Madagscar achter ons lieten. Dit gevoel werd niet veroorzaakt door betere wegen, want ook hier was het een zandpad met soms moeilijk doorwaadbare waterpartijen.
De omgeving veranderde wel. Het rode zand werd steeds lichter en de baobabs steeds talrijker, maar vooral groter.
Onderweg trapte Niri een keer stevig op de rem omdat hij sifaka’s had gespot. We liepen iets terug en daar sprong inderdaad een drietal sifaka’s door de toppen van de bomen. Camera,s in de aanslag, maar dit keer waren ze ons te snel af.

We stopten onderweg nog een paar keer voor wat bijzondere baobabs. Zo fotografeerden we de oudste baobab (450 jaar) en de verliefde baobabs (twee ineen gestrengelde baobas) en ook zien we nu het verschil tussen de drie belangrijkste soorten baobabs.

De ultieme fotoshoot voor vandaag moest echter plaatsvinden op de ‘Allee de Baobabs’. Dit zandpad met een 15-tal baobabs erlangs is waarschijnlijk de meest gefotografeerde plek in Madagascar.
We moeten toegeven; het is een fantastisch plaatje, vooral wanneer er dan ook nog een zebu-kar over het zandpad rijdt.
Het grappigste is misschien wel om al die toeristen in een rijtje naast elkaar te zien staan om de ideale foto te maken, wat een kuddedieren!

Een fotootje of 40 verder besluiten we maar richting ons hotel in Morondava te gaan, want het is inmiddels 18:00 uur en we hebben best trek. Onderweg stoppen we nog voor een paar echte zonsondergang foto’s (met baobab natuurlijk) maar ongeveer 12 uur na onze dagstart geeft Niri weer eens echt gas op het asfalt.
Ons hotel is voortreffelijk en het eten nog beter, maar dat hadden we ook wel verdiend vandaag.
Niri gaat een nachtje naar zijn gezin, want hij woont in Morondava.

Maandag 5 november

We hadden vandaag om 07:30 uur met Niri afgesproken en hij was al weer ruimschoots voor die tijd aanwezig. Vandaag was een reisdag; geen uitstapjes onderweg, maar alleen van MorondavA naar AntsiraBe.
Morondava is de meest westelijke bestemming van onze reis en ons hotel ligt aan het strand, dus voordat we vertrokken hebben we nog wel even de zeelucht opgesnoven.

In tegenstelling tot de voorgaande dagen reden we vandaag over een strak geasfalteerde weg. Deze N35 is pas vorig jaar voltooid, dus bijna geen gaten in de weg. Niri kon het gas er lekker ophouden. Het enige oponthoud dat we hadden werd veroorzaakt door onze fotostops.
Het landschap veranderde alweer snel. De baobabs verdwenen al snel uit het zicht en er kwam savanne-landschap voor terug. In de vele kleine dorpjes die we passeerden, was het een enorme drukte vanwege de markten die over het algemeen op maandag zijn.

Na vier uur karren waren we in Miandrivazo, waar we lunchten in een klein hotel. Het was er gezellig druk. We bestelden taramuso, dit is rijst met witte bonen in een soort tomatensaus. Daar wordt een sambal-achtig goedje bij geserveerd en smaakt heerlijk.
Ook dit keer hebben we onze chauffeur maar weer uitgenodigd; wie breed heeft……….
De rekening voor drie personen met twee hele liters Coca Cola bedroeg maar liefst 3,5 euro.

De weg van Miandrivazo naar Antsirabe hadden we vorige week dinsdag in omgekeerde richting afgelegd, maar het blijft een heerlijke weg om te rijden. Lange doordraaiende bochten worden afgewisseld met pittige klimmetjes en steile afdalingen. Jammer dat je hier niet zelf mag sturen.

Op 150 kilometer van Antsirabe wordt het landschap een stuk bergachtiger met de meest fantastische vergezichten. Soms lijkt het of een berg is open gebarsten als een stuk overrijp fruit waarbij het rode vruchtvlees zichtbaar wordt, terwijl het iets verder lijkt alsof er een groen vilten kleed over een enorme golfplaat is gedrapeerd.

We genieten volop van alles om ons heen en stoppen alleen nog om een paar foto’s te maken en om even van de weg af te gaan omdat er daar een stuk weg weg is.
Dit rit van vandaag verliep helaas niet helemaal vlekkeloos, want er was onderweg nog wel een dodelijk slachtoffer te betreuren. Toen we door Matombo reden stond er een kippetje op de weg die twijfelde tussen oversteken en terug lopen. Deze twijfel werd het kippetje fataal. Het linkervoorwiel wist het kippetje nog te ontwijken, maar het linkerachterwiel maakte een pastei-vulling van het kippetje. Hopelijk eten ze er daar goed van vanavond.

Om 16:30 uur zijn we terug in ons favoriete hotel Couleur Cafe. We gooien onze spullen op de kamer en nemen een versnapering in de binnentuin.

Madagascar 2

Dinsdag 23 oktober

Vandaag beginnen we aan de tweede week van onze vakantie en konden we lekker uitslapen want de rit naar Ambalavao (of Ambalavalo zoals Diana steeds zegt) duurt maar drie uurtjes. Helaas moest de eigenaar van ons hotel vroeg naar Fianar, dus liet hij zijn medewerker ons om 06:30 uur wekken. Later bleek dat de eigenaar nl. zelf met ons wilde afrekenen. Na een paar schreeuwen van ons was het geklop snel afgelopen en hebben wij ons nog even omgedraaid.
Uiteindelijk zaten we om 08:00 uur aan ons ‘eigen’ tafeltje op het mooie terras met prachtig uitzicht op o.a. de Ravinala (travelerspalm), het nationale symbool van Madagascar. Het ontbijtje smaakt weer heerlijk, maar dat kan ook niet anders op deze plek.

Om 09:00 uur zitten we weer in onze Landcruiser en gaan we op weg naar Ambalavao. We stoppen nogmaals bij de waterval buiten Ranomafana omdat deze in het ochtendlicht er een stuk beter uitziet. We gaan over dezelfde weg als we gekomen zijn naar Fianar en daar stoppen we nogmaals bij het Zomatel om wat te drinken.

De dinsdag is één van de twee grote marktdagen en dat is toch nog wel een verschil met hetgeen we hier een paar dagen geleden hebben gezien; de wegen rondom de vaste markt staan allemaal vol met stalletjes.

We nemen wat te drinken bij het Zomatel en gaan daar naar de bank om nog een keer goed te cashen. De komende week zullen we nl. geen banken meer tegenkomen. Vervolgens besluiten we nog maar eens contact op te nemen met Mora-travel i.v.m. ons gewijzigde programma. Bij de tweede poging krijgen we iemand aan de lijn die Engels spreekt en dan wordt duidelijk dat Andringitra er niet inzit met onze Landcruiser; de wegen ernaar toe zijn te slecht. Natuurlijk hebben wij een alternatief achter de hand. We willen dan op 27 oktober in Fianar slapen zodat we deze stad eens serieus kunnen bezichtigen en een extra nacht in Antsirabe zodat we daar voldoende tijd hebben om de stad te bezichtigen en een bezoek te brengen aan het kratermeer in de buurt. We geven de gewenste hotels door en wachten maar weer af

Met een dik pak geld op zak en een bord friet achter de kiezen gaan we rond 13:30 uur verder richting Ambalavao en het valt ons op dat de lucht in het zuiden er erg donker uitziet. Als dat maar goed gaat.
Onderweg zien we de omgeving langzaam veranderen, de rijstvelden maken plaats voor graslanden en in de verte is het Andringitra massief te zien. Het ziet er onheilspellend uit met de donkere lucht erboven.
15 kilomter voor Ambalavao spatten dan de eerste druppels op de voorruit en kunnen we niet meer ontkomen aan onze eerste vakantiebui. De druppels zwellen in korte tijd aan tot een enorme bui waar de ruitenwissers van onze Landcruiser geen raad mee weten Als vervolgens het water aan de bovenkant van de deur bij Rob naar binnen begint te stromen, lijkt de zondvloed echt begonnen. Niet veel later begint het ook te lekken bij één van de achterdeuren en als klap op de welbekende vuurpijl komen er ook straaltjes bij de voorruit aan de kant van Jean naar binnen. Het is maar goed dat we met deze auto niet in het regenseizoen hoeven te reizen. Inmiddels licht Diana op de achterbank dubbel van het lachen en rollen de tranen over haar gezicht. Het is al-met-al ook best wel komisch, zeker wanneer de bui na een minuut of vijf al weer begint af te nemen om vervolgens even plots te eindigen als die is begonnen. De doeken waarmee we deze watersnood hebben proberen te bestrijden kunnen worden uitgewrongen en we gaan verder alsof er niets gebeurd is.

Vlak voordat we in Ambolavao aankomen stop Jean nog bij een winkeltje en koopt daar een leeg waterflesje en laat deze volgooien met benzine. We durfen niet meer te vragen waar dit voor is, maar hij lijkt op alles voorbereid.
Wanneer we Ambalavao binnenrijden zien we dat daar geen druppel is gevallen. Een typisch geval van een lokale bui.

Nadat we onze spullen op de kamer hebben gegooid gaan we Ambalavao verkennen. Het is een stoffig dorp waar de markt een belangrijke plek inneemt. Helaas is er op dit moment niet veel te doen. Ook de enorme kerk valt op omdat deze veelt te groot lijkt voor dit plaatsje. Inmiddels hebben we wat schroom van ons afgegooid en eten de lekker hapjes die op straat worden bereid en ook voor het avondeten gaan we ‘s-avonds de stad weer in om bij een leuk hotely plaats te nemen. Ondanks dat we ‘s-middags op de markt hebben kunnen aanschouwen hoe men hier met vlees omgaat, durft Rob het toch aan om een paar worstjes te bestellen. Ze smaken heerlijk en hopelijk denken zijn darmen daar morgen ook zo over.

Woensdag 24 oktober

De regenbui die wij gisteren over ons “vergiet op wielen” heen kregen was niets in vergelijking met wat er de afgelopen nacht over ons heen is gekomen. Op een gegeven moment was het lawaai van de regen op het metalen dak zo luid dat we niet meer konden slapen en enige tijd onder onze klamboe hebben zitten wachten of er misschien een oproep zou komen om in de boot te klimmen. Wat een enorme hoeveelheid water kwam er naar beneden.
Toen we vanochtend naar het restaurant liepen voor een ontbijtje was de lucht nog steeds erg grijs, maar het regende gelukkig niet meer.

Vandaag was het marktdag in Ambalavao en wij zijn hier vooral heen gegaan vanwege de zebu-markt. Vele honderden zebu’s worden van heinde en ver hier naartoe gebracht om verhandeld te worden. De markt ligt net iets buiten de stad en we laten ons er door Jean afzetten. Voor de zekerheid nemen we de regenjassen mee.
Eerst is het nog wel wat onwennig en zijn we voorzichtig omdat de hoorns van een zebu indrukwekkende maten aan kunnen nemen. We lopen wat over het marktterrein en gedragen ons na verloop van tijd eigenlijk net als de andere potentiele kopers, want ook wij bekijken en beoordelen de zebu’s. Het enige verschil is dat wij dit doen om te zien of het een leuk plaatje kan opleveren.
De zebu’s staan bij hun eigenaren, verdeeld over het marktterrein en bij elk groepje zebu’s lopen een aantal jongen met stokken te zwaaien om de groepjen zebu’s bij elkaar te houden. Soms gaat dat mis en stuift er een zebu over het marktterrein richting een andere groep en dan springen wij toch wel even achter de hekken.

Wanneer we nog maar net op de markt zijn komen er twee kleine meiden naar ons toe lopen en elke foto die Diana van de Zebu’s nam wilden ze zien. Natuurlijk wilden ze ook zelf op de foto. We dachten de meiden kwijt te kunnen raken door ze een paar potloden te geven, maar ze wilden van geen wijken weten; waar wij gingen liepen zij ook.
Wat het fotograferen betreft is Madagascar een heel ander land dan vele andere vakantielanden van ons. Hier willen ze maar wat graag op de foto. Kinderen, vrouwen en zelfs volwassen kerels vragen aan Diana of ze een foto van hun wil maken en vooral ook even terugzien natuurlijk. Gelukkig kun je digitale foto’s ook weer makkelijk weggooien!

Na de zebu-markt brengen we ook nog even een bezoekje aan de ‘normale’ markt. Deze markt is enorm en vooral de kleding-afdeling valt op door zijn omvang. Verder is er natuurlijk groente en vlees, maar ook een grote non-food sectie waar de led-lampen goed vertegenwoordigd zijn. Dichter bij de hoofdstraat zit er een hele naai-afdeling op straat waar je terecht kunt voor al je verstelwerk.

Het is op deze marktdag enorm druk in Ambalavao (waarschijnlijk te vergelijken met de hoofdstraat op een koopzondag). Later op de middag zie je velen met de spullen die ze op de markt gekocht hebben op weg gaan naar het taxi-brousse station van Ambalavao. We blijven even staan op het taxi-brousse station om ons te verwonderen over de hoeveelheid mensen en spullen die ze in één klein minibusje weten te proppen. Dat staat ons ook nog te wachten!

Het bezoek aan de markten maakt dorstig, dus we gaan naar onze favoriete hotely Poupoune voor een drankje en nemen er gelijk een lekker omelette met een vers stokbroodje bij. Na deze versnapering duiken we even een internetcafe in omdat we de weerssituatie willen bekijken i.v.m. ons bezoek aan Anja Nationaal Park. Volgens de weersite zou het morgen iets beter weer moeten zijn dan vandaag dus we besluiten om morgen naar Anja NP te gaan. Dit moeten we natuurlijk nog wel even aan Jean vertellen, want hij denkt dat we vanmiddag gaan.

s’-Middags hoeven we dus nergens heen en lezen we wat op het ’terrasje’ voor ons huisje. Ook lopen we nog even de stad in om een mailtje naar Mora-travel te sturen en deze blog bij te werken.  Bij Poupoun drinken we nog een biertje en luisteren naar een verhitte discussie van een paar Amerikanen over de presidentsverkiezingen.
In de loop van de middag wordt de lucht steeds helderder, dus we lijken de juiste beslissing genomen te hebben t.a.v. het bezoek aan Anja NP.

‘s-Avonds gaan we voor de laatste keer naar Poupoune om er eten. Omdat we er al voor de vierde keer waren kregen we een colaatje kado. Het eten smaakt wederom voortreffelijk en kost niet veel. Even wat prijzen op een rijtje.
Flesje cola: 50 cent
Flesje bier: 70 cent
Omelette: 1 euro
Portie nasi: 1,50 euro
Zebu brochette: 3 euro
Kopje thee: 50 cent
Zoals je kunt zien vallen de dagelijkse uitgaven wel mee, zelfs goed betaalbaar met onze karige ambtenarensalarissen. Op een ‘normale’ dag geven we met z’n tweeen 25 euro uit en als we een  (verplichte) gids nodig hebben in een Nationaal Park zijn we tussen de 10 en 25 euro extra kwijt.

Donderdag 25 oktober

Ook vannacht had het weer stevig geregend, al was het niet zo’n kabaal als gisteren, maar ook nu was het weer droog toen wij gingen ontbijten. Na een croissantje, stokbroodje en een een sloot thee, pakken we onze spullen in en laden we alles weer in de auto. Op weg naar Ranohira, maar met een tussenstop in Anja Nationaal Park. Jean had inmiddels weer een gids geregeld.

Het park ligt maar 15 kilometer buiten Ambalavao, dus we stonden al snel aan het begin van de betrekkelijk korte trail. Samen met onze gids en zijn hulpje gingen we op pad. Al snel hadden we het eerste wild gespot; een groep Ring Tail Lemurs hing een beetje rond in de bomen en maakte helemaal geen aanstalte om te vluchten toen wij kwamen aangelopen.
Alle gelegenheid dus om een paar kiekjes voor het famliealbum te maken; eentje hoog in de boom, eentje op de grond, eentje aan de boomstam en eentje posserde zelfs potsierlijk tussen een paar boomstammetjes. Onze dag kon al niet meer kapot.

We liepen verder en zagen niet veellater een mooie groene kameleon; die konden we ook weer afvinken.
Even verderop weer wat ringstaart lemuren, maar toen was het even gedaan met de beesten. Onze gids nam ons mee langs een route met mooie uitzichten. Daar moest je wel wat voor doen: stijle granietrotsen beklimmen, wankele stenen trappetjes op, gebukt door grotten heen en zelfs een klein stukje abseilen langs een touw met dikke knopen.
De route leidde ons niet alleen naar mooie uitzichtpunten, maar we kwamen ook heel dicht bij een tweetal rots-graven die al vele generaties door de mensen uit deze omgeving worden gebruikt en zelfs nog steeds in gebruik zijn.

Aan het eind van onze tocht werden we toch nog verrast met een grote groep ringstaartlemuren die we heel dicht konden naderen. Deze groep bestond niet alleen uit volwassen dieren, maar er zal zelf jonkies bij in alle leeftijden. We wilden hier nog wel een tijdje blijven hangen, maar we wisten ook dat we nog een hele rit voor de boeg hadden, dus hebben we ons maar los gerukt van dit schattige gezelschap en zijn we naar de wagen gelopen. Na ruim twee uur stonden weer op de parkeerplaats, klaar voor het volgende deel van de rit.

Toen we afscheid namen van onze gids, zei hij nog dat vanaf hier het zuiden zou beginnen Hiermee bedoelde hij dat weer en landschap zouden gaan veranderen. Het weer zagen we nog niet zo hard veranderen, maar het landschap werd echt anders. Soms had je het gevoel dat je in Arizona of Utah reed en dat je zo een bordje met Grand Canyon tegen kom komen. De vlaktes worden uitgestrekter, af en toe onderbroken door een enorme granieten heuvel of heuvels. De rijstvelden waren verdwenen en hadden plaatsgemaakt voor een soort steppe-landschap.

Na een tweetal uurtjes rijden stopten we in Ihosy voor de lunch en op dat moment begon ook de lucht weer open te breken en kwamen grote blauwe vlakken tevoorschijn. De rest van de rit zette dit door en tegen de tijd dat we in Ranohira aankwamen was het alweer pittig warm.

Bij ons hotel spraken we een gids van het Isalo Nationaal Park en hij heeft ons uitgelegd welke mogelijkheden wij morgen hebben. We maken een afspraak wat we willen zien en spreken morgen om 07:30 uur met hem af.

We hebben nauwelijks de tijd voor een versnapering, want om 16:00 uur gaan we al weer op pad naar een plek die fenetre d’Isalo heet en waar je een mooie zonsondergang kunt meemaken. Voordat we daar zijn bezoeken we nog een mini-museum waar e.e.a. wordt uitgelegd over het ontstaan van dit gebied.
Om 17:00 uur zijn we bij het fenetre en wachten we tot de zon ondergaat. Een perfecte zonsondergang gaan wij niet meemaken, want er ligt een te dik pak wolken op de horizon. Het is hier wel mooi en het geeft ons alvast een voorproefje van wat we morgen hopelijk ook zien. Na een paar foto’s te hebben gemaakt van de bijna-zonsondergang gaan we weer terug naar Ranohira.

Vrijdag 26 oktober

06:30 uur en daar ging de wekker weer. We gaan vandaag een trek maken in Nationaal Park Isalo en dat betekent dat we weer vroeg aan de bak moeten. Omdat er in dit hotel alleen maar electriciteit is tussen 16:00 uur en 20:00 uur konden we ons haar niet fohnen deze ochtend.
Even snel een ontbijtje naar binnen duwen en om 07:30 staan we met onze gids al in het administratiekantoor van het park om de formaliteiten te regelen (lees: betalen).

Jean brengt ons met de auto naar het startpunt van de trek en daar gaan we dan. Het begint gelijk met een stevige klim en aangezien wij allebei van het rustig inlopen zijn, valt dat niet mee. Bovendien is het vandaag weer een bijzonder mooie dag, dus dat kan nog wat worden.
We krijgen gelijk al weer de nodige uitleg over een aantal endemische planten, een paar vogels en een stel parende wandelende takken (of is het: wandelende parende tak?).

Vervolgens klimmen we naar een uitkijkpunt vanwaar we een prachtig uitzicht hebben op de rotsformaties in dit fantastische park. Als je wat door de wimpers kijkt lijkt het wel wat op de Grand Canyon. Hierna vervolgen we onze tocht naar het Piscinne Naturelle waarbij we onderweg nog een kameleon tegen komen.
Het natuurlijke zwembad is een idyllisch plaatsje in deze verzengende hitte. Wij gaan hier nog niet uit de kleren, maar wachten tot de poeltjes die we later op de dag nog tegen komen.

Na even genoten te hebben van deze mooie plek gaan we verder. We lopen de weidse vlakte in die zich tussen een tweetal kleine bergketens bevindt. We kunnen niet genoeg krijgen van de vergezichten en we staan continue stil om om ons heen te kijken; we komen ogen te kort. Daarna klauteren we één van de bergen op om vanaf een uitzichtpunt de omgeving te kunnen bewonderen. Hierna klauteren we weer naar beneden en gaan een canyon in die fris groen is en waar mooie palmen langs een klein stroompje staan. We volgen het stroompje tot bij een campsite waar we genieten van ons meegebrachte lunchpakket: stokbroodje met la vache qui rit.

Na deze uitgebreide lunch is onze volgende stop bij de piscine blue en de piscine noir. Omdat er al een tweetal toeristen bij het blauwe zwembad liggen, gaan wij naar de zwarte. Wanneer Rob zijn grote teen in het water houdt heeft hij het al in de gaten; dit is eigenlijk onverantwoord zwemwater, zo koud! Hier zou je Marga nog niet insturen.
Omdat je hier toch wel een leuk plaatje kon schieten voor het vakantiealbum gaat hij uiteindelijk, met gevaar voor eigen leven, het water in. Het hart slaat een paar slagen over en adem halen lukt even niet meer. Wanneer ook de meeste spieren beginnen te verkrampen is het tijd voor Diana om het water in te gaan. Nadat zij dezelfde ervaring heeft ondergaan, kleden we ons weer aan voor de rest van onze wandeling.

We klauteren weer omhoog naar een uitzichtpunt op de ander berg met weer hele andere uitzichten en daarna gaan we als laatste naar de cascade de nymphe, een watervalletje op wederom een prachtige lokatie in de canyon. Hierna weer omhoog klauteren naar de campsite die we eerder hebben aangedaan en vandaar naar de parkeerplaats waar Jean al op ons staat te wachten. We zijn 6 uur onderweg geweest in de prachtige omgeving van Nationaal Park Isalo, maar de hitte heeft het wel zwaar gemaakt.

Net als we willen wegrijden spot onze gids nog een kameleon, dus we springen nog even snel de auto uit om ook deze nog te bewonderen.
Terug in Ranohira nemen we een lekkere halve liter (of eigenlijk 65cl) gerstenvocht, want dat hebben we wel verdiend. Daarna lopen we nog door de ‘hoofdstraat’ van dit plaatsje en tot onze verbazing komen we nog en internetcafe tegen. De verbinding is waardeloos, maar net genoeg om een mail van Mora-travel te lezen. Er wordt hier overal gebruik gemaakt van het AZERTY toetsenbord in plaats van ‘ons’ QWERTY toetsenbord en dat geeft veel zoekwerk bij het typen.
‘s-Avonds eten we bij het hotel waar Diana een spaghetti neemt om de voedingsstoffen weer aan te vullen (en omdat ze het lekker vindt) en besteld Rob een Cicken Curry. Het blijkt echter een Madagassische kip te zijn met veeeeeeeeeeeeel te veel vlieguren. Die kan naar de kat!

Zatersdag 27 oktober

Met Ranohira hadden we het zuidelijkste punt van onze expeditie bereikt en vandaag gingen we via Ambalavao weer terug naar Fianarantsoa.
De matrassen bij ITC waren van een soort schuimrubber dat absoluut geen steun gaf, dus de nacht duurde voor de rug een paar uurtjes te lang.

We vertrokken net voor 08:00 uur wisten dat we zo’n 4 uur nodig zouden hebben naar Ambalavao. We gingen over dezelfde golvende en slingerende weg als we heen waren gekomen, maar het ziet er toch weer anders uit, helemaal omdat dit keer de zon veel meer scheen.  Omdat deze weg ook de aanvoerroute is voor de zebu’s naar de markt van Ambalavao wordt daar zelfs met borden voor gewaarschuwd. Genoeg over dit traject, maar voor meer details over de route kun je altijd nog bij dinsdag 24 oktober kijken.

Tegen twaalven waren we in Ambalavao en daar hebben we bij Poupoune geluncht. Het valt op hoe rustig het nu is, in tegenstelling tot de vorige keer dat we hier waren.
Om 12:30 uur stapten we al weer in voor het laatste uur van onze rit en om 13:45 checkten we in bij het Zomatel.
De oplettende volger zal in de gaten hebben dat we de komende twee dagen afwijken van het originele programma. We zouden vandaag en morgen naar Soatanana gaan, maar vanwege het uitvallen van de trein naar Manakara zijn we daar vorig weekend al geweest. Vandaag slapen we dus in Fianar en morgen een extra nacht (totaal 3) in Antsirabe zodat we daar een dag extra hebben voor de stad en de omgeving.

Nadat we wat gedronken hadden bij het Zomatel hotel zijn we nog even Fianar ingelopen, maar aangezien dit een enorme grote, uitgestrekte stad is hebben we maar een klein stukje gezien. Fianar is net als Tana een opeenvolging van bergen en dalen en aangezien ons hotel in het hoogste deel, Haute Ville genaamd, ligt hebben we nog wel wat kunnen genieten van de uitzichten op de rest van de stad.

De kamer van het Zomatel heeft wel wat Zuid Koreeanse trekjes. Zo is er een goede wifi-verbinding, hangen er overal breedbeeltelevisies en is de douche voorzien van massage-stralen. We zullen ons hier wel een nachtje vermaken!

Zondag 28 oktober

In Nederland heeft de nacht een uurtje langer geduurd en daar hebben wij ons van harte bij aangesloten. Vandaag gaan we nl. pas om 09:00 uur op pad, maar niet nadat we eerst een ontbijtje hebben gehad met de grootste croissants die we ooit gehad hadden (en nog warm ook). Dit hotel is niet erg sfeervol, maar heeft wel de beste faciliteiten tot nu toe.

Aangezien het zondag is zouden we eigenlijk naar de kerk willen, maar omdat we vorige week nog naar de mis waren geweest vonden we dat we dit keer konden overslaan. Veel Madagassiers denken daar anders over want overal lopen mensen op hun paasbest over de weg naar de dichtst bijzijnde kerk; we komen zelfs een processie van wel honderd meter tegen.

De zondag is niet voor iedereen een rustdag, want er zijn veel mensen gewoon aan het werk. Zo is er net buiten Fianar veel bedrijfigheid bij de steenbakkers. De stenen worden hier, als het ware, uit de klei langs de kant van de weg gestoken en nadat ze eerst in de zon zijn gedroogd worden ze vervolgens op een ingenieuze wijze gestapeld tot een soort bunker, soms wel zo groot als de huizen hier. Onderaan deze bunkers van stenen zijn ruimtes gelaten waar een vuurtje wordt gestookt om zo de stenen af te bakken; de warmte verspreid zich door de ‘schoorsteentjes’ die bij het stapelen zijn gemaakt. Wanneer de stenen weer zijn afgekoeld worden ze op alle mogelijke manieren vervoerd: op vrachtwagens, in handkarren en op het hoofd komen de stenen voorbij.

Ook wordt er een beetje gesport op zondag. Zo zien we een peletonnetje wielrenners achter elkaar aan een berg beklimmen en zijn we in het voorbij gaan getuige van een voetbalwedstrijd.
Niet alles is even ontspannend, want we zien ook jochies die de gaten in de weg proberen te repareren door ze vol te gooien met puin en zand. Je zou denken dat de overheid daar een taak zou hebben.
De RN7 valt een beetje tegen nu we in omgekeerd richting rijden. Waarschijnlijk hadden we op de heenweg de slechte stukken in de weg niet eens in de gaten omdat we nog zo vol waren van alles om ons heen.

Hoe dichter we bij Ambositra komen, hoe bergachtiger het weer wordt. Zo’n 30 kilometer voor Ambositra stoppen we bij het gehuchtje Ambofitoranana om even over de zondagmarkt te lopen. het lijkt erop dat alle inwoners van dit dorpje hier rondlopen; wat een drukte. Op zo’n afgelegen markt zijn wij weer eens degenen die bewonderd worden. De hoofdjes blijven maar omdraaien als je langs loopt. De camera van Diana is ook een bezienswaardigheid, het lijkt erop dat ze zoiets nog niet eerder hebben gezien.
Uiteindelijk komen we na bijna 4 uur in Ambositra waar we even gaan lunchen bij hotel l’Artisan.

Als we goed en wel op weg zijn na de lunch worden we weer eens aangehouden bij een politie checkpost. Een indrukwekkend forse agent vraagt ons dit keer zelfs om de tassen te openen. Het lijkt geen goed ide dit te weigeren. Later verteld hij dat er vaker toeristen worden gecontroleerd omdat er een keer een mafkees een beest mee wilde smokkelen.

De rest van de rit naar Antisirabe vallen de zwart geblakerde hellingen weer op; het blijft een rot gezicht. Naarmate we dichter bij Antsirabe komen begint de lucht donkerder te worden en vlak voor we deze stad binnenrijden vallen de eerste druppels op de voorruit.
De aankomst bij hotel Couleur Cafe valt een beetje in het water, maar de kamer maakt veel goed; wat een sfeervol hotel is dit, hier zou je wel een week kunnen zijn!

Antsirabe is de stad van de pousse-pousse, een soort riksja, dus konden we niet anders dan in het gelijknamige restaurant gaan eten. Je zit er achter de tafel in het zitgedeelte van zo’n pousse-pousse. Het restaurant blijkt niet alleen een grappige inrichting te hebben, maar het is ook nog eens voortreffelijk. Na de rit van vandaag ging het erin als Ketellapper.

Maandag 29 oktober

Antsirabe ligt in een bergachtig gebied op ruim 1400 meter en wordt gezien als de koudste plaats van Madagascar. Daar zijn wij het na vannacht wel mee eens, want wij hebben vannacht zelfs onder een dekbed geslapen.
Vandaag hebben we de hele dag in de pousse-pousse city. Antsirabe is echter niet alleen de stad van de pousse-pousse, het is ook de stad van het Three Horses Beer. De brouwerij van dit gerstenat staat nl. in deze staden dan is het ook nog de stad van VizyGazy, maar wie is er nou geinteresseerd in water met belletjes?

Na een fantastisch ontbijt gaan we vanochtend eerst naar een tweetal meren die net buiten de stad liggen. Jean staat al weer op ons te wachten en met een half uurtje staan we aan de rand van het Lac Andraikaba. Dit is het grootste van de twee meren, maar eigenlijk ook de minst interessante. Het stikt hier van de toeristen-stalletjes waar vooral wordt geprobeerd (edel)stenen te verkopen. Wij zijn zo vroeg dat de meeste stalletje nog open moeten gaan en we dus bijna geen last hebben van de verkopers. Hier geldt blijkbaar nog het aloude maandag, wasdag, want langs de kant van het meer zit een groep vrouwen de was te schrobben.

We blijven maar even bij dit meer en gaan al snel door naar Lac Tritiva. Hoewel, echt snel gaat het niet want de 10 km er naar toe gaat over een slechte weg.
Onderweg zien we een Fransman bezig om de afstand naar het meer hardlopend af te leggen, vergezeld door zijn vriendin op een fiets. Het is jammer dat we onze schoenen niet niet bij ons hebben, want dan hadden we hem kunnen vergezellen.
Na ruim een half uur hobbelen komen we bij het turquoise gekleurde vulkaanmeer aan. Wanneer we de auto uitspringen worden we gelijk  omringd door scholieren die ook al proberen gepolijste stenen te verkopen om op die manier hun school te bekostigen.

Wij lopen eerst naar het hoogste uitzichtpunt bij het meer en beginnen dan aan een rondje er omheen. Volgens de legende is een verliefd stel dat niet met elkaar mocht trouwen, in het meer gesprongen en verdronken, maar wanneer wij over het paadje langs het meer lopen zou het best wel eens kunnen zijn dat die twee zijn uitgegleden over de basalt korreltjes die op het paadje liggen, dat overkomt ons nl. ook een paar keer.

We hebben ongeveer een half uurtje nodig om rond het meer te lopen en gaan dan weer met Jean op weg naar Antsirabe. Even verderop komen we de Frans hardloper weer tegen die ditmaal aan het wandelen was, de jankerd!
Terug in Antsirabe laten we ons bij de BNI bank eruit gooien en gaan we eens ervaren hoe erg het met de bureaucratie gesteld is in Madagscar. We hebben nl. ook nog wat cash euro’s bij ons en willen daar wat van omwisselen.
We lopen naar een balie en vragen waar we moeten zijn. We worden doorverwezen naar een loketje verderop waar we ons paspoort mogen inleveren. Ons paspoort komt achteraan een rijtje identiteitsbewijzen met ingevulde papiertjes en we vermoeden dus dat het wel even gaat duren.
Dan zien we plots een andere medewerker ons paspoort uit het rijtje papieren weghalen en zonder iets te zeggen loopt hij ermee naar achteren. Een vijftal minuten later verschijnt die man achter het loket met ons paspoort en een kopie en geeft deze aan zijn collega, waarna wij vervolgens als eerste worden geholpen. Wel een beetje lullig voor al die mensen die al een tijd in de rij staan, maar wij hebben relatief snel ons geld.

Met het pak papiergeld en het paspoort in de hand vluchten we even een cafeetje in en fatsoeneren daar onze administratie. Dit is gelijk een mooi moment om even een drankje en een hapje te nuttigen.
Na deze opkikker gaan we op zoek naar de beste plek voor een pousse-pousse foto,maar daarvoor kun je eigenlijk elke willekeurige plek in Antsirabe kiezen. Er zijn er honderden, zoniet duizenden in deze stad.
Hierna gaan we even terug naar het hotel om wat duiten in veiligheid te brengen en de ansichtkaarten op te halen.

Iets na tweeen staan we bij het postkantoor waar we naar het loket voor de grote afnames gaan. We krijgen twee stapeltje postzegels mee en staan ons, in een hoekje van het postkantoor suf te likken, want stickerzegels kennen ze hier nog niet. Nog even alles geconroleerd en de stapel in de bus gegooid. Volgens een medewerkster zouden de kaarten er zo’n tien dagen over doen, dus houdt de bus in de gaten.

Nadat deze last van onze schouders is, slenteren we nog wat door Antsirabe. We komen langs de kathedraal, bezoeken een marktje en genieten vooral van het leven op straat; het is hier heerlijk vertoeven……….althans, waneer we niet steeds lastig gevallen worden door de pousse-pousse’ers die ons zo graag in hun karretje willen hebben: “madame pousse-pousse?” waarop wij natuurlijk steeds zeggen dat we geen pousse-pousse nodig hebben. “Apres, later?”, waarop wij soms reageerden met “maybe”. Vervolgens hoor je dan “Jean-Claude numero 5” of  “Stefano numero 6” en “remember me” meestal gevolgd door “a tout a l’heure”. Op een gegeven ogenblik heb je het dan wel gehad met ze, maar ook wij ontkomen er niet aan om af en toe plaats te nemen in hét vervoermiddel in Antsirabe.
Wanneer het aan het eind van de middag opeens begint te regenen wanneer wij op straat lopen, zijn we maar wat blij dat er net een pousse-pousse naast ons staat. We duiken erin, de ‘chauffeur’ trekt een dekje over ons heen en brent ons droog naar het hotel, terwijl hijzelf zeiknat wordt. Hij heeft een dikke fooi verdiend.

Om 18:00 uur wordt er op de deur geklopt. Het blijkt Jean te zijn en hij komt melden dat de aflossing er is. De chauffeur van Mad Cam, de organisatie waarmee we komende week op stap gaan, is gearriveerd en hij wil ons even aan hem voorstellen. Voor ons is dit een goed moment om Jean zijn fooi te geven, want wij zullen hem hierna waarschijnlijk niet meer zien. We bedanken hem en wensen hem het beste.
Op de parkeerplaats ontmoeten we onze nieuwe chauffeur. Hij is een stuk groter dan Jean en heeft een bijpassende, grotere Landcruiser. We praten wat over de komende week en spreken af dat we morgen om 09:00 uur vertrekken naar Miandrivazo.